Opdrachtgever: Universiteit Twente Faculteit



Dovnload 0.49 Mb.
Pagina1/6
Datum27.09.2016
Grootte0.49 Mb.
  1   2   3   4   5   6



„Voluit Leven“

Correlationeel onderzoek naar de Acceptance and Commitment Therapy in samenhang met aanverwante psychologische constructen.





Opdrachtgever: Universiteit Twente

Faculteit: Gedragswetenschappen

Opleiding: Psychologie

Bachelorrichting: Veiligheid & Gezondheid

Begeleiders: Ernst T. Bohlmeijer &

Marcel E. Pieterse



Auteur: Ariane Chantal Dücker

Studentennummer: s0122114

Datum: 2 december 2008


Inhoudsopgave:


Abstract 4

Samenvatting 5

1. Inleiding 6

1. 1 ACT en CGT

1. 2 Experiëntiële Vermijding

1. 3 Hypothesen van dit Onderzoek

2. Methode 11

2. 1 De Cursus

2. 2 De Materialen

2. 3 De Participanten

2. 3. 1 Afhankelijke Variabele: Psychologisch Welbevinden

2. 3. 2 Eerste Categorie: Individuele Kenmerken

2. 3. 3 Tweede Categorie: Psychische Klachten

2. 3. 4 Derde Categorie: Gezondheidstoestand

3. Resultaten 15

4. Discussie 20

4. 1 De Studie

4. 2 Limitaties van dit Onderzoek

4. 3 Conclusies

5. Referenties 24

Bijlagen 26

Abstract


In the Netherlands momentarily a course is running which is aimed at investigating a preventive method in the striking for psychic symptoms. It is about how to beware your psychic health. The theoretical foundation is the Acceptance and Commitment Therapy (ACT). ACT says that acceptance of unwanted emotions and events is positive for mental health. The participants learn that avoidance is defending one´s psychological health and that it can result – in the worst case – in serious psychopathology.

The ACT is the prevailing theoretic framework but also contextualism and the belief in the individual´s capabilities of changing the attitude towards emotions and events become important in this course.

This study is interested in relations between well-being, acceptance/ avoidance and related psychological constructs from the areas health, psyche and individual coping with events and emotions. Besides that a possible difference in sexes with relation to acceptance/ avoidance is of particular interest. The data is received through the first measurement of the participants from the course ‘Voluit Leven’.

Samenvatting


In Nederland wordt op dit moment de cursus ‘Voluit Leven’ gegeven. Het doel van die cursus is een preventieve aanpak bieden voor psychische klachten. Het gaat er dus voornamelijk om een manier te vinden de psychische gezondheid te bewaren. De theoretische basis bevat de Acceptance and Commitment Therapy (ACT). ACT stelt dat het accepteren van ongewenste gebeurtenissen en emoties gunstig is voor psychologisch welbevinden. De cursisten leren dus dat vermijding op de lange duur niet werkt en dat het in het ergste geval tot ernstige psychopathologie kan leiden.

De ACT is hierbij het overheersende theoretische kader maar ook contextualisme en het geloof dat de mens zijn houdingen tegenover emoties en gebeurtenissen kan veranderen spelen bij de cursus een rol.

In dit onderzoek ligt de interesse in de samenhang tussen welbevinden, acceptatie/ vermijding en aanverwante psychologische constructen op het gebied van gezondheid, psyche en individuele omgang met emoties en gebeurtenissen. Verder wordt er naar een mogelijk geslachtsverschil in de mate van acceptatie/ vermijding gekeken. De onderzoeksgegevens zijn opgedaan via de eerste meting van de cursisten die deel hebben genomen aan ‘Voluit Leven’.

  1. Inleiding



1. 1 ACT en CGT


De Acceptance and Commitment Therapy (ACT) is een nieuwe vorm van de Cognitieve Gedragstherapie (CGT) die tot doel heeft psychologische flexibiliteit te vergroten. Zij maakt gebruik van acceptatie en mindfulness in combinatie met verbintenis en gedragsveranderingsstrategieën. In ACT wordt cliënten geleerd zich te richten op zaken die ze op directe wijze kunnen beïnvloeden, zoals hun eigen gedrag, in plaats van controle proberen te krijgen over ervaringen die niet direct te beïnvloeden zijn, zoals emoties en gedachten. Dit impliceert een acceptatiegerichte houding ten opzichte van deze emoties en gedachten. Deze gedragstherapie vindt vaak in het kader van een groep plaats maar men kan ook een individuele aanpak kiezen.

De kern van de aan het eind van de 20ste eeuw door Steven C. Hayes ontwikkelde ACT theorie is dat het vechten tegen psychisch leed ten koste gaat van een waardevol leven (Hayes, Luoma, Bond, Masuda & Lillis, 2006). Daarom is ACT vooral bij preventieve doeleinden van een therapie nuttig.

Het verschil met de klassieke Cognitieve Gedragstherapie is dat CGT meer uitgaat van de inhoud van gedachten en deze probeert te veranderen. De ACT gaat meer uit van de functionele context. Gedachten zijn pas schadelijk in een bepaalde context en door die context te verbreken en aan te passen kunnen de gedachten op een andere manier geïnterpreteerd worden. De CGT richt zich dus op symptoomverlichting door verandering van de inhoud van gedachten, terwijl ACT zich richt op het veranderen van de relatie die een cliënt heeft met zijn gedachten, dus het veranderen van de functie van deze gedachten.

De effectiviteit van ACT is door meerdere studies aangetoond. Bijvoorbeeld in de behandeling van chronische pijn (Viane, Poppe, Crombez & Devulder, 2004), depressie (De Groot, 2005), en angststoornissen (Eifert & Forsyth, 2005). Volgens ConnACTion is deze lijst nog uit te breiden op de behandeling van psychose, trauma, werkgerelateerde problematiek en verslaving (www.connaction.info). Ook in de niet pathologische populatie blijkt de ACT succes te hebben. Zo is volgens García, Villa, & Cepeda (2004) de sportprestatie bij kanoërs verbeterd door het toepassen van ACT principes op de sporters.


De Acceptance and Commitment Therapy is in het kader van de ‘contextualistic approaches’ te noemen (Hayes et al, 2006). Deze zijn vooral gespecialiseerd op het mede betrekken van de situationele en de omgevingsfactoren van het individu. Psychologische fenomenen worden bekeken vanuit het individuele referentiekader in combinatie met contextuele factoren uit de omgeving. Het gaat dan niet meer per se om de inhoud van psychologische klachten maar meer om de context waarin deze plaats vinden. Contextualisme stelt dat beslissingen, handelingen en uitingen steeds in een individueel specifieke omgeving gaan plaatsvinden en alleen uit dit kader kunnen worden gezien. Interpretaties van gedrag kunnen dan alleen in dit verband worden geformuleerd.

Het doel van therapie is de waarneming van de context positief te veranderen en copingsstrategieën aan te leren die de omgang met bepaalde gebeurtenissen, emoties of gedachten herstructureren. De contextualistic approaches hebben dus de vorming van brede, flexibele en effectieve repertoires van gedrag tot doel (Hayes et al, 2006).


Een in het kader van de psychotherapie bekend model is het ACT/RFT model van psychopathologie. Het model is een combinatie van de Acceptance and Commitment Therapy en de Relational Frame Theory. Het beschrijft de invloed van taal en cognitie op het vormen van psychische problemen. De theorie gaat er vanuit dat zowel taal als ook cognities aangeleerde processen zijn die de beoordeling van gebeurtenissen of situaties van een individu mede bepalen en kleuren. In deze zin ontstaat uit externe stimuli een bepaalde houding tegenover deze prikkels. De zogenaamde psychologische (in-)flexibiliteit. Uitgaand van deze theorie is gedrag een resultaat van inflexibele verbale netwerken (Hayes et al, 2006).
Het ACT model bevat 6 kernprincipes.

  1. Acceptatie: onvermijdelijke zaken leren aanvaarden, stoppen met het overbodig verzetten.

  2. Cognitieve defusie: scheiden tussen gedachten en gedrag, afstand nemen van gedachten en deze niet als realiteit uitleggen.

  3. Mindfulness: het bewust waarnemen en ondergaan van ervaringen, zonder deze te vermijden, proberen te controleren of vast te houden.

  4. Zelf-as-context: zichzelf in een context ervaren, men is meer dan uitsluitend zijn gedachten en emoties.

  5. Waarden: het bepalen van wat echt waardevol is in het leven.

  6. Commitment: het stapsgewijs ondernemen van acties om de waarden te bereiken.

Deze principes zijn intermediair met elkaar verbonden en bewerkstelligen in hun geheel de vorming van psychologische flexibiliteit.

1. 2 Experiëntiële Vermijding


Een belangrijk onderdeel van het ACT/RFT model is de ‘experiëntiële vermijding’. Dit is van toepassing als een iemand zich met bepaalde gebeurtenissen in zijn leven niet wil bevatten en probeert de vorm of de frequentie en de context van optreden te veranderen. Dit omzeilen van gerelateerde emoties leidt tot meer gevoelens van stress door het vergrote copinggedrag. Zo leidt excessieve experiëntiële vermijding tot een hogere mate van psychopathologie en minder kwaliteit van leven (Hayes, Strosahl, Wilson, Bissett, Pistorello, Toarmino, Polusny, Dykstra, Batten, Bergan, Stewart, Zvolensky, Eifert, Bond, Forsyth, Karekla & McCurry, 2004).
Experiëntiële vermijding is als tegenovergestelde van acceptatie te bestempelen (Jacobs, Kleen, Blokzijl, De Groot & A-Tjak, in druk). Acceptatie is de bereidheid tot ervaring van ongewenste gebeurtenissen. Als men zijn persoonlijke huidige situatie gaat accepteren is men tot hogere maten van psychologische flexibiliteit in staat. Andersom leidt de neiging te vermijden tot meer psychologische inflexibiliteit.

Deze gedragscontrolestrategieën (Hayes & Pankey, 2002) zijn belangrijke voorspellers in het copinggedrag van een individu.



1. 3 Hypothesen van dit Onderzoek


In de studie van Jacobs (in druk) zijn er geslachtsverschillen in de mate van vermijding gevonden. Mannen hebben over het algemeen minder de neiging om te vermijden, zij accepteren vaker hun ongewenste gebeurtenissen (Jacobs et al, in druk). In vergelijking met andere studies is er geen eenduidig beeld te vinden (Hayes et al, 2004). Het eventuele bestaan van verschillen in de mate van acceptatie bij mannen en vrouwen zal in dit onderzoek uitvoerig worden besproken. In het geval van een verband zijn er concrete aanwijzingen voor verdere therapievormen om er rekening mee te kunnen houden. De eerste hypothese luidt:
H1 Mannen hebben meer de neiging belastende gebeurtenissen, emoties of

gedachten te accepteren, vrouwen vermijden deze vaker.


Om de mate van acceptatie en vermijding waarover iemand beschikt te kunnen meten is de Nederlandse versie van het Acceptance and Action Questionnaire (AAQ-II) ontwikkeld (Jacobs et al, in druk). De bedoeling van het AAQ-II is het bieden van een intern consistent meetinstrument van de ACT model van mentale gezondheid en gedragsmatige effectiviteit (Hayes, 2005).

De 10 items van het AAQ-II zijn gericht op de controle en acceptatie die men denkt te hebben over bepaalde emoties en gebeurtenissen (Bijvoorbeeld: ‘Ik heb controle over mijn leven’ of ‘Emoties veroorzaken problemen in mijn leven’). Een hoge totaalscore van deze vragenlijst geeft een hogere mate van experiëntiële vermijding en zodoende een mindere mate van acceptatie aan.


Men kan dus ervan uitgaan dat een hoge mate aan psychopathologie samenhangt met weinig acceptatie en een grote tendentie om te vermijden. De mate aan psychologisch flexibiliteit geeft dus weer in hoeverre iemand last kan hebben van psychopathologie. In dit onderzoek wordt in eerste instantie naar correlationele verbanden gekeken. Een correlatie bestaat als twee variabelen sterk samenhangen. Er kunnen dan nog geen uitspraken worden gedaan naar de effecten die de ene variabele op de andere heeft. Pas als men een causaal verband vast gaat stellen kan men dergelijke uitspraken doen.

In het volgende model is een samenhang tussen de variabelen uit de ACT theorie weergegeven.










Figuur 1: Hoe psychopathologie tot stand kan komen volgens het ACT model.

De experiëntiële vermijding leidt door de psychische spanning die er nodig is om te vechten tegen ongewenste gedachten en emoties tot psychologische inflexibiliteit. Aan de andere kant hangt een hogere mate van inflexibiliteit samen met toegenomen vermijdingsgedrag. Uit overmatige inspanning kan dan vervolgens een vorm van psychopathologie ontstaan. Behalve dat zijn bestaande psychopathologische klachten een indicator voor de psychologische flexibiliteit van een persoon.

Ook Hayes et al. (2004) beweren dat overmatige vermijding tot een hogere mate van psychische klachten leidt. De tweede hypothese is dus:


H2 Experiëntiële vermijding correleert met de manier van coping, vermoeidheid,

depressie, gespannenheid, schaamte, alcoholconsumptie en de

gezondheidstoestand van een persoon.
Aan de andere kant betekent dit dan dat aan psychologisch welbevinden een bepaalde mate van psychologische flexibiliteit ten grondslag ligt. Het mogelijke verband van psychologisch welbevinden en de mate van psychologische flexibiliteit geeft het tweede model schematisch weer.






Figuur 2: Relatie van flexibiliteit en welbevinden.
Dit leidt dan tot hypothese drie:
H3 Psychologische flexibiliteit correleert direct met psychologisch

welbevinden.


Als men het over psychologisch welbevinden heeft zijn ook andere factoren van invloed. Men kan hierbij denken aan gezondheidsproblemen. Het psychologisch welbevinden kan mede worden bepaald door de gezondheidstoestand. Ook psychische klachten spelen een belangrijke rol hierbij. Bijvoorbeeld depressie of angstklachten kunnen een aanzienlijke invloed op het welbevinden van iemand uitoefenen. Verder is van belang de individuele kenmerken van een persoon te betrekken, want de manier van coping met gebeurtenissen, ervaringen, emoties en gedachten zijn niet onafhankelijk van welbevinden. Ook de mate van vermijding of de eventuele verslaving of drugsgebruik heeft duidelijk betrekking op het welbevinden van een persoon. In dit onderzoek worden deze factoren meegenomen want het gaat in de cursus ‘Voluit Leven’ uiteindelijk om het bevorderen van het welzijn van een cliënt. Omdat het welbevinden afhangt van de psychologische flexibiliteit waarover iemand beschikt en die weer in verbinding staat met de hierboven genoemde factoren wordt de factor welbevinden nog eens expliciet in dit onderzoek opgenomen. Dit leidt tot het volgende model:

Figuur 3: Factoren die het psychologisch welbevinden gaan beïnvloeden.
Om de hoeveelheid psychische problemen vast te stellen worden factoren zoals schaamte, depressie en gespannenheid gemeten. De mate van gezondheidsproblemen wordt bepaald door de factoren zorggebruik, werkgerelateerde gezondheid en vermoeidheid. Verder worden de individueel verschillend kenmerken van een persoon, namelijk aard van coping, alcoholconsumptie en de mate van vermijding gemeten. Dit leidt tot de vierde hypothese:
H4 Psychologisch welbevinden wordt mede bepaald door de gezondheidstoestand, de

psychische klachten die iemand kan hebben en de individuele verschillen in de

omgang met gedachten, emoties en gebeurtenissen.



  1   2   3   4   5   6


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina