Ons Landschap Van 2000-1000 voor Christus



Dovnload 5.67 Kb.
Datum24.07.2016
Grootte5.67 Kb.
Ons Landschap
Van 2000-1000 voor Christus

Ons landschap had sinds de ijstijd, die 10.000 voor Christus ten einde liep, de ontwikkeling doorgemaakt van kale toendra naar dicht loofbos. In de vijf eerdere afleveringen van deze reeks over de geschiedenis van het landschap in onze streek, vertelde ik hoe die ontwikkeling verliep. Hoe bij afnemende koude, eerste berken en dennen hier terugkeerden, wilgen en populieren, en toen na hazelaars uiteindelijk de grote heersers van het loofbos dit land veroverden: eiken en linden. Terwijl elzen de drassigste - en essen en iepen de vruchtbaarste delen in bezit namen.


Een belangrijke boomsoort moet u als oplettende lezer hebben gemist: de beuk. Deze boom, die zich het beste thuisvoelt in de schaduw van oude eiken, om na verloop van tijd een belangrijk aandeel op te eisen, deed de beuk er inderdaad vele duizenden jaren over om vanuit zuidelijke landen terug te keren in Noordwest-Europa. Pas rond 2000 voor Christus leek hij weer een vaste plaats te krijgen in de bossen van de Sallandse Heuvelrug en andere droge delen van onze streek.


Hij slaagde daar maar ten dele in, want in dezelfde tijd woonden hier mensen van de standvoetbekercultuur. Die hielden vee en lieten de dieren voedsel zoeken in het bos. Tot het meest geliefde groen dat ze er vonden behoorden de zaailingen van de beuk en twijgen met bladeren van struiken en jonge bomen. Sommige soorten, zoals eik en meidoorn, herstellen zich goed van vraat, maar de beuk heeft daar moeite mee. Ook wilde runderen, herten en paarden voedden zich op deze manier, maar zij waren gering in aantal door gebrek aan voedsel in het winterhalfjaar.
Het huisvee werd ‘s winters gevoerd met in de zomer geoogste bebladerde takken, loofhooi, en kon zo plaatselijk beduidend groter in getal zijn. Om gemakkelijk aan voldoende takken te komen, werden linden en iepen op een paar meter hoogte geknot – hun lover was duidelijk favoriet boven dat van eiken. De geknotte bomen konden geen volwassen takken vormen en kwamen daardoor niet meer in bloei; droegen dus ook geen zaad. Dit is wellicht een verklaring voor de duidelijke achteruitgang die deze boomsoorten in die periode vertoonden.
De iep had misschien ook toen al te lijden van de iepziekte. Door de veehouderij ging het bos in de wijde omtrek van menselijke nederzettingen achteruit. Het kon zich onvoldoende verjongen. Hoewel eenmaal volgroeide exemplaren van, met name eik en linde, vele honderden jaren oud kunnen worden, vielen er geleidelijk toch door storm en gewone sterfte, gaten in het woud. Het werd in de loop der tijd opener en graziger, wat gunstig was voor de grazende dieren.
Het aandeel van bomen, die zich met doornen en stekels tegen vraat wisten te weren, zoals meidoorn en hulst, nam naar verhouding toe. Omstreeks 1700 voor Christus kwam hier door handel brons beschikbaar. Bronzen bijlen waren veel beter dan de tot dan gebruikte stenen gereedschappen geschikt om bomen mee te kappen. De bronstijdmensen waren zo in staat hun akkers te vergroten en meer hout uit het bos te halen. Hun invloed op de omgeving werd voordurend groter en het landschap kreeg in de loop van de eeuwen die volgden, steeds meer open delen.
Daar droeg ook de veenvorming toe bij, waar ik in de volgende aflevering wat uitvoeriger bij wil stilstaan.
maart 1989

Harry Konijnenbelt



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina