Opgave I klimaapje



Dovnload 15.83 Kb.
Datum22.08.2016
Grootte15.83 Kb.
Schoolexamen 4 HAVO natuurkunde dinsdag 25 januari 2005 13.00 tot 14.40 uur.

H1, H2, H3, H4.1 en 4.2


Opgave I Klimaapje


Monieks speelgoedaapje op de foto hiernaast klimt langs een touw omhoog als Moniek aan het touw onder de staart van het aapje trekt. Zodra haar hand het touw loslaat zakt het aapje weer naar zijn laagste stand. Moniek laat het aapje op en neer bewegen. Hieronder zie je de plaatsgrafiek van de neus van de aap tijdens deze beweging. De plaats van de neus is s = 0 als de aap zich in de laagste stand bevindt. De plaatsgrafiek staat ook op de bijlage.


1 Op een bepaald moment laat Moniek het aapje weer klimmen voordat het helemaal naar s = 0 gedaald is. Markeer dat tijdstip met een kruisje, op de tijdas van de plaatsgrafiek op de bijlage.

2 Leg uit op welke hoogte het aapje het langst stil hangt.

3 Bepaal zo nauwkeurig mogelijk de snelheid van het aapje op t = 5,2 s. Maak met een tekening in de plaatsgrafiek op de bijlage duidelijk welke gegevens je hebt gebruikt.

4 Moniek beweert dat de snelheid van het aapje negatief is op de tijdstippen t = 6,0 s en
t
= 8,0 s. Is dit juist? Licht je antwoord toe.

5 Op de bijlage staat onder de plaatsgrafiek een assenstelsel. Teken in dit assenstelsel de snelheidsgrafiek van het aapje tussen t = 0,0 s en t = 5,0 s.

Opgave II Werken met plaats- en snelheidsgrafieken


Hieronder staan de plaatsgrafiek en de bijbehorende snelheidsgrafiek van één beweging.







6 Bepaal met behulp van de plaatsgrafiek de snelheid op t = 3 s en controleer het antwoord met de snelheidsgrafiek.

7 Bepaal met behulp van de snelheidsgrafiek de verplaatsing tussen
t = 2 en t = 4 seconden en controleer het antwoord met behulp van de plaatsgrafiek.

Opgave III Achterlamp


De achterlamp van de fiets van Kim is vaak kapot. Ze heeft daarom altijd een reservelamp bij zich die op de bagagedrager van haar fiets geklemd kan worden. In deze reservelamp zitten drie LEDs geschakeld. Een LED is een klein elektronisch lampje dat minstens 0,7 V nodig heeft om te branden. In de reservelamp moet een batterij die een spanning levert van 1,2 V. Aan de buitenkant van de reservelamp zit een schakelaar waarmee je alledrie de LEDs tegelijk aan en uit kunt zetten.
8 Maak met een berekening duidelijk of de drie LEDs in serie geschakeld moeten zijn met de batterij of dat ze juist parallel geschakeld moeten zijn.

9 Teken op de bijlage, het schakelschema van de batterij, de schakelaar en de drie LEDs parallel geschakeld. Met de schakelaar moeten alledrie de LEDs tegelijk aan en uitgezet kunnen worden.


Kim heeft ook een reservelamp waar een batterij van 2,4 V in past. De drie LEDs daarin kan ze in serie schakelen, zoals hiernaast getekend, of parallel. Neem voor de weerstand van elke LED steeds 10 Ω.


10 Welke schakeling geeft het meeste licht? Bereken ter toelichting het verschil in vermogen van een LED in de serieschakeling en in de parallelschakeling.

Opgave IV Elektromagneten


Een elektromagneet kun je maken door een stroomdraad rond een kern te wikkelen. Zie de figuur hiernaast. Merlijn heeft twee even lange stroomdraden van verschillend metaal. Hij maakt daar op deze manier twee gelijkvormige elektromagneten (I en II) van, die gevuld zijn met een zelfde kern. Hij wil onderzoeken hoe hij de sterkste elektromagneet kan maken.
Tijdens een practicum maakt hij daarna van deze beide elektromagneten (I en II) een (U, I)-diagram. Je ziet het diagram afgebeeld op de bijlage.
11 Voor welk van beide elektromagneten, I of II, geldt dat de weerstand toeneemt naarmate de spanning toeneemt? Licht je antwoord toe met een berekening.
Merlijn heeft een batterij van 1,2 V en een batterij van 3,6 V.

Eerst sluit hij elke elektromagneet aan op de batterij van 1,2 V.


12 Bepaal met behulp van het diagram welke elektromagneet, I of II, dan de sterkste magneet zal zijn. Teken in het diagram op de bijlage welk gegeven je gebruikt.

13 Leg uit waarom Merlijn de elektromagneet met de ohmse weerstand aan de batterij van
3,6 V moet koppelen om de sterkst mogelijke elektromagneet te maken.

14 Merlijn heeft nog een andere elektromagneet (III). Als hij deze aansluit op de batterij van
3,6 V meet hij een stroom van 2,2 A. Bereken hoeveel energie in J de stroom aan elektromagneet III afgeeft in 5,0 minuten.
De batterij van 3,6 V is na 15 minuten leeg. Al die tijd gaf de ampèremeter 2,2 A aan. Voor de batterij is € 2,50 betaald.


  1. Bereken hoeveel één kWh kost als het door dit soort batterijen moet worden geleverd.

Opgave V

In de figuur hiernaast zie je een ijkgrafiek van een temperatuursensor.



16 Bepaal de gevoeligheid van de sensor.


  1. Leg uit wat bedoeld wordt met:

    1. het bereik ban een sensor.

    2. Het ijken van sensoren.


  1. Beschrijf wat het essentiële verschil is tussen

a. een stuursysteem en een meetsysteem.

b. een stuursysteem en een regelsysteem.


Opgave II Afronden, wetenschappelijke notatie en significantie


19 Bereken de uitkomst en zet deze in de wetenschappelijke notatie en rond op de
juiste manier af.

a. 0,30 × 614 = b. 5,0 km/h × 150 min =................km c. 4000 / (5,0 . 10-3)

Bijlage bij natuurkunde 4HAVO SE dinsdag 25 januari 2005 13.00 tot 14.40 uur.

H1, H2, H3, H4.1 en 4.2


Naam:

Opgave I Klimaapje


vragen 1 en 3

vraag 5



Opgave III Achterlamp Opgave IV Elektromagneten vraag 12

vraag 9










De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina