Opleidingsprofiel volwassenonderwijs total english



Dovnload 158.4 Kb.
Datum21.08.2016
Grootte158.4 Kb.
OPLEIDINGSPROFIEL VOLWASSENONDERWIJS

TOTAL ENGLISH

http://www.pearsonlongman.com/totalenglish/

www.longman.be
RICHTGRAAD 1 - NIVEAU 1.1 en 1.2
Total English Elementary



  1. Contexten

De contexten zijn:




  1. Contacten met officiële instanties




  1. Leefomstandigheden




  1. Afspraken en regelingen




  1. Consumptie




  1. Vervoer: openbaar en privé




  1. Voorlichtingsdiensten




  1. Vrije tijd




  1. Nutsvoorzieningen




  1. Ruimtelijke oriëntering




  1. Onthaal




  1. Gezondheidsvoorzieningen




  1. Klimaat



  1. Basiscompetenties RG1.1



  1. Spreken/gesprekken voeren

De cursist kan

In een gesprekssituatie en op beschrijvend niveau:



    1. Een instructie geven aan een bekende taalgebruiker

    2. Een uitnodiging, een voorstel en een oproep verwoorden en erop reageren

    3. Zijn beleving (d.i. zijn wensen, noden en gevoelens) verwoorden en vragen naar de beleving van zijn gesprekspartner

    4. Een afspraak maken en afzeggen

    5. Een probleem of klacht formuleren

In een gesprekssituatie en op structurerend niveau:

    1. Informatie vragen en geven




  1. Schrijven

De cursist kan

op beschrijvend niveau:



    1. Een formulier en een document mbt personalia invullen

    2. Een korte informatieve tekst zoals een berichtje schrijven

op structurerend niveau:

    1. Uit mondelinge en schriftelijke informatie eenvoudige, concrete gegevens noteren




  1. Lezen

De cursist kan

op beschrijvend niveau:



    1. De informatie herkennen in teksten zoals belangrijke formulieren, documenten en alledaagse papieren (o.m. rijbewijs en identiteitskaart)

    2. Relevante gegevens selecteren uit informatieve teksten zoals tabellen, advertenties, brochures, garantiebewijzen, en schema’s die ten dienste van de bevolking zijn

    3. Alle gegevens in een eenvoudige instructie begrijpen

Op structurerend niveau:

    1. De informatie overzichtelijk ordenen in persuasieve teksten zoals een uitnodiging, voorstel of oproep




  1. Luisteren

De cursist kan

op beschrijvend niveau:



    1. Het globale onderwerp bepalen in informatieve teksten zoals een mededeling, een gesprek en een advies

    2. Het globale onderwerp bepalen in de beleving (d.i. de wensen, noden en gevoelens) van een spreker

    3. Het globale onderwerp bepalen in een klacht

    4. Alle gegevens in een eenvoudige instructie begrijpen

Op structurerend niveau:

    1. De informatie op overzichtelijke en persoonlijke wijze ordenen in een uitnodiging of een afspraak




CONTEXTEN

COMPETENTIES

GRAMMATICA




Unit 1: Your life










Lead-in

10 (introduce yourself)







1.1: People and places
WB

10 (countries and nationalities)
10 (countries and nationalities)

1.6 – 4.1
4.1

Subject pronouns, positive forms of to be

1.2: Family ties
WB

10 (families)
10 (families)

1.6 – 4.1
4.1

Possessive ‘s, possessive adjectives, yes/no questions with to be

1.3: Work on the Web
WB

10 (jobs, complete a form)
10 (jobs, complete a form)

1.6 – 3.1 – 4.1
2.1

a/an, negative forms of to be

1.4: Communication

10 (making conversation, job application form)

1.6 – 2.1 – 3.1







Unit 2: Activities










Lead-in

9 (time)







2.1: Fun Club
WB

7 (holidays) 2 (daily routine)
7 (holidays) 2 (daily routine)

1.6 – 3.2 – 4.1
4.1

Present simple

2.2: A very special job
WB

2 (daily routine) 10 (jobs)
2 (daily routine)

1.6 – 2.3 – 3.2
2.3 – 3.2

Present simple

2.3: The car boot sale
WB

4 (objects, colours)
4 (everyday objects)

1.6 – 4.1
4.1

This, that, these, those, noun plurals

2.4: Communication

7 (holiday routines)

1.6







Unit 3: Free time










Lead-in

7 (free time)







3.1: Drive time
WB

7 (free time) 9 (days of the week)
7 (free time) 9 (days of the week)

1.6 – 2.2 – 3.2 – 4.1
2.3 – 3.2

Present simple: negative

3.2: Skateboard style
WB

7 (sports and games, abilities)
7 (sports and games)

1.6 – 3.2 – 4.1
3.2

Can/can’t

3.3: Phone fun
WB

3 (suggestions, phone calls)
3 (phone calls) 9 (large numbers)

2.1
4.1




3.4: Communication

10 (the perfect job, job abilities)

2.1 - 4.1






CONTEXTEN

COMPETENTIES

GRAMMATICA




Unit 4: Food










Lead-in

4 (food, prices)







4.1: Shopping lists
WB

4 (food, drinks, quantities, numbers)
4 (food, drinks, quantities, prices)

3.2


(un)countable nouns, How much/ How many?

4.2: Trash tales
WB

4 (containers) 11 (diet and lifestyle)
4 (containers)

2.2 – 3.2 – 4.1
2.2 - 3.4

a/an, some and any

4.3: Ready to order?
WB

3 (read the menu/bill, order food)
3 (read the menu/bill, order food)

1.3 – 4.1

4.2


Object pronouns, I’d like

4.4: Communication

4 (shopping at a market)

1.3 – 4.2







Unit 5: Home










Lead-in

2 (home) 9 (describe a landscape)







5.1: Sail away…
WB

2 (equipment and furniture, your home)

2 (equipment and furniture)



1.6 – 3.2
3.2

There is/ there are

5.2: To have and have not
WB

2 (possessions)
2 (possessions) 9 (descriptions)

1.6 – 2.2 - 4.1
4.1

Have got

5.3: World class
WB

2 (your country) 9 (describe places)
2 (landscapes, your town/city)

1.6 – 2.2 - 4.1
2.2

Modifiers (very, quite, really)

5.4: Communication

2 (furnishing an apartment) 6 (a website, catalogue)

1.6







Unit 6: City life










Lead-in

1 (public places) 9 (directions)







6.1: Changes
WB

9 (talk about your past, changing buildings)

2 (daily routine) 9 (buildings)



1.6 – 3.2 – 4.1
3.4

Past of to be, Past simple of regular verbs: positive

6.2: Missing!
WB

9 (ask for and give directions)
9 (directions and positions)

1.1 - 1.6 – 3.2
2.3 – 3.3

Past simple: question forms and short answers

6.3: Getting around
WB

7 (describe your holiday)
5 (forms of transport)

2.2 – 3.2
3.2 – 2.2

Past simple: negative

6.4: Communication

4 (in shops, ask for information)

1.3 – 4.1






  1. Basiscompetenties RG1.2



  1. Spreken/gesprekken voeren

De cursist kan

In een gesprekssituatie en op beschrijvend niveau:



    1. Een instructie geven aan een bekende taalgebruiker

    2. Een uitnodiging, een voorstel en een oproep verwoorden en erop reageren

    3. Zijn beleving (d.i. zijn wensen, noden en gevoelens) verwoorden en vragen naar de beleving van zijn gesprekspartner

    4. Een probleem of klacht formuleren

In een gesprekssituatie en op structurerend niveau:

    1. Informatie vragen en geven in informatieve teksten zoals een mededeling, een mening, een vraaggesprek, een telefoongesprek en een afspraak




  1. Schrijven

De cursist kan

op beschrijvend niveau:



    1. informatie vragen en geven in informatieve teksten zoals een persoonlijk briefje, een mededeling, een bedankingsbriefje, een formulier, een memo en een ziektemelding

    2. een beschrijving geven

    3. een boodschap voor zichzelf noteren

op structurerend niveau:

    1. voor zichzelf aantekeningen maken ter voorbereiding van een gesprek




  1. Lezen

De cursist kan

op beschrijvend niveau:



    1. relevante gegevens selecteren uit:

      1. informatieve teksten zoals een folder, een catalogus en een bericht

      2. narratieve teksten zoals een verslag

    2. alle gegevens begrijpen in:

      1. informatieve teksten zoals etiketten en een zakelijke brief

      2. prescriptieve teksten zoals een instructie en een gebruiksaanwijzing

Op structurerend niveau:

    1. de informatie overzichtelijk ordenen in

      1. informatieve teksten zoals een persoonlijke brief

      2. persuasieve teksten zoals een uitnodiging, een voorstel en een oproep




  1. Luisteren

De cursist kan

op beschrijvend niveau:



    1. het globale onderwerp bepalen en de gedachtegang

volgen in

      1. informatieve teksten zoals een fragmenten van een radio- en tv-programma

      2. narratieve teksten zoals fragmenten van een tv-feuilleton

    1. relevante gegevens selecteren uit:

      1. informatieve teksten zoals een gesprek, een telefoongesprek, een weerbericht

      2. verkeersinformatie

      3. persuasieve teksten zoals een reclameboodschap

Op structurerend niveau:

    1. de informatie overzichtelijk ordenen in:

      1. informatieve teksten zoals een aankondiging, een klacht en een waarschuwing

      2. presriptieve teksten zoals een instructie




CONTEXTEN

COMPETENTIES

GRAMMATICA




Unit 7: People










Lead-in

10 (describe people)







7.1: The girl from…
WB

10 (family members) 3 (informal letters)

10 (describe people)



2.1 - 3.3a
2.1 – 3.3a

Pronoun one/ones

7.2: Birthday puzzle
WB

9 (ordinal numbers/months) 4 (objects)

9 (ordinal numbers/months)



4.2a
4.2a

Possessive pronouns

7.3: Finders keepers!
WB

6 (understand an article)
6 (understand an article)

1.5 – 3.1a
3.1b

Past simple: irregular verbs

7.4: Communication

1 (at the police station) 10 (identify people)

1.5 – 4.2a







Unit 8: Day to day










Lead-in

4 (clothes)







8.1: Clothes for all seasons
WB

4 (clothes, write a request)
4 (clothes, ask for advice)

2.1 – 3.3b
2.1 – 3.3a

Present Simple, adverbs of frequency

8.2: We’re watching you
WB

2 (describe what you are doing now)
3 (a phone call conversation)

1.5 – 4.1a
4.2a

Present Continuous, adverbs of manner

8.3: Under the weather
WB

12 (the weather) 11 (health problems) 10 (making conversation)

12 (the weather)



1.5 – 3.3a
3.1a – 4.2a

Present Simple and Present Continuous

8.4: Communication

4 (in the shop, make a complaint)

2.1 – 4.3a







Unit 9: Culture










Lead-in

7 (art forms)







9.1: Making news
WB

4 (compare things) 6 (news media)
6 (newspapers)

1.5 – 2.4 – 3.1a
3.1b

Comparison of adjectives

9.2: Movie magic
WB

7 (films, review)
7 (films, books)

2.1 – 3.1a – 4.1a
2.2 – 3.1b

Superlative adjectives

9.3: Is it art?
WB

7 (art, personal preferences)
7 (cultural events)

3.1b – 4.2a
4.3a

Prefer + noun/-ing form, will for spontaneous decisions and offers

9.4: Communication

7 (an evening out, discuss and plan activities)

1.5 – 2.1 – 4.2a







CONTEXTEN

COMPETENTIES

GRAMMATICA




Unit 10: Journeys










Lead-in

5 (forms of transport)







10.1: Experiences
WB

7 (personal experiences)
7 (travel and holiday activities)

1.5 – 3.1a – 4.1a
4.2a

Present Perfect (been with ever/never)

10.2: Holiday heaven
WB

6 (a brochure) 7 (holidays, a postcard)

6 (a brochure) 7 (holidays)



1.5 – 2.1 – 3.1a
2.2 – 3.1a

Present Perfect with (ir)regular verbs

10.3: Cycle city
WB

5 (book a travel ticket)
7 (travel) 5 (transport)

3.1b – 4.2a
3.1b

-ing form as a noun (subject only)

10.4: Communication

3 (book a hotel room)

1.4 – 1.5 – 4.2a







Unit 11: Learning










Lead-in










11.1: Rules of the road
WB

5 (signs and rules)
5 (signs and rules)

1.5 – 3.1a – 4.2a – 4.2b
3.2b

Can/can’t, have to/don’t have to

11.2: School systems
WB

6 (an interview)



1.5 – 2.1 – 3.1b – 4.2a
2.2 – 4.2a

Review of Wh-questions

11.3: Lifelong learning
WB

9 (future arrangements)
9 (future arrangements)

1.5 – 3.3a – 4.2a – 4.2c


Present Continuous for future

11.4: Communication

10 (make arrangements)

1.2 – 4.2a







Unit 12: Ambitions










Lead-in

7 (activities)







12.1: One world
WB

9 (future time)
7 (travel and holiday activities)

1.5 – 3.1b
4.2a

Be going to for intentions

12.2: Fame and fortune
WB

3 (an informal letter) 10 (your life)
3 (an informal letter)7 (leisure activities)

2.1 – 3.3a – 4.1a
2.1 – 3.3a

Infinitive of purpose, revision of be going to

12.3: Charity challenge
WB

7 (likes and dislikes, ambitions)


1.5 – 2.4 – 3.1a – 4.2a
2.2 – 4.2a

Verbs + infinitive/-ing form (want, would like, like, etc.)

12.4: Communication




1.5 – 3.1a










De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina