Oorlog op de Watergraafsmeer



Dovnload 13.61 Kb.
Datum22.07.2016
Grootte13.61 Kb.

Oorlog op de Watergraafsmeer

Het is 1573 en er is een oorlog aan de gang tussen Nederland en Spanje. Een deel van Nederland hoorde toen bij het machtigste rijk van Europa, het Spaanse Rijk. Maar veel Nederlanders kwamen hiertegen in opstand onder leiding van Willem de Zwijger, de Prins van Oranje. Zij wilden zich afscheiden van Spanje. Deze oorlog noemen we de Tachtigjarige Oorlog. De Nederlanders die zich verzetten tegen de Spanjaarden noemden zichzelf Geuzen, of Watergeuzen.


In 1573 is de Tachtigjarige Oorlog 5 jaar aan de gang. Niemand wist toen dat deze oorlog zo lang zou gaan duren. Telkens werden steden veroverd en weer terug veroverd.

Zo bevrijdden de Watergeuzen op 1 april 1572 het stadje Den Briel. Na Den Briel sloten veel steden in Zeeland, Zuidholland en Noordholland zich aan bij de opstand. Maar de Spanjaarden vochten terug en probeerden de Hollandse steden weer terug te veroveren.



Vanaf december 1572 omsingelden ze de opstandige stad Haarlem. Niemand kon de stad nog in of uit.
Bij het begin van de lente in 1573 was de situatie in Haarlem dramatisch. In de stad heerste hongersnood. Daarbij werd Haarlem ook bedreigd door schepen uit Amsterdam, dat al die tijd trouw was gebleven aan de Spaanse koning. De Amsterdammers hadden een dijk doorgestoken en vormden met hun schepen een regelrechte bedreiging voor de Haarlemmers.
Prins Willem van Oranje zat met zijn handen in zijn haar. Wat kon hij doen om Haarlem te helpen? Hij moest iets verzinnen waardoor de druk van de Spanjaarden op Haarlem minder zou worden. Het handigste zou zijn als hij daarbij de doorvoer van wapens, voedsel en andere spullen naar de vijand zoveel mogelijk kon verhinderen. Hij wist dat veel van deze vijandelijke doorvoer langs Amsterdam kwam. Amsterdam deed niet mee aan de opstand en was nog steeds trouw was aan de Spaanse koning.
Nu was deze stad op haar buurt ook weer kwetsbaar, omdat er vanuit het zuiden maar twee toevoerwegen waren: langs de rivier de Amstel… en langs de Diemerzeedijk, de dijk die het land tegen de Zuiderzee (nu IJsselmeer) beschermde. Deze zeedijk had één zeer zwak punt: dat was op het punt waar de dijk de Watergraafsmeer, scheidde van het IJ, dat een onderdeel was van de Zuiderzee.
De Watergraafsmeer was toen nog geen polder maar een groot meer tussen het IJ en de rivier de Amstel. Met een sluis in de Diemerzeedijk konden boten vanaf het IJ de Watergraafsmeer opvaren. Wie de Watergraafsmeer in zijn bezit had, kon de stad Amsterdam afsnijden van haar twee belangrijkste bevoorradingswegen, waardoor de stad zonder voedsel en wapens zou komen te zitten.
Toen de aanvoerder van de Watergeuzen, Diederik Sonoy, ’s nachts op 12 maart 1573 aan boord stapte van een van zijn boten, wist hij wat hem te doen stond. Op verzoek van Prins Willem van Oranje voer hij met ongeveer 25 schepen, waaronder veel gewone vissersboten, en met een kleine duizend Geuzen, van Hoorn naar Monnikendam om nog meer soldaten en schepen op te pikken. Daarna landden ze in de ochtend van 12 maart bij de Diemerzeedijk, tussen de Watergraafsmeer en het IJ, zonder dat ze enige tegenstand van Amsterdammers of Spanjaarden ontmoetten.
Ze gingen snel aan het werk. Eerst maakten ze een gat in de dijk, zodat schepen gemakkelijk vanaf het IJ de Watergraafsmeer op konden varen. Aan beide kanten van het gat in de dijk bouwden ze snel een soort fort, een schans van wallen, gemaakt van aarde en puin. Vervolgens zeilde Diederik Sonoy op 14 maart terug naar Edam om nog meer hulp te halen.
Inmiddels waren de Amsterdammers er natuurlijk wel achter gekomen wat er op de Diemerzeedijk aan de hand was. Ze waren er ook achter gekomen dat aanvoerder Diederik Sonoy weer vertrokken was om hulp te halen. Dit was dus een goed moment om te proberen de dijk terug te veroveren op de Watergeuzen. In de middag van 14 maart vielen ze de forten van de Geuzen bij de sluis van vier kanten aan: vanaf de buitenkant, het IJ, en vanaf de binnenkant, dus vanaf de Watergraafsmeer. Met verschillende soorten boten, pramen, schuiten en vissersboten, bewapend met kleine kanonnetjes en geweren bestookten ze de troepen van Sonoy op de dijk. Tegelijkertijd vielen Amsterdamse en Spaanse soldaten de Geuzen op de dijk vanaf twee kanten aan: vanuit de zuidkant, vanaf Muiden, en vanuit Amsterdam zelf, de noordkant.
Stop 3 tekening dijkdoorbraak – Afbeelding 4a,4b
Het zag er slecht uit voor de soldaten van Sonoy op de dijk. Al snel hadden ze een aantal schepen verloren aan de Amsterdammers. Alleen met grote moeite konden de Geuzen hun plek op de dijk vasthouden. Na twee dagen vechten waren ze bijna verslagen. Groot was dan ook hun opluchting toen ze op 16 maart een vloot van wel 40 schepen aan zagen komen zeilen, beladen met nieuwe voorraden en nieuwe soldaten, onder aanvoering van Diederik Sonoy. Hun aanvoerder had in heel Noord-Holland mensen en schepen opgetrommeld om de Geuzen op de Diemerzeedijk een handje te komen helpen.
Toen de Amsterdammers en Spanjaarden deze nieuwe geuzenvloot aan zagen komen, vluchtten ze weg van de dijk. Maar Amsterdam had natuurlijk ook wel grotere oorlogsschepen, en deze werden vanuit Amsterdam dan ook naar de forten van de Geuzen bij de Diemerzeedijk gestuurd. Hiervan schrokken de Geuzen op de boten zo ontzettend, dat de schepen van de Geuzen op de vlucht sloegen en dat de soldaten van Sonoy in de schansen bij de sluis het nu alleen op moesten knappen. Maar ze waren al bijna verslagen.
Dit konden ze niet lang volhouden. Dag en nacht vlogen de kogels van de Amsterdamse en Spaanse schepen over hun hoofd en ze hadden een groot tekort aan munitie en voedsel. Op 18 maart vluchtten ze daarom in het donker, ’s nachts, tussen de schepen van de vijand door, over het IJ naar de overkant, naar de dijk van Waterland. Nu alle Geuzen weg waren was de eerste slag dus gewonnen door de Amsterdammers, die meteen aan het werk gingen om de dijk te repareren.
Diederik Sonoy, de aanvoerder van de Geuzen was razend, vooral omdat een aantal Noordhollandse steden hem de schuld gaven van deze mislukking. Om wraak te nemen verzamelde hij alle overgebleven boten van de Watergeuzen en versterkte deze vloot met veel nieuwe vaartuigen: razeilen, boeiers, karvelen, krabschuiten en waterschepen. De nieuwe vloot stond onder commando van Pieter Franken. Maar nadat de nieuwe geuzenvloot de Amsterdamse schepen achterna had gezeten tot bijna in de haven van Amsterdam, viel er door tekorten aan soldaten, munitie en voedsel voor de geuzen niet zoveel meer te doen. De schepen voeren daarom terug naar de andere Noordhollandse havens.
Intussen ging het steeds slechter met de Haarlemmers, die nog steeds niet bevrijd waren van hun Spaanse belegeraars. Veel mensen in Haarlem gingen dood door honger en ziekte.
Om Haarlem te helpen en om de aanvoer van hulpgoederen voor de Spanjaarden te stoppen, zeilde Sonoy begin juni van dat jaar (1573) opnieuw naar de Diemerzeedijk. De Geuzen hadden op dat moment hun hoofdkwartier in Schellingwoude, aan de andere kant van het IJ, schuin tegenover Amsterdam. Van daaruit ging Sonoy in de nacht van 2 juli met 18 schepen en veel soldaten naar de overkant. Hij landde rond middernacht weer bij de sluis in de Diemerzeedijk. Daar veroverden zij opnieuw de dijk op de Spanjaarden.
Vanaf nu was de Watergraafsmeer een voortdurend strijdtoneel, waarop steeds maar weer kleine ‘zeeslagen’ plaatsvonden. Bij een zeeslag vallen schepen elkaar aan met kanonnen en andere wapens. De Geuzen hadden de dijk weer doorgestoken, waardoor ze gewapende schepen vanaf het IJ de Watergraafsmeer op konden laten varen. Op deze manier probeerden ze alle doorvoer van wapens en voedsel naar Amsterdam vanuit de Vecht bij Weesp en vanuit Muiden tegen houden. Dit laatste lukte lang niet altijd omdat de Amsterdammers vanaf de Amstel de Watergraafsmeer opvoeren met galeien (roeiboten) en kleine oorlogsschepen en de Geuzen op het meer steeds aanvielen.
Op 12 juli 1573 lukten het de Spanjaarden eindelijk om Haarlem te veroveren. Veel Haarlemmers werden door de Spanjaarden vermoord. Nu had het voor de troepen van de Prins weinig zin meer om de aanvoerwegen naar Amsterdam in bezit te houden. Daarom gaf Prins Willem van Oranje aan Sonoy de opdracht om zich terug te trekken uit de Watergraafsmeer en van de Diemerzeedijk. Op 17 juli trokken de Geuzen zich terug, zonder dat ze de hele Watergraafsmeer hadden kunnen veroveren.
Na deze zeeslagen en vechtpartijen in de Watergraafsmeer zou het niet lang meer duren voordat het meer zou worden drooggelegd. Ongeveer 50 jaar laten, in 1629 werd een dijk om het meer aangelegd. Het meer werd met molens droog gemalen, waarna de Watergraafsmeer een sjiek buitengebied voor rijke Amsterdammers werd, met veel grote buitenhuizen en zelfs een echte Maliebaan. Hier konden de rijke Amsterdamse jongeren het in 17e en 18e eeuw geliefde maliespel spelen (een soort golf). Wie in de Watergraafsmeer woont, die woont ‘op stand’.

wittebeer, Carolien Wendte, 2011









De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina