Over de wortels van het kwaad



Dovnload 342.38 Kb.
Pagina1/6
Datum17.08.2016
Grootte342.38 Kb.
  1   2   3   4   5   6


OVER DE WORTELS VAN HET KWAAD




J. Euwema & zonen

Van de vele diep aangrijpende boeken over de holocaust die ik heb gelezen, ben ik misschien nog wel het meest onder de indruk gekomen van het boek van Primo Levi ‘Is dit een mens’ - en wel van de passage waarin hij beschrijft hoe hij in het kamp bij de Duitse hoofdscheikundige moet komen om beoordeeld te worden op zijn geschiktheid als laborant; hij is zelf een summa cum laude gepromoveerd analytisch chemicus en komt hier dus oog in oog met een collega te staan, maar dan wel als nietige Häftling 174517 tegenover iemand die over zijn leven kan beschikken: “Toen hij klaar was met schrijven, hief hij zijn hoofd op en keek me aan. Vanaf die dag heb ik dikwijls en op vele manieren aan Doktor Pannwitz gedacht. Ik heb geprobeerd me voor te stellen hoe hij innerlijk, als mens functioneerde; hoe hij zijn tijd doorbracht, afgezien van de polymerisatie en het Indogermanendom; en vooral heb ik er, toen ik weer een vrij mens was, naar verlangd om hem nog eens te ontmoeten, niet uit wraakzucht, maar uit een persoonlijke behoefte om te weten hoe mensen kunnen zijn. Omdat die blik geen blik tussen twee mensen was; en als ik precies zou kunnen zeggen wat voor blik dit was, als door een aquariumruit gewisseld tussen twee wezens die verschillende elementen bewonen, zou ik ook de kern van de grote waanzin van het derde Duitsland hebben blootgelegd.” Als hij wordt teruggebracht naar zijn barak maakt zijn (niet-joodse) medegevangene en kapo zijn hand vuil aan een vette staalkabel en (ged)achteloos “zonder haat en zonder hoon veegt Alex de hand schoon op mijn schouder, eerst de palm, dan de rug; en hij zou hoogst verbaasd zijn, de onschuldige bruut Alex, als iemand hem zou zeggen dat het die daad is waarnaar ik hem nu oordeel, hem en Pannwitz en de ontelbare anderen zoals hij, groot en klein, in Auschwitz en overal.”

De gecursiveerde gedeeltes heb ik zo willen benadrukken, omdat het precies weergeeft dat het inzicht, in anderen én in jezelf, in kleine en in grote zaken, berust op het ‘bewust worden’ en het onder woorden brengen. Primo Levi kon dat als geen ander en hij werd dan ook een beroemd en gerespecteerd schrijver - wat hem er overigens niet van weerhield om vele jaren later zelfmoord te plegen: misschien omdat hij die lege en juist daardoor vernietigende blik op de duur toch niet heeft kunnen verdragen. Ik heb van Levinas nog nooit iets gelezen, wel óver hem, en naar ik heb begrepen ziet hij ‘de blik van de ander’ als wezenlijk voor elke relatie, intiem of oppervlakkig, en dus als meest concrete blijk van naastenliefde, of toch in elk geval: van respect voor de ander, óf getuigend van het gebrek daaraan - en van de ‘respectloosheid’ als de diepste wortel van alle kwaad!

Door Nederlandse overlevenden van de holocaust, waar onder de psychiater-psychotherapeut Louis Tas, is ooit het zgn. ‘schaamte-clubje’ opgericht, misschien onder deze wat badinerende benaming om te verbloemen waar het werkelijk om was begonnen, nl. om de pijnlijk-prangende vraag: hoe verder te leven met de verpletterende schaamte dat je zulke vernietigende vernederingen (als hierboven door Levi aangeduid) hebt ondergaan, zonder de ‘eer’ aan zichzelf te houden door voor de dood te kiezen (“liever staande sterven dan knielend leven”) - of zonder op z’n minst je (achteraf) ‘dood te schamen’. Een ieder moet zich dat toch kunnen indenken, ook wie hoort van de gruwelen die nog dagelijks plaatsvinden: ouders die voor de ogen van hun kinderen worden afgeslacht, of omgekeerd, iets vreselijkers is toch nauwelijks denkbaar, en je kunt je toch niet voorstellen dat je na zoiets verder kunt leven zónder het verbeten voornemen ooit bloedig wraak te nemen, ook al zou dat je leven kosten, want welke (andere) zin zou je leven (anders) nog hebben? En dan heb ik het dus niet over de plaats-vervangende schaamte namens de daders, dat er mensen zijn die anderen zoiets kunnen aandoen, maar over de schaamte van de slachtoffers, dat je jezelf zoiets hebt laten aandoen zonder zelf het leven te laten. Die schaamte moet zo verschrikkelijk zijn, zo dodelijk, dat je je kunt afvragen wie de grootste slachtoffers zijn (van de holocaust én van tegenwoordige terreur-daden) - degenen die het leven laten óf de overlevenden. En wie zich zoiets ook maar bij benadering in kan denken, en voor kan stellen, zal nooit of te nimmer een ander een dergelijke, onmenselijke en ontmenselijkende, vernedering doen ondergaan.



e-mail (met bijlage)
Haren, 3 0ktober 2001
Lieve kinderen, Toen ik met Mathijs telefoneerde na en n.a.v. 11 september j.l. sloeg ik strijdbaarder taal uit dan hij van mij ge-wend was (om in Gaaike’s trant te spreken: een beetje oorlogszuchtigachtige borreltafelpraat) en toen zegde ik toe dit nog eens wat zorgvuldiger, dús schriftelijk, en vooral ook wat genuanceerder, dus niks borrelpraat, onder woorden te zullen brengen. In bijgevoegde bijlage zie je waar dit toe heeft geleid. Probeer de weerstand tegen vormgeving en afzender te overwinnen en laat deze drie kantjes tot je doordringen. Ben benieuwd naar jullie reactie en jullie zienswijze ter zake. Het is een doodernstige (!) zaak, die zich dus eigenlijk niet leent voor een cynische benadering á la Grunberg (eerst had ik geschreven ‘alla’ doch dit staat voor ‘Kom op - Vooruit’ en doet denken aan Allah!). In gepaste ernst groetend, Papa
grillige en grimmige gedachten in de dagen direct na 11-09-01
Het zijn er dus op z’n minst enkele tientallen geweest die hun nog jonge leven hebben opgeofferd voor ‘de goede zaak’ - en dat zonder ophef, zonder onder gejuich die heldendood tegemoet te gaan (zoals die vroegere Japanse kamikazepiloten), zonder daar toch tenminste vooraf onder kameraden prat op te kunnen gaan, zelfs zonder aan hun familie uit te kunnen leggen wat hen bezielde, wat hen dreef tot deze dramatische offerdaad. Er wachtte hen ook geen heldenbegrafenis, zoals bij die Palestijnse zelfmoordactieplegers, en geen heldenverering, want ze wisten dat het volstrekte geheim ook na hun dood zou moeten worden bewaard – al was het maar omdat er na hen nog vele aanslagen zouden moeten volgen - voor diezelfde ‘goede zaak’. Het waren, naar verluidt, goed opgeleide en intelligente mensen, afkomstig uit verschillende (Arabische-islamitische) landen en uit niet de geringste milieus. Alleen een vliegeropleiding al veronderstelt een behoorlijke vooropleiding, een uitstekende lichamelijke en geestelijke conditie, en een aanzienlijke financiële draagkracht. Sommigen hebben waarschijnlijk jarenlang onopvallend en sociaal aangepast geleefd temidden van hun toekomstige slachtoffers, soms zelfs als vader van een gezin, met kinderen die vriendjes hadden in de buurt. En dan geen moment van twijfel, geen noe-menswaardige neiging om het vege lijf (en dat van al die anderen) te redden door zich aan te geven, door uit de school te klappen. Men heeft zich zelfs allerlei frivole geneugten moeten ontzeggen, alles wat als een galgen-maal kon worden uitgelegd of als de desperate houding van ‘na ons de zondvloed’ – maar ook heeft men, soms jarenlang, alles moeten vermijden dat de zelfcontrole kon ondermijnen: drank, drugs, zelfs het gewoon lekker jezelf al ‘stappend’ laten gaan, want de geringste loslippigheid kon al fataal zijn. En dat allemaal in de weten-schap dat jouw leven binnen zeer afzienbare tijd ten einde zou zijn, dat je elk moment geroepen zou kunnen worden voor dat hogere doel – en dat je (tot) dan geen moment zou mogen aarzelen. Je begeeft je rustig, of als een robot, naar de aangegeven plaats, je checkt je in, en je weet wat je te doen staat: die stewardess die jou zo vriendelijk ontving neersteken, een willekeurige passagier de keel doorsnijden om de overigen van angst te verlammen, of het stuur overnemen en zo vernietigend mogelijk op dat al eerder bekende of pas onthulde doel aan vliegen.

Het huiveringwekkende is dat de bedenkers en organisatoren van deze ongehoorde gruweldaad zo volkomen zeker van hun zaak hebben kunnen zijn. Eén zwak moment, één zwakke schakel, zou de jarenlang op hoog-spanning staande keten hebben verbroken en de hele zaak voor eens en altijd op losse schroeven gezet. Maar kennelijk heeft men daar geen moment voor hoeven vrezen. Zomin het moeite schijnt te hebben gekost om ge-schikte vrijwilligers te vinden voor deze operatie: er zouden tussen 1982 en 1992 zo’n 35000 moslimradicalen uit drieënveertig islamitische landen zijn opgeleid bij de Afghaanse Moedjahidien, en nadien en bovendien nog eens vele tienduizenden in gelijkgestemde kampen (en Islam-scholen!) in Pakistan. Daarvan zullen misschien slechts weinigen echt geschikt zijn geweest voor lange-termijn-operaties als deze, maar uit het feit dat het toch maar bij zoveel zo lang zo goed is gegaan, mag toch gerust worden afgeleid dat het potentieel (het grote gevaar!) vooral niet moet worden onderschat. Bovendien is het succes zo onwaarschijnlijk groot, vast nog veel groter dan men in de stoutste dromen had durven hopen, dat herhaling op vrij korte termijn haast niet kan uitblijven, zeer zeker niet als vergelding om vergelding vraagt. En zoals dit hoogst actuele en zeer reële gevaar niet moet worden onderschat, moeten vooral ook de ‘tegenstanders’, onze vijanden, niet worden onderschat. Het zijn er niet weinig én het zijn geen gestoorde gekken! Ook uit de zgn. dadersprofielen die men in Israël heeft gemaakt van de zelf-moordaanslagplegers blijkt duidelijk dat het hier veelal gaat om psychisch ‘gezonde’ mensen (mannen meestal: diepgelovig, introvert en resoluut) en dat vrijwel elke vorm van psychische problematiek ongeschikt maakt voor zo’n ‘hogere’ opdracht. Iemand die (pre)psychotisch is zal bijv. nooit jarenlang kunnen wachten op de kans om bijv. zijn grootheidswaan of zijn almachtsfantasieën of zijn ‘Weltuntergangs-erlebnis’ in praktijk te brengen, en iemand die suïcidaal is als gevolg van diepe depressiviteit zal al helemaal dit geduld niet kunnen opbrengen; een neuroticus zal altijd zo ambivalent zijn dat het ‘stranden in het zicht van de haven’ bijna te voorspellen is (de suïcidegeste in plaats van de geslaagde suïcide) en een psychopaat zal nooit zijn eigen belang ondergeschikt kunnen maken aan een hoger belang (en dus nooit zichzelf doden teneinde vele anderen te doden). Als een soort ‘bewijs uit het ongerijmde’ kan dan nog gelden dat het ook nooit zou zijn gelukt om zoveel psychisch gestoorden bij elkaar te krijgen voor zo’n gemeenschappelijk gedragen doel, in onze westerse wereld niet, maar zeker ook niet in landen met een veel primitievere psychiatrische zorg.

Maar ‘gekken’ moeten het wel zijn geweest, is het niet in psychiatrische zin dan toch wel in de meer algemene betekenis van ‘te gek voor woorden’, het normale voorstellingsvermogen te boven gaande. En het lijdt natuurlijk echt geen enkele twijfel dat we hier (alleen maar) te maken (kunnen) hebben met godsdienstfanaten. Een fanaat (of fanaticus) wordt door van Dale in één woord afgedaan: ‘dweper’ – daarnaast wordt fanatiek omschreven als ‘door een blinde ijver (voor een geloof of idee) gedreven’ – en fanatisme als ‘felle hartstochtelijke ijver voor iets, gepaard met onverdraagzaamheid jegens andersdenkenden’. Vooral ook op dit laatste komt het (hier) aan: deze onverdraagzaamheid is heel iets anders dan het tegendeel van verdraagzaamheid (zoals intolerantie het negatief is van tolerantie), het gaat hier om een godsdienstige ontkenning van de menswaardigheid, de wezenlijke gelijk-waardigheid, van ongelovigen. Mensen die de hemel niet verdienen, verdienen het ook niet dit aardse bestaan nog langer te rekken. Het komt er ook niet op aan, dus waarom zou je hen niet wat eerder uit dit onwaardige leven dat ze leiden verlossen. Een flinke stap verder in fundamentalistische richting is het doodverven van alle ongelovigen als volgelingen van of zelfs strijders voor Satan: die moet je in geen geval sparen, maar doden zo veel en zo goed je kan! Dat je hiermee zelf(s) een ereplaats in die hemel kan verwerven, zoals de Koran nadruk-kelijk schijnt te beloven, kan de bereidheid om je leven te geven voor de Djihad of Heilige Oorlog natuurlijk aanzienlijk doen toenemen. Temeer omdat dit tegemoet komt aan het onderliggende ressentiment dat ongetwij-feld bij deze geestesdrijverij een rol speelt, de opgekropte haat jegens al die ongelovigen die het hier op deze aarde zoveel beter hebben getroffen.

Maar misschien nog het meest verontrustende is dat je geen extremist, fundamentalist of potentiële terrorist hoeft te zijn om een gedachtegang, en een mogelijke beweegreden, als deze toe te laten, stiekem in je binnenste te koesteren of zelfs openlijk uit te dragen. ‘Wie het laatst lacht, lacht het best’ is de nare en navrante troost die menig gelovige put uit het geloof in een hemels hiernamaals die niet voor iedereen is weggelegd en zeker niet voor ongelovigen. Eigenlijk is het heel eigenaardig dat dit ‘exclusieve’, dit ‘uitsluitings’-denken, dit onderscheid maken tussen gelovigen en ongelovigen, uitverkorenen en verdoemden, zo’n prominente plaats heeft kunnen krijgen in de leer van de meeste (monotheïstische) religies. Want waarom zou men zich de vreugde van het vooruitzicht op de hemel laten vergallen door de gedachte dat dierbaren, misschien zelfs je eigen kinderen, die vreugde niet deelachtig worden? Het is toch ook mogelijk (meer) van rijkdom te genieten zonder dat de armoe-de, bijvoorbeeld van bedelaars, zich aan je opdringt? Maar niet gaat het over zoiets onvoorstelbaars als een eeuwig leven na de dood, of er moet een hel aan te pas komen om de hemel aantrekkelijk te maken, alsof een beloning op goed gedrag toch alleen ‘de moeite waard’ is als er een helse straf staat op slecht gedrag. En ook het verlost en uitverkoren zijn, niet door ‘goede werken’ maar ‘sola fide’ (‘door het geloof alleen’), is kennelijk niet denkbaar, niet voorstelbaar, zonder die keerzijde van het verdoemd en voor eeuwig verloren zijn. Zou dat komen omdat alles betrekkelijk is en slechts begrepen kan worden in verhouding tot? Bestaat ‘goed’ alleen bij de gratie van ‘kwaad’ – en omgekeerd? En de ‘verpersoonlijking’ van goed, genaamd God, alleen bij de gratie van Diens tegendeel en tegenstrever, de duivel?



In elk geval schijnt dit de enige manier te zijn (geweest) om het ons, mensen, duidelijk te maken, in welk Heilig Geschrift ook. En door dat vervolgens letterlijk te nemen (in feite de ergste belediging die je een diepzinnig en meerduidig geschrift kunt aandoen!) krijg je een ‘voorstelling van zaken’ die ‘goed’ (bijvoorbeeld het goede doel dat de middelen heiligt!) gevaarlijker en vernietigender kan doen uitpakken dan het grootst denkbare kwaad. Geen zinnig mens zal toch nog durven beweren dat het Gods eigen heerscharen waren die ter kruistocht togen en in verre islamitische landen de vreselijkste bloedbaden aanrichtten – en zo zal nu geen zinnige islamiet zelfs maar durven denken dat het wellicht wel Allah’s wil was die duizenden onschuldige mensen de dood in dreef. Maar ga er van uit, geloof op grond van welk heilig geschrift ook, dat ongelovigen eigenlijk geen recht van be-staan hebben, in elk geval geen recht om als gelijkwaardig medemens te worden behandeld, en de eerste stap in de richting van uitroeiing is gezet! Want zo groot is het verschil niet, zeker niet in het licht van de eeuwigheid, tussen geestelijk dood verklaren en lichamelijk dood maken. Je kunt natuurlijk wel beter te doen hebben met een godsdienst die zich tot het eerste beperkt, zoals het moderne (‘gehumaniseerde’) westerse christendom (en daar-van dan ook nog de meer extreme vormen), maar als je even doordenkt is ook dit geestelijk dood verklaren, dit voor eeuwig verloren verklaren, toch niet zóveel minder erg, zeker niet als het ‘uit volle overtuiging’ geschiedt. En juist dit (zelf)inzicht in het latente gevaar van je eigen opvatting(en), kan de ogen doen openen voor het zeer reële manifeste gevaar van gelijksoortige opvattingen in brede lagen van nog niet gemoderniseerde en nog niet gehumaniseerde islamitische bevolkingen en groeperingen. De bijl ligt echt aan de wortel van onze westerse (na) christelijke beschaving – én aan de wortel van het blote bestaan van velen van ons!

De mate waarin en de wijze waarop deze bijna basale angst wordt ondergaan of ontkend geeft ook te denken: wij zijn zó niet, zoiets zouden wij nooit doen, en die anderen die wél hiertoe in staat zijn wonen in verre landen en zijn zeker niet onder ons. Berichten uit Amerika en enquêtes onder (sterk overwegend islamitische!) allochtonen mogen dan in andere richting wijzen, we willen het niet weten en verklaren de enquêtes voor onbetrouwbaar en onze islamitische landgenoten voor betrouwbaar. Ook op ‘witte’ middelbare scholen betoont men zich heftiger verontwaardigd, of in elk geval bijna net zo verontwaardigd, over het ingooien van de ruiten van een moskee dan over het doen instorten van de Twin Towers met duizenden slachtoffers - want discriminatie geldt immers als het grote kwaad en het grote gevaar. Maar we vergeten daarbij dat dit ‘verwerpend onderscheid maken’ alleen ver-werpelijk is als het gebeurt op grond van erfelijke eigenschappen (als ras of sekse) en niet op grond van iets waarvoor men zelf heeft gekozen of heeft kunnen kiezen (zoals godsdienst of levensovertuiging). En waarom zouden we eigenlijk wel fel afwijzend mogen staan tegenover bijvoorbeeld sektarische christelijke uitwassen en extreme politieke posities – en daarbij niet steeds nadrukkelijk behoeven te verklaren dat we daarmee natuurlijk niet alle gelovigen of alle linkse of rechtse politici over één kam scheren? Is het niet juist bij uitstek discrimi-nerend dat we dit tegenover die arme en achtergestelde allochtonen wél steeds menen te moeten doen? En zou van die obligate trek tot zelfbeschuldiging (zelfs als het over een ver verleden gaat, zoals bijv. de slavernij) niet hetzelfde kunnen worden gezegd: doet in elk geval dat schuldgevoel over de ongelijke verdeling van de rijkdom in de wereld ons de ogen niet sluiten voor het toch wel kwaadaardige (en gevaarlijke!) van de afgunst en naijver die dit in die arme (vaak islamitische) landen oproept? Als ander mogelijk ‘excuus’ voor de terroristen (én voor degenen die toch wel enig begrip voor hen zeggen te kunnen opbrengen; in de tijd van de Rote Armee Fraktion heette dit ‘klammheimliche Freude’…) wordt het Israëlisch-Palestijnse conflict in het Midden-Oosten vaak aan-gevoerd - en inderdaad ziet het er naar uit dat wat hier gebeurt ons te wachten staat! Het kleine, maar econo-misch, technisch en militair oppermachtige Israël (met nog geen vijf miljoen inwoners, nog geen derde van ons toch al zo nietig geachte inwonertal!) als ‘steen des aanstoots’, als een benijdenswaardig en ergerlijk westers welvarend land temidden van de meest schrijnende armoe van dictatoriaal geregeerde islamitische landen (met vele honderden miljoenen inwoners) – hoe kan men nu ooit denken dat het daar wel goed komt met een iets betere verdeling van de macht en de welvaart? We zien toch waar een veel minder ernstig conflict als die tussen gedreven katholieken en protestanten in Noord-Ierland op uit is gelopen, en waar de veel minder schrijnende etnische verschillen in voormalig Joegoslavië toe hebben geleid? Zou er dan ooit in het Midden-Oosten zoiets denkbaar zijn als een vreedzaam naast elkaar bestaan van én etnisch én godsdienstig én sociaal-economisch extreem van elkaar verschillende volken, bijna elkaars tegenpolen – die intussen alleen nog gemeenschappelijk hebben de korte historie van elkanders aartsvijanden zijn? Nee, het enige wat erop zit voor Israël is het genade-loos onder de duim houden van de nationalistisch-terroristische krachten die uiteindelijk uit zijn op de totale ondergang van het Joodse volk, en het enige wat de Palestijnen overblijft is het aanvaarden van de slachtoffer-rol, met nu en dan een intifada van stenengooiende jongeren en zelfmoordaanslagen als de bevestiging en erkenning van hun wanhopige strijd. En het enige wat het westen overblijft is Israël de hand boven het hoofd houden, erkennen als soevereine staat én als lotgenoot. Want wat Israël overkomt, overkomt ons, en dus: wie aan Israël komt, komt aan ons. Dat is misschien nog wel het grootste succes van de recente aanslag op de westerse wereld, dat het ons onverbiddelijk in ‘het kamp’ plaatst van de anti-terroristen, dat het ons tot tegenpartij stempelt, ons sluimerende nauw-verdrongen nationalisme aanwakkert, en zelfs ons behaaglijke en luxe pacifisme zwaar op de proef stelt. Zoals tolerantie niet is vol te houden tegenover extreme intolerantie, zo is vredelievend-heid eenvoudigweg niet vol te houden tegenover zoveel oorlogszuchtigheid. En als er aan de fundamenten van je bestaan en van je maatschappij wordt gerukt, kan er zelfs iets van (begrip voor) fundamentalisme bij je boven komen. (Want zou het niet zó kunnen zijn dat onze ‘begerenswaardige’, protserig-ordinaire zo niet decadent-liederlijke leefstijl, die wereldwijd wordt gepropageerd en geëxporteerd, in Islamitische ogen zo ongeveer het summum van satanische zondigheid is, een ondermijning van de fundamenten van hún beschaving?).
Het komt hierop neer: na 11 september 2001 rest ons nog slechts de keus tussen twee kwaden: óf met een gerust geweten (en politiek correct) ons welzijn en onze welvaart royaal delen met, of overdragen aan, al degenen die hierop aanspraak maken (en dat zijn er zóveel, dat er voor ons bitter weinig zal overblijven: men zal niet met weinig tevreden zijn te stellen, en men zal ook niet rusten voor de Islam niet alleen de grootste maar ook de staatsgodsdienst is geworden!) – óf met een kwaad geweten (en politiek o-zo incorrect) ons ‘huis en haard’, onze welvaart en ons welzijn, met hand en tand verdedigen tegenover iedereen die ons dit misgunt en die ook maar iets van ons af wil pakken. Als we onder een soort Talliban-regiem zouden leven, zouden we wellicht voor het eerste kunnen (moeten) kiezen (en dat ‘minst kwade’ dan natuurlijk het ‘goede’ Gode-welgevallige gaan noe-men), nu we in democratische luxe leven zit er niks anders op dan de keus voor óns soort fundamentalisme, voor het egoïsme van ons ‘welbegrepen eigenbelang’ en voor het ‘samen sterk zijn’ van (inter)nationalisme, van vaderlandsliefde op (westerse) wereldschaal. We moeten daarbij wél proberen de schellen van onze ogen te rukken, ons te ontdoen van de blindheid die de politieke correctheid ons bezorgt: we zijn tegenstanders, we hebben volstrekt tegenstrijdige belangen, en die zullen we met inzet van alles (ten koste van veel) verdedigen. Maar als al mocht gelden: ‘Wie niet voor ons is, is tegen ons’ – wil dat nog niet zeggen dat wij (alleen) het goede vertegenwoordigen en ‘zij’ (alleen) het kwade. We zijn (en hebben!) het in veel opzichten wel béter, veel beter zelfs, maar in wezen verschillen we niet zoveel van elkaar – in elk geval hebben we het conflict(model) met elkaar gemeen, en daar is misschien op den duur een eervolle remise aan te ontlenen: een manier van met elkaar omgaan en elkaar in essentie respecteren dat heel wat beschaafder is dan de ‘etnic cleansing’ op de Balkan en toch minstens een beetje beter dan het moeizaam naast elkaar leven en nauwelijks elkaar verdragen van Noord-Ierland en het Midden-Oosten. Vooralsnog is slechts te hopen dat wij het sterkste zullen blijken te zijn – zonder dat we essentiële waarden hoeven prijs te geven, d.w.z. zonder dat ons patriottisme ontaardt in fascisme, onze militante weerbaarheid verwordt tot militarisme en onze zelfkritische (relativerings-)zin ten onder gaat in kort-zichtige zelfgenoegzaamheid. Deze ‘gevaren van binnenuit’ zijn misschien nog wel groter dan de bedreiging van buitenaf – want wie ‘schade lijdt aan zijn ziel’ is pas de echte verliezer; en ook wat dit betreft zal de allerminst heilige oorlog die nu voor de deur staat zich wel niet onderscheiden van alle oorlogen die tot nu toe gevoerd zijn: als het erop aan komt kent een oorlog alleen maar verliezers; hoezeer ‘in het heetst van de strijd’ de mens soms ook boven zichzelf uit lijkt te stijgen (in gemeenschapszin, opofferingsgezindheid of zelfs heldenmoed: dit verklaart de nostalgie waarmee er vaak op wordt teruggekeken!), uiteindelijk brengt een oorlog het slechtste van de mens en van de mensheid naar boven. De mens die in groepsverband zijn tanden laat zien, toont pas zijn ware diepste aard – als ‘homo homini lupus’, als mens voor de mensen een wolf!

e-mail (met bijlage)



  1   2   3   4   5   6


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina