Ons landschap In brons- en ijzertijd



Dovnload 7.13 Kb.
Datum24.07.2016
Grootte7.13 Kb.
Ons landschap
In brons- en ijzertijd
Het landschap van onze streek werd rond 1000 voor Christus nog grotendeels bepaald door bossen. Hier en daar, waar de omstandigheden gunstig waren, hadden kleine groepen mensen eenvoudige nederzettingen gebouwd, bestaande uit een stuk of drie woningen. De huizen werden gebouwd van palen met daartussen een vlechtwerk van takken, aangesmeerd met leem, modder en mest, een bouwwijze die later werd verfijnd maar toch nog honderden jaren voor eenvoudige onderkomens werd toegepast. We kunnen voorbeelden terugvinden in de buurt van Schuilenburg (het “leemhuussie” Oud-Vels) en Ypelo (een boerenschuur).
Rond dergelijke nederzettingen waren stukken bos opengekapt om er akkers aan te leggen. Sinds men bronzen gebruiks­voorwerpen leerde kennen, omstreeks 1700 voor Christus, was het hakken een stuk makkelijker geworden, en toen er duizend jaar later ook ijzeren gereed­schappen kwamen, ging men steeds voort­varender te werk. Eenvoudige ploegen kwamen er, zodat de grond steeds intensiever kon worden bewerkt. Leverde een akker door uitputting weinig meer op, dan rooide men een nieuw stuk bos, en de oude akker bleef braak liggen. Het vee scharrelde er rond en hield dergelijke plekken vaak wel min of meer open. Voor het contact met anderen was de rivier, hier de Regge, belangrijk.
Allengs ontstonden er ook paden van de ene neerzetting naar de andere. Deze voerden over de droge delen, want lang niet overal was de bodem goed begaanbaar. In feite was het noordoosten van onze provincie grotendeels moerassig en ongeschikt voor bewoning. Uit het kaartje dat hier is afgedrukt blijkt dat er eigenlijk meer drassige dan droge delen waren: alles wat grijs is was onbewoonbaar. Langs de Regge lag een brede strook die regelmatig overstroomde, mar ook ten oosten van de Eversberg en ten westen van de Sallandse Heuvelrug was de natuurlijke afwatering onvoldoende.
Al sinds het Atlanticum – de milde en vochtige periode van een paar duizend jaar, die omstreeks 3000 voor Christus ten einde liep – was in komvormige delen van het landschap water blijven staan. Een goed voorbeeld is het huidige Wierdense Veld dat ligt tussen de hogere delen van Wierden-Hoge Hexel-Daarle in het oosten en in het westen van een zandrug die de Regge begeleid; slechts hier en daar is er een onderbreking waar een klein beekje wat water kan wegvoeren naar de rivier, zoals het – later enigszins omgeleide – beekje langs Erve Boomcate.
In het midden van de kom werd de grond eerst drassig; er groeide een broekbos van elzen en berken. Toen het waterpeil steeds hoger kwam, stierven de bomen op den duur; de wortels hadden weinig houvast in de modder, dus ze waren een gemakkelijke prooi voor de wind. Bovendien krijgen de wortels te weinig zuurstof als ze blijvend onder water staan.
Het water was zuurstofarm, waardoor de bomen en hun lover nauwelijks verteerden. Er ontstond een moeras van zeggen en riet, omzoomd met broekbossen waar de bomen het niet vol konden houden. Het afgestorven materiaal hoopte zich op de bodem van de inmiddels ontstane ondiepe plassen. Het water verzuurde, waarna veenmossen hun favoriete milieu vonden om te gaan woekeren. Terwijl deze plantjes onder water afstierven door gebrek aan licht, bleven ze aan de bovenkant doorgroeien, tot ze boven water uitkwamen. In regenarme perioden kon zich op een korst van uitgedroogd veen heide vormen, maar in vochtigere tijden groeide het veenmos tot boven het oorspronkelijke waterpeil en tot buiten de oorspronkelijke plassen. De planten van het veen konden geen voedselrijk grondwater meer bereiken. Er ontstond een zogenaamd hoogveen, dat alleen leefde van het weinige voedsel dat het regenwater aanvoerde en van wat vrijkwam bij oppervlakkige vertering van ‘s zomers droogvallende delen. Een bijzonder voedselarme omgeving, waar alleen gespecialiseerde planten zoals wollegras, veenbes en zonnedauw kunnen gedijen.
Dergelijke gebieden waren er veel in Oost-Overijssel en ze boden de mensen weinig aantrekkelijks om zich er te vestigen. Buiten de echte veengebieden zoals Vriezenveen en Wierdense Veld, waren er nog grote oppervlakten broekbos. De bevolking was hier dan ook zeer verspreid. Om van de ene nederzetting naar de andere te komen moest men vaak grote omwegen maken.
Zo werd het landschap geleidelijk opener: de droge delen door toedoen van de mens, de natte delen door veengroei. In de volgende afleveringen zullen wie zien hoe ondanks alles de menselijke nederzettingen groeiden.
april 1989

Harry Konijnenbelt




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina