Orde van dienst



Dovnload 45 Kb.
Datum23.07.2016
Grootte45 Kb.
Preek over 2 Korinthe 12, 8 en 9a

Orde van dienst

1. Votum


2. Groet

3. Psalm: 116:1, 4

4. Wet des Heeren / Apost.Gel.

5. Psalm: 65:2 / 65:4

6. Schriftlezing: 2 Korinthe 12: 8, 9a

7. Gebed


Thema: Hierover heb ik de Heere. driemaal gebeden, opdat hij van mij zou wijken. En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. 2 Kor. 12:8, 9a

8. Inzameling der gaven

9. Psalm: 77:4, 6

10. Prediking

11. Psalm: 3: 2, 3

12. Dankgebed

13. Psalm: 43:3, 5

14. Zegenbede.

* * *
Het zal u allemaal wel eens overkomen zijn, dat u bijvoorbeeld bij het werk in uw tuin ietwat onvoorzichtig een rozenstruik aanpakte en daarbij een venijnige prikkel in uw vinger kreeg. Dat ding zat er pijnlijk diep in en bezorgde u enorm veel last. Daarom tobde u net zo lang met een pincetje totdat u die splinter eruit kreeg.


Over zo iets heeft de apostel Paulus het, gemeente, in onze tekst. Hij spreekt over een doorn in zijn vlees. En dan gaat het hier niet maar over een klein splintertje dat met enige moeite er wel weer uit te krijgen is. Nee, hij gebruikt een woord dat we zouden kunnen vertalen met: paal.1 Paulus heeft iets dat hem steekt en dwarszit.


De Korinthiërs mogen dat gerust weten. Paulus is apostel en niet zomaar een mannetje waarover men zijn schouders kan ophalen. Hij is een man met een hemelse zending. Hij heeft ook op zijn tijd hemelse vergezichten. 2Daarover schrijft hij in het begin van 2 Korinthe 12. Hij is opgetrokken geweest tot in de hemel boven wolken en sterren (de derde hemel). Hij is rijk begunstigd. Hij heeft dus reden om te juichen. Nee, in geen ding doet hij onder voor een andere apostel.
Maar er is ook een andere kant. Naar het vlees, dat wil zeggen: als een mens van vlees en bloed, in zijn aardse bestaan is hij niets. Er mankeert van alles aan hem. Vgl. Gal.4:13. Hij is geen krachtpatser. Hij is iemand met een doorn in zijn vlees. Een tobber in één woord.
Tegenover hemelse vergezichten staan helse inzinkingen. Er zijn uitzichten naar boven, maar ook donkere diepten beneden hem: satanische verzoekingen. Paulus worstelt dagelijks met een duivelse kwelling. Het is iets dat door God gebruikt wordt om hem te beproeven, maar dat tegelijk door de duivel wordt aangegrepen om hem te verzoeken. Een engel des satans, schrijft Paulus, een duivelsknecht valt hem onophoudelijk lastig.
We vragen ons af, wat dat toch geweest is, dat de apostel zo pijnigt. Het heeft wat te maken met zijn lichaam. Want hij heeft het over een doorn in zijn vlees. Het heeft hem ook stellig belemmerd in de uitoefening van zijn taak als apostel. Ja, de duivel speelde er – om zo te zeggen – mee. Denkt Paulus hier dan wellicht aan de vele vervolgingen die hij moest ondergaan vanwege zijn geloof in de Messias Jezus (zo Augustinus).
Was het een of andere lichamelijke kwaal? Er is wel verondersteld, dat Paulus leed aan een oogziekte.
Gr.’ophthalmia’; een oogontsteking, overblijfsel van de blindheid bij zijn bekering (Hand.9:9, 18). Deze veronderstelling rust ook op de gedachte, dat Paulus in Gal. 6:11 geschreven zou hebben: ‘Ziet, met hoe grote letters ik u geschreven heb met mijn hand.’ Dus niet: hoe grote brief (Galaten is zo’n grote brief niet). Hier wordt ook niet het Gr.woord ‘epistolè’ (brief) gebruikt, maar Gr.’gamma’ (letter). Paulus zou dan een eigenhandig geschreven groet door zijn slechtziendheid a.h.w. met zijn neus op het papier hebben moeten schrijven.
Was hij misschien bijna blind? Wat een kruis! Anderen denken aan epilepsie of vallende ziekte. Zomaar onder het spreken op de markt tijdens de Evangelieverkondiging neervallen en buiten kennis raken. Wat een kruis! Nog weer andere uitleggers denken aan malaria, een koortsziekte die Paulus opgelopen zou hebben in de kuststreek van Pamphylië (Hand.13:13; zie ook 2 Kor.1:8).
Paulus zou in de kuststreek van Pamphylië malaria hebben opgelopen en om te herstellen naar het hoger gelegen Galatië (+ 3600 voet boven de zeespiegel) zijn getrokken om daar het Evangelie te verkondigen. Deze gedachte hangt samen met de mening, dat Paulus ooit ook het in centraal Klein Azië meer Noordelijk gelegen Galatia (oorspronkelijk Caltische bevolking) zou hebben bezocht.

Verder wordt gedacht aan hysteria, hypochondria, galstenen, jicht, rheuma, ischias, een maagontsteking, melaatsheid, hoofdluizen, doofheid, tandontsteking, neuriasthenie, een spraakgebrek.


Er zijn ook uitleggers die denken aan een psychisch lijden: acute depressiviteit of aan wroeging over zijn opstandig verleden, toen hij Christus’ gemeente vervolgde. Nog weer anderen denken, dat Paulus last had van onkuise verzoekingen van satan (J.Calvijn noemt dit laatste belachelijk).
Hoe dit alles ook zij, het blijft gissen. Wij houden het erop, dat de doorn in Paulus’ vlees alles te maken had met zijn leven van alledag, dus met een vorm van lichamelijk lijden. Maar dan wel als een gesel in de hand van de duivel om Paulus te slaan, om hem depressief te maken, hoogmoedig of opstandig en om daardoor te verhinderen, dat hij zijn werk met vreugde zou kunnen doen.3
Maar het is niet het belangrijkste, dat wij weten, met welke moeilijkheden Paulus te kampen had. Het is veel belangrijker te weten, hoe hij ermee leefde. ‘Je moet er maar mee zien te leven’, zegt men soms. Ja, maar hoe? Het is voor ons het voornaamste te mogen geloven, dat wij begenadigde kruisdragers mogen zijn.
Paulus zou dan ook vanmorgen hier in de kerk kunnen zitten. U zou sprekend op hem kunnen lijken. Want er is immers geen huis zonder kruis en geen hart zonder smart. Er is wellicht veel waar u hoogst dankbaar voor kunt zijn. Maar er is zeker ook wel het een en ander dat u dagelijks doet zuchten. Ik noem een paar dingen:

  • Om de paar weken een hele dag op bed: migraine. Uitgeschakeld als moeder in uw gezin. Een doorn in het vlees.

  • Een lege plek in huis. Het is nu al twintig jaar geleden, dat u uw geliefde man/ vrouw naar het graf bracht. In de kracht van het leven weggenomen. Elke dag weer die lege stoel. ‘De tijd slijt’, ‘de tijd heelt alle wonden’. Ja, dat zeggen de mensen. Maar het blijft wel: een doorn in het vlees.

  • Verdriet om kinderloosheid. Vijftien jaar getrouwd en nog steeds kinderloos. Een doorn in het vlees. Ook ondanks alle ‘sublimatie’-pogingen: zorg voor kinderen van anderen, voor gehandicapten…

  • Een minder goede begaafdheid. U bent naar uw gevoel altijd weer de mindere van anderen. U hebt de Mavo nooit af kunnen maken. Alles brak u steeds als het ware bij de handen af.

  • Innerlijke geremdheid die opeens over u komt, als u met mensen praat, waardoor het contact wegvalt. Een zekere verlegenheid? Angst? Een doorn in uw vlees.

  • Helse verzoekingen soms tijdens uw bidden zelfs. Duivels vloeken, gedachten van ontucht.

  • Hoogmoedswaan.

  • Levenslang schuldgevoel.

Maar waarom zouden we eigenlijk al deze dingen opsommen? U kunt het zelf wel invullen of aanvullen. Het kan zijn, dat de persoon die naast u zit in de kerk het zo aan u niet ziet. Maar u staat er intussen wel mee op en gaat ermee naar bed. Of zou het misschien maar het beste zijn, dat God ervan weet. Ook al hebben wij vaak geen woorden om te zeggen wat eraan mankeert.
Luisteren we verder naar wat de apostel schrijft in 2 Korinthe 12. Nee, Paulus schrijft niet: ‘Ik sla me er wel doorheen; zit er maar niet over in’. Of: ‘Ik leg me er maar bij neer. Het wordt je immers niet door mensen aangedaan.’ Paulus doet zich niet flinker voor dan hij is. Hij is ook geen Stoïcijn die gelaten berust in wat hem overkomt en het alles heldhaftig draagt.
Paulus gaat ermee tot God. Hij bidt. Een keer, twee keer, drie keer. Dus niet zomaar even luchtig en vluchtig bidden. Zijn doorn in het vlees is gebedsstof, van dag tot dag. En zou dat voor u en voor mij ook niet de weg zijn? Er de Heere over aanspreken. Het in Zijn handen overgeven. En dan niet uw koffertje met zorg en smart uitpakken onder Gods ogen om het dan vervolgens weer in te pakken en er weer verder mee te sjouwen.
Geef het alles maar in hoger handen en laat het daar. En als u zelf niet goed onder woorden kunt brengen wat u dwarszit, geloven, dat de Heere ervan weet.
Beveel gerust uw wegen,

al wat u ’t harte deert

der trouwe hoede en zegen

van Hem Die ’t al regeert!

Die wolken, lucht en winden

wijst spoor en loop en baan

zal ook wel wegen vinden

waarlangs uw voet kan gaan.

(Paul Gerhardt, 1607-1676)
Hierover heb ik de Heere driemaal gebeden. Is dat letterlijk: één twee drie keer. Ja. Waar had Paulus dit bidden toch geleerd? Was het niet, nadat hij op weg naar Damaskus een ontmoeting had gehad met de opgestane en verhoogde Heere Jezus? Drie dagen waren daarop gevolgd, waarin hij niet at en dronk. Toen had de Heere tegen Zijn discipel Ananías gezegd: ‘Ga naar Saulus van Tarsen; want zie hij bidt’ (Hand.9:11).
Ja, toen had Paulus voor het eerst van zijn leven gebeden. Voor die tijd was zijn bidden een en al zelfverheffing geweest. Maar toen leerde hij bedelen om genade als een arme tollenaar. En..wonder van Gods genade, toen had de Heere het zwaarste kruis dat ooit op een mensenhart kan drukken, van hem weggenomen.

Welnu, zou de Heere dan geen raad weten met een doorn in het vlees? Gemeente, hebt u ook wel eens een ontmoeting gehad met de levende Christus? En jij jongen/ meisje? Was dat niet de geweldigste ervaring van je leven, toen je tot stilstand kwam op je zondige weg en als een boeteling leerde pleiten op Gods beloften? Het ging met jou door het nulpunt heen. De strikken van de satan waarin je gevangen zat, werden verbroken. Wat een opluchting! Wat zeg ik: Wat een onuitsprekelijke vreugde, als je met al de zonden en wonden van je leven jezelf ongereserveerd en radicaal mag uitleveren aan Hem Die je voor eeuwig voor Zijn rekening neemt!


Ik vraag u en jullie allen: Weet u, weten jullie ervan dat het kruis van Godgescheidenheid van je schouders is genomen? En zou je dan nu voortaan met alles wat je benauwt en drukt maar niet tot God gaan? Bid, bid, bid. Je hoeft na het eerste gebed, als er soms nog niets veranderd is, niet te denken: Bidden helpt toch niet. En als je voor een tweede keer echt gebeden hebt en met grote aandrang je nood voor de voeten van God hebt neergelegd, moet je niet boos worden op God, omdat er geen verandering in je toestand kwam. De Heere is niets aan ons verplicht. Vergeet dat niet. Bid nog maar eens. De aanhouder wint.
Wij bidden te weinig. Wij bidden soms al te vrijblijvend. Alsof je al niet vanaf de zondagsschool hebt mogen zingen:
Opent uwe mond,

eist van Mij vrijmoedig

op Mijn trouwverbond.

(Ps.81:12a ber.)


Iemand van u zegt misschien: ‘Bidden mag geen dwingen worden. Is het soms niet genoeg om iets één keer aan God te vragen? We moeten toch niet denken, dat de Heere het niet opmerkt.’ Zeker, maar bidden is ook altijd: zich oefenen in het gebed en door veel gebeden zich verenigen met Gods wil.
Leer dat van Paulus. Of nee, leer dat van de grote Meester Die ons bidden heeft geleerd. Van Hem lezen we, dat Hij in Gethsémané op Zijn aangezicht viel en bad: ‘Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker van Mij voorbijgaan! Doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt’ (Matth.26:39vv). Daar maakte Jezus kennis met de (kruis)paal voor Zijn vlees. Een engel des satans sloeg Hem met vuisten. ‘En wederom ten tweede male heengaande, bad Hij, zeggende: Mijn Vader! Indien deze drinkbeker van Mij niet voorbij kan gaan, tenzij dat Ik hem drink, Uw wil geschiede’ (vs.42). ‘En Hij ging wederom heen en bad ten derden male, zeggende dezelfde woorden’ (vs.44).
Driemaal gebeden. Leer dat van de grote Voorbidder, gemeente. Kinderlijk afhankelijk. Met de grootste aandrang van uw hart. Het is immers ook niet gezegd dat, als u een keer gebeden hebt, u dat goed hebt gedaan. En echt waar, de Heere zal bij de derde keer niet zeggen: ‘Ben je daar nu al weer?’
Rubinstein was gewend om, zo enigszins mogelijk, elke dag te oefenen op zijn muziekinstrumenten. Als hij het één dag nagelaten had, merkte hij het zelf, dat hij niet geoefend had. Liet hij het twee dagen na, dan merkten zijn huisgenoten en vrienden het. En als hij drie dagen niet geoefend had, merkte heel zijn gehoor het. Het gebed is de ademhaling van het christenleven. Het gebed is ook wel te vergelijken met het luiden van een klok. Beneden in de toren trekt iemand aan een touw en boven in de toren gaat de klok luiden.
De Heere hoort het gebed.
Jezus bad tot drie keer toe. Kniel naast Hem neer en bid mee.

U herinnert het zich de eerste keer nog wel. Op een eenzame avond. Alles was rustig binnen in u en om u heen. U stortte uw hele hart uit voor God. Ja, dat was bidden. Onvergetelijk, onuitsprekelijk zuchten van de Geest. En het juichte in uw binnenste:

Zou God Zijn genâ vergeten,

nooit meer van ontferming weten?…

Maar God zal verand’ring geven.

D’ Allerhoogste maakt het goed:

na het zure geeft Hij ’t zoet.

(Ps. 77:6a en slot ber.)


Maar de volgende dag was daar toch weer datzelfde zwaardrukkende kruis en datzelfde neerslachtige hart. Helpt bidden wel?
Nog een keer bidden dan. Met betere argumenten misschien. Wellicht terwijl u bezig bent met uw werk. Zomaar even de handen gevouwen. ‘Heere’, zegt u, ‘ik voel me zo geremd; waarom verlost U mij niet van mijn kwaal? Zo komt U in mijn leven toch ook niet aan Uw eer?’ Onvergetelijk was dat bidden. Het was gewoon een bestormen van de hemel. De grote Hoorder van de gebeden moet dat toch hebben opgemerkt?!
Maar nog geen vijf uur later was daar weer datzelfde zwaardrukkende kruis en datzelfde neerslachtige hart. Helpt bidden wel?
Nog een keer bidden dan. Heengaan en net als de grote Meester dezelfde woorden spreken. ‘Vader, indien het mogelijk is…’ Jij meisje/ jongen weet het nog als de dag van gisteren. Je zei erbij: ‘Heere, als u het mij niet geeft, laat het mij dan weten, wat U ermee bedoelt. Ik zou mijn kruis wel willen blijven dragen, als ik U maar niet kwijtraak.’
Maar nog geen dag later was daar weer datzelfde zwaardrukkende kruis en datzelfde neerslachtige hart. Helpt bidden wel? Of is het dan soms toch waar wat Jezus eenmaal zei: ‘…Al wat gij de Vader bidden zult in Mijn Naam, dat zal Hij u geven’ (Joh.16:23). Dat gold voor Jezus Zelf. Het mag toch ook de ervaring zijn van allen die naast de grote Meester neerknielden in Gethsémané?
Maar kom, we gaan nog een stap verder in de tekst voor de preek. Paulus krijgt antwoord op zijn gebed. Want wat lezen we: ‘En Hij heeft tot mij gezegd…’. Het staat er in de verleden tijd (perfectum). Een afdoend antwoord dat voor eens en altijd van kracht bleef. Wat een groot wonder. Misschien doet de Heere niet direct altijd wat, als wij bidden. Als Hij dan in elk geval bij al ons roepen om ontferming maar wat zegt. Elk woord van God is immers een wonder. Als we weten: Dat heeft de Heere ervan gezegd, is het dan niet al heel goed? Zoals de dichter van Psalm 35 het zingt:
Vertroost mijn ziel in haar geween,

en zeg haar: ‘’K ben uw heil alleen’.

(Ps.35:1slot ber.)

God spreekt.

Hij spreekt gewis tot elk die voor Hem leeft’

(Ps.85:3a ber.)


De Heere druppelt woorden van blijde troost en vrede in ons hart: een ware balsem voor de ziel. En wat zegt de Heere dan tot Paulus? ‘Ik help je een twee drie van je kruis af? Nee, dat niet. Er wordt in het antwoord dat God geeft eigenlijk met geen woord over Paulus’ doorn in het vlees gerept. Alleen…Vergeet niet, dat onze tekst niet zegt: Maar…..(maar Hij heeft tot mij gezegd). De Heere zegt niet: ‘Paulus, laat dat kruis maar blijven. Ik heb wat anders voor u.’ Ook al begint de Heere niet over Paulus’ doorn in het vlees, dat wil niet zeggen, dat Paulus er niet van is verlost. Want de Heere wil toch niet, dat we levenslange tobbers blijven. Bidden helpt, echt waar.
Maar u denkt wellicht, dat onze tekst niet spreekt van gebedsverhoring. U vindt het gebed van Paulus een voorbeeld van een onverhoord gebed. Zoals het gebed van Mozes om Kanaän binnen te mogen gaan. En wat antwoordde de Heere Mozes: ‘Het zij u genoeg; spreek niet meer tot Mij van deze zaak’ (Deut.3:26 slot). Daarna werd de moegestreden man gepromoveerd tot hoger heerlijk-heid. En later, toen hij met Elia op de berg der verheerlijking naast Jezus stond, was hij toch in Kanaän, op het mooiste plekje van heel het land. Als een paranimf van Jezus. Is dat gebed van Mozes dus een onverhoord gebed geweest? Nee!
Nu, zo is het ook met het gebed van Paulus. De Heere heeft Zijn knecht zeker op Zijn tijd en wijze van zijn kruis verlost. Maar wat het zwaarste is, moet het zwaarste wegen. En dat is het dan ook dat in Gods antwoord aan Paulus voorrang krijgt. Mijn genade is u genoeg. Dat is: de volle gunst van God. De Heere stelt de prioriteit van Zijn genade aan de orde. Hij maakt om zo te zeggen, met Paulus een doorstart. ‘Paulus, Mijn kind, is dat niet het voornaamste voor u; hebt u daaraan niet eeuwig genoeg: Mijn genade.’ Dat jij er een van Mij bent? Dat Ik een plaats voor je bereidde in Gods Vaderhuis?’
Inderdaad, de Heere verhoort niet altijd ons gebed precies zoals wij dat willen. Denk opnieuw aan onze grote Meester. Als de Vader in de hemel Hem nu eens precies gegeven had, waar Hij om vroeg? Stellig, de vraag om wegneming van het kruis door de Zoon in Gethsémané heeft de Vader zwaar op het hart gewogen. Maar denk het u nu eens in, dat de Vader erin bewilligd had en dat Jezus geen gekruiste Jezus zou zijn geweest. Dan zou Hij voor u en voor mij geen Middelaar en Verlosser zijn geworden. Dan zou de weg naar Gods Vaderhart voor ons volstrekt gebarricadeerd zijn. Dan zou er geen genade voor de grootste van de zondaren zijn.

Als Jezus niet gekruisigd was, zou er geen genade kunnen zijn voor ons. Want het is toch immers door Zijn kruisdood, dat Hij de gunst van de Vader verwierf.


Gelukkig dan maar, dat de Vader in de hemel het gebed van Jezus om wegneming van het kruis niet heeft verhoord. Doordat Hij op Golgotha voor zondaren de straf droeg en het oordeel van God wegnam, daardoor is er genade.
Welnu, het is daarover – over genade -, dat de Heere met Paulus gaat spreken. Mijn genade – genade door het kruis van Christus – is voor u genoeg. Of is dat niet genoeg? Is dat niet genoeg, dat het God behaagt Zijn Zoon in ons te openbaren? Is het niet genoeg, dat er voor een zondaar als u en ik vrijspraak is door het bloed van het Lam? Is het niet genoeg, als wij mogen delen in de ondoorgrondelijke ontferming van God?
Genade. Denk daar nog eens goed over na. Genade voor u. Dat is in leven en sterven geborgen zijn. De Heere is mijn Herder.Mij zal niets ontbreken. Genade voor u. Dat is leven uit het geheim van een koningskind te zijn. ‘Wiens ik ben, Welke ik ook dien’ (Hand.27:23b). Komen wij iets tekort, als wij genade hebben gekregen, waardoor wij met een vrolijk hart God weer onder ogen kunnen komen? Genade is genoeg om mee te leven en om mee te sterven. Of hebt u daar toch niet genoeg aan? Dat kan ik me haast niet voorstellen.
U hebt er misschien geen behoefte aan. Dat kan. Zo is het met ons allemaal van nature. Wij hebben zoveel prioriteiten, er staan zoveel dingen bovenaan op ons verlanglijstje, dat wij aan een vraag om genade niet toekomen. Maar wat zou het u dan toch baten, als God u de hele wereld deed gewinnen en uw ziel schade liet lijden? Vgl. Matth. 16:26. Als Gods genade voor u niet genoeg is, waarmee zou God u dan blij kunnen maken? Als het mooiste voor ons niet mooi genoeg is, blijven we gelukzoekers, voor wie het geluk altijd drie centimeter buiten het bereik van onze hand ligt.
Vraag toch zulke dwaze dingen niet langer aan God. Zit verlegen om Zijn gunst. Vraag om de genade van het kruis. Zeg: ‘Heere, dat was mijn verdiende loon. En dat Uw Kind door Zijn vloekdood aan het kruis dan voor mij Uw eeuwige gunst wilde verwerven. Dat krijg ik nooit klein.’
‘Ja’, zegt u, ‘maar daarmee is mijn vraag nog niet opgelost. Ik blijf dan toch maar lelijk zitten met mijn doorn in het vlees. Het lijkt wel, alsof de Heere er bij Paulus niet eens over wil beginnen.’ Of is dat misschien een vergissing? Het is een kwestie van luisteren. Want wat antwoordt de Heere? ‘Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht.’ En in dat woordje zwakheid komt heel Paulus’ probleem weer boven water. Wat God ook verhoord heeft van Paulus’ gebed, Hij heeft hem niet gans en al verlost van zwakheid. En geloof het maar, dat als de Heere het kruis niet wegneemt, Hij de last die op ons drukt, toch ook draaglijk maakt en dat Hij die ook gebruikt om er Zichzelf mee te verheerlijken.
En dan nog iets. Het zou kunnen zijn, dat u bij nader inzien niet alleen moet spreken van de genade door het kruis (van Jezus), maar ook van de genade van het kruis dat kruis waar u zo vaak onder zucht. Nee, de Heere kan u nooit zo ontlasten van kruis en druk, dat u als een zorgeloos vlindertje van het ene mooie bloempje naar het andere kunt fladderen. Er moet altijd wel wat zijn, dat mij aan de grond houdt. Een mens zonder kruis, is vrijwel altijd een mens in eigen kracht. Dat zit er zo diep bij ons in. Een ouderling in mijn eerste gemeente zei wel eens: ‘Een veer heeft nog lucht nodig om omhoog in te gaan, maar ik ga ook zonder dat de hoogte in.’
Dat is de les die ook Paulus moest leren. ‘Waarom’, zo schrijft hij, ‘is mij die scherpe doorn in het vlees gegeven? Opdat ik me niet zou verheffen.’ Dit kind van God had zoveel genade. Hij had onuitsprekelijke dingen gezien. En als de Heere daar niet wat tegenover had gezet, zou hij er zeker de man mee geworden zijn. Dan had hij het meer over zijn genadestaat gehad dan over de God van Zijn genade. Ik kan het dus de Heere voortaan niet kwalijk nemen, dat Hij mij aan de grond houdt. Bijt maar niet in de stok waarmee u geslagen wordt.
Er is genade door het kruis (van Jezus). Er is ook genade van het kruis dat ik draag. Want als de Heere voor mij de prikkel uit het lijden wegnam, dan is mijn kruis Gods genadeslag. Ik mag het vrolijk leren dragen in de navolging van de Heere Jezus. Zo ben ik in een goede conditie. Want Gods kracht wordt in mijn zwakheid volbracht. Alle roem is uitgesloten. Dat lijkt raadseltaal. Maar het is Gods heilgeheim. Wij bidden al onze bekommernis niet een twee drie uit ons hart weg. Het hoeft niet ook. Geef het maar in Gods hand. En zo zal Hij alles maken, dat ge u verwonderen moet.
Zijn kracht in mijn zwakheid volbracht.

  • als ik elke dag een toonbeeld van Zijn liefde mag zijn. Straal die maar uit;

  • als ik elke dag mag bidden om geduldig te zijn, als het mij zwaar valt om het leed te dragen;

  • als ik elke dag mijzelf mag verloochenen in de wetenschap, dat God daardoor aan Zijn eer komt;

  • als ik maar geen struikelblokken werp op de weg tussen God en mijn naaste;

  • als ik anderen mag helpen hun kruis te dragen om daarin te ervaren, dat mijn eigen kruis niet zo zwaar meer valt.

Vergeten we tenslotte niet, dat het beter is om met een kruis thuis te komen dan zonder een kruis eeuwig buiten te blijven.
Ik denk aan die twee pelgrims die beiden op weg waren naar Sion. De één droeg een zwaar houten kruis. De ander had geen last te dragen. Bij de Doodsjordaan gekomen, legde de eerste zijn kruis in het water en dreef daarop naar de overkant. Maar de ander had niets om over te komen.
Ik mag u raden om intijds met alles wat u drukt en smart naar de Heere Jezus te gaan en Zijn draagkracht te ervaren. Doe het nu. Want straks, als het eeuwig te laat is, kunt u niet meer naar Golgotha kruipen om u staande te houden aan Jezus’ kruispaal. Dan zult u zeggen: ‘Wat ben ik een dwaas geweest, dat ik altijd maar weggelopen ben van onder het mij opgelegde juk in plaats van ermee tot God te gaan.’
Onthoud het goed: Gods kracht wordt altijd in onze zwakheid volbracht. Als ik terugkijk op mijn leven, denk ik vaak: Wat was het eigenlijk allemaal; heb ik ooit Gods eer bedoeld en ben ik anderen wel tot zegen geweest? Soms word ik daar ook moedeloos van. ‘Mijn God waar is mijn hoop, mijn moed gebleven’ (Ps.27:7m ber.). Inderdaad, zo ik niet had geloofd, dat Gods kracht in mijn zwakheid is volbracht.
Tenslotte mag ik het dan toch door alles heen geloven:

  • dat Gods hand weldra al mijn tranen drogen zal;

  • dat spoedig het kruis zal plaatsmaken voor de kroon;

  • dat de satan straks zijn handen eeuwig zal moeten thuishouden. Dan krijgt hij geen permissie meer om Job te plagen en Paulus met vuisten te slaan.

Dan zijn alle zwakkelingen van God thuis, eeuwig thuis. En God krijgt daarvan de eer, de dank, de lof en de aanbidding. Ook van mijn doorn in het vlees.


Amen

1 Het Griekse woord dat hier gebruikt wordt, is: ‘skolops’ (= balk, paal, een scherp gemaakte houten spies; ook voor het folteren gebruikt). Letterlijk: een paal voor het vlees. Paulus voelt zich als het ware aan een paal gespietst.

2 De afbeelding stelt Paulus voor, opgetrokken tot in het paradijs.Schilderwerk van Coghetti Francesco (1802-1875). Uit: Francesco Giola, Paolo di Tarso. Libreria Editrice Vaticana. 2003; fresco’s in de patriarchale basiliek van St.Paul buiten de muren in Rome.

3 De satansknecht slaat Paulus met een vuist. Het Griekse werkwoord dat hier gebruikt wordt, luidt: ‘kolafidzoo’ = stompen, met de vuist slaan. De werkwoordsvorm houdt in, dat dit constant gebeurt. Vgl. Job.2:1vv.







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina