Op het gemeentelijk onderwijs



Dovnload 79.06 Kb.
Datum20.08.2016
Grootte79.06 Kb.


Koningsstraat 203

1210 Brussel



VISIE

OP HET GEMEENTELIJK ONDERWIJS


INHOUD


HET GEMEENTELIJK ONDERWIJS IN DE GESCHIEDENIS VAN HET BASISONDERWIJS (*) 5

Openbaar onderwijs, een opdracht voor de gemeenten 5

Groei van het vrije net 5

Aangenomen en aanneembare scholen 6

Expansie van het rijksbasisonderwijs 7

De minirationalisatie van 1975: het gemeentelijk onderwijs betaalt de rekening! 7

HET GEMEENTELIJK ONDERWIJS EN DE VRIJE SCHOOLKEUZE 8

De vrijheid van onderwijs 8

Het decreet Basisonderwijs 9

HET LANDSCHAP VAN HET GEMEENTELIJK ONDERWIJS 11

Totaal 11

Verdeling van de scholen over de netten 12

Totaal 12

GEMEENTELIJK BASISONDERWIJS, EEN KERNTAAK VAN ELKE GEMEENTE 12

NAAR ÉÉN NET VOOR HET OFFICIEEL BASISONDERWIJS? 13

Eén net? 13

Pedagogisch project 14

ACHT STELLINGEN OVER GEMEENTELIJK ONDERWIJS 14


HET GEMEENTELIJK ONDERWIJS AAN DE WIEG VAN HET COV (*)
De gemeentelijke onderwijzers hebben een onvervangbare rol gespeeld in de ontstaansgeschiedenis van het COV. Het COV werd mede vanuit het gemeentelijk onderwijs opgebouwd. Naar aanleiding van de schoolstrijd van 1879-1884 ontstonden in katholieke middens de eerste onderwijzersbonden. Ontslagnemende gemeentelijke onderwijzers engageerden zich in nieuw op te richten vrije schooltjes en verenigden zich in onderwijsbonden. Een bekend voorbeeld is de kring Sint-Jozef in Ekeren die in 1879 werd opgericht. Deze bonden stonden onder toezicht van de burgerlijke en geestelijke inspectie en hielden zich hoofdzakelijk bezig met de beroepsvervolmaking van hun leden. Echt syndicaal engagement was hen vreemd. Dit werd nog duidelijker in 1884 en de daaropvolgende jaren wanneer de rechterzijde de politieke macht weer overnam. De meeste bestaande kringen doofden stilaan uit of lieten hun vergaderingen samenvallen met de heringerichte driemaandelijkse conferenties. Toch was het voor een aantal mensen het begin van een syndicale interesse die later, onder andere omstandigheden en om andere redenen opnieuw zou worden aangewakkerd en in het begin van de jaren 1890 een soort “boom” van lokale onderwijzersbonden zou veroorzaken.(**) Kringen als de Sint-Jozefskring uit Ekeren waarin onder meer de latere COV-voorzitter Roevens een belangrijke rol speelde, de kring Kortrijk, en de kring Roeselare-Izegem van de latere voorzitter Camiel De Bruyne, namen vanaf 1893-1894 de draad weer op, maar nu binnen het groter geheel van de Christene Onderwijzersbond en dit keer met een duidelijk syndicaal geïnspireerd programma. In 1885 waren de kringen van de vrije onderwijzers, opgericht tijdens de eerste schoolstrijd, nauwelijks verdwenen of er werden nieuwe kringen van christelijke onderwijzers opgericht. De meest bekende ervan, gelet ook op de invloed die deze kring zou uitoefenen op het latere COV, blijft ontegensprekelijk de onderwijzerskring God en Recht, opgericht in Oudenaarde in 1887 onder impuls van Kamiel Van Caeneghem, hulponderwijzer aan de gemeenteschool te Eine. Het was deze kring die als het ware model zou staan voor het COV.
De onderwijzerskring God en Recht, amper drie jaar na de eerste schoolstrijd opgericht, was duidelijk anders dan de katholieke onderwijzerskringen uit de schoolstrijd. De schoolstrijdkringen waren kringen van vrije onderwijzers en ontslagnemers (uit het gemeentelijk onderwijs). De kring God en Recht had duidelijk een gemeentelijke stempel en telde bij zijn ontstaan tien gemeentelijke, drie aangenomen en één staatsonderwijzer. Dat er zich geen vrije onderwijzers aanboden, was touwens ook het gevolg van een diocesaan verbod.

Deze beweging van katholieke onderwijzers uit het gemeentelijk en aangenomen onderwijs heeft zich in de beginperiode uitsluitend ingezet voor de belangen van de onderwijzers uit de gemeentelijke en aangenomen scholen. Het was een beweging die daarbij uitdrukkelijk opkwam voor de “stoffelijke” belangen van de aangesloten leden, en eisen stelde als: verhoging van het wettelijk minimum, behoud der eenmaal genoten wedde, verbod tot afschaffing van de functie, een weddenschaal volgens het aantal dienstjaren, rangopklimming, rechtstreekse betaling door de staat,… Het was het begin van een vakvereniging voor katholieke of christelijke leerkrachten!


Kamiel Van Caeneghem zou vanuit Oudenaarde eerst een Provinciaal Verbond van Christelijke Onderwijzers oprichten. Dat werd onmiddellijk gevolgd door de publicatie van het eerste nummer van Christene School in 1893 en de oprichting van het Nationaal Verbond van Christelijke Onderwijzers. Voor leerkrachten uit het gemeentelijk onderwijs is het COV nog steeds de meest representatieve vakbond.

HET GEMEENTELIJK ONDERWIJS IN DE GESCHIEDENIS VAN HET BASISONDERWIJS (*)

Openbaar onderwijs, een opdracht voor de gemeenten

Reeds bij het ontstaan van België werd het lager onderwijs toevertrouwd aan de zorg van de gemeenten.

De wetgever huldigde als algemeen principe de gemeentelijke autonomie inzake het bestuur van het openbaar lager onderwijs. Die autonomie vloeide voort uit de grondwettelijke vrijheid van onderwijs en gold uiteindelijk als reactie op de monopolistische tendensen van de laatverlichte vorst Willem I, die in de periode van het Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830) het onderwijs van staatswege had willen organiseren. Reeds een week na het uitroepen van de onafhankelijkheid werden de besluiten die de vrijheid van onderwijs hadden beperkt, afgeschaft.
Door de gemeentewet van 30 maart 1836 werd de verantwoordelijkheid voor het openbaar (lager) onderwijs aan de gemeenten toevertrouwd. Dat hield in dat de gemeenteraad met het bestuur van de gemeentelijke scholen werd belast, terwijl het college van burgemeester en schepenen op dat bestuur toezicht diende uit te oefenen. De gemeenteraad benoemde de gemeentelijke onderwijzers. De eerste wet op het lager onderwijs van 1842 en de opeenvolgende wetten inzake het lager onderwijs in de 19de eeuw bevestigden deze rol. Tot vandaag zijn de bevoegdheden van de gemeenteraad en het schepencollege in essentie niet gewijzigd.

Groei van het vrije net

Het gemeentelijk onderwijs was lang marktleider in het kleuter- en lager onderwijs.

Het ontstaan van verschillende schoolnetten, een officieel en een vrij, vindt zijn oorsprong in de ideologische strijd die liberalen en katholieken ook op het vlak van onderwijs van in de negentiende eeuw voerden. Voor de kerk moest het lager onderwijs in de eerste plaats een godsdienstige opvoeding verzekeren.

Ook de doctrinair liberalen, die bij de onafhankelijkheid het overwicht hadden binnen de linkerzijde, waren die mening toegedaan. Er waren in die eerste jaren na de onafhankelijkheid dan ook weinig meningsverschillen over de inrichting van het onderwijs en de plaats van de godsdienst. Vandaar dat de Kerk ook weinig eigen schooltjes uit de grond stampte. Het gemeentelijk onderwijs volstond en droeg ook een levensbeschouwelijke stempel. Stilaan veranderden de verhoudingen in het liberale kamp. De radicale liberalen kregen meer invloed en waren, zoals ook de latere socialisten, van mening dat het onderwijs juist een emanciperende rol moest spelen en geen levensbeschouwing kon opleggen aan de leerlingen.


Toen de liberalen in 1878 aan de macht kwamen met de radicaal Pierre Van Humbeeck als de eerste minister van Openbaar Onderwijs, namen ze de kans waar om hervormingen door te voeren. In zijn beleid streefde Van Humbeeck de centralisering en laïcisering van het lager onderwijs na. Het episcopaat sprak de banvloek uit over al wie voor dat beleid te vinden was en stimuleerde clerus en gelovigen om een eigen katholiek onderwijsnet in te richten. Katholieke schooltjes rezen als paddestoelen uit de grond. Veel katholieke leerkrachten namen ontslag uit het gemeentelijk onderwijs en gingen aan het werk in nieuw opgerichte vrije schooltjes. Daarmee werd één van de bouwstenen van de katholieke zuil gelegd.

Aangenomen en aanneembare scholen

De wet van 1884, een reactie van de nieuwe katholieke meerderheid, herstelde de gemeentelijke autonomie, zodat de gemeentebesturen opnieuw verantwoordelijk waren voor het lager onderwijs. Luidens de wet moest elke gemeente ten minste één lagere school inrichten en onderhouden.

De regering kon de gemeente van die verplichting vrijstellen op voorwaarde dat ze een vrije school aannam. Een contract tussen de gemeente en het hoofd van de vrije school preciseerde de modaliteiten van de adoptie. Voor de gemeenten kwam deze overeenkomst doorgaans neer op het verlenen van materiële en financiële steun.
Naast de gemeentelijke en aangenomen scholen waren er nog vrije katholieke scholen. Dat eigen net bracht zware financiële lasten mee, die steeds moeilijker te dragen vielen. Daarom stuurden de katholieken aan op overheidstoelagen, wat in 1895 met succes bekroond werd. De wet van 15 september 1895 wijzigde aan het statuut van de gemeentelijke en aangenomen scholen niets, tenzij dat ze inzake subsidiëring op gelijke voet werden geplaatst. De wet maakte ook melding van vrije niet-aangenomen scholen. Voortaan konden zij afhankelijk van het aantal kosteloos te onderwijzen leerlingen, putten uit een krediet dat jaarlijks door de regering voorzien werd. Daar waren wel voorwaarden aan gekoppeld. Ze hadden o.m. betrekking op de kwalificatie van het personeel en het aanvaarden van toezicht. De scholen moesten ook in aanmerking komen voor een adoptie door de gemeente. Ze werden dan ook ‘aanneembare’ scholen genoemd.
De wet van 19 mei 1914 betreffende de leerplicht bracht geen wijziging in de opdeling van het lager onderwijs in gemeentelijke, aangenomen en aanneembare scholen. Het onderwijs werd kosteloos en de staat nam de financiering van de vrije scholen voor zijn rekening. In 1919 nam de staat ook de wedden van het personeel uit de aanneembare scholen volgens dezelfde barema’s voor zijn rekening. De idee van de gesubsidieerde vrijheid van onderwijs kreeg steeds meer voet aan de grond.

Expansie van het rijksbasisonderwijs

Tijdens het interbellum verschoof de aandacht van onderwijspolitici. Lager onderwijs verdween wat naar de achtergrond en de ontwikkeling van het secundair onderwijs kreeg steeds meer aandacht. Dit had toch onrechtstreeks gevolgen voor het lager onderwijs. De athenea, rijksmiddelbare scholen en colleges mochten immers voorbereidende afdelingen oprichten. Hun programma was identiek aan dat van de lagere scholen, aangevuld met enkele hoogaangeschreven vakken. Terwijl de wetgeving op het lager onderwijs de rol van de staat beperkte tot het verlenen van toelagen, lieten de wetteksten van het middelbaar onderwijs ruime interpretatie toe. Socialistische en liberale ministers hebben in de concurrentiestrijd tussen lagere scholen en voorbereidende afdelingen, voor deze laatsten gekozen en er de uitbreiding van aangemoedigd.


Ook na WO II bleven er wrijvingen bestaan over de financiële en materiële structuren van het onderwijs, nu in hoofdzaak op het secundair niveau, dat door een toeloop van leerlingen sterke uitbreiding kende. De homogene katholieke regering (1950-1954) en de liberaal-socialistische coalitie die haar opvolgde (1954-1958) namen elk op hun beurt maatregelen die bij de oppositie zuur opbraken. Een tweede schoolstrijd barstte los. In essentie draaide die om materiële aangelegenheden, maar de katholieken slaagden er niettemin in er voor het grote publiek een ideologische strijd van te maken. In 1955 erkende de socialist Collard het recht van de Staat om eigen lagere scholen op te richten.

Ook in het schoolpact dat onder de katholieke minderheidsregering-Eyskens, in 1958 als compromis tot stand kwam, werd dat recht verder erkend. Het rijksonderwijs kreeg zo als derde net ook voet aan de grond in het basisonderwijs.


In 1959 werd het schoolpact in de wet opgenomen. Kernpunt was de democratisering van het onderwijs en het waarborgen van de vrije schoolkeuze. Wedde-, werkings- en uitrustingstoelagen werden fors opgetrokken, zowel voor gesubsidieerde vrije (de vroegere aangenomen en aanneembare scholen) als voor de gesubsidieerde officiële scholen (het gemeentelijk en provinciaal onderwijs).
Toch ging de expansie van het rijksonderwijs en het vrij onderwijs na het schoolpact voor een groot deel, mede door de onderwijspolitiek van een groot aantal gemeenten, precies ten koste van het gemeentelijk onderwijs.
De leerkrachten uit het gemeentelijk onderwijs vormden een belangrijk segment van het ledenaantal van het COV. Dit blijkt uit een artikel in Christene School in mei 1946. Hierin klaagt Frans Valvekens, de toenmalige algemeen secretaris, erover dat de beweging meer gemeentelijke leerkrachten telt dan vrije: op de ongeveer 20.000 leden zijn er 10.400 gemeentelijke. Daar kwam in de volgende jaren, mede door de expansie van het vrij en het rijksonderwijs, verandering in.

De minirationalisatie van 1975: het gemeentelijk onderwijs betaalt de rekening!

Door de wet van 11 juli 1973 tot herziening van de schoolpactwet werd een nieuwe definitie aan neutraal en confessioneel onderwijs gegeven. Voortaan was een instelling neutraal of confessioneel wanneer drie op de vier personeelsleden een diploma konden voorleggen van respectievelijk een neutrale of confessionele school. De wet bepaalde ook dat de bouwfondsen pas in werking zouden treden nadat een rationalisatie- en programmatieplan van het lager onderwijs werd goedgekeurd.

De wet van 14 juli 1975 en het KB van 8 oktober 1975 tekenden de zogenaamde minirationalisatie van het lager onderwijs uit. Het eindresultaat was allesbehalve mini, maar had een volledige hertekening van het onderwijslandschap tot gevolg.
Tussen 1974 en 1983 verdwenen er 1.332 Nederlandstalige scholen. Het gemeentelijk onderwijs kreeg rake klappen. Nagenoeg één op de twee gemeentescholen uit het Vlaamse landsgedeelte hield op als zelfstandige entiteit te bestaan: van de 1.221 bleven er nog 642 bestaan. Heel wat gemeentelijke overheden zagen de kans schoon om hun (dure) onderwijsinstellingen aan een andere inrichtende macht, meestal een katholieke, over te dragen. De definitieve rationalisatie van 1984 had veel minder drastische gevolgen. Het decreet basisonderwijs van 1997 wijzigde hieraan eveneens niets meer.
Het gemeentelijk onderwijs is in de voorbije decennia vaak in de verdrukking gebracht door zijn onmiddellijke concurrenten en de diverse beleidsinstanties. Het gemeentelijk onderwijs betaalde de zwaarste tol voor de uitbouw van het vrij en het gemeenschapsonderwijs.

HET GEMEENTELIJK ONDERWIJS EN DE VRIJE SCHOOLKEUZE

De vrijheid van onderwijs

De vrijheid van onderwijs vervat in artikel 24 (vroeger artikel 17) van de grondwet wordt begrepen onder een actieve en een passieve vorm.


• De actieve onderwijsvrijheid houdt in dat 'iedereen zonder enige bemoeienis van de overheid, zonder preventieve maatregelen, vrij is onderwijs te verstrekken' of 'de vrijheid heeft om te onderwijzen, individueel of binnen een organisatie, de vrijheid om een school te openen of in te richten'.
• De passieve onderwijsvrijheid duidt op de vrijheid van schoolkeuze, dit is de vrijheid van de ouders/leerlingen of studenten om zelf een school te kiezen. Dat impliceert dat zij onder redelijke voorwaarden, die in objectieve criteria moeten vertaald worden, een school naar hun keuze ter beschikking moeten hebben. De grondwet stelt dat de gemeenschap die keuzevrijheid dient te garanderen. De gemeenschap richt neutraal onderwijs in. Scholen opgericht door openbare besturen bieden, tot het einde van de leerplicht, de keuze aan tussen onderricht in een van de erkende godsdiensten of niet-confessionele zedenleer.
De schoolpactwet verengde in artikel 4 de vrije schoolkeuze tot een keuze tussen confessioneel en niet-confessioneel onderwijs. Een school was confessioneel als ten minste drievierde van het personeel houder was van een diploma van het confessioneel onderwijs. Een school was niet-confessioneel als ten minste drievierde van het personeel houder was van een diploma van het niet-confessioneel onderwijs.

De wet bepaalde dat het recht van de ouders om de aard van de opvoeding van hun kind te kiezen, de mogelijkheid inhield om over een school naar hun keuze binnen een redelijke afstand te beschikken. De Staat diende kleuter- en lager onderwijs in te richten waar de behoefte ontstond en zij was verplicht in het kader van de vrije keuze een rijksschool te openen, vervoer te verzekeren, een niet-confessionele school in de subsidieregeling op te nemen. De schoolpactwet definieerde ook nog een neutrale school als drievierde van het personeel houder was van een diploma van het officieel en neutraal onderwijs.


De schoolpactwet hield echter voor de gemeenten geen verplichting in om neutraal onderwijs te organiseren. Het gemeentelijk onderwijs kon vrij zijn onderwijs organiseren. Toch voorzag de schoolpactwet niet dat gemeentescholen vrijekeuzescholen konden zijn. Zij werden duidelijk geweerd uit het toepassingsveld van artikel 4 van de schoolpactwet. Vanuit hun bestuurlijke autonomie beschikten de gemeenten, zoals het vrij gesubsidieerd onderwijs, over een eigen pedagogische autonomie en konden ze eigen klemtonen in het onderwijs leggen. Een gemeenteschool kon bijgevolg een confessionele of niet-confessionele gemeenteschool zijn. Anderzijds is de gemeenteschool, los van het karakter van de school een openbare dienst, die ingevolge het gelijkheidsbeginsel, voor iedereen moet openstaan.

Het decreet Basisonderwijs

De indeling confessioneel/niet-confessioneel onderwijs werd om verschillende redenen niet langer hanteerbaar geacht. Het decreet Basisonderwijs koos voor een indeling in officieel en vrij onderwijs. Een nieuwe gemeente­school of provinciale school kan de vrije keuze voor de categorie officieel onderwijs ook verzekeren. Als openbare dienst staat ze principieel open voor alle kinderen van alle geslachten, sociale rang, ras en overtuiging.


De ouders hebben de keuze tussen officieel en vrij onderwijs gebaseerd op een erkende godsdienst of een erkende levensbeschouwing. Om de overgang van het oude naar het nieuwe systeem mogelijk te maken, werden overgangmaatregelen voorzien.
De vrije keuze tussen officieel en vrij onderwijs geldt alleen voor nieuwe oprichtin­gen.

Het bestaande onderwijslandschap in het basisonderwijs werd naar aanlei­ding van de nieuwe vrijekeuzeregeling niet hertekend. Scholen die vóór 1 september 1997 de vrije keuze op basis van artikel 4 van de schoolpactwet verzekerden, blijven ook na 1 september 1997 de vrije keuze verzekeren. De bestaande vrijekeuzescholen bleven hun statuut van vrijekeuzeschool behouden. De vrijekeuzeleerlingen bleven hun recht op leerlingenver­voer behouden. Voor de geïsoleerde scholen en geïsoleerde vestigingsplaatsen bleef de indeling in groepen met de eraan verbonden gunstige rationalisatie­normen, als overgangsmaat­regel bestaan.


Een nieuwe gemeente­school die voor de categorie officieel onderwijs de vrije keuze wil verzekeren, moet kunnen aantonen open te staan voor alle ideologische, filosofische of godsdienstige opvattingen van ouders en leerlingen.

De school moet tegelijk aan een aantal voorwaarden voldoen:

• de leerplannen volgen van de ARGO of het OVSG of het POV of eigen leerplannen hiermee verenig­baar;

• een schoolwerkplan, schoolreglement en schoolboeken gebruiken in overeenstemming met het open karakter;

• begeleid worden door een officieel CLB-centrum;

• begeleid worden door de begeleidingsdienst van de ARGO of het OVSG of het POV;

• het godsdienstonderwijs of het onderwijs in de niet-confessionele zedenleer wordt door een leermees­ter gegeven;

• de oudervereniging van de school kan alleen aansluiten bij het ondersteuningscentrum van ouderverenigingen van het officieel onderwijs.


Een gemeenteschool die aangesloten is bij een vrij CLB, het leerplan van het katholiek onderwijs volgt en zich in zijn schoolreglement profileert als een jongensschool, kan bijgevolg de vrije keuze voor het officieel onderwijs niet verzekeren.
Daar de bestaande toestand ‘bevroren’ werd, is de mogelijkheid voor het gemeentelijk onderwijs om officieel onderwijs in het kader van de keuzevrijheid te verstrekken, ingeperkt tot nieuwe scholen.
De plicht van de gemeente met betrekking tot het in stand houden van

kleuteron­derwijs en lager onderwijs zoals eerder vastgelegd in de gecoördineerde wetten op het lager onderwijs, werd in het decreet Basisonderwijs behouden.


Elke gemeente is verplicht ten minste één van haar op 1 september 1997 bestaande scholen voor gewoon lager onderwijs in stand te houden, behalve:

• wanneer het aantal leerplichtige kinderen in de school de rationalisatienorm

vastge­steld door de regering, niet bereikt;

• wanneer het aantal leerplichtige kinderen waarvan de ouders gemeentelijk

onderwijs vragen in de gemeente die zij bewonen, minder dan vijftien bedraagt;

• wanneer de gemeente het bewijs kan leveren dat de leerplichtige kinderen die in de

gemeente wonen, de mogelijkheid hebben binnen de afstand van vier kilometer

onder­wijs te volgen in een gemeenteschool.


De gemeente is eveneens verplicht ten minste één van haar op 1 september 1997 bestaan­de scholen voor gewoon kleuteronderwijs in stand te houden indien het aantal kinderen tussen drie jaar en zes jaar waarvan de ouders gemeentelijk kleuteron­derwijs vragen, ten minste dertig bedraagt.

HET LANDSCHAP VAN HET GEMEENTELIJK ONDERWIJS



Evolutie in de schoolbevolking basisonderwijs
In 1958 telde het gemeentelijk onderwijs om en bij de 28 % van de schoolbevolking. Na het schoolpact volgde een gestage daling. Sinds het schooljaar 1978-‘79 zit het gemeentelijk onderwijs weer in de lift.

Relatieve spreiding van de leerlingenaantallen 2000 per net en per onderwijsniveau




Gemeenschaps-

onderwijs

Gesubsidieerd

officieel onderwijs

Gesubsidieerd

vrij

onderwijs

Totaal

Basisonderwijs

(gewoon)

13,22 %

22,46 %

64,32 %

100 %

Basisonderwijs

(buitengewoon)

20,37 %

16,06 %

63,35 %

100 %

Secundair onderwijs (gewoon)

16,07 %

8,20 %

75,64 %

100 %

Secundair onderwijs (buitengewoon)

20,72 %

13,22 %

63,73 %

100 %

Totaal

14,58 %

16,83 %

68,52 %

100 %

(Bron: Statistisch jaarboek 2000-2001 departement Onderwijs)
Vaststellingen voor het officieel onderwijs (gesubsidieerd officieel onderwijs en gemeenschapsonderwijs)

• Het gesubsidieerd officieel onderwijs is het grootste net binnen het officieel onderwijs.

• Het gesubsidieerd officieel onderwijs telt in het basisonderwijs bijna dubbel zoveel leerlingen als het gemeenschapsonderwijs.

• In het secundair onderwijs telt het gemeenschapsonderwijs dubbel zoveel leerlingen als in het gesubsidieerd officieel onderwijs.



Het aantal leerlingen in het gewoon en buitengewoon basisonderwijs per onderwijsnet



Gemeenschaps-

onderwijs

Gesubsidieerd

officieel

onderwijs

Gesubsidieerd

vrij onderwijs

Totaal


1994-‘95

88.232 (13,22 %)

139.760 (20,94 %)

439.328 (65,83 %)

667.320

1996-‘97

89.828

141.901

438.683

670.412

2000-2001

91.406 (13,51 %)

150.058 (22,18 %)

434.593 (64,26 %)

676.117 (100 %)

(Bron: Statistische jaarboeken departement Onderwijs)
Vaststelling

• Het procentueel aandeel van het gesubsidieerd officieel basisonderwijs steeg op

6 jaar tijd van 20,94 % naar 22,18 % en is hiermee het sterkst groeiend onderwijsnet in het basisonderwijs.


Verdeling van de scholen over de netten





Gemeenschaps-

onderwijs

Gesubsidieerd officieel

onderwijs

Gesubsidieerd

vrij onderwijs

Totaal


Basisonderwijs

(gewoon)

359

531

1.481

2.371

Basisonderwijs

(buitengewoon)

34

31

123

187




393

562

1.604

2.559


(Bron: Statistische jaarboeken departement Onderwijs)
• In het schooljaar 2000-2001 liepen 150.058 leerlingen school verdeeld over de

562 scholen van het gesubsidieerd officieel onderwijs.



GEMEENTELIJK BASISONDERWIJS, EEN KERNTAAK VAN ELKE GEMEENTE

De vorige Vlaamse regering (CVP-SP) gaf het startschot voor het kerntakendebat door een pact af te sluiten met de lokale besturen. Dit was een eerste signaal rond een evenwaardig partnerschap van de drie besturen. De huidige Vlaamse regering (VLD-SP-Agalev-VU&ID21) bouwt hierop verder. In de regeringsverklaring van juli 1999 stelde de overheid dat er voor de drie rechtstreeks verkozen overheden (de Vlaamse, de provinciale en de lokale) op korte termijn duidelijkheid moest komen over hun kerntaken. Dat was de start voor een zogenaamd “kerntakendebat”. Een nieuw kader voor het invullen van de verschillende overheidstaken moet uitgewerkt worden. Dit moet resulteren in een betere organisatie van het bestuur in Vlaanderen.

Belangrijke vragen daarbij zijn:

• Hoe kan de overheid het best inspelen op de vragen en noden van de bevolking?

• Wat behoort tot de kerntaak van de overheid?

• Wat is van publiek belang en moet door de overheid opgenomen worden?

• Wat kan aan het particulier initiatief overgelaten worden?

• Welk overheidsniveau neemt welke taak op?


De Vlaamse regering stelt in dit debat het subsidiariteitprincipe voorop: wat door een lager bestuur doelmatig kan verricht worden, behoort niet door een hoger bestuur ter hand genomen te worden.
Bij een consequente toepassing van dit beginsel moeten bevoegdheden maximaal aan het lokaal bestuur toevertrouwd worden, tenzij aangetoond kan worden dat een hoger bestuur deze beter en efficiënter kan uitoefenen. De beleidsbeslissingen moeten op het meest functionele niveau, zo dicht mogelijk bij de burger genomen worden. De gemeenten krijgen dan ook een centrale plaats.
Vanuit de grondwet en de schoolpactwet is er een duidelijke opdracht om openbaar basisonderwijs in te richten. In het kader van het kerntakendebat kan men zich afvragen door welk bestuur openbaar basisonderwijs best ingericht wordt.

Het gemeentebestuur staat het dichtst bij de bevolking. Door deze betrokkenheid op wat leeft in de lokale gemeenschap is het gemeentelijk niveau het meest aangewezen om officieel basisonderwijs in te richten. Het gemeentelijk onderwijs is binnen het officieel basisonderwijs altijd het meest verbonden geweest met de plaastelijke gemeenschap.


Vanuit het principe van de subsidiariteit is het gemeentebestuur aangewezen om de taak verder te zetten die het al sinds 1842 behartigt. De gemeentebesturen zijn best in staat om te bepalen wat er voor het basisonderwijs moet gebeuren. Elke gemeente in Vlaanderen kan een basisschool oprichten.
Het gemeentelijk onderwijs moet echter over de noodzakelijke middelen beschikken om kwaliteitsvol basisonderwijs te verstrekken. Financieel-budgettaire overwegingen mogen voor de gemeentebesturen geen motief zijn om van deze opdracht af te zien.


NAAR ÉÉN NET VOOR HET OFFICIEEL BASISONDERWIJS?

Eén net?

Wanneer geconcludeerd wordt dat het inrichten van officieel basisonderwijs een kerntaak is voor elke gemeente en dat deze taak bovendien ook het best door het lokale bestuur kan behartigd worden, dan is het - in het kader van het subsidiariteitsbeginsel - logisch en onvermijdelijk dat het lokale bestuur ook als enige officieel basisonderwijs inricht of er minstens als enige de politieke verantwoordelijkheid voor draagt.


Aangepaste structuren dienen hiervoor gecreëerd te worden. Welke juridische vorm of welk publiekrechtelijk statuut hiervoor het meest adequaat is, dient nader onderzocht te worden.
Elke nieuwe constructie moet in elk geval aan een aantal voorwaarden voldoen:

• Er dient een structuur opgezet te worden die aan de gemeentelijke partijpolitiek

wordt onttrokken en steunt op een breed overleg met de diverse politieke partijen en onderwijsinstanties in de gemeente.

• Vooraleer van een nieuwe beheersstructuur sprake kan zijn, moeten de regelingen

inzake medezeggenschap geactualiseerd worden.

• In het kader van een hertekening van het onderwijslandschap moeten er, indien

de noodzaak zich voordoet, mogelijkheden zijn om over de gemeentegrenzen heen samenwerkingsverbanden op te zetten.

• Wanneer bevoegdheden aan een ander bestuur worden toegekend, moeten er

juridische garanties zijn dat ook in deze structuren effectieve tegenmachten gecreëerd kunnen worden voor het personeel.

Pedagogisch project

De grondwet legt de gemeenschap op om neutraal onderwijs in te richten dat in het gemeenschapsonderwijs gestalte krijgt. Daarnaast is er het officieel gesubsidieerd onderwijs dat gekenmerkt wordt door de autonomie van de schoolbesturen en de pedagogische vrijheid als gesubsidieerde onderwijsinstelling. Beide onderwijsvormen zijn een organieke openbare dienst die onderwijs inricht en gebonden is door de wetten van de openbare dienst. Bij het creëren van één openbaar onderwijs zal het neutraliteitsbeginsel gegarandeerd moeten blijven. Het is de opdracht van de gemeentebesturen om naast de neutraliteit ook de huidige diversiteit inzake pedagogische projecten te waarborgen.



ACHT STELLINGEN OVER GEMEENTELIJK ONDERWIJS





  1. Het gemeentelijk onderwijs vervult een onvervangbare rol als de emanatie van de onderwijsinspanning van de plaatselijke gemeenschap, met een onbetwistbaar eigen identiteit en een eigen plaats in het globale onderwijsaanbod. Het gemeentelijk onderwijs moet over de noodzakelijke middelen blijven beschikken om die identiteit te vrijwaren en zijn historische rol als motor van het basisonderwijs in Vlaanderen trouw te kunnen blijven.



  2. Sinds 1842 is openbaar lager onderwijs een opdracht van de gemeente. Ook vandaag blijft gemeentelijk basisonderwijs een kerntaak voor elke gemeente. Gemeentelijk basisonderwijs moet een positief pluralistische openbare dienst zijn, die voor iedereen zonder enig onderscheid moet openstaan.
    De gemeenten moeten bijgevolg verplicht worden om hun bestaande scholen voor kleuter- en lager onderwijs in stand te houden; een gemeentelijke basisschool op te richten waar er geen gemeentelijk basisonderwijs meer voorhanden is; de bestaande gemeenschapsscholen voor basisonderwijs over te nemen.



  3. Alle verantwoor­delijken dienen permanent waakzaam te zijn om de toekomstkansen van het officieel gesubsidieerd onderwijs niet te bezwaren met regelingen die vooral de bescherming en de promo­tie van het gemeenschapsonderwijs beogen.
    Het officieel gesubsidieerd onderwijs mag als sterkst groeiende sector in het Vlaams onderwijs niet verknecht worden aan andere netten en niet onder­geschikt gemaakt aan oneigen structuren en samenwerkingsverban­den.




  1. Het pedagogisch project dat in het gemeentelijk onderwijs wordt aangeboden, moet nadruk leggen op openheid, verscheidenheid, het democratisch karakter, de socialiserende en emanciperende opdracht, het centraal stellen van de totale persoon, het realiseren van gelijke kansen, het respect voor de medemens, het streven naar Europese burgerzin en het respect voor de universele mensenrechten.


  1. In elke gemeente is een ernstig en samenhangend onderwijsbeleid noodzakelijk, dat als zodanig aan de gemeentelijke partijpolitiek wordt onttrokken en steunt op een breed overleg met de diverse politieke partijen en onderwijsinstanties in de gemeente.
    De continuïteit van het pedagogisch project moet gewaarborgd blijven en mag niet afhankelijk zijn van een toevallige wisseling van de bestuursmeerderheid.




  1. Er moet een duidelijke visie komen op de rol van het gemeentebestuur als schoolbestuur dat zijn verantwoordelijkheid opneemt ten aanzien van de eigen scholen en de eigen leerkrachten en daar ook rekenschap van aflegt. Dit mag geen formeel afwerken inhouden van verplichte onderhandelings- en overlegprocedures. In consensus vastgelegde afspraken moeten ook afdwingbaar gemaakt worden.




  1. De opdracht van de basisschool van morgen vergt deskundigheid van de lokale schoolbesturen. Ook in het gesubsidieerd officieel onderwijs dienen samenwerkingsmodellen gezocht te worden die de bestuurs- en beheerscapaciteiten verhogen, zonder de eigenheid van de school in het gedrang te brengen. Samenwerking met scholen op lokaal of regionaal niveau kan gestalte krijgen in een intergemeentelijk samenwerkingsverband voor onderwijs.




  1. Een actualisering van de regelgeving inzake medezeggenschap is nodig vooraleer van een schaalvergrotende aanpak sprake kan zijn. Wanneer in dit kader bevoegdheden aan een ander bestuur worden toegekend, moeten juridische garanties ingebouwd worden om ook in deze structuren effectieve tegenmachten te creëren voor het personeel.



(*) Bronnen

• M. DE VROEDE & L. MINTEN, Het corps onder wisselende omstandigheden, in: Geen trede meer om op te staan, Uitgeverij Pelckmans, 1993.



Investeren in toekomst, Christene School 25, 9 november 1983.

(**) Verslagboek Sint-Jozefskring 1879-1885. Archief Frans Valvekens (onverwerkt) Doos 15. Sommige auteurs beschouwen deze Sint-Jozefskring als de eerste COV-kring en situeren de wieg van het COV dan ook in Ekeren. Wie echter de stichtingsgeschiedenis nauwkeurig bestudeert, kan merken dat de impulsen in 1893 vanuit een andere richting kwamen, ook al werd de Sint-Jozefskring al snel terug actief in het nieuwe COV.

17-04-2002




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina