Ouderschaps stress index osi / psi



Dovnload 100.86 Kb.
Datum03.10.2016
Grootte100.86 Kb.

OUDERSCHAPS STRESS INDEX OSI / PSI








  • 120 items – meestal 5-puntenschaal




  • KINDERDOMEIN (47 items):




  1. AFLEIDBAARHEID/HYPERACTIVITEIT (DI)

  2. AANPASSINGSVERMOGEN (AD)

  3. BEKRACHTIGING OUDER (RE)

  4. VEELEISENDHEID (DE)

  5. STEMMING (MO)

  6. AANVAARDING (AC)




  • OUDERDOMEIN (54 items):




  1. COMPETENTIEGEVOEL (CO)

  2. SOCIALE ISOLATIE (IS)

  3. GEHECHTHEID (AT)

  4. GEZONDHEID (HE)

  5. ROLBEPERKINGEN (RO)

  6. DEPRESSIE (DE)

  7. PARTNERRELATIE (SP)




  • LEVENSSTRESSOREN (19 items)

Gebruik OSI





  • Voor ouders met kinderen vanaf 1 m. tot 12 j.




  • Duur: + 20 minuten




  • Levenstressoren is optioneel



Scoring





  • Defensive responding : score < 24

  • Subschalen : som van itemscores

  • Domeinscores : som van subschalen

  • Totale stress : som van domeinscores


Missing data :

  • Subschalen : max 1

  • Domeinschalen: max 3

  • Totale stress : max 5

 indien missing, gemiddelde van andere items

Amerikaanse normen



Goede betrouwbaarheid en validiteit

Interpretatie





  • Normale stress : tussen percentiel 15 en 80




  • 1° totale stress bekijken, indien totale stress > 260, dan kinddomein en ouderdomein bekijken




  • Meestal stress op slechts 1 domein




  • Indien extreem lage Totale Stress (< perc. 15):



  • Type 1 False Negative: Defensive individuals



  • Type 2 False Negative: Dishonest respondents



  • Type 3 False Negative: Disengaged parents


KINDERDOMEIN





  • Hoge scores op het kinddomein duiden aan dat de kindkenmerken het opvoeden moeilijker maken en de stress in het kind-ouder systeem verhogen




  • Scores voor kinddomein zijn meestal hoger dan scores voor ouderdomein bij ouders van kinderen met handicaps, hyperactiviteit, gedragsstoornissen, emotionele stoornissen, leerproblemen, …




  • Crisisprofiel:

Zowel kinddomein als ouderdomein hebben klinische scores  onmiddellijke interventie is gewenst.


  1. AFLEIDBAARHEID/HYPERACTIVITEIT


Gedragsproblemen zoals oa.:

  • Overactief zijn

  • Rusteloosheid

  • Afleidbaarheid

  • Korte aandachtspanne

  • Niet luisteren

  • Taakjes niet afwerken

  • Concentratieproblemen

 Deze gedragskenmerken aanvullen met observaties





  1. AANPASSINGSVERMOGEN

Problemen zoals oa:



  • Perseveratie of onvermogen om van taak te veranderen zonder emotionele uitbarsting

  • Vermijding van vreemden

  • Overreactie op veranderingen in routine

  • Moeilijkheden met kalmeren van kind




  1. BEKRACHTIGING OUDER




  • Interactie tussen ouder en kind geeft geen positief gevoel bij de ouder

  • Ouder heeft eerder gevoel ‘verworpen’ te worden door kind

Bij hoge score nagaan:



  • Kan het kind niet bekrachtigen wegens organisch/neurologisch deficit

  • Is kind depressief

  • Is ouder depressief


  1. VEELEISENDHEID


Gedrag zoals oa.

  • Huilerig zijn

  • Hangerig zijn

  • Veelvuldig om hulp vragen

  • Separatie-angst


  1. STEMMING


Het affectief functioneren vertoont een tekort, oa.

  • Ongelukkig zijn

  • Depressief zijn

  • Veel huilen

  • Geen tekens van opgewektheid


  1. AANVAARDING


Het kind heeft onvoldoende lichamelijke, intellectuele of emotionele mogelijkheden om aan verwachtingen van de ouders te voldoen
Mogelijk optreden van slechte hechting (of zelfs uitsluiting) door de ouder (bewust of onbewust)

OUDERDOMEIN



  • Hoge scores op het ouderdomein duiden aan dat de stress ervaren in het kind-ouder systeem te wijten zijn aan dimensies van het ouderlijk functioneren




  • Ouders met hoge scores op ouderdomein voelen zich overrompeld en inadequaat bij hun opvoedingstaken




  • Interventies moeten zich in de eerste plaats richten op het versterken van het zelfbeeld van de ouder, en op het wegnemen van stressoren bij de ouder ipv het kind



  1. COMPETENTIEGEVOEL

Verschillende oorzaken zijn mogelijk:




  • Gebrek aan aanvaarding en positieve kritiek van de andere ouder

  • Fysieke en/of mentale handicap bij het kind




  1. SOCIALE ISOLATIE




  • Isolatie van partner, ouders, leeftijdgenoten en andere ondersteunende personen

Risico op verwaarlozing van het kind is groot




  1. GEHECHTHEID




  • Reëel of gepercipieerd onvermogen bij de ouder om het gedrag/gevoel van het kind op te merken of te verstaan




  1. GEZONDHEID




  • Gezondheidsproblemen als gevolg van hoge opvoedingsstress of stress in kind-ouder interactie




  • Bij hoge score nagaan:

  • Doen ouders beroep op medische diensten (hoe vaak ?)

  • Verdere exploratie gezondheid


  1. ROLBEPERKINGEN




  • De ouder voelt zich beperkt in persoonlijke vrijheid




  • De noden en eisen van het kind worden ervaren als dominant en controlerend

ouder is verwijtend (of woedend) tav kind en/of



partner


  1. DEPRESSIE


Suggestieve meting van de aanwezigheid van klinisch significante depressie


  • Gedrag zoals oa.

  • Zich terugtrekken

  • Onvermogen om met autoriteit en assertiviteit op te treden naar het kind toe




  • Gevoelens zoals oa.

  • Schuld

  • Ongelukkig zijn

Bij hoge scores verder exploreren met depressie-vragenlijsten





  1. PARTNERRELATIE



  • Gebrek aan emotionele en actieve steun van de partner




  • Bij hoge score nagaan:

  • Strikte sexe-roldefiniëring binnen het gezin

  • Disfunctionele relatie tussen ouders met gebrek aan algemene ondersteuning

  • Eén van de partners is vaak afwezig

Sociometrie


  • Meting van sociale status van kinderen door leeftijdgenoten




  • Kinderen moeten opschrijven met wie ze graag en met wie ze niet graag spelen (drie keer)




  • Voor elk kind wordt vervolgens berekend hoe vaak ze positief en hoe vaak ze negatief werden beoordeeld.


Methode van Coie et al. (1982)
2 onafhankelijke dimensies:
sociale preferentie:

meting van “social likability” of de mate waarin kinderen de leeftijdgenoten graag of niet graag zien


sociale impact:

meting van sociale opvallendheid of de mate waarin kinderen door leeftijdgenoten worden opgemerkt.


Opmerking: Unidimensionele classificatiesystemen bepalen enkel de dimensie sociale preferentie (er wordt enkel gevraagd met wie het liefst wordt gespeeld)
Dit wordt als volgt berekend:


  • Sommeer de positieve en negatieve keuzes voor elk kind

  • Zet de ruwe scores om in z-scores (standaardscore -benadering)




  • Sociale preferentie = Z+ - Z-

  • Sociale impact = Z+ + Z-


Hieruit worden vijf sociometrische statusgroepen gegenereerd:


  1. Populair: PS > 1 ; Z+ > 0 ; Z- < 0




  1. Verworpen: PS < -1 ; Z+ < 0 ; Z- > 0




  1. Genegeerd: IS < -1 ; ruw + = 0




  1. Controversieel: zowel hoog aantal positieve als negatieve beoordelingen

IS > 1 ; Z+ > 0 ; Z- > 0
e. Doorsnee: -0,5 < PS < +0,5 ; -0,5 < IS < +0,5

 Sociale preferentie bepaalt dus de groepen populair en verworpen

 Sociale impact bepaalt dus de groepen genegeerd en controversieel
Statusbepaling door nominatie
Methode van Coie werd herzien door Van Oost et al. (1989), omdat te veel kinderen een status onbeslist kregen
De berekening gebeurt als volgt:


  • Sommeer de positieve en negatieve keuzes voor elk kind




  • Zet de ruwe somscores om in z-scores




  • Sociale preferentie = Z+ - Z-




  • Sociale impact = Z- + Z+



1° mogelijkheid :  PS  >  IS


  • PS > +1 : Populair




  • PS < -1 : Verworpen




  • –1  PS  +1 : Doorsnee

2° mogelijkheid :  PS  <  IS
a. IS > +1 : controversieel
b. IS < -1 : genegeerd, mits

ruw +  1

ruw-  2

(ruw+) + (ruw-)  2

zoniet: doorsnee
c. –1  IS  +1 : doorsnee, mits

(ruw+) + (ruw-)  1

zoniet : genegeerd


3° mogelijkheid :  PS  =  IS
a. -1  IS  +1

en


-1  PS  +1 : doorsnee
b. zoniet: onbeslist
Verband tussen de dimensies en specifieke gedragskarakteristieken


  • Sociale preferentie:




  • Positief gerelateerd aan coöperatie, steun en fysische aantrekkelijkheid




  • Negatief gerelateerd aan agressie en disruptief gedrag


  • Sociale impact:




Verband tussen de statusgroepen en specifieke gedragskarakteristieken
Populair:

  • Sterke mate van coöperatie, leiderschap en sociabiliteit

  • Regelvolgend

  • Hulpvol en nauwgezet

  • Hoge academische en atletische competentie


Verworpen:

  • Veel agressief en disruptief gedrag

  • Regelovertredend

  • Lage sociabiliteit

  • Lage cognitieve vaardigheden


Genegeerd:

  • Vertonen meer solitair spel


Controversieel:

  • Vertonen profiel dat de subtypes populair en verworpen combineert

  • Betreffen zichtbare, actieve en assertieve kinderen


Beschrijving CBCL

Algemeen



  • Ontwikkeld door: Achenbach (1966) en Achenbach en

Edelbrock (1966)


  • Vertaald door: Verhulst e.a. (1983)

Inhoud



Gedragsvragenlijst voor kinderen van 4 tot 18 jaar (2 delen)

  • probleemgedrag

  • vaardigheden


Doel





  • diagnostiek

  • onderzoeksdoeleinden

  • evolutie of effect van therapie

  • waarden / normen ouders tav gedrag kind


Structuur





  • competentiedeel (20 vragen)

  • problemendeel (120 items)



Afnametijd:


  • 15 à 20 minuten

Scoring en Normering




Werkwijze





  • handscoring

  • computerscoring



2 profielen


  • competentieprofiel

  • probleemprofiel


Normen



Ruwe scores  T-scores
Amerikaanse normen : 6 normgroepen

geslacht

leeftijd: 4-5j / 6-11j / 12-16j
Nederlandse normen : 4 normgroepen

 geslacht

 leeftijd: 4-11j / 12-18j

Competentieprofiel




1. Schalen


  • Activiteiten

  • Sociaal

  • School (niet 4-5 j)

 Indien > 1 item per schaal ontbreekt:

schaal niet berekenen

 Klinisch gebied : T-score < 30

 Grensgebied : T-score 30-33

2. Totale competentie


 Indien > 1 schaal ontbreekt: niet berekenen

 Klinisch gebied : T-score < 37

 Grensgebied : T-score 37-40




Problemenprofiel

1. Totale Probleemscore


2. Internaliserend - Externaliserend

3. Syndroomschalen (8)


  • Teruggetrokken

  • Lichamelijke klachten

  • Angstig / depressief




  • Sociale problemen

  • Denkproblemen

  • Aandachtsproblemen *




  • Delinquent gedrag

  • Agressief gedrag




  • Enkel lft 4-11j : syndroom IX : sexproblemen

syndromen zijn beschrijvend - geen diagnose !



* vroeger : Hyperactiviteitsschaal
Interpretatie Problemendeel

1. Totale probleemscore
Als index voor de mate van problemen


  • Som van alle items – item (2+4)

  • Klinisch gebied : T-score > 63

  • Grensgebied : T-score 60-63


2. Internaliseren - externaliseren
Als indicatie voor mate (ernst) en inhoud (aard) van probleemgedrag


  • Klinisch gebied : T-score > 63

  • Grensgebied : T-score 60-63

  • Verschil: vuistregels

 Totale probleemscore > perc. 90

 Verschil min. 10 punten tussen T-scores



3. Syndroomschalen



Voor nadere specificatie


  • Klinisch gebied : T-score > 70

  • Grensgebied : T-score 67-70


4. Items
Voor de concrete kwalitatieve beschrijving
FAQ

1. Kan CBCL ingevuld worden door anderen dan ouders ?


  • Let wel: opvoeders hanteren ander referentiekader (vergelijkbaarheid )


2. Wat indien ouder anderstalig is ?


  • CBCL is vertaald in 30 talen

3. Invloed van soc. wenselijkheid, liegen en depressie van informant op CBCL-scores ?




  • CBCL probleemscores correleren met depressie van moeder

  • Geen enkele informant is enige geschikte, daarom belang van meerdere informanten



4. Is CBCL te gebruiken bij MR kinderen ?


  • MR kinderen scoren oa. lager op competentieschalen en “Sociale Problemen”

 Beter andere instrumenten gebruiken
5. Hoe te scoren indien ik het antwoord niet ken ?


  • Niet : Item overslaan !

  • Wel : Score 0 betekent: “helemaal niet van toepassing,

voor zover u weet”.
6. Hoe items scoren met meerdere omschrijvingen ?


  • Bv. Item 3. Spreekt veel tegen of maakt veel ruzie; 43. Liegen of bedriegen; 105. Gebruikt alcohol of drugs.

 Het item moet gescoord worden als één van beide

van toepassing is.


7. Mijn kind is te jong of te oud voor dergelijk gedrag


  • CBCL/4-18 : leeftijdsafhankelijkheid van gedrag is geen probleem wegens verschillende normen


8. Het gedrag is afhankelijk van situatie waarin mijn kind zich bevindt


  • Bepaald gedrag komt enkel in bepaalde situatie voor. Vaak is score 1 dan het meest geschikt



Casus



  • Naam : Jan

  • Leeftijd : 13 jaar

  • Klas : Eerste secundair; doet jaar over in andere school

moeder onthaalmoeder

  • Jan is derde kind




  • Aanmeldingsklachten :

  • Nachtelijk bedplassen (bv. op chirokamp)

  • Buikpijn

  • Hoofdpijn

  • Schoolproblemen


CBCL en gerelateerde vragenlijsten





Instrument

Informant

Leeftijdsrange


CBCL/4-18

Ouders/verzorgers

4-18

CBCL/2-3

Ouders/verzorgers

2-3

Teachers Report Form – TRF

Leerkracht

5-18

Youth Self-Report – YSR

Adolescent

11-18

Direct Observation From - DOF

Observator

Basisschool

Young Adolescent Self-Report - YASR


Jong-volwassene

18 en ouder

Young Adult Behavior Checklist - YABCL

Ouders


18 en ouder

Semistructured Clinical Interview for

Children and Adolescents - SCICA

Clinicus

6-16


Via Cross-Informant Scoringsprogramma kan men CBCL, TRF en YSR scoren en vergelijken



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina