Optimaliteit van hervormingen en experimenten in de Friese orthografie



Dovnload 59.64 Kb.
Datum22.08.2016
Grootte59.64 Kb.
Optimaliteit van hervormingen en experimenten in de Friese orthografie
Anneke Neijt

Afdeling Nederlands, Center for Language Studies, Radboud Universiteit Nijmegen



Summary

A survey of constraints on orthography is presented on the basis of Birgit Kellner’s study of Frisian spelling reforms and spelling experiments. This way, a review of Kellner’s work is combined with an introduction of Optimality Theory to this area of investigation. One of the advantages of the approach of spelling and spelling reforms in terms of Optimality Theory is that this theory provides a framework for the description of conflicting factors. Variation and change receive a more adequate description than in earlier generative frameworks.
In Reformen und Experimente in der friesischen Orthographie nach 1945 (2002) geeft Birgit Kellner een uitstekend overzicht van de vragen die zich voordoen bij het ontwerpen en wijzigen van de spelling. Het boek behandelt de vraagstukken van algemeen en historisch naar het Friese heden en de toekomst, een indeling die in het volgende stuk ook gehanteerd zal worden.

Kellner laat zien dat in de orthografie factoren een rol spelen die niet allemaal in dezelfde richting wijzen. Zo’n terrein van onderzoek wordt in de taalkunde van dit moment beschreven in termen van beperkingen en vereisten binnen een beschrijvingskader dat bekend staat als de Optimaliteitstheorie (OT, Prince en Smolensky 1993; Zonneveld 1996). Het boek van Kellner geeft alle aanleiding om een optimaliteitsbeschrijving van de Friese orthografie te presenteren. Een eerste aanzet daartoe volgt hieronder. Welke vereisten een rol spelen, en hoe een en ander precies in zijn werk gaat, zal gaandeweg de bespreking van Kellners boek worden uitgelegd.

Zoals gebruikelijk in de Optimaliteitstheorie krijgen de vereisten aan de spelling een naam die geschreven wordt met kleine hoofdletters. In de laatste paragraaf staat de formulering die mij voor ogen staat. Daarbij past als voorbehoud dat de voorgestelde formuleringen als voorlopig beschouwd moeten worden. Er zijn nog nauwelijks beschrijvingen van de orthografie in het optimaliteitskader voorhanden (een van de uitzonderingen is Geilfuβ-Wolfgang 2002 met een analyse van afbreektekens in het Duits). Met het formuleren van beperkingen en vereisten is de beschrijving ook nog niet volledig, want bij conflicterende factoren zal het verschillende belang van de factoren de doorslag geven. Het overzicht moet dan ook beschouwd worden als samenvatting en overzicht van de belangrijkste factoren die Kellner noemt, niet als verklaring voor de vraag waarom de Friese orthografie zich op deze manier ontwikkeld heeft. Het lijkt er op dat nu eens de ene factor en dan weer de andere de overhand heeft gekregen bij het ontwerpen van de Friese spellingen.

Algemeen

Een spelling ontwerpen is lastig, maar een spelling wijzigen is zo mogelijk nog lastiger, want gewenning speelt een zeer grote rol en wat men gewend is, vindt men het mooist of best (Gebruik, zie Paardekooper 1967, Hamans 1999). In kleine taalgemeenschappen gelden grosso modo dezelfde spellingsomgangsvormen als in grote taalgemeenschappen: sociale, culturele en historische factoren zijn van meer invloed op een spellinghervorming en op experimenten met de spelling dan zuiver taalkundige, die meestal gericht zijn op vereenvoudiging of het terugdringen van uitzonderingen (Gebruik, Cultuur en Traditie winnen van Eenvoud en Regelmaat). Hoe groter en belangrijker de schriftelijke traditie, hoe moeilijker een spellingswijziging. Omdat het Fries een minder gevestigde spelling heeft, zo concludeert Kellner (p. 8), zijn meer hervormingen en spellingexperimenten mogelijk geweest. Dit volgt ook uit Gebruik: een spellingwijziging zal als minder drastisch ervaren worden wanneer de nieuwe spelling voorheen als variant in de oude spelling gebruikelijk was. Merk op dat de factoren een relatieve waarde kunnen krijgen. Bij Gebruik is de waarde afhankelijk van de frequentie van het gebruik.

Kellner (p. 8) haalt ook de stelling van Geerts e.a. (1977:180) aan, dat de geschiedenis leert, dat de ene hervorming de andere oproept. Toch blijkt uit het historisch overzicht dat Kellner later geeft, dat er niet heel veel hervormingen in het Friese taalgebied hebben plaatsgehad, en dat de hervormingen die er waren (voor het West-Fries in 1945 en 1980, voor de Noord-Friese dialecten minder duidelijk aanwijsbaar, omdat de spelling van die dialecten minder gestandaardiseerd is) niet heel ingrijpend waren.

Een spellinghervorming zal natuurlijk in taalkundig opzicht solide moeten zijn. Taalkundig niet goed onderbouwde spellingsvoorstellen zullen problemen opleveren. Denk aan het onvermogen om via de spelling het verschil tussen hen en hun ingang te laten vinden, of het verschil tussen de geslachten en de bijbehorende verschillen in uitgangen van lidwoorden (denzelfden vorm, dezelfde wijze). Of, een recenter voorbeeld, denk aan het onvermogen om de dier-plantregel goed te kunnen toepassen (volgens de voorschriften van 1995 moet het bijvoorbeeld ganzebloem zijn omdat het eerste deel een dier is en het tweede deel een plant; door deze regel worden taalgebruikers in de war gebracht bij het schrijven van bijvoorbeeld ganzenlever, zie Neijt en Zuidema 2004). Taalkundig solide is dus een eerste vereiste, ook al bepalen verder vooral culturele factoren het succes van een spellinghervorming.

Taalkundige analyse geeft de mogelijkheid om verschillende systemen met elkaar te vergelijken en een voorspelling te doen over de invloed van wijzigingen op de niet gewijzigde delen van de spelling en over de eenvoud van een gewijzigde spelling. Taalkundige eenvoud (eenvoudige regels, hierboven Eenvoud genoemd), moet onderscheiden worden van eenvoud voor de gebruiker. Kellner schetst hoe de belangen van volleerde taalgebruikers moeten worden afgezet tegen die van leerlingen, en hoe de belangen van de schrijver kunnen botsen met die van de lezers. Het is dus nuttig om de eisen van de verschillende gebruikers van elkaar te onderscheiden. Een optimale spelling? Kellner is heel voorzichtig in het beantwoorden van die vraag: “Men kan slechts vermoeden dat die ene optimale structuur, die voldoet aan alle vereisten die aan een ‘goede’ spelling gesteld moeten worden en die met alle belanghebbenden rekening houdt, waarschijnlijk niet bestaat.” (Kellner, p. 38: Hinsichtlich der “optimalen Orthographie” kann zum gegenwärtigen Zeitpunkt lediglich vermutet werden, daβ es d i e optimale Struktur, die allen genannten praktischen Anforderungen an eine “gute” Orthographie, und damit allen Sprachteilnehmern, gerecht wird, wahrscheinlich nicht gibt.)

Kan een spellingsysteem of een orthografisch uitgangspunt “wetenschappelijk” genoemd worden? In Kellners bewoordingen (p. 29): Gibt es eine “wissenschaftliche Orthographie”? Of: Kann eine Rechtschreibung oder ein orthographisches Konzept (im Sinnes eines Reformvorschlags) das Attribut “wissenschaftlich” tragen? Deze vragen zijn verkeerd geformuleerd, want een spellingsysteem of een orthografisch uitgangspunt is slechts voorwerp van wetenschappelijk onderzoek. Aan talen stellen we ook niet de vraag of de ene taal wetenschappelijker is dan de andere. We onderzoeken hoe talen geleerd worden, hoe ze gebruikt worden en hoe ze veranderen. Dat onderzoek voldoet aan bepaalde wetenschappelijke eisen, maar het onderzoek maakt niet dat het object van onderzoek wetenschappelijk wordt.

Kellner gebruikt de vragen over wetenschappelijkheid van de spelling als aanzet voor een kritiek op spellinghervormers. Ze wijst er op dat spellinghervormers vaak verwijzen naar wetenschappelijke theorieën uit overtuiging, maar ook om aan hun voorstellen gewicht toe te kennen en die voorstellen te legitimeren (p. 30): Oftmals referieren Orthographiereformer – wahrscheinlich nicht nur, um ihren Forderungen mehr Nachdruck zu verleihen und diese zu legitimieren, sondern auch aus theoretischer Überzeugung – dabei auf sprachwissenschaftliche Theorien, d.h. meist auf strukturalistische sprachwissenschaftliche Theorien, und weisen ihr orthographischen Konzept, in den überwiegend Fällen eine phonematische Orthographie mit einer 1:1 – Entsprechung der Phonem-Graphem-Korrespondenz, als “wissenschaftlich” aus.

Er is natuurlijk meer aan de hand bij de afbeelding van gesproken taal op geschreven taal dan een-op-een wat betreft klanken. Een alfabetische spelling is weliswaar in wezen een systeem met tekens voor afzonderlijke klanken, maar daarnaast blijken veel alfabetische spellingen zich in de richting van gelijkvormigheid te ontwikkelen, mogelijk door de lezers-vereisten (Glück 2000:497). Lezen is in moderne tijden niet zo vaak voorlezen, waarmee het belang van de verklanking van de geschreven vorm afneemt, en de rol van gelijkvormigheid toeneemt: dezelfde spelling voor dezelfde morfemen.

Het aardige van de Optimaliteitstheorie is, dat die de mogelijkheid verschaft om in een enkel model heel verschillende vereisten een plaats te geven. Niet dat het probleem van de conflicterende vereisten voor bijvoorbeeld lezers en schrijvers daarmee is opgelost; de wetenschap kan slechts beschrijven wat er aan de hand is.

Een voorbeeld kan verduidelijken hoe conflicterende factoren in kaart gebracht worden. De invoer van de spelling is, naar algemeen verondersteld wordt, de gesproken vorm. Bijvoorbeeld [mant, mandən] voor maand, maanden. Laten we aannemen dat voor de schrijver een klankgetrouwe spelling het meest gebruiksvriendelijk is: EenOpEenKlankLetter. De vorm maant is dan optimaler dan de vorm maand. De laatste consonant klinkt immers als een t. Laten we aannemen dat voor de lezer gelijkvormigheid, hier EenOpEenMorfLetters genoemd, van belang is (zie bijvoorbeeld Van Heuven 1983), dus dat het lezen eenvoudiger is wanneer maand geschreven wordt zoals in maanden. De evaluatie van de principes EenOpEenMorfLetters en EenOpEenKlankLetter staat in het volgende tableau.




[mant]

EenOpEenKlankLetter

EenOpEenMorfLetters

maant




*

maand

*




mant

*

**

mand

**

*

Tableau 1: evaluatie van de vereisten EenOpEenMorfLetters en EenOpEenKlankLetter.
In dit tableau staat links boven de invoer: [mant]. Daaronder staan enkele aannemelijke schrijfvormen: maant, maand, mant en mand. Er hadden nog meer vormen kunnen worden opgesomd, maar die worden steeds onaannemelijker. Er staat een ongrammaticaliteitsteken bij een vorm wanneer de vorm het principe schendt. De vormen maand, mant en mand schenden het klank-letterprincipe. In mand wordt dat principe zelfs twee maal geschonden (aangegeven met twee asterisken): de [t] is geen t maar een d en de [a] is geen aa maar een a. Voor EenOpEenMorfLetters gelden net even andere schendingen. De vorm mant staat verder van het ideaal maand af dan de vorm mand.

Hebben de belangen van de schrijver voorrang, dan is maant de optimale vorm volgens bovenstaand tableau, hebben de belangen van de lezers voorrang, dan wint de vorm maand. Dat wordt aangegeven door de factoren van links naar rechts in volgorde van belangrijkheid te ordenen en door met een handje de uitkomst aan te wijzen:




[mant]

EenOpEenKlankLetter

EenOpEenMorfLetters

maant




*

maand

*




mant

*

**

mand

**

*

Tableau 2: de optimale vorm is maant bij de volgorde EenOpEenKlankLetter >> EenOpEenMorfLetters.


[mant]

EenOpEenMorfLetters

EenOpEenKlankLetter

maant

*




maand




*

mant

**

*

mand

*

**

Tableau 3: de optimale vorm is maand bij de volgorde EenOpEenMorfLetters >> EenOpEenKlankLetter.
In werkelijkheid zijn er natuurlijk meer factoren die een rol spelen. Bij de afweging van bovenstaande vormen zou ook zuinigheid met letters (Zuinig) als factor in de overwegingen meegenomen kunnen worden, maar die factor is in de standaardspelling ondergeschikt aan EenOpEenMorfLetters en EenOpEenKlankLetter, of ondergeschikt aan Homografie, want anders zou maand dezelfde spelling krijgen als mand. De ordening van factoren is overigens ook afhankelijk van register en communicatiemedium. Denk aan het schrijven van SMS-berichten, waarvoor zuinigheid met letters juist de doorslaggevende factor is. In die situatie kan de factor Zuinig vooropgeplaatst worden. Optimaliteitstheorie is dus een kader waarin met grote soepelheid over factoren gesproken kan worden; dit wordt ook wel beschouwd als de zwakke kant van het beschrijvingskader – alles kan!

Met het wisselen van wetenschappelijke inzichten (een historisch perspectief in de negentiende eeuw, structuralistisch in de eerste helft van de twintigste eeuw, transformationeel in de tweede helft van de twintigste eeuw en nu dus de optimaliteitstheorie), wisselen de standpunten ten aanzien van de spelling. Met de keuze van een theoretisch kader geven wetenschappers immers uitdrukking aan hun algemene visie op taal. Kellner sluit zich aan bij de transformationele fonologie. Ze stelt dat er met behulp van een transformationele beschrijving weliswaar geen definitieve antwoorden gevonden kunnen worden op de vraag, of een meer klankgetrouwe dan wel een meer abstracte spelling ideaal zou zijn, maar er kunnen diverse spellingsystemen worden bedacht die een goed uitgangspunt voor experimenteel onderzoek vormen. (Kellner, p. 31: Definitieve “Antworten” auf den idealen Abstraktionsgrad einer orthographischen Struktur (wie dies bei Chomsky/Halle anklingt), sind aber auch der Transformatieven Ponologie zum bestehenden Zeitpunkt nicht möglich: jedem Abstraktionsniveau in dieser Theorie korrespondiert eine mögliche Orthographie. Mit Hilfe dieser Ebenen sollte eine ausführliche transformationelle Beschreibung der Phonologie eine Reihe alternativer Rechtschreibsysteme bereitstellen können, die eine guten Ausgangspunkt für experimentelle Untersuchungen bieten könnten.) Deze stelling suggereert ten onrechte dat er veel speelruimte is voor spellingwijzigingen; zoveel speelruimte als er niveaus zijn van fonologische beschrijving, maar meestal gaat het slechts om een keuze uit twee: een meer morfologische spelling (EenOpEenMorfLetters) of een meer fonologische spelling (EenOpEenKlankLetter). Zie overigens Sproat (2000) die net als Kellner veronderstelt dat spellingen gebaseerd zouden zijn op een bepaald niveau in de transformationele beschrijving. En zie Neijt (2002) en Sproat (2002) voor nadere discussie daarover met de Nederlandse spelling als voorbeeld dat de hypothese al dan niet schendt.

Klankgetrouw spellen of morfeemgetrouw spellen is overigens lang niet altijd waar het om gaat bij de hervormingen in de Friese spelling. Bekijk eens de variatie aan spellingen voor de oe-klank in de Akademy-spelling van 1945 (p. 207): doek, rûk, joun en jown (‘doek, reuk, avond, gegeven’). Die variatie is minder groot geworden in de spelling van 1980: doek, rûk, jûn en jûn. Deze verandering kan niet verklaard worden in termen van abstractieniveaus. Het gaat eerder om de vraag of de spelling toekan met de 26 letters van het alfabet (Letters), of de spelling al dan niet een combinatie van letters toelaat (Digraaf), of de spelling een diacritisch tekens gebruikt (bijvoorbeeld Dakje) en of er vrees is voor homografie (Homografie). In de oude spelling waren er vier schrijfwijzen voor de oe-klank, in de nieuwe zijn het er nog twee. De nieuwe spelling is dus beter waar het gaat om het een-op-een-principe voor klanken naar letters, maar daarnaast lijken die andere overwegingen een rol: alleen letters uit het Nederlandse alfabet? Of liever een digraaf oe, ou of ow? Of liever een letter met een diacritisch teken û? Het diacritische teken is mogelijk een belangrijke karakteristiek van de Friese spelling, bedoeld om het Friese teksten te onderscheiden van Duits en Nederlandse teksten. En tot slot: is de homografie van de woorden voor ‘avond’ en ‘gegeven’ storend of niet? Dit soort vragen kunnen wel wetenschappelijk worden onderzocht, maar dat onderzoek zal eerder sociolinguïstisch en psycholinguïstisch van aard zijn dan taaltheoretisch. Kellner benadrukt terecht het belang van zulk onderzoek.
Geschiedenis

Het historische overzicht dat Kellner geeft van de spelling in West- en Noord-Friesland laat zien dat er veel wijzigingsvoorstellen zijn gedaan maar dat er uiteindelijk weinig veranderd is. Voor het West-Fries zijn belangrijke punten van discussie: moet er een spelling zijn die aansluit bij de Nederlandse spelling of moet er een autonome Friese spelling zijn (p. 49)? Met andere woorden: Convergentie of Divergentie? In het Nederlands geldt: liever letters dan diacritische tekens (in 1954 zijn de accenten op e in de eerste lettergreep verdwenen, in 1995 zijn nog een aantal diacritische tekens verdwenen). In het Fries is er wellicht een omgekeerde ontwikkeling gaande, naar meer diacritische tekens. Is er een hogere mate van klankgetrouwheid gewenst dan in de Nederlandse orthografie? Of worden bestaande teksten dan onleesbaar? De discussie is in Noord-Friesland meer versnipperd, omdat er voor de Noord-Friese dialecten geen gemeenschappelijke standaard bestaat waar de spelling bij kan aansluiten. De belangrijkste vraag is weer: Convergentie of Divergentie? In dit geval: wel of niet aansluiting zoeken bij de Duitse spelling? Groβschreibung of niet? Meer vragen dan antwoorden dus.

Het historische overzicht dat Kellner schetst, vertoont aardige gelijkenissen met de geschiedenis van de Nederlandse spelling:
a. Tijdstip en basisbeginsel

In 1879 is de West-Friese standaardspelling ontworpen door het Selskip foar Fryske Tael en Skriftekennisse. In 1863 publiceert Te Winkel zijn Ontwerp der spelling. In beide spellingen is het basisbeginsel dat van de uitspraak: de spelling moet de uitspraak goed weergeven (EenOpEenKlankLetter).


b. Woordenboek

Het woordenboek is een belangrijk middel in het standaardisatieproces, en de “Selskipspelling” krijgt status doordat die spelling in het Friese woordenboek van 1900-1911 gebruikt wordt. De woordenlijst van De Vries en Te Winkel (het Groene Boekje, dat oorspronkelijk overigens een bruine kaft had) heeft die status in het Nederlands omdat die spelling gebruikt wordt in het prestigieuze Woordenboek der Nederlandsche taal. Het Noord-Friese woordenboek, waaraan vanaf 1900 is gewerkt, heeft die standaardiserende rol gespeeld bij het spellen van klinkers: consequent dubbel bij de lange klinkers en enkel bij de korte (p. 58).


c. Het einde van WOII

Spellingproblemen die al lange tijd bekend zijn, worden in de daadkrachtige periode na de Tweede Wereldoorlog aangepakt. In 1945 werd een Friese spellingcommissie ingesteld door de Fryske Akademy, die in datzelfde jaar de zo genoemde Akademy-spelling publiceerde. Het tijdstip was gunstig, want in de oorlog waren er weinig boeken verschenen (Kellner 2002:48 verwijst naar Fryske Akademy 1945:8). In 1945 wordt ook de Nederlands-Belgische spellingcommissie ingesteld, die de spellingwet van 1947 heeft voorbereid en de herziene Woordenlijst van 1954 (het Groene Boekje).


Zowel in het Friese als in het Nederlandse taalgebied worden in de jaren zestig vanuit het onderwijs voorstellen voor vereenvoudiging gedaan. Kellner bespreekt ze uitvoerig, maar wijst ze uiteindelijk af, omdat de gewijzigde spelling waarschijnlijk voor de volleerde taalgebruiker geen voordelen biedt.
Heden en toekomst

In hoofdstuk 3 probeert Kellner vast te stellen welke orthografische idealen nagestreefd zouden moeten worden en ze somt de huidige problemen op. Voor de West-Friese orthografie zijn die complexer dan voor de Noord-Friese orthografie, die meer op de klank gebaseerd is. Het grootste probleem is dat van de vocalen: vocalen in gesloten lettergrepen anders dan in open lettergrepen waardoor geen constante schrijfwijze van morfemen: dyk – diken ‘dijk – dijken’, drúf – druven. Dit verschil in spelling correspondeert niet met een verschil in uitspraak; het gaat om grafotactische regels (zie Nunn 1998, die zulke regels overigens autonome regels noemt omdat ze gebaseerd zijn op letterreeksen, onafhankelijk van de uitspraak). Omgekeerd: Kellner wijst er op dat iemand die het West-Fries via de geschreven taal probeert te leren, een probleem heeft wanneer de spelling, zoals bij de korte en lange /u/, niet aangeeft dat er uitspraakverschillen zijn (voetnoot 55).

Het fonologische verschijnsel van breking vormt een geheel eigen probleem: een gelijkvormige spelling is waarschijnlijk nuttig voor de lezer. Dus doas – doaske /doəs - dwaskə/ ‘doos – doosje’. Maar soms staat oa in een eenlettergrepig woord voor /wa/. Zo heeft koart ‘kort’ de uitspraak /kwat/. En wanneer de gebroken vorm wel klankzuiver geschreven wordt in woorden waarvoor geen verwante ongebroken vorm bestaat, dan is dat verwarrend (vergelijk beammen ‘bomen’ met rjemme). Kellner wijst op de uitzonderingen. Ze staat niet alleen in de opvatting dat de spelling van woorden met breking niet goed geregeld is (p. 98). Wat haar betreft had de gelijkvormige spelling ofwel geheel behouden moeten blijven ofwel geheel afgeschaft, waardoor de spelling bjemmen zouden ontstaan (p. 97). Een duidelijk standpunt neemt ze niet in. De kwestie wordt gecompliceerd door uitspraakvariatie en de wens van dialectgebruikers om vooral de klankvorm in geschreven taal uit te drukken. EenOpEenKlankLetter is mogelijk voor dialecten een belangrijker overweging dan voor de spelling van een standaardtaal. Anders gezegd: het is denkbaar dat een klankgetrouwe spelling wenselijk is voor dialecten die zich vooral in klankvorm van elkaar onderscheiden.

Een wetenschappelijke onderneming zoals die van Kellner is niet alleen gericht op het verkrijgen van inzicht in de problematiek, maar ook op voorspellingen. Hoe zou een gewijzigde spelling bevallen? Welke wijzigingen hebben een grote kans op succes? Welke rol speelt de spelling in het behoud van taalvariatie? En hoe belangrijk is de ontwikkeling van een standaardspelling voor dialecten met het oog op taalbehoud?

De geschreven vorm is altijd in hoge mate een abstractie van de gesproken vorm. Een enkele variant staat op papier, terwijl de uitspraak varieert. Uitspraakvariatie is er in de Friese dialecten zo veelvuldig dat je het klanksysteem van het Fries als een trekharmonica zou kunnen beschouwen (Kellner, p. 131). Maar dat zouden we ook van het Nederlands kunnen zeggen. Taalgebruikers zijn zich er nauwelijks van bewust dat ze nu eens vraai zeggen, en dan weer fraai. En ze realiseren zich pas dat de a van manier vaak als korte a wordt uitgesproken wanneer ze zien dat iemand consequent mannier schrijft. Het aanleren van die ene juiste spelling is mogelijk lastiger dan het gebruik van varianten, maar de winst is een consistente en daarmee efficiëntere spelling. Wanneer er geen afspraken zouden zijn over de spelling van fraai en manier, dan zou dat leiden tot aarzelingen en daarmee tijdverlies voor schrijvers en lezers.

Leidt een andere spelling tot een andere uitspraak? Een recent voorbeeld van klankverandering onder invloed van de spelling is het woord compromis. Voorheen rijmde dat woord op genie, nu op geslis. En de verandering van pannekoek naar pannenkoek heeft in de noordelijke dialecten uitspraakverandering tot gevolg gehad. Maar hoe belangrijk is dit gegeven voor het spellingdebat? Kellner waarschuwt wel tegen het streven van sommigen om de oude uitspraak door middel van de spelling levend te houden (p. 120). Omdat het gesproken Fries belangrijker is dan het geschreven Fries, zal de invloed van een standaardspelling gering zijn, zo is de conclusie van Kellner (p. 131). Het lijkt er op dat ze aan een wat abstractere spelling de voorkeur geeft.

De toekomstige spelling zal vooral bepaald worden door wat de taalgemeenschappen willen. Hebben ze de bevoegdheid over de standaardspelling bij een bepaalde instantie neergelegd, dan is de taalgemeenschap afhankelijk van wat de bevoegde instantie besluit. Eenheid (Convergentie) was voor de Nederlandse en Vlaamse overheid, verenigd in de Nederlandse Taalunie, de belangrijkste overweging bij de laatste spellinghervorming. Voor een dialectgebied is mogelijk de eigen identiteit belangrijker (Divergentie). Wanneer de geschreven taal alleen gebruikt wordt in ‘vluchtige’ situaties zoals briefwisselingen, dan is er geen reden om voor de afzonderlijke dialecten een gemeenschappelijke spelling te ontwikkelen. Wanneer er een bovenregionaal belang is bij een eenheidsspelling, bijvoorbeeld gezamenlijk lesmateriaal, boeken, naslagwerken, kranten en tijdschriften, dan kunnen de taalgemeenschappen aan Convergentie voorrang geven.

Kellner bespreekt de identiteitsvraag uitgebreid in hoofdstuk 6. Het West-Fries heeft een spelling ontwikkeld die nauw verwant is met de Nederlandse. De Noord-Friese spellingsystemen hebben zich met name na 1945 wat verder verwijderd van de Duitse standaardspelling. Het is mogelijk dat de Noord-Friese spelling op die manier uitdrukking geeft aan het gevoel van taalonafhankelijkheid.

Hoofdstuk 7, over de vraag hoe leenwoorden gespeld moeten worden, betreft ook die identiteitskwestie. Het West-Fries onderscheidt zich van het Nederlands vooral in de schrijfwijze van de bastaardwoorden, waar Kellner een voorzichtige conclusie aan verbindt: door bastaardwoorden volgens het Friese systeem te schrijven, geeft de taalgemeenschap aan dat de Friese taal heel wel in staat is om met vreemde woorden om te gaan. Een beregeling van de bastaardwoorden is er voor het Noord-Fries niet. Kellner vindt het raadzaam het huidige gebruik te inventariseren en een beregeling te ontwerpen. Mogelijk moet de Duitse spelling (zonder Groβschreibung) gebruikt worden bij woorden die een Duitse uitspraak hebben, en een inheemse, Friese spelling voor woorden met een Friese uitspraak (p. 190). Een tweedeling in de spelling ongeveer zoals voor de Nederlandse inheemse woorden en bastaardwoorden.

Wel of geen hervormingen gewenst voor de Friese spelling? Terecht wijst Kellner erop dat de beantwoording van deze vraag afhankelijk is van de positie van het geschreven Fries en die positie is zwak. De (geringe) wijzigingen van de West-Friese spelling in 1945 en 1980 zijn voordelig geweest, met name voor de lezer (p. 199). Een verdergaande spellinghervorming in de richting van vereenvoudiging voor de leerder wijst Kellner af. Daardoor zou het Fries niet aan kracht winnen, wanneer niet tegelijkertijd maatregelen genomen worden om het Fries een belangrijker rol in de samenleving toe te kennen. Voor de Noord-Friese dialecten is het antwoord heel anders. Er zijn wel mogelijkheden voor verdergaande standaardisatie en er liggen voorstellen, maar die zullen volgens Kellner niet succesvol zijn. De dialecten zijn te verschillend en bijvoorbeeld wat het gebruik van hoofdletters al uit elkaar gegroeid. Eigen identiteit is voor deze dialecten een hoger goed dan convergentie. Kellners betoog eindigt op deze manier via enkele voorzichtige aanbevelingen voor nadere standaardisatie en verhoging van de consistentie, met de conclusie dat niet veranderen de beste keuze is ook voor de Noord-Friese dialecten: Die Stabilität und Definitivität der Orthographie ist hier höher einzuschätzen als deren inhaltlichte Ausgestaltung (p. 205, met verwijzing naar Wilts 1980:143). Kellner lijkt met deze laatste zin overigens uit het oog te verliezen dat uiteindelijk niet de wetenschapper beslist over een spellingwijziging, maar de taalgemeenschap of de vertegenwoordiging van die taalgemeenschap. De wetenschap kan slechts onderzoeken welke factoren van belang zijn en de onderlinge verhouding van het gewicht van die factoren in een bepaalde taalsituatie in kaart brengen.



Tot slot: de factoren die een rol spelen in de spelling

In de Optimaliteitstheorie vallen de vereisten en beperkingen in twee soorten uiteen. Enerzijds gaat het om welgevormdheidseisen (welke klankopeenvolgingen zijn toegestaan), anderzijds om getrouwheid (hoe goed komt de vorm overeen met het voorbeeld of de abstracte vorm). Steeds worden invoer en uitvoer met elkaar vergeleken. In feite zou dat verschillende tableaus betekenen voor lezer en schrijver, want de een gaat uit van de geschreven taal, en de ander gaat uit van de gesproken taal. Hierboven is toch een enkel tableau gepresenteerd, vanuit het idee dat het uiteindelijke systeem beide kanten moet behartigen, omdat schrijvers rekening moeten rekening houden met hun lezers. Goede schrijvers lezen hun eigen producten voordat ze die doen uitgaan. Voor een nadere, gedetailleerde studie van het lees- of schrijfproces afzonderlijk zouden overigens best tableaus kunnen worden opgesteld met nu eens de gesproken vorm als invoer en dan weer met de geschreven vorm als invoer. Dat kan verhelderend werken.

Hieronder volgt een omschrijving van de factoren. Die omschrijving is positief geformuleerd, maar voor sommige talen zal het tegendeel gelden. Zie de voorbeelden bij Dakje. Het is waarschijnlijk zo dat voor de Nederlandse orthografie geldt: GeenDakje. Merk op dat de factoren een situatie omschrijven die in meer of mindere mate aanwezig kan zijn. Bijvoorbeeld: verwantschap tussen talen is een glijdende schaal die afhankelijk is van de context. Het Engels is het meest verwant aan het Nederlands in de wetenschappelijke wereld; in de politieke wereld van Brussel is het Frans de meest verwante taal; in het oosten van Nederland en in taalkundig opzicht is het Duits de meest verwante taal. De waarde van een factor is dus ook afhankelijk van de context.

De besproken factoren hebben de volgende invulling:

Convergentie: deze spelling sluit aan bij de spelling van verwante talen en geeft daarmee mogelijkheden tot samenwerking. (Bij de spellingwijziging van de Nederlandse Taalunie van 1995 speelde deze factor een belangrijke rol. Deze factor is tegenovergesteld aan de factor Divergentie.)

Cultuur: deze spelling is gebruikelijk in de culturele omgeving. (Belangrijke boeken en naslagwerken vervullen een voorbeeldfunctie.)

Dakje: deze spelling maakt gebruik van het accent circonflexe. (In het Nederlands is er een tendens om zulke accenten te vermijden; in het Fries is er een voorkeur voor het gebruik van dakjes.)

Digraaf: deze spelling maakt gebruik van twee lettertekens voor een klank. (Gewoonlijk volstaat een enkele letter voor een klank, maar wanneer er te weinig letters zijn voor de klanken van een taal, dan kunnen letters worden gecombineerd. Soms wordt zelfs een trigraaf gebruikt: eau in niveau, voor 1954 in het Nederlands sch in mensch.)

Divergentie: deze spelling sluit niet aan bij de spelling van verwante talen en geeft daarmee uitdrukking aan de eigen identiteit. (Bijvoorbeeld: het verschil tussen de Engelse en de Amerikaanse spelling.)

EenOpEenKlankLetter: een bepaalde klank wordt met een bepaalde letter geschreven en omgekeerd staat een bepaalde letter voor een bepaalde klank. (Dit is wat gewoonlijk het fonologische principe wordt genoemd. Te Winkel noemde dit het principe van de Beschaafde Uitspraak. Het principe abstraheert van de werkelijkheid door van een enkele vorm uit te gaan, de Beschaafde Uitspraak, terwijl er in feite ook in beschaafd taalgebruik uitspraakvariatie is. Dit is het grootste struikelblok voor de spelling: een enkele schriftelijke vorm terwijl er in de uitspraak variatie is, en vaak een onderscheid dat beter uitgedrukt kan worden op een glijdende schaal.)
EenOpEenMorfLetters: een bepaald morfeem wordt met een bepaalde groep letters geschreven en omgekeerd staat een bepaalde groep letters voor een bepaald morfeem. (Dit is wat gewoonlijk het morfologische principe wordt genoemd, Te Winkel noemde dit de principes van de Gelijkvormigheid en de Analogie: woorddelen worden gelijkvormig geschreven en woorden worden geschreven naar analogie van gelijkgevormde woorden.)

Eenvoud: deze spelling volgt uit eenvoudige regels. (Wat eenvoudig is, moet nader gedefinieerd worden. In de generatieve fonologie van Chomsky en Halle is een formeel evaluatiecriterium ontwikkeld, maar mogelijk is een op de gebruikers geënte eenvoudsmaat belangrijker.)



Gebruik: deze spelling is op dit moment gebruikelijk. (Deze factor kan een bepaald gewicht krijgen, want frequentie speelt een rol. Bijvoorbeeld: kado is minder frequent dan cadeau, maar elektriciteit en electriciteit zijn vrijwel gelijkwaardig.)

Homografie: deze spelling maakt geen onderscheid tussen woorden met een verschillende betekenis. (Er lijkt een tendens in de spelling van verschillende talen om homografie te vermijden. De eis kan dan beter GeenHomografie als naam hebben).

Letters: deze spelling maakt gebruik van de 26 letters van het alfabet. (Deze overweging is nauw verwant met convergentie. Het Latijnse gebruik heeft een voorbeeldfunctie gehad voor het Nederlands; het gebruik van digrafen en accenten is minder gewenst in het Nederlands.)

Regelmaat: deze spelling volgt de regelmaat. (De regels kunnen per taal verschillen, en soms is het lastig te bepalen wat de regel precies is. Bijvoorbeeld: is ei of ij de regelmatige schrijfwijze van de klank [ει]?)

Traditie: deze spelling is of was lange tijd in gebruik. (Ook een spelling die niet meer in gebruik is, kan een rol spelen in het schriftelijke taalgedrag. Denk aan het verzinnen van namen met een traditionele spelling.)

Zuinig: deze spelling gebruikt weinig lettertekens. (Deze vereiste is de tegenhanger van de niet genoemde eis van duidelijkheid. De geschreven vorm moet duidelijk genoeg zijn. Homografie past ook in dit rijtje van factoren.)


BIBLIOGRAFIE


Chomsky, N. & M. Halle (1968), The Sound Pattern of English, Londen.
Geerts, G., J. van den Broeck & A. Verdoodt (1977) 'Successes and Failures in Dutch Spelling Reform', in: J.A. Fishman, ed., Advances in the Creation and Revision of Writing Systems, Den Haag en Parijs, p. 179-245.
Geilfuβ-Wolfgang, J. (2002), ‘Optimal Hyphenation’, in: M.Neef, A.Neijt & R.Sproat (eds.) The Relation of Writing to Spoken Language. Tuebingen. Linguistische Arbeiten 40, p. 115-130.
Glück, H. (ed.) (2000). Metzler Lexikon Sprache. Stuttgart, Weimar.

Hamans, C. (1991), ‘D’aenstootelycke klippe dezer misselycke misspellinghe’, in: H. Bennis, A. Neijt & A. van Santen (1991), De Groene Spelling, Amsterdam, p. 82-98.


Heuven, V.J. van & M. Birkenhäger (1983), ‘Het gelijkvormigheidsbeginsel in de Nederlandse spelling, vloek of zegen?’, in: De nieuwe taalgids 76, p. 406-421.
Kellner, B. (2002), Reformen und Experimente in der friesischen Orthographie nach 1945, Groningen en Kiel.
Neijt, A. (2002), ‘The interfaces of writing and grammar’, in: M. Neef, A. Neijt & R. Sproat (eds.) The Relation of Writing to Spoken Language. Tuebingen. Linguistische Arbeiten 40, p. 11-34
Neijt, A. & J. Zuidema (2004), ‘De tussenletters e of en: veranderen we de goede kant uit?’, in: J. De Caluwe, G. De Schutter, M. Devos & J. Van Keymeulen (eds.) Schatbewaarder van de taal. Gent, p. 639-652.
Nunn, A.M. (1998), Dutch Orthography. Den Haag.
Paardekooper, P.C. (1967), Wendier tegen wetenschap. Een vóór-spelling van de toekomst, Den Bosch.
Prince, A. & Smolensky, P. (1993), Optimality Theory. Manuscript, Colorado.
Sproat, R. (2000), A Computational Theory of Writing Systems, Cambridge.
Sproat, R. (2002), ‘The Consistency of the Orthographically Relevant Level in Dutch’, in: M. Neef, A. Neijt & R. Sproat (eds.) The Relation of Writing to Spoken Language. Tuebingen. Linguistische Arbeiten 40, p. 35-45.

Wilts, O. (1980), ‘Zu einigen Neufestsetzungen der föhringamringer Orthographie’, in: Nordfriesisches Jahrbuch, NF 16, 141-145.


Winkel, L.A. te (1863), Ontwerp der Spelling, Leiden.
Zonneveld, W. (1996), ‘Optimaliteittheorie: vanwaar  waarheen?’, in: Nederlandse taalkunde 1, p. 89-125.








De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina