Ongecorrigeerd stenogram



Dovnload 330.53 Kb.
Pagina1/9
Datum25.07.2016
Grootte330.53 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9

ONGECORRIGEERD STENOGAM

(Aan dit verslag kunnen geen rechten worden ontleend)


ONGECORRIGEERD STENOGRAM

(Aan dit verslag kunnen geen rechten worden ontleend)


*0: OSV

*1: 2005-2006

*2: 20

*3: WordXP



*4: Stenografisch verslag van een notaoverleg van de algemene commissie voor Integratiebeleid

*5: Maandag 12 december 2005

*6: 10.00 uur

*7:

*8: Nr.

*10: 1 Samenstelling:


**

VERSLAG VAN EEN NOTAOVERLEG


De algemene commissie voor Integratiebeleid <1> heeft op 12 december 2005 overleg gevoerd met minister Verdonk voor Vreemdelingenzaken en Integratie over Integratiebeleid over de Jaarnota Integratiebeleid (30304).
Van het overleg brengt de commissie bijgaand stenografisch verslag uit.
De voorzitter van algemene commissie voor Integratiebeleid,

Kalsbeek
De adjunct-griffier van algemene commissie voor Integratiebeleid,

De Groot

**

Voorzitter: Kalsbeek


Aanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Kalsbeek, Dijsselbloem, Lambrechts, Van de Camp, Hirsi Ali, Azough, Varela, Huizinga-Heringa en Kant,
en mevrouw Verdonk, minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, die vergezeld is van enige ambtenaren van haar ministerie.
De voorzitter: Ik open de vergadering en heet de minister en haar medewerkers van harte welkom en eveneens de mensen op de publieke tribune. Voor de mensen thuis: dit overleg duurt van 10.00 uur tot 17.00 uur. De fracties hebben uiteenlopende spreektijden. Ik excuseer mij dat ik van 11.15 uur tot 12.15 afwezig zal zijn. De heer Dijsselbloem zal dan voorzitten.

**
Aan de orde is de behandeling van:



- de Jaarnota Integratiebeleid 2005 (30304);

- het beleidsartikel 16 Integratie van de Rijksbegroting Justitie (30300 VI);

- de brief d.d. 22 september 2005 met de Kabinetsreactie op het RMO-advies 'Eenheid, verscheidenheid en binding'(30304, nr. 4);

- de brief d.d. 6 oktober 2005 inzake de Kwalitatieve rapportages inburgering oud- en nieuwkomers 2004 (30304, nr. 3)

- de brief d.d. 3 november 2005 inzake reactie op de Integratiebarometer (30304, nr. 6)

- de brief d.d. 24 oktober 2005 inzake het bespreekbaar maken van homoseksualiteit in etnische kring (27017, nr. 13).
De heer Dijsselbloem (PvdA): Voorzitter. Tijdens dit integratiebegrotingsdebat zal ik de vraag centraal stellen hoe het eigenlijk gaat met de integratie in Nederland. Wij hebben een heftig debat, dat loopt nog steeds. Wij hebben forse polarisatie en wij hebben volop aandacht vanuit het buitenland voor wat er in Nederland gaande is. Zijn er echter ook positieve ontwikkelingen in gang gezet? Zijn er trends gekeerd? Is er beleid van de grond gekomen? Wat zijn de resultaten? Buiten kijf staat dat de minister zich zeer inspant om immigratie zo veel mogelijk aan banden te leggen en veel mensen te laten terugkeren naar het land van herkomst, maar in dit debat gaat het daar niet over. Het gaat over de integratie van die mensen die in Nederland blijven, die onderdeel zijn van onze samenleving. Het gaat dus over de mate waarin migranten en hun kinderen erin slagen om op vele maatschappelijke terreinen een gelijkwaardige positie te verwerven. Is de sociale cohesie versterkt? Zijn wij met ons allen aan het werk gegaan? Is het aantal inburgeringscursisten daadwerkelijk gestegen? Is het aantal vroegtijdig schoolverlaters verminderd? Et cetera. En natuurlijk is er de belangrijke vraag wat de minister daaraan heeft kunnen bijdragen.

Gelukkig zijn er onafhankelijke rapportages met relevante kengetallen. Die staan vandaag ook op de agenda. Daaruit komt een beeld naar voren waarbij bijna alle kengetallen op rood staan. De werkloosheid onder niet-westerse allochtonen is weer fors gestegen. Zij is onder allochtone jongeren nog steeds drie tot vier keer zo hoog als gemiddeld, namelijk 23%. Jongeren met een rare achternaam die het wel goed doen op school hebben vervolgens moeite om een stageplaats te vinden. Jongeren die die stageplaats dan toch hebben afgerond, hebben moeite om op gesprek te komen voor een vacature.

De Armoedemonitor toont eenzelfde beeld: drie tot vier keer zoveel armoede onder migrantengemeenschappen. Hoewel de onderwijsprestaties van Marokkaans- en Turks-Nederlandse kinderen de afgelopen jaren snel zijn verbeterd, is de gemiddelde achterstand aan het einde van de lagere school nog steeds twee, respectievelijk tweeënhalf jaar. In Amsterdam mag een kwart van de basisschoolleerlingen aan het eind van de basisschool niet meedoen aan de Cito-toets omdat zij simpelweg niet voldoende niveau hebben gehaald. Een kwart van alle basisschoolleerlingen in Amsterdam! Die kinderen kunnen dus nog naar de praktijkschool of naar het onderste deel van het vmbo. Over vier jaar staan zij op straat en misschien al eerder. Misschien zijn zij wel een van 64.000 vroegtijdig schoolverlaters. Dat cijfer van 25% is overigens een forse stijging ten opzichte van de afgelopen jaren. Het is een trend die echt de verkeerde kant op gaat. Wij kunnen daar niet in berusten.

Doordat het aantal nieuwkomers de afgelopen jaren fors is gedaald, zou het mogelijk moeten zijn geweest het aantal inburgeringscursussen voor oudkomers te verhogen en daarmee een begin te maken met een enorme inhaalslag die wij nog te maken hebben op dit punt. Dat is niet gebeurd, stel ik vast, ondanks de toegenomen animo onder oudkomers. Volgens de kwalitatieve rapportage die wij hebben ontvangen staan ongeveer tienduizend oudkomers structureel op wachtlijsten in de grote steden. De totale groep van die inhaalslag volgens de nieuwe wet bedraagt ongeveer een half miljoen oudkomers. Op dit moment volgen twintigduizend oudkomers een inburgeringscursus. Dus dat loopt lekker in. De resultaten van de inburgering zijn nog altijd te laag en veelal onvoldoende om door te stromen naar een vervolgopleiding. Een kabinetsperiode is bijna verspild.

Het aantal sociale contacten tussen migranten, migrantenkinderen, en autochtone Nederlanders is verder afgenomen.

De gemeente Amsterdam signaleert de afgelopen jaren een toename van segregatie onder jonge kinderen; nieuw scheidslijnen worden veel minder doorbroken. Trevor Philips noemt dat proces in Engeland "Sleepwalking to getto's." Hoogleraar Latte noemt onze samenleving zwanger van segregatie. Er dreigt een nieuwe, overwegend gekleurde, permanente onderklasse te ontstaan en wij staan erbij en kijken ernaar.

De schaal van Parijs is niet vergelijkbaar met die van Nederland, zo zeiden velen na de rellen in Frankrijk. Ik voeg eraan toe dat de aard van de problemen, de frustratie, de vervreemding en de radicalisering zeer vergelijkbaar zijn. Het grote verschil is dat wij het tij nog kunnen keren.

De afgelopen jaren laten nog weinig ombuigingen zien. Deze minister heeft de gevoelde urgentie nog niet in daden omgezet. Wij moeten ons realiseren dat de integratiebegroting van ruim 300 mln. voor het overgrote deel, namelijk 270 mln., opgaat aan inburgering. De gevraagde nieuwe Wet inburgering laat nu al drie jaar op zich wachten. Wij hebben drie jaar vastgezeten in een juridisch moeras. De Wet inburgering in het buitenland stuit op problemen met het computersysteem. Het aan banden leggen van de nationaliteit is verworden tot een klein wetsvoorstel en is marginaal beperkt. De afschaffing van de Remigratiewet is gelukkig afgeblazen. De bindingsdagen van het kabinet met vertegenwoordigers uit het middenveld hebben niets zichtbaars opgeleverd voor de integratie of de lotsverbondenheid.

Het enige positieve tegengeluid komt uit wijken en buurten. Er is een ongekend aantal initiatieven ontwikkeld door buurtbewoners die elkaar opzoeken. Er worden vriendschapsverenigingen opgericht en sportclubs nemen hun maatschappelijke verantwoordelijkheid met allerlei buurtprojecten. Overal worden gesprekken en debatten georganiseerd en er worden diverse vrijwilligersactiviteiten opgezet. Dit zijn slechts een paar voorbeelden.

Vrouwen van de opleiding zorg en werk van het Nova Collega in Haarlem vertelden onze commissie over hun stage in ziekenhuizen en verzorgingshuizen. Vrijwilligers van de Stichting Ontmoeting Buitenlandse Vrouwen in Den Haag geven elke week taalles aan allochtone vrouwen die niet naar buiten kunnen, durven of mogen. Na afloop van de eerste lesperiode gaan de meeste vrouwen wel buitenshuis activiteiten ontplooien. Het Rijnstate Ziekenhuis in Haarlem help nieuwkomers aan stageplekken, van waaruit zij ook aan de interne opleiding kunnen meedoen. Wekelijks bezoeken zeker honderd vrouwen het vrouwenhuis Cleopatria in Rotterdam voor taallessen en ondersteuning. Ik kan zo eindeloos doorgaan; er zijn ongelooflijk veel kleine maar doelgerichte initiatieven in alle steden van Nederland. Deze positieve tegenbeweging verdient veel meer waardering en ondersteuning.

Ik vraag de aandacht van de minister voor een reeks concrete punten. Het eerste punt is de problematiek van de stageplekken. Minister Van der Hoeven meldde bij de behandeling van de OCW-begroting dat zij de Inspectie een onderzoek laat doen naar deze problematiek. Het kabinet heeft geld vrijgemaakt voor simulatie van stageplekken voor leerlingen die geen reguliere stageplek kunnen vinden. Dat is een uiterste oplossing, maar wij zijn er nog niet aan toe ons bij dit probleem neer te leggen. Er moet een meer operationele en doelgerichte aanpak voor dit gebrek aan stageplekken komen. Laten wij de vmbo's, de mbo's en de hbo's vragen of zij binnen een maand gegevens op tafel kunnen leggen over namen, rugnummers, de opleiding en de gewenste stageplekken. Het zou praktisch zijn als de lokale wethouders voor onderwijs of economische zaken worden ingeschakeld bij het zoeken naar stageplekken voor het vmbo. Voor de stageplekken voor de ROC's en het hbo kan de taskforce Jeugdwerkloosheid, de heer Hans de Boer, worden ingeschakeld. Ik heb Hans de Boer gesproken en hij heeft aangeboden hieraan mee te werken. Hij zegt een "machientje" te hebben dat draait om het vinden van banen en hij kan het ook inzetten voor het vinden van stageplekken. Hij is daartoe bereid, maar heeft natuurlijk wel de gegevens nodig. Het lijkt mij dat het kabinet dit initiatief moet nemen.

Het tweede punt is de radicalisering. Het kabinet trekt volgend jaar een bedrag van 3 mln. uit voor een reeks van initiatieven, met het risico dat het geld wordt versplinterd. Naar aanleiding van het debat dat wij daarover hebben gevoerd, is een motie aangenomen van mevrouw Lambrechts en mijzelf, waarin het kabinet wordt gevraagd dit bedrag te verruimen. Dit extra geld is vooral bedoeld voor een project dat er in het beroepsonderwijs voor moet zorgen dat in elke instelling een of twee mensen zijn getraind in het herkennen en omgaan met radicalisering. In alle scholen zeggen docenten dat zij niet weten hoe zij op een goede manier met radicalisering moeten omgaan. Onze eenvoudige opvatting is dat het toch mogelijk moet zijn deze instellingen te steunen door per instelling een paar mensen te leren hoe zij tijdig op dit probleem moeten reageren.

Wij hebben een amendement ingediend om daarvoor geld vrij te maken. Dat amendement is nu al gesteund door mevrouw Hirsi Ali.

Dan kom ik bij het probleem van de passiviteit en de lethargie die ontstaat onder asielzoekers doordat er nog steeds heel lange procedures zijn in Nederland, ondanks de nieuwe wet. Het zou ons veel waard zijn als wij tijdens het wachten op de uiteindelijke beslissing mensen zouden kunnen blijven activeren, zodat zij niet hun vaardigheden verliezen en hun sociale participatie niet helemaal wegzakt.

Het is mogelijk om asielzoekers binnen de bestaande regeling als vrijwilliger werkzaamheden te laten verrichten binnen de opvang of daarbuiten en hen daarvoor een kleine vergoeding te geven. Wij zijn er voorstander van als daarvan in alle centra gebruikgemaakt zou worden, zodat mensen de mogelijkheid krijgen iets bij te verdienen. Ik vraag een reactie van de minister.
De heer Van de Camp (CDA): Hoe verhoudt zich een dergelijk initiatief tot de verdere pogingen om die procedures te bekorten?
De heer Dijsselbloem (PvdA): Ik geloof dat daar iedereen wel voor is, onder waarborgen van zorgvuldigheid – het debat gaat altijd over: wat is nog zorgvuldig en kan het allemaal nog sneller. Natuurlijk zijn mensen erbij gebaat om zo snel mogelijk duidelijkheid te hebben, onder waarborgen van zorgvuldigheid. Ik constateer dat het nog steeds lang duurt en dat mensen lang in de opvang zitten. Het risico van totale passiviteit sluipt erin. Mensen hebben niets te doen en zakken weg in depressiviteit et cetera. Er is een praktische mogelijkheid en die bestaat al in de regeling. Ik wil graag dat daarvan op grote schaal gebruikgemaakt wordt.
De heer Van de Camp (CDA): Zal dat niet leiden tot verdere valse verwachtingen?
De heer Dijsselbloem (PvdA): Als de heer Van de Camp dat vindt, dan zegt hij eigenlijk dat hij niet voor die regeling is. Die regeling bestaat al, en in sommige centra wordt daarvan ook gebruikgemaakt, daar kunnen mensen klussen doen op het terrein van het opvangcentrum. Ik denk dat wij dat op grote schaal moeten doen om mensen op die manier betrokken en actief te houden.

Dan kom ik bij de inburgering van statushouders. Een groep van 2500 mensen die al een status heeft en dus mag blijven in Nederland – tijdelijk of definitief – wacht op een woning. Wij hebben de Huisvestingswet gewijzigd om gemeenten aan te pakken die tekortschieten in het aanbieden van woningen aan statushouders. Gebeurt dat nu ook feitelijk? Wordt deze wet toegepast door minister Dekker? Ik ben ervan overtuigd dat die gemeenten al jarenlang bekend zijn. Er zijn een aantal notoire veelplegers onder gemeenten die jaar in jaar uit niet die woningen leveren. Ik vind dat die moeten worden aangepakt nu de wet is gewijzigd.

Het tweede project is om de mensen die nog wachten op een woning al te laten beginnen met inburgering. Dat lijkt mij prima. Ik zou zeggen: schaal dat op tot de gehele groep. Kan dat? Gebeurt dat al? Ik las ergens dat de inburgering vrijwillig is.
Het lijkt mij dat wij tijdwinst kunnen boeken door het verplicht te stellen. Ik begrijp niet goed waarom in deze situatie de inburgering niet verplicht is. Het gaat immers om nieuwkomers. Kunnen wij de ambitie daar verhogen?

Een ander thema wordt gevormd door de problemen rond seksualiteit en allochtone jongeren en discriminatie van homoseksuelen. De minister heeft de Kamer een goede brief gestuurd over discriminatie van homoseksuelen, waarvoor lof. Een breder thema dan seksualiteit is dat van seksuele omgangsvormen onder allochtone jongeren, in het bijzonder Marokkaanse, Antilliaanse en Kaapverdiaanse jongens met een lage opleiding. Wij kennen allemaal de voorbeelden, uiteenlopend van zwembaden die tijdelijk zijn gesloten doordat die jongens zich structureel misdragen en meisjes lastig vallen, de discotheekeigenaren, die voorbeelden geven van jongens die meisjes lastig vallen op de dansvloer, bij de damestoiletten of waar dan ook, tot en met de extreme voorbeelden van loverboys en recente zaken van groepsverkrachtingen. Mijn fractie maakt zich grote zorgen over deze oprukkende respectloze straatcultuur.

Wij moeten gewoon vaststellen dat de opvoeding hier op een of andere manier tekortschiet. Wij hebben bij de begroting van VWS een motie ingediend om, mede gerelateerd aan deze problematiek, de komende jaren de opvoedingsondersteuning aanmerkelijk op te schalen. Die motie is aangenomen. Wij moeten meer gaan doen aan opvoedingsondersteuning, waar wij soms opvoedingstekorten zien.

Er is ook het aparte punt van de seksuele voorlichting, die niet alleen over de techniek gaat, want die zal wel onder controle zijn. Het gaat mij veel meer om de manier waarop met seksualiteit wordt omgegaan, de seksuele omgangsvormen, respect voor elkaars integriteit etc. De opvoeding moet gericht plaatsvinden. Daarom heb ik een tweede amendement ingediend, samen met collega Hirsi Ali, om met 2 mln. de komende jaren een begin te maken, vooral in Rotterdam en Amsterdam. Ik maak die beperking omdat het budget dat wij voor het amendement hebben kunnen vrijmaken ook beperkt is. Wij wensen zeer gerichte projecten, waarbij kan worden gedacht aan een organisatie als Pretty Woman, die veel ervaring heeft met dit type voorlichtingsprojecten.

Wanneer komt de reactie van de minister op het ACPZ-rapport over gedwongen huwelijken, Tot het huwelijk gedwongen? Zal de minister komen met een verbod op uithuwelijking, zoals een Kamermeerderheid wil? Eenzelfde vraag geldt het rapport van het ACPZ over imams, Toelating en verblijf voor religieuze doeleinden. Ik verwijs naar de aangenomen motie-Sterk en de ingediende, maar niet in stemming gebrachte motie-Bos.

Over Islam en burgerschap hebben wij elk jaar dezelfde discussie. Een ruime Kamermeerderheid wil die club in leven houden. Zij vindt dat zij goed werk doet. Het is een klein bedrag, maar elk jaar zet de minister het mes er in. Het begint een traditie te worden, maar wel een beetje een vervelende, zeurende traditie. Wij hebben opnieuw met het CDA een amendement ingediend om de stichting overeind te houden. Ik verzoek de minister dringend om met dit politieke spel op te houden. Het is een te klein bedrag en het is evident dat de Kamer dit bedrag jaar in jaar uit beschikbaar wil stellen.

Er is inmiddels een tweede opleiding voor imams in Nederland aangewezen, nu bij Inholland; lof voor dit resultaat. Wel valt op dat Diyanet zich opnieuw heeft teruggetrokken. Dat lijkt elke keer te gebeuren. Hoe kijkt de minister daar tegenaan? Hoe staat het met de gesprekken die de minister voert met de Turkse overheid over de manier waarop de uitzending van imams vanuit Turkije kan worden gestopt? Die toezegging heeft zij in april van dit jaar in een AO gedaan.

Het valt op dat de koepel CGI op het laatste moment buiten het initiatief met Inholland is gehouden. Hoe is dat verlopen? Hoe kijkt de minister daar tegenaan? Hoe kan zij ervoor zorgen dat de meer liberale islamitische stromingen, die deels in CGI vertegenwoordigd zijn, meedoen met een van de initiatieven voor de opleiding van imams?

Daarop aansluitend vraag ik om een evaluatie van het CMO, dat eind 2004 is gestart, in 2006. Hoe loopt het? Wat komt eruit? Hoe vaak spreekt men elkaar? Zijn de goede onderwerpen aan de orde? Komen er resultaten uit? Hoe zit het met de representativiteit van de vertegenwoordigers van het CMO? Mijn fractie vindt nog steeds dat er één contactorgaan voor moslims en overheid zou moeten zijn, waarin alle stromingen worden vertegenwoordigd.

Het komend jaar komen wij volop te spreken over inburgering, als de wetgeving aan de orde is. Een praktisch probleem doet zich voor in de steden waar op scholen cursussen worden gegeven voor oudkomers. De ouders brengen hun kinderen naar school en volgen daarna in hetzelfde schoolgebouw een cursus Nederlands. Mij is verteld dat het onmogelijk is daarvoor gelden voor oudkomers beschikbaar te stellen. De wethouder onderwijs wil graag een vergoeding voor een docent op zo'n school geven, maar dat kan niet vanwege de aanbestedingsplicht voor de oudkomersgelden. Kent de minister dit probleem? Is zij bereid om het weg te nemen? Wil zij de aanbestedingsplicht zo nodig afschaffen of op dat punt nuanceren?

De minister was in Marokko. Ik was daar later, met een aantal van mijn PvdA-collega's. Wij hebben gesproken met een aantal gesprekspartners van de minister. Wij hebben nog eens over de kwestie van de nationaliteit gesproken. Ons werd verteld dat de nationaliteit nog altijd heilig en niet bespreekbaar is. Misschien kan de minister nog eens reflecteren hoe dat is verlopen. Welke conclusies trekt zij uit haar contacten? Het thema blijft volop op de agenda staan, want wij vinden dat de mensen de individuele keuze moeten hebben om hun nationaliteit eventueel te laten vervallen. Als een in Nederland wonende Marokkaan zijn Marokkaanse nationaliteit wil laten vervallen, moet dat kunnen. Het kan nu niet.
Ook willen wij graag weten hoe het staat met de bilaterale samenwerkingscommissies inzake vraagstukken van familierecht, een thema dat ook te maken heeft met ontvoering en achterlating. Hoe vaak is deze commissie nu bijeen geweest en welke voortgang heeft zij geboekt? Wij hebben van de Marokkaanse minister van justitie begrepen dat er ook een bilaterale commissie voor integratie is ingesteld. Dit verbaast ons zeer, want de commissie Blok heeft er nadrukkelijk op gewezen dat dergelijke vormen van bemoeienis van overheden van herkomstlanden met de integratie in Nederland dit proces niet bevorderen. Kan de minister dit ophelderen? Hoe staat het met de uitvoering van de motie Bos inzake het tot stand brengen van een bilateraal verdrag met Marokko inzake familierecht en nationaliteitswetgeving?

Wij hebben nog een amendement ingediend om de stichting Steunpunt Remigranten in leven te houden, die in Marokko, maar ook vanuit Nederland goed werk doet voor migranten en remigranten, onder andere voor de groep van achtergelaten vrouwen. Deze stichting dreigt om te vallen doordat de bijdrage van Cordaid in 2006 zal worden beëindigd.

Tot slot. Het is ongelooflijk belangrijk om te blijven werken aan tolerantie. Hoe staat het met de uitvoering van de motie Bos/Dittrich over het opstellen van een handvest voor burgerrechten met de belangrijkste normen, waarden en grondrechten? Dit handvest moet volgens de motie worden uitgereikt op het moment waarop een immigrant een verblijfsvergunning verkrijgt, als het certificaat van inburgering wordt uitgereikt, en op de feestelijke naturalisatiedag. Heeft het ministerie van Binnenlandse Zaken dit handvest inmiddels opgesteld en is het beschikbaar? Daarnaast is verleden jaar in november een initiatiefwet van PvdA en LPF aangenomen waarin geregeld is dat het onderwijs ook een verantwoordelijkheid heeft voor sociale integratie en burgerschapsvorming. Met deze wet in de hand moet de Inspectie van het Onderwijs scholen aanpakken die hun leerlingen isoleren van de Nederlandse samenleving. Helaas zijn er in de afgelopen tijd enige concrete kwesties met islamitische scholen geweest. Het Islamitisch College in Amsterdam bepleitte dat hoofddoek dragende moslima's niet zouden worden uitgesloten van een kans op stage of werk, maar het weigerde zelf een sollicitante die geen hoofddoek droeg. Wethouder Aboutaleb heeft dit college hier terecht op aangesproken. Hoe zal de minister er met deze nieuwe wet op toezien dat er tolerantie in het onderwijs is en dat burgerschap een plek krijgt? Het bevorderen van tolerantie is meer dan ooit nodig, dit schept verplichtingen voor iedereen.
De heer Van de Camp (CDA): Voorzitter. De nota biedt een gedegen overzicht van de ontwikkelingen in het integratiebeleid van de afgelopen jaren, van de problemen en de knelpunten die zich hebben voorgedaan, maar ook van de vele goede initiatieven die het kabinet tot dusverre heeft ondernomen en die het nog zal ontplooien om die problemen aan te pakken. Uit de nota blijkt dat het kabinet in het algemeen adequaat op de ontwikkelingen reageert. Ik plaats nog wel een kritische kanttekening bij de opbouw van de nota; die zou wat ons betreft gelet op de overlappingen op een aantal punten wel wat compacter en korter kunnen. Ik denk aan de overlappingen van de hoofdtekst en de bijlagen bij de onderwerpen vrouwenemancipatie, criminaliteit en arbeidsmarktbeleid. Het zou beter zijn om elk onderdeel als een geheel te behandelen.

Het beleid levert nog te veel een gemengd beeld op; er zijn veel ontwikkelingen die de goede kant op gaan, maar er zijn ook nog bergen werk te verzetten. Ook wij willen de ogen niet sluiten voor de cijfers uit de armoedemonitor. Op de rangschikking van de cijfers in dit stuk is het nodige af te dingen, maar het is duidelijk dat een aantal groepen allochtone burgers aan de onderkant verkeren. Dit is een serieus signaal dat verdere versterking van het integratiebeleid nodig is. Bij het al door de heer Dijsselbloem genoemde werkbezoek van de vaste Kamercommissie aan Amsterdam bleek dat 28% van de Amsterdamse basisschoolkinderen niet aan de Cito-toets deelneemt, maar niet omdat de scholen of de ouders er principiële bezwaren tegen hebben, wat in "witte" kringen wel voorkomt, maar omdat deze kinderen het minimumniveau van deze toets niet kunnen halen.

Daar staat tegenover dat als je de aula van de Haagse Hogeschool binnenwandelt, je een multiculturele pluriforme instelling voor hoger onderwijs betreedt. Het kán dus wel. De onderwijsparticipatie en de politieke participatie zijn de afgelopen jaren gegroeid.

Maar er zijn nog bergen werk te verzetten, niet in het minst door de mensen zelf die tot de diverse doelgroepen van het integratiebeleid behoren. Er is in Nederland nog te veel een afwachtende houding. Wat kunnen de diverse overheden voor mij doen, wat kunnen wij van de diverse overheden verwachten? Het CDA zou nog meer een handen-uit-de-mouwenmentaliteit willen zien, onder het adagium: integreren doe je zelf. Wat kunnen mensen zelf doen om beter in de Nederlandse samenleving te integreren? Wat kunnen de zelforganisaties en maatschappelijke organisaties betekenen voor de integratie van de verschillende groepen in de Nederlandse samenleving? Integratie is dus meer een kwestie van mentaliteit dan van subsidies.

In de afgelopen jaren is er internationaal veel gebeurd dat de positie van de islam in de wereld heeft beïnvloed. Opmerkelijk is dat, ondanks het in autochtone ogen vaak negatieve karakter van deze gebeurtenissen, zij wel tot meer zelfbewustheid van de moslimburgers hebben geleid, ook in andere delen van Europa. Veel jongeren ontlenen aan deze ontwikkelingen een nieuwe identiteit, helaas vaak een negatieve, niet op de Nederlandse samenleving gerichte identiteit. Het CDA vraagt of er met name in de psychologie van het integratiebeleid voldoende rekening wordt gehouden met deze ontwikkelingen. Wij betwijfelen dat. Je kunt nog jaren praten over spreidingsbeleid, onderwijsbeleid en binding, als je de onderstroom niet erkent van die nieuwe bewustwording, die niet op Nederland is gericht.

Daar staat tegenover dat de islam een wereldgodsdienst is. Er zijn grote religieuze en culturele verschillen binnen de islam. Alle stromingen over een kam scheren, is dom en gevaarlijk. Met de in Europa meer gangbare religies en wereldbeschouwingen als het christendom, het jodendom en het humanisme zijn er ook grote verschillen. Maar ondanks deze verschillen dienen de diverse wereldgodsdiensten met respect benaderd en behandeld te worden. Dat is een wederzijds proces. Respect betonen mag geen belemmering betekenen voor een ware integratie in de Nederlandse samenleving. Bovendien is het CDA van mening dat autochtone Nederlanders zich meer kunnen verdiepen in de religieuze en culturele eigenschappen van de nieuwe Nederlanders. Veel angst en discriminatie komt immers voort uit pure onkunde. Opmerkelijk in dit verband is de passage op pagina 21 van de jaarnota: "Secularisering is een belangrijke component van de huidige Nederlandse cultuur, maar Turken en Marokkanen lijken er voorlopig immuun voor." Hoezo immuun? Is religie soms een ziekte? Het blijft blijkbaar voor de schrijvers van deze jaarnota heel moeilijk om iets positiefs te zeggen over rol en functie van religie, ook in de huidige Nederlandse samenleving.

Het CDA vindt het een positieve ontwikkeling dat de Nederlandse moslimgemeenschappen de ramadan, bijvoorbeeld met de iftar-maaltijden, maar ook bijvoorbeeld het suikerfeest, aangrijpen om meer bekendheid te geven aan de islam. Deze polderbenadering zou wel eens meer effect kunnen sorteren dan pure formele voorlichting, beperkte aandacht in het onderwijs en folders of websites. Bovendien wordt door dit soort activiteiten van de moslimgemeenschap de binding aan de Nederlandse samenleving versterkt.
Mevrouw Azough (GroenLinks): De heer Van der Camp zegt eerst dat het beleid meer zou moeten zijn gericht op de onderstroom. Daarna noemt hij een hele reeks nuanceringen. Maar waar spreekt hij minister Verdonk nu op aan? Wat moet zij volgens hem concreet veranderen aan haar beleid?
De heer Van de Camp (CDA): Ik heb sterk de indruk dat in de analyses die onder het beleid liggen, nog te weinig rekening wordt gehouden met die onderstroom in de Nederlandse samenleving, in het bijzonder bij moslimjongeren. Ik vraag de minister of zij bij het concretiseren van haar integratiebeleid daarmee rekening houdt.
Mevrouw Azough (GroenLinks): Hoe zou zij daar dan precies rekening mee moeten houden?
De heer Van de Camp (CDA): Als ik met de mensen in debat ga, blijkt dat zij veel van het integratiebeleid als opgelegd pandoer zien: u moet dit en u moet dat. Ik zou liever tot een heldere dialoog komen: u bent in de Nederlandse samenleving opgenomen, u wilt integreren, wat doet u er zelf aan en wat kan de overheid voor u doen. Dit in plaats van alleen maar het dictaat.
Mevrouw Lambrechts (D66): De heer Van de Camp wilde wat meer positieve aandacht voor de islam. Is het überhaupt wel vruchtbaar om zo te focussen op de islam? Zou het niet veel vruchtbaarder zijn om andere aspecten van nieuwe Nederlanders in beeld te brengen en te laten zien? Zij zijn op de eerste plaats moeder, leraar, wetenschapper, student en noem maar op.
De heer Van de Camp (CDA): De tijd is voorbij om de afzonderlijke groepen niet afzonderlijk te benoemen. De Hindoestaanse gemeenschap integreert veel sneller, duidelijker en beter. Dat geldt ook voor grote groepen Turkse mensen. Op een aantal punten blijven andere groepen achter.

Ik denk dat de tijd een beetje voorbij is dat wij de grote gemene vergeler over al die groepen heen kunnen leggen.


Mevrouw Lambrechts (D66): Misschien is de tijd wel weer aangebroken dat wij die aspecten meer in beeld moeten brengen.
De heer Van de Camp (CDA): Bij integratie moet je al die aspecten benoemen. Het is echter onvoldoende om die alleen maar te benoemen en de groepen een beetje te knuffelen.
Mevrouw Kant (SP): Ik wil even terugkomen op de aanleiding voor de heer Van de Camp om hierover te spreken. Hoorde ik hem goed zeggen dat er geen sprake is van secularisatie in deze groepen? Een paar jaar geleden heeft het SCP een onderzoek gedaan waaruit twee trends bleken, namelijk in het algemeen secularisatie -- ik begrijp dat het CDA daar niet zo blij mee is, ook niet als het om de islam gaat -- en daarnaast een religieuze revitalisatie bij kleine groepen. Mijn vraag is of je het beleid niet moet afstemmen op die twee trends.
De heer Van de Camp (CDA): In antwoord op het eerste deel van de interruptie van mevrouw Kant verwijs ik slechts naar bladzijde 21 van de jaarnota. Daar staat: secularisering is een belangrijke component van de huidige Nederlandse cultuur, maar Turken en Marokkanen lijken er voorlopig immuun voor. Ik heb naar aanleiding daarvan gevraagd: hoezo immuun, is religie soms een ziekte.

Wat het tweede deel van de interruptie betreft, merk ik op dat mij af en toe de klompen uitvallen als ik zie hoe kleine levendige religieuze gemeenschappen in stedelijke gebieden moeten bedelen voor een kerkruimte. Het is echt gênant om te zien hoe bijvoorbeeld Ghanese christenen en Hindoestanen moeten bedelen voor een ruimte om hun religie te kunnen beleven. Als ik de gemeenten in Nederland over het hoofd van mevrouw Kant heen kan oproepen om meer mee te werken aan kleine religieuze ruimtes, dan hebben wij vanochtend al heel wat gewonnen.


Mevrouw Kant (SP): De minister kan wel iets opschrijven over het integratiebeleid, maar ik benadruk dat het SCP iets anders heeft geconstateerd, namelijk dat er wel sprake is van secularisatie. U moet u dat wel beseffen, als u zegt wat u zegt. Daarnaast zouden wij meer oog moeten hebben voor de ook geconstateerde revitalisatie van kleine groepen die neigen naar fundamentalisme. Volgens mij moeten wij ons daarop focussen met het beleid.
De heer Van de Camp (CDA): Het spijt mij, maar als plaatsvervangend woordvoerders heb ik die cijfers van het SCP niet paraat. Ik kan op dit moment dus niet beoordelen hoe die cijfers zich verhouden tot de jaarnota. Verder begrijp ik dat mevrouw Kant op een andere revitalisering doelt dan ik, namelijk op de revitalisering van kleine radicale groepen. Wij hebben hier uitgebreid besproken hoe wij met die radicalisering moeten omgaan. Laten wij die maatregelen alsjeblieft eerst in de praktijk brengen, voordat wij daar weer een nieuwe batterij maatregelen overheen leggen.

De Kamer heeft terecht een strak tijdschema afgesproken voor de behandeling van het wetsvoorstel Inburgering in Nederland. Zo wordt de nota naar aanleiding van het verslag voor het kerstreces verwacht en zijn er enkele rondetafelgesprekken gepland voor eind januari 2006. Op pagina 10 van de jaarnota is evenwel te lezen dat dit wetsvoorstel reeds in april 2006 zijn beslag krijgt en als wet in werking kan treden. Wij gaan ervan uit dat de minister inmiddels tot een realistischer planning is gekomen. In dit verband is het ook de vraag hoe het staat met de behandeling van het wetsvoorstel Inburgering in het buitenland in de Eerste Kamer.

Wie de kwalitatieve rapportages inburgering oud- en nieuwkomers 2004 bestudeert, schrikt opnieuw van de hoge percentages uitval. Gezien de tijd, sluit ik mij aan bij de vragen die collega Dijsselbloem hierover heeft gesteld. De CDA-fractie is van mening dat de uitvalpercentages op dit moment nog steeds te hoog zijn. Wat gaat de minister daar concreet aan doen? In onze ogen kunnen wij niet gaan zitten wachten op de nieuwe wet Inburgering in Nederland.

Ik denk dat tussentijds ook het nodige moet gebeuren. Hoe ziet de minister dat?

Onze fractie wil nadere duidelijkheid over het uiteindelijke beschikbare budget voor de versterking van de emancipatie van allochtone vrouwen en meisjes. Volgens de laatste brief, van 25 november, is nu zeker gesteld dat tweemaal 22,5 mln. ter beschikking is voor de jaren 2006 en 2007. Van een verdubbeling via de ESF-financiering is echter geen sprake meer. Betekent de brief van 25 november jongstleden dat het bedrag van 90 mln. voor de inburgeringstrajecten voor allochtone vrouwen is zeker gesteld?

Dan kom ik op de opvang van meisjes en jongens bij gedwongen uithuwelijking. In hoeverre kan de minister garanderen dat ook uitgehuwelijkte meisjes onder de 18 jaar van hulp en opvang verzekerd zijn? Voor boven-18-jarigen is dit in onze ogen naar behoren geregeld, maar hoe zit het met degenen die jonger zijn dan 18? Ook hier wachten wij dacht ik nog op een kabinetsreactie op het uitgebrachte ACVZ-advies.


Mevrouw Hirsi Ali (VVD): Wat is het oordeel van het CDA over het strafrechtelijke aspect van het uithuwelijken van meisjes onder de 18 jaar? Moeten degenen die de meisjes uithuwelijken niet vervolgd en berecht worden?
De heer Van de Camp (CDA): In tweede termijn zal ik op deze vraag terugkomen. Ik kan die vraag niet à la minute beantwoorden.

Voorzitter. Op pagina 19 van de begroting, beleidsartikel 16, is sprake van een in te stellen EU-integratiefonds en een daarmee samenhangende internationale dimensie van het integratiebeleid. Het staat er allemaal weer zo Haags. Wat gaat dit alles betekenen voor het Nederlandse beleid, en met name voor het nieuwe inburgeringsstelsel? Uit het reeds bestaande Europese Vluchtelingenfonds krijgt Nederland voor de jaren 2005 en 2006 slechts 2,4 mln. op jaarbasis. Moet daar niet harder aan getrokken worden?

Opnieuw vraagt onze fractie aandacht voor de zogenaamde België-route bij gezinshereniging en gezinsvorming. De fracties van het CDA en de Partij van de Arbeid hebben daar vragen over gesteld. Nederlanders van allochtone afkomst vestigen zich tijdelijk in België om op die manier gebruik te kunnen maken van het soepeler EU-gemeenschapsrecht voor inburgering en de strengere Nederlandse regels te omzeilen. Bij brief van 8 december, dus van afgelopen vrijdag, heeft de minister ons geïnformeerd over de laatste stand van zaken. Deze brief is echter meer een beschrijving dan een oplossing van het probleem. Zeker als Nederland nog vijf jaar Europees overleg in moet, is het de vraag of de België-route niet nog steeds optimaal, of in onze ogen niet optimaal, wordt gebruikt. De fractie van het CDA vraagt opnieuw om tempo te maken, vooral met de samenwerking met de Belgische overheid.

Dan ga ik in op de neiging van sommige ouders, met name Turkse ouders, om hun kinderen voortgezet onderwijs te laten volgen in Turkije. De ACVZ is gevraagd een advies uit te brengen over de scholing van kinderen in het land van herkomst. Kunnen wij dat advies inderdaad rond de jaarwisseling verwachten en wanneer maakt het kabinet zijn standpunt hierover kenbaar?

In aansluiting op de vraag van collega Dijsselbloem, vraag ook ik naar de stand van zaken bij het realiseren van de Nederlandse imamopleidingen. De heer Khan van de Contactgroep Islam heeft zware beschuldigingen geuit aan het adres van vrijwel iedere actor. Hoe gaan wij nu verder?

Moeten wij er niet tegen waken het onverenigbare te willen verenigen? Met andere woorden: de religieuze verschillen binnen de islam in Nederland zijn zo groot dat wellicht nu reeds gekozen moet worden voor het stichten van een derde imamopleiding. Al met al komt bij onze fractie de vraag op waarop nu nog wordt gewacht. Het ministerie staat weliswaar bol van de initiatieven, maar concretisering en uitvoering laten wel erg lang op zich wachten.

Voorzitter. Tijdens de werkbezoeken die ik de afgelopen maanden mocht afleggen, is mij duidelijk geworden dat stageplaatsen, beroepspraktijkvormingsplaatsen en regulier werken de sleutels zijn tot participatie en derhalve tot integratie. Daar kan geen project of subsidie tegenop. Mij moet van het hart dat ik de minister weinig hoor over arbeidsparticipatie, stageplaatsen, contacten met VNO/NCW of MKB Nederland. Meer betrokkenheid van haar op dit punt kan het beleid een veel positievere uitstraling geven. In veel gemeenten kiest men inmiddels voor een strikt individuele benadering. De jongeren worden als het ware in hun kraag gegrepen, opgeleid en bijgeschoold. Er worden stageplaatsen gezocht en uiteindelijk volgt toeleiding naar een volwaardige baan. Mijn fractie steunt deze aanpak zeer. Een klein verschil in benadering met die van de PvdA-fractie is wellicht dat wij dit echt op gemeentelijk niveau willen houden. Nog te veel jongeren zijn al dan niet tijdelijk de weg kwijt. Geschat wordt dat het gaat om zo'n 25.000 allochtone en autochtone jongeren. Op dit beleidsonderdeel mogen overheden best paternalistisch zijn. Een dergelijke opstelling voorkomt afglijden in sociaal, financieel en maatschappelijk opzicht. Bij het laatste gaat het om de vraag "wie ben ik eigenlijk in Nederland?" Uit onderzoek blijkt dat de maatschappelijke binding wordt vergroot en de ontvankelijkheid voor radicalisme afneemt als daadwerkelijk wordt geparticipeerd in de Nederlandse samenleving.

De werktop van 20 november heeft gelukkig een aantal extra inspanningsverplichtingen opgeleverd van het kabinet. Maar ook hier weer veel intenties en nog weinig cijfers. Wat levert die werktop concreet op in de komende jaren?

Besturen, commissies, ledenvergaderingen en ondernemingsraden van werkgevers- en werknemersorganisaties en kamers van koophandel vormen in hoge mate homogene witte gezelschappen. Kan dat niet meer worden opengegooid? Kan de overheid hierin niet stimulerend optreden? Wat doen klassieke serviceclubs als Rotary, Lions en Probus eigenlijk aan integratie? Zouden zij niet een aandachtswijk kunnen adopteren?

Er zijn veel initiatieven met betrekking tot het allochtone ondernemerschap. Is er enig zicht op de cijfers en de producten die de gezamenlijke inspanningen van de minister en staatssecretaris Van Gennip opleveren, of zitten wij nog steeds in de intentiefase?

In het RMO-advies "Eenheid, verscheidenheid en binding" wordt niet expliciet gekozen voor een spreidingsbeleid. Het kabinet doet dat wel: sociaal-culturele binding én meer spreiding. Wanneer kunnen wij het vervolgadvies over een gemeenschappelijk eenheidskader voor democratische basiswaarden verwachten op grond waarvan eenheid en binding in de wijk tot stand kunnen worden gebracht?

Ten slotte wil ik mijn warme steun uitspreken voor het amendement-Dijsselbloem/Van de Camp met betrekking tot de stichting Islam en Burgerschap. Als de minister niet toezegt het structureel in de meerjarenramingen op te nemen, komt er een motie-Van de Camp/Dijsselbloem.


Mevrouw Hirsi Ali (VVD): Voorzitter. De woordvoerders van de fracties van de PvdA en het CDA hebben al een aantal opmerkingen gemaakt en vragen gesteld waarin mijn fractie zich kan vinden. Zo heeft de heer Van de Camp gelijk wanneer hij erop wijst dat de nota een gedegen overzicht geeft van de ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan in het integratiebeleid en de vele goede initiatieven die het kabinet tot dusver heeft genomen. Ik zal mij in dat licht beperken tot een zestal opmerkingen. Mijn eerste punt is de toonzetting van het debat, waarvoor 10 mln. euro is uitgetrokken.

Ik ga niet meer hard tekeer. Ik bied mijn excuses aan aan het ganse volk. Sorry, sorry, sorry. Dit zei Youp van 't Hek in 1995; zover ga ik niet. Toch zal ik mij vandaag van mijn beste, "polderse" kant laten zien. De toon waarop het integratiedebat wordt gevoerd, zowel in de Kamer als daarbuiten, is omstreden. Er zijn mensen die zeggen dat dingen bij de naam noemen of het voortdurend spreken over problemen een ongewenste bijwerking kan hebben. Zij wijzen op de heftige emoties van afwijzing, verdriet en boosheid bij vele migranten, met name moslims. Zij zijn bang dat een debat waarin alles wordt gezegd, averechts kan werken, zeker wanneer steeds meer migranten zich in een hoek gedrukt voelen. Zij benadrukken bijvoorbeeld de overeenkomsten tussen de islam en de westerse waarden. Daarentegen zijn er anderen die er juist voor pleiten om de politiek correcte tijden achter ons te laten. Zij wijzen op de al verstoorde verhouding tussen sommige migranten en sommige moslims en sommige niet-moslims en sommige autochtonen. Zij wijzen op de verschillen tussen sommige westerse waarden en de waarden van sommige niet-westerse migranten, met name moslims.

In beide genoemde benaderingen zijn migranten vertegenwoordigd, hoewel in mindere mate in de tweede benadering. Opvallend is ook dat beide stemmen in het kabinet maar ook in elke fractie en partij hoorbaar zijn. Soms loopt het op naar aanleiding van een gebeurtenis, zoals de moord op Theo van Gogh of de vechtpartij in Venray. Dat is normaal in elk gevoelig maatschappelijk debat. De toon of het imago van een debat is een subjectieve zaak. Een absoluut juiste of onjuiste toon bestaat niet. Daarom is het verbijsterend dat de minister maar liefst 10 mln. wil uitgeven aan het zorgen voor een positiever imago van het integratiebeleid. Is het kabinet van plan om ook 10 mln. euro uit te trekken voor het creëren van een positief beeld van het debat over de koopkracht of dat over de gezondheidszorg? Beide debatten zijn in zekere zin ook heftige debatten geweest, of zijn dat nog steeds. Let op, het is wel belangrijk om de aanhoudend heftige emoties die gepaard gaan met het integratiebeleid, te verklaren. Gaat het slecht met migranten omdat zij in de beeldvorming van de ontvangende samenleving stelselmatig in verband worden gebracht met negatieve zaken? Of hechten veel niet-westerse migranten, met name veel moslims, zozeer aan beeldvorming, eer en imago dat alleen al het constateren van dingen die niet goed gaan, binnen sommige van deze gemeenschappen tot heftige emoties kan leiden? Het is bekend dat bij zeer hechte groepen het openbaar maken van misstanden, het de vuile was buiten hangen, wordt gezien als verraad indien dit gebeurt door leden van de eigen groep en als aanval op de groep indien vermeende buitenstaanders dit doen. Misschien kan het lage incasseringsvermogen dat de minister eerder heeft geconstateerd, hieruit worden verklaard.

Volgens mij spelen beide aspecten een rol, naar wordt te veel de nadruk gelegd op het eerste, het begrijpen en het verbeteren van de negatieve beeldvorming bij de ontvangende samenleving. Er is te weinig aandacht voor en er wordt te weinig onderzoek gedaan naar dat tweede aspect.

Wil de minister een deel van het geld besteden aan dit tweede aspect?

Ik denk dat het wel goed zit met de beeldvorming van autochtonen ten opzichte van migranten. Denk aan de belangrijkste conclusie van de commissie-Blok. Alle migranten die geïntegreerd zijn, hebben dat gedaan ondanks het overheidsbeleid en dankzij zichzelf en met behulp van andere autochtonen. Denk ook aan de mate waarin sommige uitgeprocedeerde asielzoekers uitstekend geïntegreerd zijn met behulp van autochtonen, terwijl zij helemaal buiten het beleid zijn geplaatst. De heer Van de Camp heeft weer gelijk: integratie is een kwestie van mentaliteit en niet van subsidies.



Wat betreft de schooluitval sluit ik mij aan bij de vragen van de collega's Dijsselbloem en Van de Camp.
Mevrouw Azough (GroenLinks): U houdt een heel verhaal over het feit dat beeldvorming er niet toe doet. Maar uit internationaal vergelijkend onderzoek van het Pew Research Center blijkt dat Nederland veel negatiever staat tegenover moslims dan bijvoorbeeld Engeland of de VS. Vindt u dat geen belangrijke zaak en vindt u dat dit moet worden verbeterd? Ik ben het met u eens dat dit niet via een campagne moet worden aangepakt. Als u daartegen bent, dan hoop ik dat u een motie van mij zult steunen. Het gaat om het voeren van concreet beleid dat meer uitgaat van wederzijdse wisselwerking en niet alleen van decreten, zoals de heer Van de Camp het noemde.
Mevrouw Hirsi Ali (VVD): Ik vind de vraag van mevrouw Azough suggestief.
Mevrouw Azough (GroenLinks): Dat zegt u altijd. Vragen zijn altijd suggestief of doen er niet toe. Kunt u gewoon antwoord geven?
Mevrouw Hirsi Ali (VVD): Als u mij dat toestaat. Ik ken het onderzoek van het Pew Research Center. Daarin wordt geconstateerd dat de beeldvorming ten opzichte van een deel van de moslims, met name de islam, in Nederland in vergelijking met andere landen negatief is. Tegelijkertijd wordt in dat onderzoek ook uitgelegd waar die negativiteit mee te maken heeft. Er zijn terroristische aanslagen gepleegd, de moord op Theo van Gogh heeft plaatsgevonden en een aantal moslims weigert verantwoordelijkheid te nemen voor zaken die uit naam van hun geloof worden gedaan. Met verantwoordelijkheid bedoel ik afwijzing. Ik vind het eigenlijk wel een constatering dat er burgers zijn die zeggen dat zij daar geen positief oordeel over hebben. Dat was ook in andere landen het geval. Tegelijkertijd onderstreep ik dat er in Nederland veel energie in wordt gestoken, zowel door de overheid als door burgers, om het migranten en met name moslims zoveel mogelijk naar de zin te maken. Beide kanten zijn er dus.
Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie): Ik ben een beetje verbaasd over het antwoord van mevrouw Hirsi Ali. Uit dat onderzoek kwam juist naar voren dat Nederland vergeleken met landen als Spanje, waar hele treinen zijn opgeblazen, beduidend negatiever denkt over de islam. De rede kan niet liggen in de terroristische aanslagen. Dat was nu juist het interessante en zorgelijke van de uitkomsten van het onderzoek.
Mevrouw Hirsi Ali (VVD): Die conclusie deel ik niet. Over de verhouding Spanje-Nederland kan ik zeggen dat in er in Nederland met brandstichting in moskeeën, maar ook in kerken is gereageerd op de moord op Theo van Gogh. De maatschappelijke onrust was groot. Ik ben er absoluut tegen dat er in Spanje zomaar mensen zijn opgepakt die allemaal verdachten zijn. Zij woorden maandenlang en soms jarenlang vastgehouden zonder vorm van proces. Dat hebben wij in Nederland niet gedaan.
Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie): Dit is geen antwoord op mijn vraag. Het onderzoek toont aan dat in Nederland negatiever wordt gereageerd en dat dit niet verklaard kan worden vanuit terroristische aanslagen. Mevrouw Hirsi Ali zegt dat er in Nederland negatiever werd gereageerd en dat het dus geen wonder is dat wij negatiever denken. Dat is toch een heel vreemd antwoord?
Mevrouw Hirsi Ali (VVD): In antwoord op de vraag van mevrouw Azough heb ik gezegd dat dit ook te maken heeft met de houding van sommige moslims ten opzichte van een aantal zaken die met de islam te maken hebben. Als men daar afwijzend op reageert en dit via een onderzoek wordt geconstateerd, dan is dat zo. Dit is echter een realiteit waarmee wij te maken hebben. De vraag is wat de oorzaak daarvan is. Uw mening over de oorzaak en mijn mening daarover, zijn verschillend.

Mevrouw Azough (GroenLinks): Mevrouw Hirsi Ali hoeft die conclusie niet te delen, maar de feiten in het onderzoeksrapport waren wel degelijk wetenschappelijk onderbouwd. Mevrouw Hirsi Ali refereert aan moslims, maar in Engeland is er ook een grote moslimgemeenschap waarvan een deel er traditioneel conservatieve gedachten op nahoudt. Hetzelfde geldt voor Spanje. Dat kan dus niet een reden zijn. Kan mevrouw Hirsi Ali duidelijker ingaan op de reden van het feit dat mensen in Nederland negatievere gedachten hebben over de islam en moslims?


Mevrouw Hirsi Ali (VVD): Ik bestrijd dat mensen in Nederland negatievere gedachten hebben over de islam en moslims. Na de terroristische acties in Engeland op 7 juli jongstleden is er een aantal rellen geweest. Er is zelfs iemand vermoord. In Nederland is dat gelukkig niet gebeurd. Dit maatschappelijk debat wordt op dit moment in alle landen op heftige wijze gevoerd. Naar mijn oordeel stellen autochtone Nederlanders zich ten opzichte van moslims niet anders op dan autochtonen in andere landen.

Mede in reactie op het rapport van de commissie-Blok heeft dit kabinet zich ten doel gesteld om segregatie in het onderwijs tegen te gaan. Mijn fractie is benieuwd of het kabinet erin is geslaagd om van de gescheiden scholen gemengde scholen te maken. Zo ja, wat is dan het aantal gemengde scholen op dit moment? Mijn fractie heeft indertijd speciale aandacht gevraagd voor de islamitische scholen. In het belang van de kinderen en de Nederlandse samenleving zou meer toezicht op die scholen worden gehouden. Kan de minister ons verzekeren dat er in het bestaande aanbod van moslimscholen geen misstanden plaatsvinden en dat de scholen uit kwalitatief oogpunt voldoen aan de eisen die in de wet worden gesteld? Zowel de minister van Financiën als de minister van Onderwijs heeft de Kamer in 2003 gemeld dat het streven is om op grond van artikel 23 van de Grondwet te voorkomen dat nieuwe gescheiden scholen in het leven worden geroepen. In Beverwijk, Den Haag, Rotterdam, Oss en in andere gemeenten worden echter wel islamitische scholen opgericht voor bij uitstek zwarte leerlingen. Hoe kan dat worden verklaard? Heeft het kabinet stappen gezet om bijzondere witte scholen buiten de grote steden te overreden om kinderen van migranten toe te laten? Heeft het kabinet overwogen om quota in te stellen? Als dat niet het geval is, vraag ik mij af op welke wijze het de segregatie daadwerkelijk wil aanpakken.


Mevrouw Kant (SP): Mevrouw Hirsi Ali heeft in haar inleiding gesproken over tolerantie. Buiten de Kamer doet zij relatief veel uitspraken over dit onderwerp waarmee ik het over het algemeen hartgrondig eens ben. Is de VVD-fractie dusdanig tolerant dat mevrouw Hirsi Ali op dit punt vandaag voorstellen mag doen? Durft zij vandaag artikel 23 ter discussie te stellen? Mevrouw Hirsi Ali heeft eerder het standpunt ingenomen dat het noodzakelijk is om het stichten van islamitische scholen niet meer toe te staan. Hoe ver durft zij wat dat betreft te gaan?
Mevrouw Hirsi Ali (VVD): Ik heb niet over tolerantie gesproken. Dat neemt niet weg dat ik uitgebreid over de VVD-fractie wil spreken. De VVD is een discussiepartij die er geen problemen mee heeft als er een minderheidsstandpunt wordt ingenomen. Ik ben van mening dat artikel 23 de segregatie bevordert en dat het niet in deze tijd past. Dat kan nadelige gevolgen hebben voor een gedegen integratiebeleid. Dat standpunt kan ik te allen tijden uiten, al kon ik daarvoor geen meerderheid krijgen.
Mevrouw Kant (SP): De VVD-fractie heeft een andere opvatting over artikel 23 dan mevrouw Hirsi Ali. Dat schiet dus niet op. Jaren geleden hebben wij heftige discussies gevoerd over islamitische scholen. Toen heeft mevrouw Hirsi Ali ook gezegd dat de apartheid daarmee wordt bevorderd. Islamitische scholen bevorderen de integratie absoluut niet. Wat moeten wij dan doen om tot een oplossing te komen?
Mevrouw Hirsi Ali (VVD): Mijn standpunt over islamitische scholen is niet veranderd. Ik ben nog steeds van mening dat die niet meewerken om de integratie te bevorderen. Dat is niet in het belang van de kinderen. Zowel mijn fractie als ik zijn tegenstander van islamitische scholen. Destijds is echter een compromis gesloten om het stichten van dergelijke scholen op grond van artikel 23 te voorkomen.

Daarom heb ik mijn vragen tot de minister gericht. Het gaat over artikel 23 langs de weg van de financiering. De heer Zalm en mevrouw Van der Hoeven hebben daarover afspraken gemaakt. Ik ben zeer benieuwd hoe het daarmee staat. De VVD heeft zich neergelegd bij een meer actieve benadering door de inspectie. Dat betreft het bestaande aanbod. Dat hebben wij gedaan om chaos te voorkomen. Ook wat dit betreft ben ik zeer benieuwd naar de stand van zaken. Ook hierover heb ik vragen gesteld. In die zin is het dus absoluut niet veranderd.

Voorzitter. De segregatie in het onderwijs is ten dele een gevolg van de etnisch eenzijdig samengestelde buurten en wijken. Een ander belangrijk voornemen van het kabinet is om de segregatie in de huisvesting aan te pakken. Kan de minister ons informeren over de voortgang in dat beleid?

Ik kom heel kort te spreken over de jeugdzorg. De minister van V en I zou bij de behandeling van de begroting van Justitie voor 2005 de Kamer informeren over de oorzaken van de lagere uitstroom bij de plaatsing in een jeugdinrichting, met name in scholengemeenschappen en proefverloven. Dit staat namelijk op bladzijde 210 van die begroting van Justitie. Mijn fractie is niet alleen benieuwd naar de oorzaken, maar ook naar de oplossingen die de minister ziet. De cijfers over de jeugdcriminaliteit zijn zeer verontrustend. Ik probeer zo veel mogelijk het begrip “allochtoon” te vermijden, maar daar is nu toch wel reden toe. Opvallend is namelijk dat 80% van allochtone jongeren in aanraking komt met jeugdzorg via de strafrechtelijke weg en 80% van de autochtone jongeren via de civielrechtelijke weg. Dit betekent dat jeugdzorg vrij vroeg betrokken raakt bij autochtone gezinnen. Hulpverleners kunnen dan tijdig ingrijpen bij problemen, zoals schooluitval en geweld in het gezin. Hoe komt het dat hulpverleners vrijwel afwezig zijn bij allochtone gezinnen, totdat die crimineel worden?

Nog iets over de emancipatie van vrouwen en meisjes. De voorwaarden tot emancipatie (armoede, onwetendheid en een achterstandspositie) zijn aanzienlijk beter dan in de landen van herkomst van de migranten in Nederland. Het grootste obstakel op de weg van emancipatie is geweld, gepleegd door familieleden. Volgens mijn fractie moeten de volgende onderdelen tegelijkertijd uitgevoerd worden. A. erkennen van de seksuele moraal, B. een gedegen onderwijs dat voorkomt dat aanstaande generaties zich het gedachtegoed van de seksuele moraal eigen maken, C. bescherm vrouwen die voor een zelfstandige weg kiezen en D. bestraf de geweldplegers en degenen die met geweld dreigen.

De Kamer en het kabinet hebben hierover sinds 2003 regelmatig van gedachten gewisseld. Het gevoel van urgentie van minister Verdonk is goed. Zij heeft al vele maatregelen uitgezet. Mijn fractie is evenwel ontevreden over de onderbenutting van de bestaande strafrechtelijke middelen, laat staan specifieke nieuwe wetgeving. De hierover ingediende moties zijn niet uitgevoerd. Hoe zit het met het vervolgen van mannen die hun vrouwen dumpen in het land van herkomst? Worden broers en echtgenoten die meisjes en vrouwen met de dood bedreigen, vervolgd? Komen zij voor de rechter? Worden vaders die hun minderjarige dochters tot het huwelijk dwingen, voor de rechter gebracht?

Nu kom ik te spreken over de mannen en de jongens. Door sommigen wordt gezegd dat zij eigenlijk ook in aanmerking moeten komen voor het emancipatiebeleid. Volgens ons betekent emancipatie bevrijding van een toestand van onderdrukking. Veel migrantenmannen genieten thuis een zeer bevoorrechte positie. Zij zullen die niet snel afstaan. Ik deel de mening dat daaraan iets gedaan moet worden. Mannen en jongens moeten namelijk leren omgaan met hun seksuele verlangens. Zij moeten deze leren beheersen, net zoals de meisjes en de vrouwen. Collega Dijsselbloem heeft hier al iets over gezegd.

Mijn fractie denkt evenals de Partij van de Arbeid dat een deel van de 10 mln. die voor een positieve toonzetting gereserveerd is, beter besteed kan worden aan de sekseducatie voor de migrantenjongens en –mannen die daarvoor in aanmerking komen. Is de minister dat met ons eens?

Wat de kansen op de arbeidsmarkt betreft, is de VVD-fractie van mening dat de overheid de marktwerking niet mag verstoren. Dit geldt ook voor de arbeidsmarkt. Een individu wordt volgens onze levensvisie geacht, zelf werk te zoeken. De taak van de overheid moet dan ook beperkt blijven tot het scheppen van zo veel mogelijk gelijke voorwaarden voor iedereen.

De werkloosheid onder migranten en vooral jongeren is stuitend hoog. Deels ligt dit aan discriminatie op de arbeidsmarkt. Mijn fractie is benieuwd naar de acties die de minister heeft ondernomen om deze discriminatie in kaart te brengen en de middelen die zij heeft ingezet om discriminatie uit te bannen.

Voor een ander deel ligt het, als men goed luistert naar de werkgevers, aan sommige migranten zelf. Onvoldoende taalbeheersing, gebrek aan diploma's, lage arbeidsethiek, ongemotiveerd naar het werk gaan, enzovoorts. Houdt het kabinet wel rekening met de klachten van de werkgevers door bijvoorbeeld in het voortraject, bij opleidingen en trainingen, migranten voor te bereiden op de eisen van de werkvloer? Ik verzoek de minister hierop in te gaan.

Een derde verklaring voor de werkloosheid kan te maken hebben met andere kenmerken van onze verzorgingsstaat. Zijn er voldoende banen ontstaan door de economische hervormingen die dit kabinet heeft doorgevoerd? Worden prikkels tot werken wel goed benut? Met andere woorden, loont het om te werken in Nederland? Kan nu al worden gezegd dat de nieuwe Wet werk en bijstand als stimulans heeft gewerkt om mensen te laten kiezen voor het werk? Is binnen het kabinet een verlaging van het minimumloon bespreekbaar?

Ik kom op ongewenste en ongeziene effecten van immigratie. Wij hebben in de jaren tachtig en negentig de zogenaamde witte vlucht uit de grote steden meegemaakt naar aanleiding van wat de degenen die wegtrokken beschouwden als een onleefbare situatie of een onleefbaar milieu. Mijn fractie maakt zich ernstige zorgen dat een dergelijke witte vlucht zich aan het voltrekken is voor heel Nederland. Op 2 november jongstleden maakte de NOS bekend dat 8% van de bevolking serieuze plannen had om te emigreren. Zij grepen de moord op Theo van Gogh aan als aanleiding, maar deze trend dateert van voor de moord. Wat vindt het kabinet hiervan? Doet het kabinet iets om deze groep, die soms de ruggengraat van onze economie wordt genoemd, binnenboord te houden? Dit wegtrekken is slecht voor Nederland, zeker als dit gepaard gaat met de instroom van analfabeten of laagopgeleiden die niet bijdragen aan de economie. Door de verscherpte aanpak van de immigratie via gezinsformatie en gezinshereniging is een daling merkbaar. Dat is goed, maar mijn fractie dringt bij het kabinet aan om door te zetten.

Ik grijp deze gelegenheid aan om namens mijn fractie het kabinet ook te wijzen op andere ongeziene effecten van het restrictieve immigratiebeleid en de overlap met andere beleidsterreinen, zoals ontwikkelingssamenwerking. Een doorn in ons oog is de handel in mensen. Handel in mensen is slavernij. Er wordt in de wereld vooral in vrouwen en kinderen gehandeld. In Nederland worden deze vrouwen en kinderen gebruikt als seksslaven.

Twee factoren dragen bij aan de schaalvergroting in Nederland van deze onaanvaardbare en gruwelijke handel. De eerste is ons immigratiebeleid, dat wel restrictief is maar niet sluitend. De tweede is de aanwezigheid van een legale markt voor prostitutie op vooral de Wallen in Amsterdam. De politie verlangt van de meerderheid van de slachtoffers dat zij als getuigen optreden, maar als de slachtoffers aantoonbaar niet terug kunnen naar hun land en getuigen tegen hun pooier of hun slavenhouder, komen zij niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning. Het is een cirkelredenering want politie en het Openbaar Ministerie verlangen dat zij meewerken, maar als zij niet meewerken, worden zij uitgezet en dus werken zij niet mee. Hoe denkt de minister daarover? Het gaat vooral om buitenlandse vrouwen en dus gaat het de minister van Integratie aan. Het heeft ook te maken met mensenrechten. Nederland heeft heel veel mensenrechtenverdragen ondertekend. Dit is echt iets dat wij zo veel mogelijk moeten ontmoedigen.
De vergadering wordt enkele minuten geschorst.



  1   2   3   4   5   6   7   8   9


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina