Opgave 1 Aardbeving V93-3-1



Dovnload 30.18 Kb.
Datum17.08.2016
Grootte30.18 Kb.
Natuurkunde Vwo 1993-I Oud Programma


Opgave 1 Aardbeving V93-3-1

De stad Mexico is enkele jaren geleden getroffen door een zware aardbeving. Bij deze aardbeving is ook een bepaald flatgebouw heftig gaan bewegen. Aan de opbouw was met stangen een lichtreclame bevestigd, zodanig dat deze lichtreclame buiten de flat uitstak. Zie figuur 1.




Tijdens de aardbeving kwam de bovenkant van het gebouw in een harmonische trilling. Deze bovenkant bewoog daarbij van links naar rechts en omgekeerd. De trillingstijd bedroeg 1,2 s en de amplitudo was 0,35 m.

2p 1  Bereken de maximale snelheid van de bovenkant van het gebouw tijdens de harmonische trilling.
De bovenkant van het gebouw bevond zich op een bepaald tijdstip in de uiterste stand links van de evenwichtsstand. Dit tijdstip wordt t = 0 genoemd.

2p 2  Op welke tijdstippen tussen t = 0 en t = 2 s is de kracht die de lichtreclame op het flatgebouw uitoefent maximaal?


Even later, toen de bovenkant zich weer in de uiterste stand links van de evenwichtsstand bevond, brak de lichtreclame los van de bevestigingsstangen.

3p 3  Leg uit hoe de vorm van de baan van de lichtreclame na het afbreken is.


Op een gegeven ogenblik, terwijl de bovenkant van het gebouw zich weer in de uiterste stand links van de evenwichtsstand bevond, stond een kist op het flatgebouw tegen de opbouw. Zie figuur 1. De kist had een massa van 30 kg. De maximale waarde van de wrijvingskracht op de kist bedroeg 120 N. Op een bepaald moment ging de kist schuiven over het dak van het gebouw.

4p 4  Bereken de richting en de grootte van de uitwijking van de opbouw uit de evenwichtsstand op dat moment.


Aanvulling: {Beschouw het dak hierbij nog steeds als een horizontaal vlak}
Bij deze aardbeving in Mexico bleek dat alleen gebouwen van 5 tot 8 verdiepingen werden verwoest, omdat deze gebouwen in resonantie kwamen.
Het resonantiegedrag van gebouwen wordt onderzocht met modellen.
Een model (met een hoogte van 80 cm) is gefotografeerd met een fototoestel. Dit toestel heeft een lens met een brandpuntsafstand van 50 mm. De afbeelding van het model op de foto in figuur 2 is 4,0 maal vergroot ten opzichte van de afbeelding van het model op de film.

5p 5  Bepaal de afstand tussen de lens en de film bij het fotograferen van dit model.


De laagste frequentie waarbij het model in resonantie komt, is 530 Hz. De onderkant van het model krijgt bijna geen uitwijking.
3p 6  Bereken de voortplantingssnelheid van de golven in dit model.
2p 7  Bereken de op één na grootste golflengte van golven die in staat zijn dit model in resonantie te brengen.

Opgave 2 Veldsterktemeter V93-3-2

In de atmosfeer is doorgaans een omlaaggericht elektrisch veld aanwezig. Als een boven het aardoppervlak geplaatste metalen plaat wordt geaard, krijgt deze plaat dezelfde soort lading als het aardoppervlak. De elektrische veldlijnen eindigen dan op de plaat. Zie figuur 3.




2p 8  Leg uit of de lading op de metalen plaat positief is of negatief.


Als vlak boven deze eerste geaarde metalen plaat een tweede geaarde metalen plaat wordt geschoven, eindigen de veldlijnen op deze tweede plaat. Zie figuur 4. De lading op de eerste plaat wordt nu niet meer vastgehouden en stroomt terug naar de aarde. Door de sterkte van deze stroom als functie van de tijd te meten, kan de lading die op de eerste plaat aanwezig was, worden bepaald.

Met behulp van de grootte van deze lading kan de grootte van de elektrische veldsterkte in de atmosfeer berekend worden.

Bij een bepaald type veldsterktemeter laat men een metalen schijf met gaten boven de onderste plaat ronddraaien. Deze schijf wordt door een elektromotor aangedreven, maar blijft geaard. Zie figuur 5.


De weerstand van de motor is 2,5 . De motor is aangesloten op een gelijkspanningsbron met een bronspanning van 9,0 V en een inwendige weerstand van 1,2 . De stroomsterkte in de elektromotor is 84 mA.

3p 9  Bereken de klemspanning van de spanningsbron.
De aan de motor toegevoerde elektrische energie wordt voor een deel omgezet in inwendige energie van de wikkelingen en voor een deel gebruikt om arbeid te verrichten. De door de motor per seconde verrichte arbeid heet het mechanische vermogen.

4p 10  Bereken het mechanische vermogen van de elektromotor.


In deze veldsterktemeter is de onderste plaat een cirkelsegment met een oppervlakte van 307 cm2. De schijf is cirkelvormig; er zijn 4 openingen in aangebracht die elk precies even groot zijn als de onderste plaat. De metalen gedeelten tussen de openingen zijn ook even groot als de onderste plaat. Zie figuur 5.

Door het draaien van de schijf bereiken de elektrische veldlijnen de onderste plaat afwisselend wel en niet. Daardoor ontstaat een wisselende elektrische stroom tussen de onderste plaat en de aarde. De stroomsterkte wordt met een ideale stroommeter gemeten. Het resultaat van zo'n meting is weergegeven in figuur 6.




De stroomsterkte wordt positief genoemd als de elektrische stroom naar de onderste plaat toe is gericht.


3p 11  Leg uit in welke stand de schijf zich bevindt ten opzichte van de onderste plaat op t = 0.
3p 12  Bepaal de hoeksnelheid waarmee de schijf draait.
4p 13  Teken in de figuur op de bijlage het (Q,t)-diagram van de lading op de onderste plaat.
3p 14  Teken in de figuur op de bijlage het (I,t)-diagram dat zou gelden als de schijf tweemaal zo snel zou draaien.
Voor de grootte van de lading op de plaat geldt:
Q = 0  A  E
Hierin is:

  • 0 de diëlektrische constante (elektrische constante);

  • A de oppervlakte van de bovenkant van de onderste plaat;

  • E de grootte van de elektrische veldsterkte.

Tijdens het overtrekken van een onweerswolk blijkt zich maximaal +7,0 nC lading op de onderste plaat te verzamelen.


2p 15  Bereken de elektrische veldsterkte die dan wordt bepaald.

Bijlagen:









Opgave 3 De stirlingmotor V93-3-3

Een stirling- of heteluchtmotor is technisch ingewikkeld, maar is gebaseerd op eenvoudige natuurkundige principes.


In het (geïdealiseerde) stirlingproces doorloopt een ideaal gas een kringproces in 4 gedeelten (zie figuur 7):

  • deel 1: het gas wordt bij constant volume verhit;

  • deel 2: het gas duwt bij constante temperatuur een zuiger opzij, het volume neemt toe;

  • deel 3: het gas wordt bij constant volume afgekoeld;

  • deel 4: de zuiger komt terug, dus het volume neemt af, dit gebeurt bij constante temperatuur.


3p 16  Leg aan de hand van figuur 7 uit dat het gas na het doorlopen van de 4 gedeelten netto een positieve arbeid heeft verricht.


De temperatuur van het gas in het vierde deel van het proces bedraagt 360 K.
3p 17  Toon aan dat de temperatuur van het gas in het tweede deel van het kringproces gelijk is aan 1,6103 K.
3p 18  Bereken het aantal mol gas dat aan het kringproces deelneemt.
Het gas dat aan het stirlingproces deelneemt, heeft een massa van 1,87 g. De soortelijke warmte van dit gas bij constant volume is 743 Jkg lK 1. Het gas verricht in deel 2 van het proces 1,42 kJ arbeid; in deel 4 van het proces is de door het gas verrichte arbeid  0,32 kJ. De vrijkomende warmte bij deel 3 en deel 4 wordt niet hergebruikt.

5p 19  Bereken het rendement van het kringproces.


Het gas drukt tegen een zuiger die via een stang een schijf in beweging brengt. Zie figuur 8.


Op een bepaald moment heeft de zuiger een versnelling van 3,8103 ms 2 naar rechts. De zuiger heeft een oppervlakte van 100 cm2 en een massa van 0,22 kg. De druk van het gas is dan 17105 Pa groter dan de luchtdruk aan de andere kant van de zuiger. Verwaarloos de wrijving tussen zuiger en cilinder.

4p 20  Bereken de horizontale component van de kracht van de zuiger op de stang.
Op een ander moment bevinden de stang en de schijf zich in de toestand die in figuur 8 is getekend. De stang grijpt aan op een punt op 8,0 cm van het draaipunt van de schijf. De kracht die de stang uitoefent, maakt een hoek van 105° met de verbindingslijn van het aangrijpingspunt naar het draaipunt.

De grootte van de uitgeoefende krachtF bedraagt 5,7 kN.

3p 21  Bereken het moment van de genoemde kracht op de schijf.


Opgave 4 Dubbel bèta-verval V93-3-4

Sinds 1930 zijn natuurkundigen ervan overtuigd dat sommige atomen vervallen door het gelijktijdig uitstoten van twee   deeltjes en van twee neutrino's. Een neutrino is een ongeladen deeltje zonder massa, waarvan het symbool 00 is. Pas in 1987 is het gelukt een dergelijk verval aan te tonen. Dat is gebeurd voor het atoom 8234Se.


3p 22  Geef de volledige reactievergelijking van het verval van dit seleenatoom.
Neem voor de massa van de betrokken kernen:

  • de massa van de kern van het seleenatoom is 81,8980 u;

  • de massa van de kern van het vervalprodukt is 81,8938 u.

4p 23  Bereken de energie die bij het verval vrijkomt.
De massa van de kern van 8235Br is 81,9009 u.
2p 24  Leg uit dat 8234Se niet kan vervallen door het uitstoten van één   deeltje.


Om het dubbel bèta verval van seleen aan te tonen worden de seleenatomen geplaatst in een sterk magnetisch veld. De uitgestoten --deeltjes beschrijven daarin de banen die in figuur 9 zijn geschetst. Figuur 9 is ook weergegeven op de bijlage.


3p 25  Teken in de figuur op de bijlage de richting van de magnetische veldlijnen. Geef op de bijlage ook een toelichting.
Voor het aantal atomen A van een bepaalde stof dat per seconde vervalt, geldt:
A =   N  en  = ln 2 / 
Hierin is:

  • N het aantal atomen dat van die stof aanwezig is;

  •  de halveringstijd van het verval.

De onderzoekers hadden een preparaat met 1,91022 atomen 8234Se. Zij constateerden één vervalreactie per 72 uur.

3p 26  Bereken de halveringstijd van 8234Se.

Bijlage:




{! De baan van het  deeltje wordt door sommige leerlingen gezien als een spoel. !}

Opgave 5 Geleiding in halfgeleiders V93-3-5

In een halfgeleider is het aantal geleidingselektronen een functie van de temperatuur.


In een bepaalde halfgeleider bedraagt de bandafstand tussen de geleidingsband en de valentieband 0,70 eV

3p 27  Bereken de grootste golflengte van straling die in staat is de intrinsieke geleiding van deze halfgeleider te vergroten.


In figuur 10 is het verband weergegeven tussen het aantal geleidingselektronen in een bepaald type gedoteerde halfgeleider en de temperatuur. Verticaal is de logaritme van dit aantal uitgezet; horizontaal is 1/T uitgezet.

Op deze manier uitgezet, bestaat de grafiek uit twee rechte lijnstukken a en b.


3p 28  Leg uit dat lijnstuk a het gebied van de intrinsieke geleiding aangeeft.
3p 29  Leg met behulp van figuur 10 uit of het hier gaat om een n type danwel om een p type halfgeleider.

Einde




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina