Onopzettelijke aanduiding, niet bedoelde bieding, (opzettelijke) denkpauze…



Dovnload 19.54 Kb.
Datum23.08.2016
Grootte19.54 Kb.
Onopzettelijke aanduiding , niet bedoelde bieding, (opzettelijke) denkpauze…
Als arbiters over één onderwerp ongelooflijk van inzicht kunnen verschillen, is dat wel over het straffeloos laten corrigeren van niet bedoelde acties. En als arbiters al niet op één lijn staan, wat mogen wij dan verwachten van de spelers die daarvoor níét hebben doorgeleerd?
Met dit artikel probeer ik alle arbiterneuzen dezelfde kant op te krijgen. En dit ambitieuze doel probeer ik te bereiken door allereerst de punten op tafel te leggen die maar voor één uitleg vatbaar zijn.
Onbedoelde bieding
We beginnen met de Spelregeltekst. Ik citeer uit artikel 25.A.1.


Tot zijn partner een bieding doet, mag een speler een niet be­doelde bieding vervangen door zijn voorgenomen bieding maar alléén als hij dit doet of tracht te doen zonder denkpauze.

Een niet bedoelde bieding mag dus worden vervangen, mits dat gebeurt zónder denkpauze.



Bedoeld wordt dat tussen het moment van neerleggen en correctie geen wijziging van gedachten mag plaatsvinden. Er moet dus sprake zijn van een verschil tussen de voorgenomen en neergelegde bieding.
‘Denkpauze’ duidt op enige tijd. Als een speler dus niet meteen zijn vergissing bemerkt, vervalt daarmee niet automatisch het recht om te corrigeren.

Dat hebben de Spelregelmakers ook voor ogen. Dat blijkt uit de termijn waarbinnen een onbedoelde bieding mag worden gecorrigeerd. Tot de partner heeft geboden. En als de partner niet meer aan de beurt komt omdat het bieden is afgelopen, geldt zelfs als grens het moment waarop de uitkomstkaart wordt opengelegd.
De essentie van Artikel 25A is, dat de neergelegde bieding geen enkele link legt naar het werkelijke bezit en/of de bedoeling van de betreffende speler. Ofwel, de eerste actie voegt per definitie niets toe aan de informatie die de definitieve bieding geeft.
Hoe kun je als arbiter nagaan of de wens tot wijziging wel of niet voorafging door een denkpauze?

Omdat schedellichting niet is toegestaan én de NBB nog niet voorziet in een cursus ‘gedachtelezen voor beginners’, laat staan voor gevorderden, kun je dat als arbiter alleen nagaan door de hand van de bieder te bekijken. Als je dat al tijdens het bieden doet, geef je met je oordeel ongeoorloofde informatie. Dus kun je niet anders doen dan de speler uitleggen aan welke voorwaarden een straffeloze wijziging moet voldoen. En dat je dat als arbiter pas na de 13e slag kunt en zult controleren. Daarmee leg je de keus om wel of geen gebruik te maken van Artikel 25A bij de speler. Als de speler onervaren is, en geen idee heeft wat hij nu moet, kun je hem apart nemen en adviseren.
Als je vervolgens achteraf moet bepalen of het wel of niet om artikel 25A gaat, kijk je vooral of de eerste bieding een redelijke optie was. Zo ja, dan ontstaat er twijfel over de status van het onbedoelde, en bij twijfel moet je de speler het nadeel geven van zijn vergissing.
Voorbeeld 1

Noord opent 2SA (20 – 22 punten)


Zuidhand:

 A B 9 4 3

 H 5

 V B 10 8



♣ 4 3
Zuid legt 3 (of 3) neer, en direct nadat west heeft gepast, ziet hij zijn ‘misgreep’ en zegt geschrokken dat hij zich heeft vergist. Hij had nooit de bedoeling om dat te bieden. Hij mag straffeloos corrigeren naar3.
Voorbeeld 2

Noord opent 2SA (20 – 22 punten)


Zuidhand:

 A B 4


 5 4

 H V B 10 8

♣ 4 3 2
Zuid denkt lang na en past!
West past ook, waarna oost zegt: ‘Ik kom dus uit tegen 2SA.’
Daarop zegt zuid geschrokken dat hij zich vergiste. Hij dacht na over 3SA of een slempoging. Zag uiteindelijk van een slempoging af en paste.
De paskaartjes liggen niet naast het 3SA-kaartje. Van een misgreep kan dus geen sprake zijn. Over de mate van concentratie spreekt artikel 25A gelukkig niet. Gelukkig niet, omdat de mate van bewustzijn voor de arbiter niet meetbaar is. Gelet op de lange denkpauze zou je trouwens net zo goed kunnen spreken van óverconcentratie…

Wat wél meetbaar is voor de arbiter, is de logica van de gedane bieding.

Met deze hand kan een pas op partners 2SA geen overweging zijn. Zuids ‘pas’ is daardoor duidelijk een onbedoelde bieding. De arbiter kan volgens artikel 25A zuids pas laten wijzigen in 3SA.

Voorbeeld 3

Noord opent (weer ) 2SA


Zuid past
Al vóórdat west biedt, zegt zuid dat hij dacht dat noord 1SA had geopend, en wil zijn pas veranderen.
Dit verzoek valt NIET onder artikel 25A! De eerste gedachte sloeg op de veronderstelde 1SA-opening. De wijziging op 2SA. Dat kan niet zonder gedachteverandering. Dus voldoet zuid niet aan de voorwaarde om zonder rechtzetting zijn pas te corrigeren.

Onbedoeld gespeelde kaart

Ook tijdens het spelen geven de Spelregels ruimte voor het straffeloos corrigeren van een onbedoelde handeling.
Citaat uit Spelregel 45.C.4.b

Tot zijn partner een kaart gespeeld heeft, mag een speler een onopzettelijke aanduiding wijzigen, mits hij dit zonder denkpauze doet (…).

In Wekowijzer nummer 109, voorjaar 2008, schrijft Ad Cosijn:

‘(…) Omdat we ‘aanduiding’ als iets verbaals opvatten, geldt deze bepaling in de praktijk alleen voor de leider die een kaart uit de dummy wil spelen en een verkeerde noemt. (…)’
Deze aanvulling betekent dat we deze wettekst moeten lezen als:

Tot de leider zelf een kaart gespeeld heeft, mag hij een onopzettelijke aanduiding van een te spelen kaart door dummy wijzigen, mits hij dit zonder denkpauze doet (…).

Daarbij geeft Ad als verduidelijking:


‘(…) Maar een gespeelde kaart mag alleen terug als het zonneklaar is dat de leider nooit van plan is geweest de betreffende kaart te spelen. In de praktijk komt dat zelden of nooit voor. (…)’
Daar geeft Ad meteen een voorbeeld bij dat volgens hem wél voor correctie in aanmerking komt (Franse woord voor harten, terwijl hij ruiten bedoelde), met de toevoeging:
‘Harten spelen was volstrekt dwaas en het was iedereen duidelijk dat ik ruiten bedoelde. Voor dit soort gevallen bieden de spelregels uitkomst.’
Dit geheel overziend, lijkt de grens dus te liggen bij een ‘volstrekt dwaze’ aanduiding van een door dummy te spelen kaart. Mét de voorwaarde van géén denkpauze.
Dat is een lastige. Wat volgens een sterke speler ‘dwaas’ is, hoeft voor een gewone speler helemaal niet dwaas te zijn. En als de leider, hoe sterk ook, de dwaasheid pas inziet na het bijspelen (lees: nemen…) door de linkertegenstander van dummy, wordt het beroep op straffeloze correctie helemaal onmogelijk. Ondanks dat de Spelregels de leider de ruimte geven om ook ná dat bijspelen van de tegenstander de ‘onbedoelde kaart’ te corrigeren, kunnen wij geen voorbeeld bedenken waarbij dat dan gebeurt zónder verandering van gedachten op het moment dat de leider de bijgespeelde kaart ziet.
Voorbeeld

  • De leider speelt een hartencontract.

  • In dummy ligt de laatste troefkaart met nog een paar lage kaarten in de bijkleuren.

  • De leider heeft in zijn hand een lange vrije kleur en draait die af.

  • Na een paar slagen is dummy’s troefkaart de laagste van dummy’s kaarten, in de volgende slag noemt de leider die troefkaart als op te ruimen verliezer. De rechtertegenstander van de leider speelt bij.

Op het moment dat de leider aanstalten maakt zijn volgende vrije kaart te spelen, zegt zijn rechtertegenstander dat dummy aan slag is.
Wat beslist de arbiter? Het aftroeven van leiders vrije slag is volstrekt dwaas. Vriend, vijand én arbiter zijn er beslist van overtuigd dat het niet de bedoeling van de leider was om zijn vrije kaart af te troeven.
Naar ons idee valt deze correctie NIET onder Artikel 45.C.4.b. Omdat de leider bewust een lage kaart wilde opruimen. Dat hij zich pas daarna realiseerde dat die lage kaart een troefkaart is, is een verandering van gedachte… Tijdens het spelen concentreerde hij zich op een verkeerde prioriteit, de laagste kaart, waarbij hij de troefkleur even vergat.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina