Online-kranten in Vlaanderen: een historisch overzicht van midden jaren ’90 tot vandaag



Dovnload 136.19 Kb.
Pagina1/4
Datum21.08.2016
Grootte136.19 Kb.
  1   2   3   4




http://comcom.uvt.nl/e-view/04-2/inhoud.htm

Online-kranten in Vlaanderen: een historisch overzicht van midden jaren ’90 tot vandaag




Hans Beyers (hans.beyers@ua.ac.be)




Inleiding

‘We’re almost out of newspapers that aren’t on-line’1



Begin 2005 zal het met (toen nog) De Financieel Economische Tijd exact 10 jaar geleden zijn dat in Vlaanderen de eerste nationaal verspreidde krant online ging. Een goede gelegenheid voor een korte terugblik, want er is in die tijdsspanne veel veranderd in het Vlaamse online-krantenlandschap. Want zeker binnen de internetwereld is een decennium een lange periode.
Anno 2004 telt Vlaanderen een 9-tal kranten die zich, de één al wat ambitieuzer en succesvoller dan de andere, sinds 1995 één voor één in het online-avontuur hebben gestort: De Standaard, Het Volk en Het Nieuwsblad/De Gentenaar (Vlaamse UitgeversMaatschappij), Gazet Van Antwerpen en Het Belang van Limburg (Concentra Media), De Tijd (nv Tijd), en sinds 2003 ook Het Laatste Nieuws en De Morgen (De Persgroep). Het enige resterende dagblad, De Nieuwe Gazet (behorend tot de laatst vermelde groep), is niet actief op het internet. Tot voor kort konden de websites van De Morgen en Het Laatste Nieuws eerder omschreven worden als business-to-business of business-to-consumer websites: men bood er geen content aan in de zin van dagelijkse inhoudelijke berichtgeving, maar richtte zich tot het lezerspubliek en andere bedrijven/organisaties via het vermelden van bedrijfsstructuren, contactgegevens en andere nuttige informatie met betrekking tot het bedrijf zelf. Daarnaast zien we ook dat men steeds vaker opteert voor niche-berichtgeving (bijvoorbeeld De Morgen met de cultuurwebsite Sherpa) of de zoekertjesmarkt, bijvoorbeeld markt.be of autozone.be (De Persgroep) of hebbes.be (Concentra Media). Uit wat volgt blijkt dat ook de motivatie om de stap van de drukpers naar de cyberwereld te zetten en de manier waarop dit het afgelopen decennium gebeurde, van titel tot titel varieert.

Korte ontstaansgeschiedenis van online-kranten
Verschillende auteurs stellen dat de Amerikaanse politicus Al Gore aan de basis ligt van het ontstaan van de online-nieuwsindustrie. Hij stelde op 15 juli 1990 in The Washington Post immers dat de wereld nood had aan een breed informatienetwerk: ‘Just as the interstate highway system made sense for a postwar America with lots of new automobiles clogging crooked two-lane roads, a nationwide network of information superhighways now is needed to move the vast quantities of data that are creating a kind of information gridlock’.2 De Clinton-administratie had met het National Information Infrastructure-programma dan ook een belangrijk aandeel in de opgang van de online-media. In ruwe lijnen moeten we de geschiedenis van de online-journalistiek opsplitsen in 2 grote delen: ten eerste de ontwikkeling van teletekstsystemen en als tweede videotex, waarvan het World Wide Web de laatste en wellicht bekendste stap is (ook Bulletin Boards Systems en online-diensten vallen onder videotex).3 Het is hierbij dus belangrijk meteen op te merken dat online-communicatie pas boomde bij de opkomst van het wereldwijde web gedurende de jaren ’90, maar dat de geschiedenis ervan teruggaat naar de jaren ’70.
Teletekst

Teletekst, ontwikkeld door de BBC vanuit het onderzoek naar oplossingen voor slechthorenden, is een elektronisch eenwegs telecommunicatiesysteem dat gebruik maakt van 4 vrije lijnen van het (in Europa uit 625 lijnen bestaande) televisiebeeld om informatie (tekst en grafische elementen) in gedigitaliseerde vorm uit te zenden. Hierbij is het potentieel aan aangeboden informatie redelijk beperkt, maar het kan wel snel geactualiseerd worden. Door deze snelheid heeft teletekst quasi-interactieve kwaliteiten. Bovendien staat er geen beperking op het aantal gelijktijdige gebruikers van het systeem en is het voor iedereen toegankelijk. Het systeem, dat gebruik maakt van wit en 6 kleuren op een zwarte achtergrond, construeert pagina’s van 150 à 200 woorden in 24 rijen van 40 karakters per rij.4


Figuur 1: Screenshot van de startpagina van Ceefax


De uitvinding van teletekst in 1970 kan beschouwd worden als de eerste aanzet naar onze hedendaagse digitale journalistiek. Nadat er in 1971 een patent op werd genomen, kondigde de bbc reeds in oktober 1972 Ceefax aan (het eerste teletekstsysteem ter wereld), dat z’n huidige naam dankt aan See Facts (het systeem startte onder de naam Teledata). In 1973 werd het aan het grote publiek voorgesteld, het eerste commerciële gebruik wordt vanaf 1976 gedragen op het kanaal van BBC1.5 Tegen het einde van de jaren ’90 beschikte in het Verenigd Koninkrijk 60% (oftewel 9,4 miljoen mensen) van de gezinnen over minstens één televisietoestel voorzien van teletekst. In 1980 voerde onder andere The Washington Post tests uit met teletekst.
Videotex/audiotex

Videotex, in 1971 uitgevonden door Sam Fedida, werd door The British Post Office in de herfst van 1979 commercieel gelanceerd onder de naam Prestel. De Grooff definieert (interactieve) videotex als ‘… een interactief telecommunicatiesysteem om informatie, die in digitale vorm is opgeslagen in een databank, via het telefoonnet en door middel van een speciaal (met decoder en modem uitgerust) ontvangsttoestel op te vragen en/of uit te wisselen’ en later als ‘een openbare online-informatiedienst, waarbij gegevens op een eenvoudige (menugestuurde) manier via het telefoonnet kunnen worden opgevraagd uit online-databestanden die aangesloten zijn op het videotexnetwerk’. Het biedt, via raadpleging op een televisiescherm of een personal computer (een scherm kan 75 tot 120 woorden bevatten), onder andere mogelijkheden tot transactie en consultatie van onderling verbonden gegevensbanken met een onbeperkte hoeveelheid aan informatie en snelle updates, en communicatie via het systeem ‘electronic mailbox’.6 Een belangrijk verschil met teletekst is dus dat videotex een gesloten tweewegsmedium is. De dienst kende in 1976 haar eerste publieke demonstratie onder de oorspronkelijke naam Viewdata. In 1977 begon een aantal Britse kranten met de experimentele verspreiding van nieuwsberichten via Prestel, dat in 1994 ophield te bestaan (pas eind 1985 werd voor het eerst sinds 1979 winst gerapporteerd). In Frankrijk volgde France Telecom begin jaren ’80 met de ontwikkeling van Teletel (nu gekend als Minitel) waardoor miljoenen mensen (begin jaren ’90 gebruikte reeds één derde van de Franse bevolking het systeem) toegang kregen tot allerlei informatiediensten (financiële diensten, toerisme, opleiding, gezondheid, …). De Minitel is een compacte terminal die bestaat uit een modem, een toetsenbord en een zwart-witscherm van 9 inch of een kleurenscherm van 11 inch. Ten gevolge van het succes van videotex in Groot-Brittannië en vooral Frankrijk werden vooral in de Verenigde Staten en Japan (Character and Pattern Telephone Access Information Network, kortweg CAPTAIN, ontworpen voor communicatie met de complexe Japanse lettertekens) tientallen videotex-initiatieven gelanceerd gedurende de eerste helft van de jaren ’80. Opmerkelijk is dat vooral de overheid zich inzette voor de ontwikkeling van videotex, en dat de Verenigde Staten nagenoeg de enige waren waar het medium door de private sector werd uitgewerkt.7 Ook België kende een aantal initiatieven met onder andere Mediatel en Editel. De Grooff ziet verschillende redenen voor dit engagement: in eerste instantie wilden de participerende uitgevers hun activiteiten beschermen door geen ruimte te laten voor andere initiatieven, anderzijds zagen ze ook een mogelijkheid tot geografische en produktmatige differentiatie. Daarnaast telde ook het promotionele karakter en het feit dat men via videotex een ruimer publiek kon bereiken.8 Omwille van een aantal elementen als de vaak hoog oplopende gebruikskosten, dure koop- en huurterminals en het feit dat het gebruik van videotex in de meeste huishoudens het gelijktijdige gebruik van telefoon en televisie uitsloot, waren de meeste videotex-diensten van kranten niet voldoende succesvol en rendabel. Prestel telde in 1986 niet meer dan 65.000 gebruikers en in 1993 was dit aantal zelfs gedaald tot 30.000.9 In juli 1980 was de Columbus Dispatch het eerste Amerikaanse dagblad dat een videotex-krant publiceerde.10
Vanaf het midden van de jaren ’80 begonnen verschillende kranten ook te werken met audiotex. Via telefoonnummers die in de papieren krant gepubliceerd werden, konden lezers geautomatiseerde content opvragen in verschillende categorieën (bv. het weer en zoekertjes).
Faxkranten

Toen eind jaren ’80 het fax-toestel opgang maakte in de meeste bureau’s, kreeg ook de faxkrant een nieuwe kans. Deze kranten, die meestal slechts uit een paar pagina’s bestonden, mikten op specifieke doelgroepen (bv. zakenlui). Al snel werd echter duidelijk dat faxkranten niet de verhoopte winsten creëerde en werden ze afgevoerd.


Bulletin Boards Systems (bbs) & consumer online services

Als antwoord hierop werd een systeem ontwikkeld dat niet meer steunde op het gebruik van een televisiescherm, maar zich richtte op computerschermen. De aandacht verschoof van klassieke videotex naar de zogenaamde consumer online services, die reeds in de jaren ’60 uitgedacht werden, maar pas opgang maakten door de intrede van personal computers. Volgens Kawamoto begon The Columbus Dispatch in juli 1980 als eerste krant met een elektronische versie via CompuServe te experimenteren. CompuServe is een databank die in 1979 werd opgericht en onder andere beursgegevens, home-shopping en home-banking diensten bood. Bulletin Boards Systems (bbs), uitgevonden in 1978, vormden vanaf de late jaren ’80 de volgende stap in de ontwikkeling van elektronische kranten, vooral omdat ze goedkoper waren dan videotex.11

Opmerkelijk is dat vooral de kleinere, regionale kranten gebruik maakten van bbs, terwijl grotere kranten zich op consumer online services met Internet Service Providers (isp) richtten. Riley schrijft dat begin jaren ’90 ‘only a half dozen major newspapers and about a dozen smaller papers had a significant newspaper product or an interactive/online paper on the Web or an Internet provider’.12 In 1990 lanceert The Albuquerque Tribune als één van de eersten een elektronische versie op basis van BBS.13 In 1992 meldt de Newspaper Association of America (naa) dat in de Verenigde Staten en Canada al 11 kranten over een elektronische versie beschikken. Vanaf datzelfde jaar begint reeds de verschuiving van videotex naar dial-up services als Prodigy, Compuserve en America Online. Door het (officieel) op de markt brengen van Mosaic14, de eerste grafische webbrowser, in november 1993 steeg de internettrafiek spectaculair. In januari 1994 schrijft Editor & Publisher dat er wereldwijd ongeveer 20 elektronische diensten van kranten bestaan, waarvan de meeste Bulletin Board Systems; in mei 1995 spreekt het magazine Quill al over 150 Amerikaanse dagbladen.15 In datzelfde jaar 1995 telde Editor & Publisher ongeveer 330 kranten die online zijn: 38 via bbs, 45 via consumer online services met isp als America On Line, Prodigy of CompuServe en 230 op het World Wide Web. De doorbraak van kranten op het World Wide Web volgde tussen de tweede helft van 1994 en 1996, waarbij onder andere USA Today (april 1995), The New York Times16 (januari 1996, na vanaf 9 juni 1994 eerst via America Online gewerkt te hebben), The Los Angeles Times (april 1996, eerst vanaf oktober 1994 via Prodigy), The Wall Street Journal (april 1996) en The Washington Post online (juni 1996, eerst vanaf juli 1995 via Interchange) gingen. Deze evolutie betekende meteen het einde van de consumer online services. Vanaf 1994 startten ook de eerste Europese kranten met online-edities: The Daily Telegraph (november 1994), The Guardian (april 1995), Le Monde (1995), The Times (1 januari 1996), El Pais (mei 1996). Tegen 1997 rapporteert Editor & Publisher ongeveer 2600 kranten met sites op het World Wide Web of via dial-up services, een jaar later zijn dit er al 3250.17 Ruwweg kunnen teletekst en videotex dus beschouwd worden als de voorlopers van de hedendaagse online-nieuwssites.

Kist zag reeds in 1989 drie belangrijke perioden in het elektronisch publiceren: in de periode van midden jaren ’70 tot midden jaren ’80 kwam de digitalisering stilaan op gang, maar was er nog een duidelijke overheersing van papieren informatiedragers merkbaar. Dit veranderde tussen 1985 en 1995, wanneer elektronische alternatieven opdoken die effectief een meerwaarde boden. Vanaf 1995 zien we tenslotte de vervanging van bepaalde produkten door digitale substituten.18


Fang ziet 5 revoluties in de communicatiegeschiedenis: de uitvinding van het schrift in Griekenland (8e eeuw voor Christus), de uitvinding van de boekdrukkunst in Europa door Gutenberg (2e helft van de 15e eeuw), de gecombineerde vooruitgang in papierproductie en druktechnologie die vanaf het midden van de 19e eeuw leidt tot de eerste massaproductie van kranten en tijdschriften, de opkomst van de fotografie op het einde van de 19e eeuw en tenslotte de ‘Communication Toolshed Home’ waarbij vanaf de 2e helft van de 20e eeuw de gezinswoning een informatiecentrum wordt dankzij o.a. telefoon en televisie.19 We zouden hier een zesde revolutie aan kunnen toevoegen, namelijk het samensmelten van alle voorgaande evoluties met gedigitaliseerde, multimediale en interactieve communicatiepatronen als gevolg.
Pryor stelt dat we 3 periodes kunnen onderscheiden in de (voorlopige) geschiedenis van de online-journalistiek. In een eerste exploratieve fase van 1982 tot 1992 werd zo goed als alle informatie gecontroleerd door bedrijven als CompuServe en America On Line en was de controle bij de eindgebruiker uitermate beperkt. Er werd door online-kranten onder andere geëxperimenteerd met teletekst, videotex/audiotex diensten en faxkranten, maar dit bleek –zoals hierboven gezegd- al gauw een flop te worden. Deze diensten kenmerkten zich door weinig originele of user-generated content. In de periode tussen 1993 en 2001 startten de eerste online-kranten met de stap naar het net. Grafische elementen werden geleidelijk aan meer geavanceerd, en het gebruik van e-mail boomde. Met de ontwikkeling van html en browsers als Mosaic, Netscape Navigator en Microsoft Internet Explorer werden een aantal belangrijke stappen gezet voor de uitbouw van het internet zoals we het nu kennen. In 1994 begonnen de eerste Europese kranten (onder andere The Financial Times) aan hun online-avontuur. In de huidige third wave, die vanaf 2001 opgang maakte, zijn de gebruikers beter uitgerust en de journalisten meer ervaren. Toepassingen als instant messaging en het downloaden van muziek en software worden steeds populairder door de opkomst van breedband. Centraal in deze derde fase staan ook de draadloze diensten (pda, gsm, …).20
De Vlaamse online-kranten



  1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina