Opwarmen en oriënteren Opdracht 1



Dovnload 27.36 Kb.
Datum22.07.2016
Grootte27.36 Kb.

Verwerkingsopdrachten

MZ Gehandicaptenzorg; saw 4

ISBN 97890 8524 0938



Thema 12 Vormen van begeleiding en doelgroepen


Opwarmen en oriënteren
Opdracht 1
Het doel van deze opdracht is dat je je voorkennis over vormen van begeleiding en doelgroepen opfrist.
Beantwoord de volgende vragen naar eigen inzicht.


  1. Welke vormen van activiteitenbegeleiding ken je?

  2. Welke woonvormen voor mensen met een verstandelijke beperking ken je?

  3. Wat zijn belangrijke aspecten van het begeleiden bij wonen?

  4. Vanaf wanneer zijn de activiteitenbegeleiding en woonbegeleiding in opkomst gekomen?

  5. Welke woonvormen ken je voor mensen met een verstandelijke beperking?

  6. Kan elke verstandelijk beperkte in een woongroep in een normale buurt wonen?





Herkennen en onderscheiden
Opdracht 2
Het doel van deze opdracht is dat je de juiste betekenis van de begrippen uit dit thema kent.
Geef de juiste betekenis van de volgende begrippen door:

  • het begrip in eigen woorden te formuleren;

  • een voorbeeld te geven waarbij je het begrip toepast.




  1. Dolhuysen

  2. Barmhartigheidsmodel

  3. Medisch model

  4. Ontwikkelingsmodel

  5. Integratiemodel

  6. Zorgmodel

  7. Burgerschapsmodel of emancipatiemodel

  8. Intramuraal

  9. Flankerend beleid

  10. Extramurale zorg

  11. Beschermd wonen of beschut wonen

  12. Begeleid wonen

  13. DVO

  14. KDC

  15. Zorgboerderij

  16. Werkcentrum

  17. Arbeidsintegratie

  18. 24-uurszorg

  19. GVT




Begrijpen en toepassen
Opdracht 3
Lees de tekst over het ontstaan van activiteitenbegeleiding en woonbegeleiding in 12.2 en beantwoord de volgende vragen.


  1. Vanaf welke tijd komt er meer aandacht voor de zorg aan mensen met een beperking en wordt er meer onderscheid gemaakt in de verschillende soorten beperkingen?




  1. Welke uitgangspunten in de zorg aan mensen met een beperking zijn op dit moment belangrijk?




  1. Welke ontwikkelingen zijn de laatste 20 á 30 jaar belangrijk?




  1. Welke verschillen zijn er tussen de woonbegeleiding vóór 1980 en daarna?




  1. Welke basisfilosofie ligt achter alle vormen van meer of minder zelfstandig wonen?




  1. Wat heeft de grote diversiteit van woonvormen tot gevolg?



Opdracht 4
Lees de tekst over vormen van activiteitenbegeleiding in 12.3 en beantwoord de volgende vragen.


  1. Waar is beschutte dagbesteding op gericht en wat biedt het?




  1. Voor welke doelgroep is een dagcentrum bedoeld?




  1. Waar worden kinderen met een beperking die niet naar de reguliere kinderopvang of het reguliere onderwijs kunnen onder 18 jaar opgevangen?




  1. Welke activiteiten worden in een dagcentrum gedaan met mensen met een beperking?




  1. Wat is het doel van arbeidsmatige activiteiten in een dagcentrum?




  1. Wat kunnen mensen met een beperking op een zorgboerderij ‘halen’?



Opdracht 5
Lees de tekst over vormen van woonbegeleiding in 12.4, beantwoord de vraag en maak de opdracht.


  1. Welke zorgzwaartepakketten zijn er bij de woonbegeleiding?




  1. Schrijf van elke voorziening voor woonbegeleiding de belangrijkste steekwoorden op. (deze opdracht heb je nodig bij onderzoeken en oefenen)



Opdracht 6
Lees de tekst over woonvormen en mate van beperking in 12.5 en beantwoord de volgende vragen.


  1. Welke benamingen zijn er voor de aanduiding van niveaus van mensen met een verstandelijke beperking?

Onderzoeken en oefenen


Opdracht 9 Beperkingen en woonvormen
Je denkt samen met medestudenten na over beperkingen in combinatie met geschikte woonvormen en activiteiten.
Werkwijze

  • Vorm groepjes van 6 personen en wijs een woordvoerder aan.

  • Neem je antwoord op opdracht 39 erbij.

  • Betrek bij deze opdracht de theorie in 12.3, 12.4 en 12.5 (met name het schema in het tintvlak).

  • Lees onderstaande cases en verdeel ze onder elkaar.

  • Elk bereid een presentatie over zijn casus voor.

  • Betrek bij de voorbereiding:

    • typering van de cliënt in de casus;

    • eisen aan de zorg voor de cliënt;

    • eisen aan de begeleiding van de cliënt;

    • mogelijke vormen van activiteitenbegeleiding voor de cliënt;

    • mogelijke vormen van woonbegeleiding voor de cliënt;

    • een voorstel voor plaatsing in een woonvoorziening en voor dagbesteding die aansluit bij de cliënt;

    • een verantwoording van je keuze.

  • Ieder presenteert zijn voorstel en verantwoordt de keuzes.

  • Bespreek de presentaties na:

Casus 1


Mariëlle is 20 jaar. Ze heeft een lichte verstandelijke beperking en is spastisch. Ze zit in een rolstoel. Ze kan niet zelfstandig naar de toilet. Ze kan zichzelf wel oppervlakkig wassen, maar voor een grote wasbeurt heeft zij ondersteuning nodig. Ze kan niet koken of zelfstandig boodschappen doen. Ze houdt van muziek en leest graag. Ze kan goed met andere mensen omgaan maar kan ook goed alleen zijn.
Casus 2

Ben is 38 jaar en heeft een lichte verstandelijke beperking in combinatie met een visuele beperking: hij ziet alles als door een koker. Hij houdt van spelletjes doen en televisie kijken. Hij onttrekt zich graag aan verantwoordelijkheden als de afwas doen of zijn bed opmaken, hoewel hij daar best toe in staat is. Hij heeft altijd bij zijn ouders gewoond, maar die worden nu te oud en gaan naar een zorgcentrum verhuizen. Ben zal moeten verhuizen.


Casus 3

Rina is 14 en heeft een ernstige verstandelijke beperking in combinatie met epilepsie. Zij kan niet langer thuis wonen. Bij haar wordt veel gebruikgemaakt van totale communicatie. In een groep is het vaak te druk voor haar, dan wordt ze onrustig.


Casus 4

Hendrik Jan is 20 en een beer van een vent. Hij heeft een zeer lichte verstandelijke beperking en is een klein beetje spastisch. Hij is onlangs met de politie in aanraking geweest omdat hij in opdracht van anderen gedeald had. Sociaal is hij zwak. Hij kan zich in een groep niet goed staande houden en laat zich domineren. Hij woont nu nog bij zijn ouders maar die kunnen niet voldoende goede begeleiding geven.


Casus 5

Senay is 18 en heeft een ernstige verstandelijke beperking in combinatie met slokdarmproblemen. Ze rumineert regelmatig en vertoont dwanghandelingen als op en neer blijven lopen en één arm opheffen alsof ze zwaait. Ze is snel van slag en kan dan agressief worden.


Casus 6

Gerrit van 59 heeft een matige verstandelijke beperking in combinatie met dementie in een vroeg stadium. Hij lacht veel en is graag in gezelschap van anderen. Hij houdt van wandelen en werken in de tuin. Hij kan nog redelijk goed voor zichzelf zorgen. Hij kan niet koken en boodschappen doen is ook een probleem.


In de groep

  • De woordvoerders brengen de conclusies in de groep.

  • Over de conclusies wordt nagepraat:

    • komen ze overeen;

    • wat waren verschillen;

    • wat waren de achtergronden van de verschillen;

    • welke leerpunten kunnen jullie uit deze opdracht formuleren;

    • ….


Verwerkingsopdrachten thema 12 Gehandicaptenzorg; saw 4 pagina
© Uitgeverij Angerenstein BV Velp




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina