Opdracht 1 Opbouw Atmosfeer



Dovnload 9.02 Kb.
Datum24.08.2016
Grootte9.02 Kb.
Atmosfeer & Energie

Antwoordenblad



Opdracht 1 Opbouw Atmosfeer


  1. Troposfeer – stratosfeer – mesosfeer – thermosfeer – metasfeer – exosfeer
    Het overgangsgebied tussen elke laag wordt “pauze” genoemd.

  2. Troposfeer: onderste deel waar het weer en klimaat plaatsvindt en waar de lucht zowel verticaal als horizontaal kan bewegen (convectie). De relatieve samenstelling van de lucht is op elke hoogte ongeveer hetzelfde, maar hoe hoger in de troposfeer des te lager de dichtheid. Bovendien hoe hoger des te kouder.
    Stratosfeer: In deze laag dringt voldoende UV straling door dat zuurstof kan worden omgezet in Ozon. Daarbij wordt de UV stralingsenergie omgezet in uiteindelijk warmte. Aangezien bovenin de stratosfeer de meeste UV straling wordt vastgehouden door de zuurstof, ontstaat daar de meeste ozon (dit heet dan ook de ozonlaag) en neemt de temperatuur toe naargelang je hoger in de stratosfeer bent.
    Mesosfeer: In deze laag neemt de temperatuur weer af door de afname van de dichtheid van de lucht en dus de zuurstof. Er wordt steeds minder UV geabsorbeerd en ozon gemaakt. Er wordt dus ook steeds minder warmte vastgehouden.
    Thermosfeer: Hier neemt de temperatuur weer toe omdat de dichtheid en de druk zodanig is dat atomen sterk geioniseerd worden. Door af- en / of toename van het aantal electronen in de atomen onder invloed van energierijke straling (UV) neemt de temperatuur toe.
    Exosfeer: dit is de grens tussen atmosfeer en het heelal. De temperatuur onder invloed van ionisatie door UV kan hier oplopen tot wel 1700 graden overdag.

  3. De uitleg staat in antwoord 2.

  4. Alleen de troposfeer hoort bij de biosfeer. De hogere lagen hebben wel invloed op de biosfeer.

  5. Het weer speelt zich af in de troposfeer.

  6. De ozonlaag houdt energierijke straling (UV) tegen. Organismen kunnen kapot gaan door deze straling.

  7. De warmte die in de hogere lagen van de atmosfeer ontstaat zal voor het grootste deel het heelal in gaan en speelt dus geen (nauwelijks) rol op opwarming van de aard atmosfeer.

  8. De ionosfeer is dat deel van de atmosfeer waar onder invloed van de enorme hoeveelheid hoog energie stralen van de zon de electronen los kunnen schieten van de ene atoom in de lucht naar de andere, waardoor er geladen deeltjes (ionen) ontstaan. In de ionosfeer hebben de vele geladen deeltjes invloed op het reflecteren van bijv. radiogolven.

  9. De magnetosfeer is het magnetische veld rondom de aarde (en vele andere planeten. Dit magnetisch veld beschermt de aarde onder andere tegen zonnewind en kosmische straling.



Opdracht 2 Energiebalans en stralingsbalans


  1. TOA:
    In: 342 W/m2
    Uit: 107 + 235 = 342 W/m2
    Er komt evenveel in als eruit gaat, dus er is behoud van energie gemiddeld over het oppervlak.
    Atmosfeer:
    In: 342 + 350 + 40 + 24 + 78 + 30 = 864 W/m2
    Uit: 107 + 235 + 324 + 168 + 30 = 864 W/m2
    Energie behouden.
    Aardoppervlak:
    In: 342 + 30 + 168 = 522 W/m2
    Uit: 30 + 24 + 78 + 390 = 522 W/m2
    Energie behouden.

  2. Stralingsbalans heerst er alleen voor de TOA. Door turbulentie in de atmosfeer verplaatst energie zich daar ook door beweging i.p.v. straling.
    Bijvoorbeeld aan de aardoppervlak straalt er 168 + 324 = 492 W/m2 in en 390 W/m2 uit.



Opdracht 3 Dateringsmethoden


  1. Bij relatieve dateringsmethoden wordt bepaald of iets ouder is dan iets anders en bij absolute dateringsmethoden wordt de ouderdom ten opzichte van nu bepaald.

  2. a. Jaarring onderzoek: Absoluut. Door de jaarringen van de huidige bomen aan te sluiten op de jaarringen van steeds oudere bomen en zelfs fossiele bomen is het mogelijk om tienduizende jaren terug te rekenen.
    b. Radiometrische datering: Absoluut. Vanaf het moment dat een organisme dood gaat en fossiliseert, verandert de samenstellling van het materiaal niet meer. In elk materiaal zit een hoeveelheid isotopen. Na verloop van tijd zullen de isotopen vervallen, waarbij radioactiviteit vrijkomt. Elke isotoop kent z’n eigen halfwaardetijd, de tijd dat de helft van de concentratie isotopen vervallen is. Aan de hand van de hoeveelheid overgebleven isotopen kun je dus iets zeggen over de ouderdom.
    c. Paleontologisch onderzoek: Relatief. Door vergelijking van gevonden fossielen kan iets gezegd worden over de ouderdom van de verschillende sedimenten.
    d. Sedimentologische datering: Relatief. Door onderzoek aan de sedimentlagen en structuren kan iets gezegd worden over de vorming en de chronologie.
    e. Paleomagnetische datering: Magnetische mineralen in gesteenten nemen de richting aan van het aardmagnetisch veld ten tijde van hun vorming. Daarmee kan de lengte- en breedtegraad ten tijde van de vorming bepaald worden. Bovendien kan bepaald worden aan de hand van de tijdstippen waarop de polariteit van de aarde is omgekeerd hoe het gesteente is.

  3. Een opgeblazen ballon loopt langzaam leeg en wordt dus langzaam kleiner. Als je een opgeblazen ballon omwikkelt met nat vloeipapier en je laat de luchtballon langzaam leeglopen, dan verkreukelt het papier en vormen zich “bergen”.

  4. Verificatie.



Opdracht 4 Verzuring zee


  1. Verzuring zorgt dat kalk oplost. In de oceanen zullen kleine kalkdiertje dood gaan. Deze populaties vormen de basis van de voedselpyramide, dus de hele voedselketen in de oceaan zal onder invloed staan van de verzuring.

  2. Door het bemesten van de oceaan zal de populatie algen enorm uitbreiden. De algen nemen de koolstof dioxide uit het water en dat zorgt voor vermindering van de verzuring. Nadeel is dat de algen het licht en de gasuitwisseling aan het oppevlak blokkeren.




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina