Ontstaansgeschiedenis van Heinkenszand Voor de Reformatie



Dovnload 13.53 Kb.
Datum25.08.2016
Grootte13.53 Kb.
Ontstaansgeschiedenis van Heinkenszand

Voor de Reformatie
De eerste maal dat Heinkenszand in geschrifte voorkomt, is in een oorkonde van 6 september 1351, waarbij het ambacht van wijlen Dirk Danielsz verkocht werd aan Jan Arend Dirksz van ‘s Heer Arendskerke. Dit ambacht was gelegen in die parochie van Ser Arnoudskerke in ‘t oude land, up ‘t Zand voir Arnemuden, up Avesand ende up Heynekijnssand.

De bedijking van de oudste Heinkenszandse polder moeten we globaal situeren in het tweede kwart van de 14e eeuw, want het is goed mogelijk dat die al in 1343 bestond. Het was de zandige kern van een vrij groot opwas, genoemd naar een onbekende Heinken, misschien de pachter van het schor. Het gebied moet makkelijk te bedijken zijn geweest, want de inpolderingen volgden elkaar snel op.


In 1405 was er al een kapel, genoemd in de rekening van de officinaal van de aartsdiaken van de Utrechtse Dom. Deze rekening bevatte een post over de officiatio van de priester Willem van Schenge in de kapel van Heinkenszand. Deze kapel werd in 1456 verheven tot parochiekerk, gewijd aan de H. Blasius. In de kerk waren in ieder geval altaren aanwezig gewijd aan de H. Maagd Maria en Sint Blasius. De namen van degenen die een pastoors plaats bezetten, zijn bekend.

De Reformatie.
De Reformatie op Zuid-Beveland vond niet zonder slag of stoot plaats. De bevolking was er in die woelige 16e eeuw de katholieke eredienst toegedaan en niet bepaald reformatorisch gezind, zoals op Walcheren wel het geval was. Bovendien waren de ambachtsheren en het bestuur van de stad Goes
doorgaans trouwe volgelingen van Rome. Goes en grote delen van het platteland moesten in 1572 een beleg van de Geuzen doorstaan, dat ook al niet bevorderlijk was voor een overgang naar het nieuwe geloof. Natuurlijk waren er voorboden van de Reformatie. Eén ervan, Jan Grendel, werd om zijn (wederdoops) geloof verbrand te Goes en ook het klooster van de Kruisbroeders bleek besmet met de nieuwe leer, maar het was toch vooral een afgedwongen Reformatie op Zuid-Beveland. De politieke situatie bracht met zich mee, dat Goes en overig Zuid-Beveland in 1577 een overeenkomst sloten met de Prins van Oranje, waarbij bepaald werd dat Zuid-Beveland overging tot het kamp van de Prins, met handhaving van de rooms-katholieke eredienst en mogelijkheden voor de protestanten om ongestoord hun godsdienst te belijden.
De protestanten organiseerden zich snel, maar het was zeker niet zo, dat de bevolking en masse overging van katholiek naar protestant. Dat proces kan men voltooid achten in het eerste kwart van de zeventiende eeuw, toen de

katholieken definitief naar de schuilkerk waren verbannen en doorgaans ook uit de plaatselijke besturen waren verwijderd. Ze hielden zich toen ook al met missie op Zuid-Beveland bezig. In 1579 beriepen de Nederduits Gereformeerden, zoals de Hervormden toen heetten, Gheleyn van Oost tot herder en leraar en op 5


oktober van dat jaar vond er voor het eerst een vergadering van de Classis Zuid-Beveland in Heinkenszand plaats. Met dat beroep van de Vlaamse Van Oost verliep het niet naar wens en begin 1580 stond de classis toe, dat deze predikant voorlopig nog aan Vlaanderen verbonden mocht blijven, maar mocht men hem daar in de komende zes weken niet ontbieden, dan zou hij aan de Bevelandse classis verbonden zijn. De gemeente van Heinkenszand kreeg toestemming om een beroepsbrief te schrijven aan Robertus de Ridder in Dreyssel in het land van Schouwen. Dit beroep liep ook op niets uit. De predikant bleef bij nader inzien liever bij zijn gemeente op Schouwen. Hij had daar echter al afscheid genomen en moest toch naar Zuid-Beveland.
Op de classisvergadering van 4 september 1581 werd zijn geval, want er waren kennelijk moeilijkheden, uitgebreid besproken. Een van de Heinkenszandse ouderlingen verklaarde dat de gemeente daar de predikant wel wilde behouden. Maar het resultaat was dat de dominee van de gemeente werd losgemaakt. Op 1 oktober 1581 zou Adriaen Rotyn predikant worden van de Heinkenszandse gemeente, maar ook dat verliep niet naar wens. Hij kon geen goede attestatie overleggen en verdween weer van het toneel.
Abraham Spilliers werd in zijn plaats beroepen. Deze man nam het beroep aan. Maar al gauw rezen er problemen tussen hem en zijn gemeente. In 1584 werd daar aan de classis mededeling gegaan. Er volgde een onderzoek dat er toe leidde dat Spilliers toestemming van de gemeente kreeg, onder approbatie van de classis, om te vertrekken. Op 1 januari verbond Louwys van der Veste zich aan de gemeente. Het is mogelijk, dat de problemen mede te maken hadden met de positie en het salaris van de schoolmeester. Per 1 april 1585 kwam er in ieder geval een nieuwe, Jan Joosz., die in oktober van dat jaar al weer werd opgevolgd door Dierick Wouters. Met de komst van ds. Van der Veste kwam de gemeente in ieder geval in rustiger vaarwater.

De 19e en 20e eeuw.
In de 19e eeuw reorganiseerde Koning Willem I de kerk met de vaststelling van Reglement van 1816. Er kwam een door de Kroon benoemde Algemene Synode. Op plaatselijk niveau veranderde er niet veel. Het gedachtegoed van de Verlichting bracht wel een storm teweeg. Pendant daarvan waren de Psalmberijming van 1773 en de Evangelische Gezangen van 1806. Lang niet iedereen was met die ontwikkelingen gelukkig. Op Walcheren was sprake van weigering de nieuwe psalmen en later de gezangen (hoereliederen, zei men) te zingen, kwam het in 1787 tot oproer en trok men de strijd op het politieke vlak.

Op de Bevelanden bleef het rustig, maar ook daar kon men niet om de bevindelijkheid, die vasthield aan de psalmen van Datheen, heen. Het waren jonge predikanten, die in 1834 de stoot gaven tot de Afscheiding of Wederkeer. In 1836 zette de Biggenkerkse predikant Budding geheel christelijk Zeeland in vuur en vlam en kwam het door de hele provincie heen tot stichting van christelijke afgescheiden gereformeerde gemeenten, ook in Heinkenszand.


Dat deel dat zich van de Hervormde Gemeente afscheidde, vormde een afzonderlijke gemeente, die echter al weer snel verliep toen de wegen van Budding en een groot deel van de afgescheiden gemeenten in Zeeland in 1839 zich scheidden. Eerst in 1869 kwam het opnieuw tot instituering van wat later de Gereformeerde Kerk van Heinkenszand werd. De Doleantie in 1886 heeft geen sporen op de Bevelanden achtergelaten. Na grofweg anderhalve eeuw besloten Hervormden en Gereformeerden in Heinkenszand samen op weg te gaan.

Het kerkgebouw.
We mogen aannemen, dat het kerkgebouw in 1456 zijn volledige omvang wel bereikt zal hebben. In 1843 werd het wegens bouwvalligheid afgebroken.
Een beeld van de grootte verschaft de kadastrale kaart in 1832. Uit de achttiende eeuw is een gedeeltelijke afbeelding van de kerk aanwezig van de hand van Gardenier Visscher. Blijkens deze tekening is het waarschijnlijk een pseudo-basilicaal gebouw geweest, in de trant van de in 1944 verwoeste kerk van Ellewoutsdijk. De omvang van de kerk was ca 15 meter breed en ca 22 meter lang. Het schip had vijf traveeën. De zware kerktoren moet ongeveer 22 m hoog zijn geweest. Het koor van de kerk was in 1832 al afgebroken en vervangen door een consistorie. Van 17 december 1809 tot 11 februari 1810 was het kerkgebouw in gebruik als smidse voor Franse troepen. In het koor was een tijd lang de plaatselijke gevangenis gevestigd. In 1825 kwam er een plan aan de orde om het aantal zitplaatsen te vergroten. Dat betekende meer inkomsten
en die kon de kerkelijke gemeente goed gebruiken. Het werd echter niet uitgevoerd. Uit de bewaard gebleven zitplaatsenregisters komt tot uiting hoezeer de zitplaatsen waren verhuurd naar rang en stand. In het kerkgebouw was een aantal grafmonumenten aanwezig onder meer van Cornelis de Perponcher en Izak Hurgronje. Na een moeilijke voorbereidingsperiode kon in 1843 begonnen worden met de bouw van een nieuwe kerk, op de plaats van de oude en met gebruikmaking van materialen, die afkomstig waren van het oude gebouw. Bij de oplevering bleken er tal van gebreken5 aanwezig te zijn, die eerst in orde moesten worden gemaakt. Op zondag 3 november 1844 kon de eerste dienst in de nieuwe kerk worden gehouden. Tijdens de bouw kerkte men in het kerkje van Baarsdorp. Tot de kerkelijke bezittingen behoorde ook onroerend goed in de Heinkenszand omringende polders.

Organisatie van het kerkelijk leven
De kerkenraad fungeerde als het hoofd van de gemeente en bestond uit predikant, ouderlingen en diakenen. Hij bestuurde het geestelijk leven binnen de gemeente, terwijl de diakenen met de armenzorg waren belast. Kerkmeesters beheerden de kerkelijke roerende en onroerende goederen en legden van hun beheer verantwoording af aan de kerkenraad. In 1835 riep men een college van kerkvoogden in het leven, dat de taak van de kerkmeesters overnam. Sindsdien verkozen de stemgerechtigde leden ook de notabelen. Tot de nieuwe reglementering binnen de Hervormde Kerk werden predikanten beroepen, nadat een collegium qualificatum, waarin ook de ambachtsheren zitting hadden, daarover zijn zegje had gedaan. Ouderlingen en diakenen werden op eenzelfde wijze gekozen. Het gewone gemeentelid had daarin geen zeggenschap. Eerst in de 19e eeuw zou het komen tot verkiezingen van ouderlingen en diakenen. Het beroepen van predikanten vond sedertdien plaats nadat de stemgerechtigde leden daarover waren gehoord. Ongetwijfeld is er in de 19 e en 20e eeuw een bloeiend kerkelijk verenigingsleven geweest, maar daarvan is met uitzondering van het archief van het kerkkoor, geen schriftelijke nalatenschap overgebleven. Tot het kerkelijk personeel konden worden gerekend: de voorlezer/voorzanger, de kerkelijke ontvanger, de koster, de stokman en toen er een orgel in de kerk gekomen was de organist.
Geschiedenis van het archief en verantwoording inventarisatie.
De schriftelijke nalatenschap uit voorbije eeuwen zal grotendeels ongetwijfeld bij de predikant aan huis bewaard zijn gebleven. Hij hield immers de kerkenraadnotulen, de dopen trouwboeken bij. Wat al te oud was geworden, vond een plaats in het kerkgebouw. Vanzelfsprekend is het archief niet ongeschonden door de tijd heen gekomen, maar toch kunnen we blij zijn, dat vanaf de 19e eeuw veel bewaard is gebleven. Het uit de 20e eeuw kent vele manco’s. We sluiten niet uit, dat er zich nog materiaal onder oud-ambtsdragers en in het kerkgebouw bevindt. Voor de inventarisatie is gebruik gemaakt van de Richtlijnen voor de archieven van de Hervormde Kerk. Bijzondere problemen bij de inventarisatie deden zich niet voor. Het archief berust inmiddels al vele jaren bij het gemeentearchief en we mogen zeker de werkzaamheden van A.P. Willeboordse aan het archief niet onvermeld laten. Hij zorgde ervoor dat het archief van de kerk bij de burgerlijke gemeente bewaard zou worden onder betere condities dan in het kerkgebouw het geval zou zijn en maakte een plaatsingslijst.

Heinkenszand, november 2003 A.J. Barth Bronnen: C. Dekker, Zuid-Beveland.


De historische geografie en de instellingen van een Zeeuws eiland in de middeleeuwen, Assen, 1971 J. Bouterse, Classicale Acta, “s-Gravenhage, 1995, RGP , kleine serie, 79. J. de Ruiter, Heinkenszand, land van achttien polders. Goes, 1999



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina