Opdrachtenblad ecologie vwo 5 In het voorjaar



Dovnload 10.28 Kb.
Datum27.09.2016
Grootte10.28 Kb.

Opdrachtenblad ecologie vwo 5

In het voorjaar

In het voorjaar wordt het niet alleen warmer, ook organismen schakelen een tandje bij. Vrijwel alle vogelsoorten beginnen met de voorbereidingen voor een nieuw nageslacht. Bomen laten hun knoppen zwellen en rupsen staan klaar om het eerste jonge blad dat voedselrijk en gemakkelijk verteerbaar is op te eten. In een dusdanig ecosysteem bestaan vele voedselrelaties. Een van deze relaties is tussen de Zomereik (Quercus robur) en de Kleine wintervlinder (Operophtera brumata). De Kleine wintervlinder legt zijn eitjes op de eik in de herfst en begin winter (vandaar de winter in de naam van de vlinder), waarna de eitjes uitkomen in het voorjaar als de bomen in hun jonge blad staan. Er ontstaat dan een rupsenpiek. Deze rupsenpiek is erg belangrijk voor een groot aantal insectenetende vogels zoals de Koolmees (Parus major) en de Bonte vliegenvanger (Ficedula hypoleuca). Beide soorten timen de geboorte van hun kroost dusdanig dat deze gelijktijdig valt met de rupsenpiek. Zo is er voldoende gemakkelijk verkrijgbaar hoogenergetisch voedsel beschikbaar om de jongen op te voeden. Een derde concurrent om de rupsen is de Pimpelmees (Parus caeruleus). In tegenstelling tot de zwaardere koolmees foerageert deze mezensoort meestal op de uiteinden van dunne twijgjes en voorkomt zo directe competitie met de Koolmees.


De laatste decennia is er een verschuiving gaande van de rupsenpiek. Deze komt steeds vroeger in het jaar te liggen wegens het steeds vroegere begin van de lente (dit jaar is dan weer een uitzondering, maar goed). Echter, de mezen en vliegenvangers hebben moeite om deze piek bij te houden. Ze verleggen hun legdatum niet snel genoeg waardoor bij de meeste mezenparen en vliegervangerstelletjes de uitkomst van de jongen te laat is voor de rupsenpiek. Vele wetenschappers maken zich hier druk om en zijn bang voor het uitsterven van deze soorten in Nederland. Vermoedelijk zal het niet met zo een vaart lopen, omdat er altijd nog zoiets is als natuurlijke selectie. Toch is het verstandig om het verloop van deze situatie goed in de gaten te houden, al was het maar voor de kennis die hiermee opgedaan kan worden.
Veel grotere vogelsoorten en ook zoogdiersoorten timen de aankomst van hun nageslacht juist weer op het uitkomen van de jonge vogeltjes. Bijvoorbeeld soorten zoals de Boommarter (Martes martes), Ekster (Pica pica) en Havik (Accipiter gentilis).

Vragen en opdrachten:

  1. Maak een voedselweb waarin de bovenstaande soorten voorkomen. Voeg zelf nog vijf soorten toe die ook voorkomen in het betreffende ecosysteem en voedselrelaties hebben met de genoemde soorten.

  2. Een ekster kan zowel consument van de tweede orde als van de derde orde zijn. Leg dit uit.

  3. Op welk trofisch niveau zou jij de mens plaatsen in dit ecosysteem?

  4. Maak van het voedselweb piramides van: aantallen, energie en biomassa. Gebruik voor de piramide van energie een waarde van 10.000 Kcal / m2 / jaar als bruto primaire productie. Gebruik voor de piramide van biomassa een waarde van 1000 g / m2 als primaire productie. Gebruik je Binas en laat dit zien in de berekening.

  5. Beredeneer waarom een voedselketen zelden tot nooit meer dan vijf schakels heeft.

  6. Beredeneer waarom het uitsterven van de genoemde vogelsoorten waarschijnlijk wel mee zal vallen.

  7. Waarom zal de Bonte vliegenvanger waarschijnlijk meer moeite hebben om zich aan de vervroegde rupsenpiek aan te passen dan Koolmees en Pimpelmees? (Tip: zoek de dieren even op Wikipedia op)

De Koolmees en Pimpelmees bezetten beiden net een verschillende niche (ook wel nis).



  1. Leg het begrip niche uit aan de hand van deze bewering.

Stel dat er een voor dit ecosysteem nieuwe vogelsoort het gebied in migreert. Deze soort broedt vroeg in het voorjaar en kan optimaal gebruik maken van de rupsenpiek. Het betreft een klein aantal individuen van de soort die door een storm toevallig aan zijn komen waaien.



  1. Laat de groeicurve zien die deze vogelsoort zal doormaken vanaf het moment dat deze het gebied aankomt.

Op een gegeven moment zal deze soort zowel intraspecifieke (intra = binnen / intern) als interspecifieke (=tussen) concurrentie ondervinden.



  1. Welke factoren hebben effect op de toename van de intraspecifieke concurrentie? En welke op de interspecifieke?

  2. Leg uit wat het effect is van deze concurrentie op de groeicurve gemaakt bij vraag 6.

  3. Leg uit wat wordt bedoeld met de draagkracht van een ecosysteem.

  4. In welk stadium van successie zou jij het bovenstaande ecosysteem plaatsen? Onderbouw je antwoord met argumenten.

Maak van boek 2, hoofdstuk 2 de volgende opgaven:




  • 2.5B, 2.7, 2.9, 2.10

Maak van boek 2, hoofdstuk 8 de volgende opgaven




  • 8.2(*), 8.4, 8.6, 8.7, 8.8, 8.10, 8.12(*), 8.14, 8.22, 8.24(*), 8.25, 8.27(*), 8.28, 8.30, 8.34, 8.35, 8.36

(*)= alleen de delen met het grijze balkje ervoor.







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina