Ons skelet bergt vele geheimen in zijn vormen, in zijn onzichtbaar bewegen



Dovnload 417.73 Kb.
Pagina1/8
Datum21.08.2016
Grootte417.73 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8




Ons skelet bergt vele geheimen - in zijn vormen, in zijn onzichtbaar bewegen.

Door middel van een helder

geschreven tekst en fraaie foto's en tekeningen begeleidt de auteur ons op de weg naar de ontsluiering van deze geheimen. De verschillende vorm-elementen worden zinvol met elkaar in verband gebracht, via een proces waarin intensief waarnemen en beweeglijk denken een belangrijke rol spelen. Op deze wijze weet Mees een gevoel te wekken voor de onvermoede schoonheid die in de vormen te vinden is en ontstaat er een bijzonder sprekend beeld van het menselijk skelet.

LF.C. Mees liet zich bij het schrijven van dit unieke boek leiden door de ideeën van Rudolf Steiner, de grondlegger van de anthroposofie. Hij verbindt zijn vondsten met de gedachte van wederbelichaming en maakt duidelijk, dat onze huidige lichaamsvorm verband houdt met een vorige incarnatie.





L.F.C. Mees werd geboren in Amsterdam in 1902. Hij kwam al vroeg in aanraking met de anthroposofie en had ook een ontmoeting met Rudolf Steiner. Na voltooiing van zijn studie medicijnen was hij jarenlang huisarts, daarnaast ook acht jaar leraar aan de Vrije School in Den Haag. Later werd hij geneesheer­directeur van het therapiehuis De Maretak, waarvan hij tevens oprichter was. De laatste jaren verwierf hij bekendheid door voordrachtsreizen in binnen- en buitenland en door cursussen aan verschillende opleidingsinstituten (o.a. De Wervel in Driebergen). Naast artikelen in tijdschriften schreef hij enkele boeken: Levende metalen; Drugs, waarom eigenlijk en De aangeklede engel.

Uitgeverij Vrij Geestesleven – Zeist



Geheimen van het skelet

L.F. C. Mees, arts

Geheimen van

het skelet

Vorm en metamorfose


Uitgeverij

Vrij Geestesleven

Zeist
Voor Eva






© 1980 Uitgeverij Vrij Geestesleven,

Zeist Fotografie Boudewijn Neuteboom e.a. Vormgeving Henk Maas

ISBN 9060381238

Inhoud


9 Voorwoord

Hoofdstuk 1

13 Verscheidenheid van vormen

Hoofdstuk 2



Metamorfose in planten-, dieren- en mensenrijk

16 De planten-metamorfose

18 De dieren-metamorfose

21 De specifieke metamorfose van de mens

24 Vorm en wezen

26 Vorm en genetische structuur

28 Het ontstaan van vormen

Hoofdstuk 3



De metamorfosen in het menselijk skelet
33 Het skelet als geheel

44 Ruggewervel en schouderblad

46 Ribben en armen

50 Schouderblad en heupbeen

52 Ribben en benen

54 Onderkaak en dijbeen

59 Bovenkaak en armen

60 Heupbeen en slaapbeen

64 Schouderblad en slaapbeen

66 Schouderblad plus heupbeen en slaapbeen

68 Schouderblad plus heupbeen plus dijbeen en slaapbeen plus onderkaak

71 Bekken en schedelbasis

73 Sleutelbeen en jukbeen

Hoofdstuk 4



Samenvatting van het behandelde in het licht

van de anthroposofie
77 Een verrassende mededeling

80 Het raadsel van onze lichaamsvorm

81 Onze lichaamsvorm na de dood

82 Romp en schedel

87 Individualiteit en erfelijkheid

Hoofdstuk 5



De drieledige mens
90 De drie werelden in de mensengestalte

97 De drieledige compositie van de schedel

101 Onze kosmische vorm

Hoofdstuk 6

105 Metamorfose en evolutie

117 Slotbeschouwing

Voorwoord

In mijn jeugd heb ik de kans gehad met vriendjes veel door de duinen in Noord-Holland te zwerven. We waren steeds samen in groepen jonge jongens, die 's zomers in vacantie-oorden logeerden. Dikwijls vonden we dan konijneschedels, soms ook andere delen van een of ander skeletje. We waren er zonder uitzonde­ring verrukt van, we vonden ze prachtig, we namen ze mee naar huis, keken er vaak naar. Ik denk, dat menigeen ergens in Nederland nog wel zo'n schedeltje heeft staan.

Voor veel mensen heeft een skelet echter een bijklank die ze aan iets griezeligs herinnert, speciaal het menselijke skelet. Binnen zekere grenzen is dat heel begrijpelijk. Niet voor niets wordt de dood dikwijls als een skelet met een zeis afgebeeld. Dood - skelet - beenderen, een voor de hand liggende associatie. Dit maakt dat velen dan ook niet bekend raken met de typische karakters van de verschillende beenderen. Wanneer we een massa botten en botjes voor ons hebben, zullen deze voor menigeen niet anders zijn dan botten zonder meer. Hoe anders wordt dit, als men begint ze in hun typische vormen te onderscheiden. Daartoe moet men de botten van ons skelet zo mogelijk niet alleen zien, doch ze ook eens in de hand genomen, ze betast hebben, langs de vlakke, ronde en hoekige delen gestreken hebben om de intense plastische schoonheid van de veelheid van vormen te beleven. Niet alleen met onze ogen, ook met onze vingers moeten we leren zien. Dat bevrucht op zijn beurt ook weer de vaardig­heid van onze blik, dingen te gaan opmerken die zich aanvankelijk nog aan onze indrukken onttrokken. We gaan dingen ontdekken, die zich in de ware zin van het woord pas gaan openbaren wanneer we eerst het bijkomstige van het wezenlijke hebben leren onderscheiden.

Het gaat in deze verhandeling niet, zoals gewoonlijk het geval is, om mededelin­gen die - in het oog van de schrijver - vaststaande feiten zijn. In zoverre zou men haar eerder als een reeks vragen kunnen opvatten; vragen als: kan men dit ook zó zien, enzovoort. In een beschouwing waarin het kunstzinnige element en het

wetenschappelijke zó met elkaar verbonden zijn, is dit niet anders mogelijk. Ik meen echter, dat er met klem gezegd mag worden, dat de volgende vergelij­kingen en conclusies daarom niet zonder meer subjectief zouden mogen worden genoemd. Het kunstzinnige in ons, dat in elk mens in een of andere vorm leeft, kan gebruikt worden als een orgaan van waarneming. Daardoor kunnen dingen opgemerkt worden die aan diegenen ontgaan, die slechts zuiver analytisch, wetenschappelijk te werk gaan. Wie een schilderij of een landschap wil bekijken, moet op een afstand gaan staan. Wanneer ik er te dicht op ga zitten, wanneer ik er loep en vergrootglas bij haal, zie ik wel steeds meer details, doch het geheel verdwijnt onherroepelijk uit mijn gezichtsveld. Drastisch uitgedrukt: wie naar de maan gaat, verliest de maan uit het oog; dat wil zeggen hij kan het verband met de omgeving, waardoor bepaalde details pas hun waarde krijgen, niet meer zo zien zoals aanvankelijk. Daarmee valt echter een bepaalde bron van inzicht weg. De grote, mijns inziens te weinig gewaardeerde anatoom-antropoloog Louis Bolk, bij wie ik mijn eerste osteologische lessen kreeg, heeft in zijn Hersenen en cultuur uitgesproken: 'Wij zijn gewoon het leven na te sporen door vergrootgla­zen en daardoor het anders onzichtbaar stoffelijke binnen onzen gezichtskring te brengen; hoe geheel anders, hoe ruimer zou onze opvatting van het leven zijn indien het ons gegeven ware dit eens te bestuderen met verkleinglazen, waar­door wij het voor het ongewapende oog onoverzichtbare binnen onzen gezichts­kring konden brengen, om dan in plaats van zoals thans de stoffelijke verbindin­gen, den samenhang der verschijnselen meer tot studiedoel te nemen'. Ik heb getracht in het volgende deze methode bij het bestuderen van de metamorfosen van het skelet steeds toe te passen.

Het zal ten slotte duidelijk zijn dat de opgetekende ervaringen slechts een greep zijn uit een veel groter gebied, dat nog geheel open ligt. De bedoeling is dan ook die lezers, die zich door de voorbeelden aangesproken voelen, aan te sporen dit gebied verder te ontginnen.

Er zal in de volgende beschouwingen aangetoond worden dat we vóór alles een zekere orde, een opbouw in de veelheid van vormen moeten gaan ontdekken. Daartoe moeten we het skelet in zijn totaliteit bestuderen. Voor het doel dat nagestreefd wordt is echter eveneens nodig, de vormen van een aantal beenderen op een nieuwe manier te bestuderen en ze onderling te vergelijken.

In de dertiger jaren ben ik daarmee begonnen. Een paar vrienden-tekenaars, met wie ik over de opzet sprak, boden mij hun medewerking aan om van een en ander tekeningen te maken. Het was allereerst W. A. ten Houte de Lange, destijds directeur van het Planetarium in Den Haag, die zich met grote geest­drift, zoveel mogelijk natuurgetrouw, aan de gang zette. Later heeft de tekenaar Rupert van der Linden met een heel andere, we zouden

kunnen zeggen meer artistieke techniek, zijn indruk van de voorgestelde resulta­ten weergegeven.

Het maakt een groot verschil of men iets natekent of fotografeert. De tekenaar haalt naar voren wat hij speciaal van belang acht. Dit brengt zeker het gevaar van een sterk subjectieve factor met zich mee, die wel eens te suggestief zou kunnen werken. De foto kan wel in een minder gunstige of in een gunstiger positie gemaakt worden, doch zij kan nimmer dingen vertonen die er niet zijn. Het meest bevredigende leek mij, voorzover mogelijk, de tekeningen van twee kunstenaars, die geheel onafhankelijk van elkaar zich in het materiaal ingewerkt hadden, naast een fotografie af te beelden. De lezer kan dan zelf beoordelen in hoeverre bepaalde accenten, die een tekenaar altijd wel in z'n werk zal leggen, verantwoord zijn.

Op de afbeeldingen die op de fotografieën volgen, vindt men steeds eerst de tekening van ten Houte de Lange, daarna die van Rupert van der Linden.

Driebergen, juli 1977 L. F. C. Mees





Hoofdstuk 1

Verscheidenheid van vormen

Vóór wij ons met de eigenlijke skeletvorm gaan bezighouden zal het goed zijn ons eerst met vormen in het algemeen, ook uit de niet-levende wereld om ons heen bezig te houden.

Op afb. 1-4 zien wij naast elkaar een zogenaamde windkei, een stenen bijl (een gebruiksvoorwerp), een klein in steen gebeeldhouwd reliëf en een bot (een tand van een potvis). Van alle vier voorwerpen pleegt men te zeggen dat ze een vorm hebben. De wijze waarop deze tot stand gekomen is, is in alle vier gevallen een geheel verschillende. De windkei is afgeslepen door invloeden van buitenaf. Het resultaat kan tot op zekere hoogte toevallig genoemd worden. Dit wil zeggen, bij het tot stand komen spelen wel verschillende wetmatigheden een rol, doch men kan nimmer van een bepaald gezichtspunt spreken van waaruit ze gewerkt hebben. Daarom zou ik hier van een vorm willen spreken die voornamelijk een contour vertoont. Die hebben de andere drie soorten vormen natuurlijk ook, doch slechts voor hen geldt dat er bij hun tot stand komen van een gezichtspunt gesproken kan worden. Dit laatste is echter in elk geval verschillend. Bij de bijl kunnen wij van doelmatigheid spreken; wij kunnen de vorm een constructie noemen. Alle gebruiksvoorwerpen zijn als zodanig constructies. Bij het kunstwerk gaat het om een idee, om schoonheid; hier is voor de vorm het woord compositie op zijn plaats. Bij het bot ten slotte plegen wij van een structuur te spreken, wat zowel voor de omtrek als voor het innerlijk geldt. Zo komen we tot een reeks: contour, constructie, compositie, structuur. Waar wij nu bij het tot stand komen van de bijl en het kunstvoorwerp van gezichtspunten kunnen spreken, rijst de vraag of we datzelfde kunnen doen bij de vormen uit de levende natuur.

Onder gezichtspunt wordt hier verstaan datgene, wat alle onderdelen van een vorm met elkaar in een wetmatige samenhang brengt. Bij de door ons zelf geschapen vormen is dit gezichtspunt bekend. Hoe staat het echter met vormen zoals wij die bijvoorbeeld in botten aantreffen?

Wij herkennen zonder moeite de eenheid, we beseffen de wetmatige samenhang in het geheel, we hebben de drang deze vormen als het resultaat van een schepping te beschouwen.

Bij de bijl en het kunstvoorwerp kennen wij de schepper, die zijn wij zelf. Men zal vragen: hoe komt men erbij, ook bij de botvormen van een scheppend wezen te spreken? Ik meen dat hiervoor een goede reden bestaat, die heel vaak over het hoofd gezien wordt. Wij plegen (plachten althans) bij alle natuurvor­men over scheppingen te spreken. Hoe kunnen wij dat? Hoe kwam de mens op dat idee? Omdat hij zelf een scheppend wezen is, het enige scheppende wezen op aarde. Het is goed daarbij er even op te wijzen dat een dier niet schept, ondanks z'n grote instinctmatige begaafdheid. Het dier herhaalt.

Als schepper herkent de mens een natuurvorm als een schepping en is hij in staat de verhouding van schepper en schepping in de natuur als een object van studie te beschouwen. Dat is geoorloofd, want hij gaat van een eigen ervaring uit. Men zou hier de vraag kunnen stellen: wordt het begrip God of Schepper dan niet antropomorf (menselijk) genomen? Mijn antwoord hierop is: integendeel, de scheppende mens wordt hier 'theomorf (goddelijk) beschouwd. Wij kunnen nu de verhouding van deze vormende krachten tot de materie in het laatste geval vergelijken met de overeenkomstige verhouding in het kunstwerk en de technische vorm. In deze laatste twee werken respectievelijk de kunste­naar en de technicus beiden van buitenaf met het materiaal. Daarbij zal de kunstenaar de neiging hebben zich hiermee intensiever te verbinden dan de technicus, voor wie de bruikbaarheid in technisch opzicht op de voorgrond staat. De reeks: bijl - kunstvoorwerp - bot krijgt zo nog meer de betekenis van een werkelijke reeks; datgene wat er aan werkt, er aan schept, verbindt zich steeds intensiever met het materiaal.

Bij het bestuderen van de vorm van een skeletstuk moeten wij namelijk beden­ken dat het bot eenmaal geheel doordrongen was van het scheppende, vormen­de principe. Dit heeft zich na de dood uit de vorm teruggetrokken. Op deze vormende krachten zal in hoofdstuk 4 nog teruggekomen worden. Wij moeten ons bewust zijn van het feit dat we ons met een wereld bezig gaan houden die we, men zou kunnen zeggen vanuit haar schrift gaan benaderen. Wij zullen dit tevens zó moeten doen, dat attributen die aan menselijke scheppingen toegekend werden, zoals doelmatigheid, terzijde gelaten worden. Wij gaan in het volgende de vormen van het menselijke skelet zó bestuderen, dat we zullen trachten de innerlijke samenhang van vele, ogenschijnlijk zo verschil­lende vormen op te zoeken. Dat wil feitelijk zeggen: het thema vinden dat zich in die vormen min of meer verschuilt, evenals wij dit in een muziekstuk kunnen doen. De methode waarop hier gedoeld wordt, is vooral door Goethe in z'n uitgebrei-

de natuuronderzoekingen van planten en dieren toegepast. Het resultaat daar­van heeft hij neergelegd in zijn Metamorphose der Pflanzen en Metamorphose der Tiere. Moge de laatste ons niet zo bevredigen, z’n plantenmetamorfose is een meesterwerk!

Het is dus zeker nodig om eerst wat uitvoeriger op dit begrip metamorfose (letterlijk: vormverandering) in te gaan.



Hoofdstuk 2

Metamorfosen in planten-, dieren

en mensenrijk


De planten-metamorfose

Het verschijnsel van de metamorfose, zoals Goethe het bespreekt, houdt in dat een scheppend principe op een bepaalde manier verschillende vormen in het leven roept. Die bepaalde manier bestaat daarin, dat de vormen die achtereen­volgens ontstaan, een tendens tot ontwikkeling vertonen. Deze ontwikkeling wordt voltooid door het bereiken van een eindpunt, dat ten opzichte van het uitgangspunt een tegenstelling betekent. Wat hiermee uitgesproken is, kan het best verduidelijkt worden door de voornoemde metamorfosen van de plant van dichtbij te bezien.

Aan de (hogere) plant als geheel nemen wij boven de grond de stengel met de bladeren en de bloem als karakteristieke delen waar. Nu was het, ook vóór Goethe, natuuronderzoekers opgevallen dat soms een stengelblad voor een gedeelte bloemblad-(kroonblad)-karakter krijgt. Ook het omgekeerde komt voor: dat een kroonblad een groen gedeelte vertoont. Meeldraden kunnen ten dele weer tot bloembladen worden. Vruchtbladen kunnen tot stengel-bladachtige vormen uitgroeien, enzovoort. Voor Goethe werd het duidelijk dat er aan al deze plantenorganen: stengel, kelk en kroonbladeren, meeldraden en vruchtbladeren, een zelfde vormgevend principe ten grondslag moet liggen. Hij merkte echter tevens op, dat vanaf het laagste stengelblad tot aan het verschij­nen van de bloem een voortdurende toename van kwaliteit, van specialisatie, van fijnheid, van schoonheid te beleven valt. Men kan ook andere woorden kiezen en spreken van verborgen en geopenbaard. Vooral als men de tegenstel­ling zaad-bloem bedenkt, wordt zo'n uitdrukking gerechtvaardigd. Van zaad tot bloem vinden wij in de plant voortdurend een toename van wat we 'zich openbarend' zouden kunnen noemen.

'Steigerung' noemde Goethe dat; zaad en bloem waren voor hem polariteiten. 'Polaritat' en 'Steigerung' zijn de wetten die met het begrip metamorfose wezenlijk verbonden zijn. Het woord 'Steigerung' laat zich moeilijk precies in het Nederlands vertalen. Wij willen zowel het woord toename als ontwikkeling

daarvoor gebruiken, hoewel de begrippen zich niet geheel dekken met de uitdrukking van Goethe.

Nu openbaart zich het wezen der metamorfose echter nog niet in het constateren van de genoemde vormverwantschappen tussen de verschillende plantenorga-nen. Daarvoor moet men zich het volgende voorstellen.

Als we een volgroeide plant, een roos bijvoorbeeld bezien, kunnen we de volgende indruk krijgen: in de loop der tijd zijn stengelstukken en bladontplooiing ontstaan. Deze bladontplooiing wordt ten slotte tot bloem. Dan houdt de verdere groei op. In de bloem komt de plant telkens opnieuw tot een eindpunt. In werkelijkheid verloopt de plantenontwikkeling anders. De stengelgroei van een plant begint altijd met een bladvorming. Ook de eerste ontkieming begint met het ontwikkelen der - in aanleg reeds aanwezige - zaadbladeren of zaadlob­ben. Zodra in dit blad-knop gebied een neiging tot ontplooiing gewekt wordt (door warmte-, licht-, kortom lente-invloeden) begint het steeltje daaronder te groeien en wordt tot stengel-gedeelte.

Intussen hebben zich in het (blad)knop gebied, in de bladoksels een of meer nieuwe knoppen gevormd. Zodra die tot verdere ontwikkeling gebracht worden door de genoemde invloeden, begint opnieuw een stengelgroei. Deze stengel is dus het oorspronkelijke steeltje van de knop. Op die manier 'schuift' een plant als het ware steeds een bladknop omhoog. Tevens treden bij elke verdere stap min of meer nieuwe bladvormen op; een zelfde principe toont zich telkens in een enigszins veranderde gedaante. De plant kan dus gezien worden als een kleiner of groter aantal bladknop-stengel-geledingen, eindigend in een bloemknopsten-gelstuk. Deze worden telkens om zo te zeggen 'gewekt' door invloeden van de tijd van het jaar. De plant is een jaargetijdenwezen.

Dit hangt tevens samen met de beschreven polariteit zaad-bloem. Zij vertoont als beeld de tegenstelling aarde-hemel (kosmos). Het is deze laatste die de 'Steigerung' in het leven roept. Immers, bij elke volgende knop-stengel-trap zullen de bladeren, zoals gezegd, er iets anders uitzien, het verschijnsel 'Steige-rung' vertonen. Dat zich dit bij de verschillende planten niet overal op dezelfde wijze vertoont, doet aan het principe niets af. Van dat gezichtspunt uit bezien kan men zeggen: De omgeving brengt de plant voortdurend tot andere vormen.

Er wordt dikwijls gevraagd of variaties ook niet metamorfosen zijn. In de betekenis zoals er over gesproken is kan men dat niet zeggen. Wanneer kunnen we van variaties spreken? Stellen we ons een groot veld voor, vol bloeiende margrieten. Elke plant vertoont de beschreven metamorfose in haar bouw. Vergelijkt men nu de bloemen of de kelkbladeren of de stengelblade­ren op gelijke hoogte van verschillende planten met elkaar, dan merkt men dat bijvoorbeeld twee margrieten nooit precies hetzelfde zijn. Hier heeft men met



variatie te maken. Waarom niet met metamorfose? Omdat er geen sprake is van polariteit en toename. Men zou ze kunnen beschrijven als spelingen van dezelf­de vorm.

Daarom zijn muzikale variaties van een thema ook geen metamorfosen in de eigenlijke zin van het woord. Het thema is niet het verborgene, de variatie openbaart het thema niet verder. Men zou eerder het tegendeel kunnen bewe­ren! De variaties omspelen slechts het thema, meestal volgens een traditioneel schema.

Evenzo kunnen bijvoorbeeld verschillende exemplaren van één vlindersoort variaties vertonen. Als we nog eens aan het veld met margrieten denken, waar we dus de metamorfosen naast de variaties waarnemen en de twee begrippen met elkaar kunnen vergelijken, komen we tot de slotsom: variaties vertonen een 'naast elkaar, metamorfosen een 'na elkaar'.

Volledigheidshalve moeten we nog even terugkomen op de vormen die we in techniek en kunst tegenkomen. Vooral in de techniek vinden we veel variaties van eenzelfde uitvinding. Daarmee wordt bijvoorbeeld de interesse voor de vele automerken levend gehouden. Als alle auto's er gelijk uit zouden zien zou de belangstelling minder groot zijn.

Als men echter de autotypen in de loop van bijna 100 jaar naast elkaar zet heeft men wel degelijk met een metamorfose te maken! Dezelfde idee heeft een ontwikkeling ondergaan en is een toename in de zin van een 'Steigerung', er is sprake van grote tegenstellingen - al is de ontwikkeling natuurlijk nog niet afgelopen.

Op het gebied van de kunst treffen we kunstenaars aan die één en het zelfde thema in de loop van hun leven telkens opnieuw ter hand genomen hebben. Een idee vertoont zich dan in verschillende gedaanten, omdat de kunstenaar zelf een zich ontwikkelend wezen is wat in zijn verschillende scheppingen tot uitdruk­king komt. Een prachtig voorbeeld vinden we in de vele schilderijen van Monet, waarop hij even zovele malen het thema waterlelies behandeld heeft.



De dieren-metamorfose

Wanneer wij van de metamorfose in de plantenwereld overgaan op die in de dierenwereld, zullen velen van ons onmiddellijk denken aan de bekende voor­beelden van de vlinder en de kikker. Voor de metamorfose die in deze dier-groepen bestudeerd wordt heeft de Nederlandse taal een unieke uitdrukking: gedaanteverwisseling. In de insektenwereld kent iedereen de reeks: ei, rups, pop, vlinder; bij de amfïbieën: ei, donderkopje, kikker.

De reeks ei, rups. pop, vlinder vertoont een aantrekkelijke gelijkenis met de reeks zaad, blad, knop, bloem. Ei en zaad zijn overeenkomstige uitgangspunten. De

stengel en de bladeren, het eigenlijke bladgcbied van de plant, en de rups van de vlinder, vertegenwoordigen de meest vitale periode van de desbetreffende meta­morfose. Het eigenlijke groei-gebied van de plant is haar bladgebied. Iedereen weet hoe zeer gemaaid gras of gesnoeide bomen deze vitaliteit aan den dag brengen. Evenzeer is bekend hoe snel kleine rupsen groter worden, levende op en zich voedende met diezelfde groene bladeren. Pop en knop kunnen beide zonder bezwaar als ogenblikken van schijnbare stilstand gekarakteriseerd wor­den, van stagnatie. Min of meer in het verborgene wordt de volgende fase voorbereid. Als dan ten slotte bloem en vlinder verschijnen, is datgene wat in voorbereiding was zichtbaar geworden. Dat vlinder en bloem bovendien in hun verschijning een intieme verwantschap vertonen, vooral in hun kleurige pracht, zal iedereen duidelijk zijn.



  1   2   3   4   5   6   7   8


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina