Opstel 362 03-06/2012 Geloven waarin? Kerk of kerk ?



Dovnload 11.17 Kb.
Datum25.08.2016
Grootte11.17 Kb.
Opstel 362 03-06/2012
Geloven – waarin? Kerk of kerk ?

Deze week twee boekjes gelezen, jawel nog altijd over dat zelfde onderwerp waarmee ik nu al zo’n 50 jaar zoet ben en waar ik de indruk krijg dat ik er steeds minder klaar mee kom, of beter uitgedrukt waar ik me steeds meer de vraag stel wat het probleem eigenlijk is?


Kort samengevat:
- Geloven in de toekomst Hans Geybels (redactie)

In dit mooie boek komt een hele schare prominente Vlamingen aan het woord , mooi gerekruteerd uit alle maatschappelijke geledingen, en die allen in een kort bestek reflecteren op de vraag of en zo ja op welke wijze er nog plaats is voor een levend geloof in de wereld van de 21ste eeuw. In zijn geheel een twintigtal bijdragen waarvan er slechts twee mij diep raakten en waarvan ik zo goed als geheel het denkparcours kon volgen. Het betrof op de eerste plaats de bijdrage van Dirk Collier “Tolerantie, pluralisme en ethiek in een geglobaliseerde wereld”. Hier vind ik me helemaal thuiskomen. En ook de daarop volgende bijdrage van Marc Desmet (Zelfbeschikking heeft spiritualiteit nodig)en van Christoffel Waelkens (Wonder is toch een wonder) maken voor mij een relevante bijdrage aan een mogelijk geloven in de toekomst.

Maar voor het overige, en dit met alle respect voor de auteurs, was dit één lang verhaal van “ought to be”, wat betekent met heel welluidend statements zeggen hoe het zou moeten, maar totaal vergeten 1. dat het in lange na niet zo is en 2. een begin van aanzet te geven hoe we zouden kunnen maken dat… Maar met een nietszeggend ought to be sta ik nergens. Dat had ik in mijn eentje ook wel bedacht.






  • Welke kerk vandaag & morgen (met voorwoord van Hans Küng !!) vraagt Jürgen Mettepenningen zich af in zijn boek nadat hij brak met zijn opdrachtgevers. Mettepenningen was een korte tijd maar in een bijzonder beroerde periode in het nationale nieuws als woordvoerder en kort daarop ex-woordvoerder van aartsbisschop Leonard. Voldoende bekend verhaal voor wie maar enigszins betrokken is bij deze materie. Prachtig boekje eigenlijk van een auteur die als zeer integer, authentiek, terzake beslagen maar vooral als een zeer intelligent iemand overkomt. Hij neemt de kerk (en let op de kleine k) op de korrel, niet om te tacklen (in voetbaltermen is dat onderuit halen) maar om ze af te zetten van de Kerk (en let nu op de hoofdletter) waarbij met de kleine k het instituut en met de grote K de levende gemeenschap van gelovigen, drager van ‘Gods project met mensen’ wordt bedoeld. Uiteraard bestaat die kerk uitsluitend in functie en in dienst van die andere Kerk. Met in dit hele verhaal enkele essentieel incontournabele aannames : het geloof van christenen in Jezus als ‘God in hoogsteigen persoon’, een figuur waarin God zich helemaal geopenbaard heeft. Even incontournabel voor J.M. is het punt dat het evangelie ‘en niet iets anders’ de te verkondigen blijde boodschap is en dat (ik schrok wel even) Jezus Christus zelf aanwezig komt in de eucharistieviering. Maar verder put J.M. zich uit om de kerk(kleine k) te bevragen op haar identiteit die volgens de auteur dynamisch moet zijn. Vooral de respectievelijke plaats van de clerus en die van de leek (het clerocentrisme) zijn een stekelige doorn in zijn oog. Zo wijdt hij veel aandacht aan het project van Albert Rouet, bisschop op pensioen, in het bisdom Poitiers. Allemaal probeersels om het heersende Roomse model van clerocentrisme te ontmantelen.

Mettepenningen, ik zei het al, lijkt mij een eerlijk, gelovig en theologisch goed gevormd man, die een aantal zee lezenswaardige beschouwingen maakt rond kerk en Kerk, maar die mij uiteindelijk in de kou van mijn gebrek aan geloof achterlaat. Waarom zich nog druk maken over een kerk, en wellicht ook een begrip Kerk, dat door de tijd zichzelf ontbindt en de discussie overbodig maakt?

Maar wat is nu juist (met al mijn sympathie) mijn terughoudendheid, vooral tegen het boekje van Mettepenningen?


Ik begrijp heel goed de bezorgdheid van Mettepenningen, en ik neem geïnteresseerd kennis van de denkoefeningen die hij maakt om de kerk haar plaats te geven in de horizontale en verticale dimensie in de relatie tussen God en zijn Kerk. En ik ga een eind mee als hij de pregnante vraag stelt of hierbij wel nood is aan een kerk? Vraag die hij volmondig met ja beantwoordt. Inderdaad, denk ik dan.

Maar er is een veel belangrijkere vraag die al deze wijze redeneringen en bedenkingen vooraf gaat en die gaat over God zelf. Heb ik, heeft de wereld vandaag nog wel een God nodig? Ongeacht het primitieve of subtiele godsbeeld dat u erop nahoudt blijft de vraag: maar hoe zou mijn wereld eruit zien zonder een zweem van een godgedachte? Als ik gewoon het leven neem zoals het zich aan mij voordoet, en als ik van dat leven en nog meer van dat samenleven eerlijk probeer het beste te maken? Wat voegt een godsgeloof daar nog aan toe? Waarom heb ik nood aan een God, waarvan ik in feite geen barst afweet, als ik zonder die wilde vooraanname een werkzaam wereldbeeld en mensbeeld bij elkaar krijg gedacht?


Net daarvoor las ik het boek, het is eigenlijk een verzameling van Knack interviews, van Joël De Ceulaer met tien Vlaamse filosofen. Denken als Ambacht is de titel. De levenswijsheid van tien Vlaamse filosofen is de ondertitel. En als ik dit boekje uit heb stel ik vast dat niet minder dan acht van die tien ‘ambachtelijke denkers’ net zo denken als ik in vorige alinea. Wel, direct toegegeven, met één schitterende uitzondering alweer, met name de bijdrage met Herman De Dijn. Het is deze Herman De Dijn die me tegenhoudt om definitief een Godsdenken achter mij te laten.

Nog meer pijnlijk wordt nadien de lectuur van het boekje van Mettepenningen als ik naga wat voor moeite er wordt gedaan om zowel Kerk als kerk alsnog te redden terwijl dit, een keer buiten het kleine carcan van nog authentiek gelovigen (ze verschillen dan wel grondig van mening), amper nog een punt is. Als mijn kleinzoon (14 jaar 10 jaar katholiek onderwijs) mij vraagt wat “een Weesgegroet” is, dan is dat geen drama of een teken van complete ontkerkelijking, maar wel een teken van totale vervreemding van de idee God en religie. Jaren geleden al vroeg diezelfde kleinzoon mij in een vertrouwelijk moment of Opa eigenlijk wel in God geloofde. Ik antwoordde wat ontwijkend dat ik ook vragen had, waarop Boris, hij zou het jaar daarop naar het middelbaar gaan, categoriek besloot dat hij volgend jaar toch maar moraal zou volgen en geen godsdienst.

Wat baat het parochies te hervormen en te herstructureren en wat weet ik nog om het nijpend priestertekort “op te vangen” als het intussen als een paal staat dat over, stel hooguit 15 jaar, geen priesters meer zullen zijn? Gewoon gedaan met de clerus. We kunnen dan nog wat zwartjes of Pooltjes gaan overplanten maar die gaan het niet redden. Men wil er niet meer aan.
En als een progressief als Mettepenningen dan nog onwrikbaar vasthoudt aan een aantal incontournabels zoals Jezus zoon van God, de werkelijke aanwezigheid van Jezus in de eucharistie…. dan denk ik niet dat we het met het model van mijnheer Rouet uit Poitiers gaan redden.

Maar wat moest er eigenlijk gered worden?


Goede vraag.

En als we nu eens probeerden een goede wereld op te bouwen zonder God, misschien het proberen waard na 20 eeuwen met een God.







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina