Orde van dienst



Dovnload 30.64 Kb.
Datum23.07.2016
Grootte30.64 Kb.
Preek over Heid.Catechismus (zondag 4, vr/antw 9-11)

Orde van dienst

1) Votum


2) Groet

3) Psalm 68:10

4) Wet des Heren/ Apost.Gel.

5) Psalm 136:1

6) Schriftlezing: Psalm 127 en Gal.3:19-29

7) Gebed


8) Te behandelen: Heid. Cat., Zondag 4 (vr/ antw. 9-11)
9. Doet dan God de mens niet onrecht, dat Hij in Zijn wet van hem eist, wat hij niet doen kan?

Nee a.; want God heeft de mens alzo geschapen, dat hij dat kon doen b.; maar de mens heeft zichzelf en al zijn nakomelingen, door het ingeven van de duivel c. en door moedwillige ongehoorzaamheid, van deze gaven beroofd.

a. Ef. 4:24; b.Gen.3:13; 1 Tim. 2:13, 14; c. Gen.3:6; Rom 5:12
10. Wil God zulke ongehoorzaamheid en afval ongestraft laten?

Nee, geenszins; maar Hij vertoornt zich verschrikkelijk a., beide over de aangeboren en de werkelijke zonden, en wil die door een rechtvaardig oordeel tijdelijk en eeuwig straffen b.; gelijk Hij gesproken heeft: Vervloekt is een ieder, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen. C.

a. Gen. 2:17; Rom. 5:12; b. Ps. 50:21 en 5:6; c. Deut. 27:26; Gal. 3:10.

11. Is dan God ook niet barmhartig?

God is wel barmhartig a., maar Hij is ook rechtvaardig b..; daarom zo eist Zijn gerechtigheid, dat de zonde, die tegen de allerhoogste majesteit van God gedaan is, ook met de hoogste, dat is met de eeuwige straf aan lichaam en ziel gestraft wordt.

a. Ex.34:6, 7 en 20:6; b. Ps.7 :10 ; Ex. 20 :5 en 23 :7 en 34 :7 ; Ps..5 :5,6 ; Nah.1 :2,3


9) Inzameling der gaven

10) Psalm: 51:1, 2

11) Prediking

12) Psalm: 103:6, 7

13) Dankgebed

14) Psalm: 6:2 en 9

15) Zegenbede.
* * *
Jaren geleden was er in Engeland een jonge vrouw die op haar 33e invalide werd: Charlotte Elliott (1789-1871). Kort nadat zij gehandicapt was geworden, kwam de bekende Zwitserse réveilpredilant Cesar Malan op bezoek in Londen in de pastorie van haar vader. Die vroeg haar, of zij met al haar leed al naar het Lam van God was gegaan. Boos en opstandig dacht ze: Waar bemoeit die man zich mee? Maar de vraag van ds. Malan bleef haar achtervolgen. Een enkele dag later bood ze haar excuses aan ds. Malan aan en vroeg hem: ‘Maar hoe moet ik dan tot Jezus gaan?’ Zijn antwoord was: ‘Kom tot Hem, zoals je bent’. Twaalf jaar later in een periode van twijfel en depressiviteit herinnert zij zich deze woorden. En dan schrijft ze haar lied – met een volle vrede in haar hart -, zes coupletten lang. Een inmiddels wereldberoemd lied geworden, waarvan de eerste coupletten luiden:


Zoals ik ben, ‘k kom onbereid,

Uw bloed alleen is ‘t. waar ‘k op pleit.

Gij biedt mij Uw gerechtigheid.

O, Lam van God, ik kom.
Zoals ik ben kom ik, onrein

Met zonden rood als karmozijn,

Mijn lichaam mat, mijn ziel vol pijn.

O.Lam van God. ik kom.


Zoals ik ben, ‘k heb anders niet

Dan ’t offer, ook voor mij geschied

En dat U zelf mij roepen liet,

O, Lam van God, ik kom, ik kom.1


In Zondag 4 van onze Heidelberger zijn we bezig in het beklimmen van de heuvel Golgotha met de roep van Charlotte Elliot op onze lippen. Maar we komen niet boven op deze heuveltop, of er moet nog weer een strijd gestreden zijn. Er komen vragen bij ons boven, zoals die van vraag en antwoord 9-11 van zondag 4. Daar moet eerst antwoord op komen. Het beklimmen van de heuvel Golgotha gaat in de regel niet zonder dat deze vragen beantwoord worden.
Het eerste is, dat we nog weer met Gods heilige wet geconfronteerd worden. Wij zijn geschapen naar Gods beeld. En in het paradijs was het de mens mogelijk aan die wet van God te beantwoorden. Het was voor hem niet onmogelijk om God te gehoorzamen en in die weg uiteindelijk eeuwig te leven. Welk een heerlijk leven was dat!

Maar helaas, toen is de zondeval gekomen. En door de zonde is het innerlijk leven van Adam en Eva geheel ontwricht. Want de zonde heeft heel wat in de mens kapot gemaakt. Hij had geen been meer om op te staan. Zijn bekwaamheid (gave van God) om te beantwoorden aan Gods eis, was weg.


Dat zagen we ook al bij de behandeling van de vorige zondagsafdeling. Sinds Adams zondeval is er geen sterveling meer op aarde die God behagen kan. Zijn gerichtheid op de Schepper maakte plaats voor ik-gerichtheid. Kortom, de duivel heeft het pleit gewonnen. Maar geef niet alleen de duivel de schuld. Spreek liever de catechismus na en zeg, dat u met Adam en Eva moedwillig ongehoorzaam jegens de Heere bent geworden.
En zeg dan nu niet, dat u uzelf niet bekeren kunt, zodat u daarom slechts hopen kunt, dat u nog eens bekeerd wordt. Want zo komt u in een valse lijdelijkheid terecht. U vecht niet meer tegen boezemzonden. U bidt niet om de Geest van wedergeboorte, die u tot een ander mens maakt.
Bedenk wel, dat God Zich niet meer of minder aanpast, omdat u nu eenmaal een mens bent die tot niets goed in staat is. God doet niets af van de eisen van Zijn wet en recht. Hij neemt geen genoegen met iets minder dan absolute onderworpenheid aan Zijn wet. God zal aan het eind van mijn leven niet tegen mij zeggen: ‘Je hebt het allemaal niet perfect gedaan, maar je hebt er het beste van gemaakt. Daar neem Ik dan maar genoegen mee.’ Ik denk, gemeente, dat veel mensen zo denken en het erop houden, dat God niet zo streng is.
Weet u wat beter is? Eerbiedig te buigen onder het recht van God en het te billijken, dat God u naar recht met de ganse wereld die verdoemelijk is voor Hem, voor eeuwig kan verstoten. Want in een nederige en verslagen geest heeft God een welgevallen. Als u het mag leren om verloren te kunnen gaan (door eigen schuld), mag u het ook geloven behouden te kunnen worden (door vrije genade).
Daarop wijst ons ook vraag en antwoord 10 van de Heidelberger. U en ik, wij zijn schuldige mensen. En u en ik zijn strafwaardig. God laat onze ongehoorzaamheid en afval niet ongestraft. Hij zegt: ‘Ik zal u straffen en het ordentelijk voor uw ogen stellen’ (Ps. 50:21). U mag niet denken, dat onze Schepper dat eten van de verboden vrucht door Adam en Eva wel door de vingers had kunnen zien om het daarna opnieuw met Zijn schepselen te proberen. God ziet geen enkele zonde, hoe gering ook door de vingers. Hij is volmaakt rechtvaardig. U en ik mogen het nog wel eens nakijken, of ons Godsbeeld wel dat van de Bijbel is. Hebben wij soms Gods wetboek van strafrecht uit ons hart en geweten gewist?
Wij moeten eerlijk erkennen, dat wij liever niet op onze vingers getikt worden, noch door mensen noch door God. Wij zeggen het niet gauw met David (Ps. 51):
Dies ben ik, Heer’, Uw gramschap dubbel waardig!

‘k Erken mijn schuld die U tot straf bewoog;

Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig (Ps. 51:2 b ber.)
Zie het bij uw kinderen. Geven zij het u snel gewonnen, dat zij straf verdiend hebben, als ze iets deden, dat niet in de haak was? Met ons is het niet veel beter. Wij erkennen nog wel, dat we niet straffeloos zijn. Maar volmondig en van harte toegeven, dat we straf verdiend hebben, wie doet dat? Dat doet alleen hij/ zij die het heeft leren inzien, dat zijn zonde(n) hem verwerpelijk maken voor God. En dat leert ons Gods Geest. Wij krijgen onszelf voor het eeuwig oordeel over. En die ervaring is met een paar woorden nooit uitputtend te beschrijven. In ieder geval is het zo, dat iemand die ontzag heeft voor de majesteitelijke God niet behouden wil worden ten koste van Gods heilig recht.
God is een God Die Zich te allen dage vertoornt zowel over de aangeboren als ook over de (daad)werkelijke zonden. Want het blijft waar wat geschreven staat in Deut. 27:26/ Gal.3:10: ‘Vervloekt is een ieder die niet blijft in al hetgeen geschreven staat in het boek der wet, om dat te doen.’ En dat maakt Hij ook kenbaar in tijdelijke en eeuwige straffen. In een uiterst moeilijke tijd van ons leven hebben ook wij de Heere vaak gebeden, of Hij ons wilde tonen, dat Zijn kastijden in ons lijden uit geen grimmigheid zou geschieden:
Groot en eeuwig Opperwezen,

Zeer te vrezen,

Straf ons in Uw gramschap niet!

Toon ons toch, dat Uw kastijden

In ons lijden

Uit geen grimmigheid geschiedt (Ps.38:1 ber.)


In dagen van ziekte en rampen kan het ons op ons hart gebonden worden, dat de Heere Zelf ons bezoekt met een tijdelijke straf. Koning Hizkia, genezen van zijn ziekte, dankt God en zegt: ‘Gij hebt mij gezond gemaakt en mij genezen…Gij hebt mijn ziel liefelijk omhelsd, dat zij in de groeve der vertering niet kwame; want Gij hebt al mijn zonden achter Uw rug geworpen (Jes. 38:16,17; zie ook 2 Kon.20:1vv). Zo lezen we het ook in Jes. 12:1: ‘Ik dank U, Heere, dat Gij toornig op mij geweest zijt, maar Uw toorn is afgekeerd en Gij troost mij.’
Als de Heere het alles heiligt aan ons hart, hebben we er geen bezwaar tegen, dat Hij ons onder handen neemt. We zullen Gods toorn dan ondervinden als de keerzijde van Zijn liefde. Zo gezien is het bepaald een dwaling, als de kerkvader Origenes meende, dat Gods toorn alleen maar bestaat in het gevoel van een mens en niet in God Zelf.
Laat het ons troosten, als de Schrift ons zegt, dat God in Zijn toorn aan Zijn ontferming gedenkt. Opdat wij van onze dwaalweg teruggebracht worden. Een herder werpt soms een steentje naar een dwalend schaap, als het zich van de kudde verwijdert. Het dier schrikt en maakt rechtsomkeert. Zelfs zegt de Hebreeënbrief (11:6vv), dat de Heere hen die Hij liefheeft kastijdt en geselt een iegelijk zoon, die Hij aanneemt.’
Als ons de vrijheid wordt gelaten om maar raak te leven, is dat geen bewijs, dat God goed op ons is. Wel, als de Heere ons kort houdt. Als wij door die dingen maar op de knieën komen. Dan kussen wij – om een oude uitdrukking te gebruiken – de roede waarmee we geslagen worden..

Tijdelijke straffen kunnen ons tot een eeuwige zegen zijn. Nee, het is niet zo, dat een ziekte altijd een bewijs is, dat wij bepaalde zonden hebben bedreven.. Jezus verbiedt het Zijn discipelen om zulke directe verbanden te leggen. Een ziekte als die van de blindgeborene van Joh.9:1vv, kan ook ten doel hebben, dat God verheerlijkt wordt, nl. door een genezingswonder dat aan hem verricht wordt.


Gelukkig als God ons niet straft met een eeuwige straf naar lichaam en ziel in de plaats der pijniging. Hij heeft ons voor een eeuwige dood niet over. Tijdelijke straffen kunnen een heilzame uitwerking hebben en zijn door God ook zo bedoeld. Maar in de eeuwige straf ligt er niets heilzaams meer. Zo’n straf laat ons zien, dat het geschonden recht van God in ere hersteld moet worden. En Gods kinderen hebben dat recht van God zo lief gekregen, dat zij nog liever hun eeuwige zaligheid zouden verliezen dan dat aan Gods eer en recht tekort wordt gedaan.
Zeg ik dit allemaal om u de schrik op het lijf te jagen? In geen enkel opzicht. De schrik des Heeren beweegt ons en de liefde van Christus dringt ons. Vgl. 2 Kor. 5:11, 14. Het ware geloof bestaat uit meer dan alleen uit: vrees voor straf. Iemand zei eens: Toen de duivel ziek werd, wilde hij monnik worden. Zo ligt het ook in het schijngeloof. Dat wil wel van de straf af, maar schuwt de vreze des Heeren.
En dan nu tenslotte nog vraag en antwoord 11. We begrijpen het, dat hier de vraag gesteld wordt, of God ook niet barmhartig is. God is toch niet alleen rechtvaardig om de zonde te straffen. Wij mogen de deugden/ eigenschappen van God niet tegen elkaar uitspelen. Hij is ook barmhartig.
In antwoord 11 neemt de Heidelberger het evenwel nog eenmaal op voor Gods gerechtigheid. Daar wil God Zelf het voor opgenomen hebben. De Heere wil niet weten van verminderde toerekeningsvatbaarheid. U weet, dat dit begrip in onze tijd vaak gehanteerd wordt ten dienste van strafvermindering. En nu wil ik niet tegenspreken, dat er in rechtszaken met toerekeningsvatbaarheid rekening gehouden moet worden. Maar tegelijk houd ik staande, dat de zonde in u en mij strafwaardig is. Daar moet niets van worden afgedaan. Waarom niet? Omdat zondigen niets anders is dan zondigen tegen de hoge God en niets minder dan majesteitsschennis Daar staat de hoogste straf op. Een eeuwige straf naar lichaam en ziel.
En dan kom ik nu nog een ogenblik terug op het begin van de preek. Ik herinner u aan de beide versregels van het lied van Charlotte.Elliott: Gij biedt mij uw gerechtigheid, o Lam van God ik kom. Er is een gerechtigheid die u en mij gratis aangeboden wordt: de gerechtigheid van een Ander, van Jezus Christus, verdiend aan het vloekhout van Golgotha. Een vreemde gerechtigheid. Want die is door onze gezegende Zaligmaker verworven om aan arme bedelaars te geven. U hoeft het niet met uw eigen gerechtigheid te doen. Dat mag u niet eens. U mag ruilen. Uw vloek mag op Zijn schouders rusten. Zijn vlekkeloze heiligheid mag de uwe worden, doordat God die u toerekent. God rechtvaardigt goddelozen. Hoe bestaat het?

De Heere is bereid om u te omhelzen, zoals de Vader de thuisgekomen verloren zoon omhelsde in Jezus’ gelijkenis.


Vraag maar om zo’n geestelijke omhelzing, om een thuiskomen bij God. De Heere ziet uit naar uw komst, echt waar. Ik hoor het mijn moeder nog zingen:

Jezus is wachtend, o zondaar op u..

Vlied tot Hem nu,

Hij wacht reeds op u;

Ga zo niet verder, maar kom tot Hem nu.2
Want ‘bergen zullen wijken en heuvelen wankelen. Maar Gods goedertierenheid zal van u niet wijken en het verbond van Gods vrede zal niet wankelen.’ Aldus spreekt de Heere, Uw Ontfermer. Vgl. Jes. 54 :10. Soli Deo gloria.
Amen


1 De afbelding toont Christen uit Bunyans Christenreis bij de kruisheuvel. Het zware zondepak valt van zijn schouder.

2 Zie afbeelding.








De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina