Overbrenging van accijnsgoederen



Dovnload 98.51 Kb.
Datum14.08.2016
Grootte98.51 Kb.


ACCIJNSPROCEDURES


OVERBRENGING VAN

ACCIJNSGOEDEREN
Inwerkingtreding van

nieuwe bepalingen

D.I. 720.04

D.A. 246.199

Bijlagen : 4 Brussel, 26 maart 2010.




Omdeling door de gewestelijke directeurs aan :
  elke dienst belast met het bijhouden van een collectie;
  alle personeelsleden van de niveaus A, B en C.



INLEIDING

Op 1 april 2010 treden de bepalingen van de wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen in werking, alsook die van de twee uitvoeringsbesluiten die er betrekking op hebben (koninklijk besluit en ministerieel besluit). Deze bepalingen zijn opgenomen in bijlage bij deze omzendbrief (bijlage 1 t/m 3). Tot al wat dienen kan, wordt in bijlage tevens een concordantietabel tussen de wet en het koninklijk en ministerieel besluit toegevoegd (zie bijlage 4).


Bon O.S.D. nr. A/I – 20/10

2

Hangende een aanpassing van het Boekwerk Accijns Bewegingen vindt u hierna een beknopte uiteenzetting betreffende de voornaamste wijzigingen aan de tot en met 31 maart 2010 van toepassing zijnde bepalingen, te weten de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, het koninklijk besluit van 11 oktober 1997 betreffende de accijnzen, het koninklijk besluit van 11 mei 2004 betreffende de zekerheden die inzake accijnzen worden opgelegd aan de erkend entrepothouder en het geregistreerd bedrijf en het ministerieel besluit van 14 mei 2004 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop. Deze bepalingen zijn opgenomen in het huidige Boekwerk Accijns Bewegingen ( D.I. 720.0 – Deel I Wettelijke bepalingen).



COMMENTAAR

Elk artikel van de wet (bijlage 1) is het voorwerp van een bijzondere commentaar; deze commentaar geeft toelichting bij de voornaamste wijzigingen die werden gebracht aan de vroeger van kracht zijnde bepalingen en in voorkomend geval wordt tevens verwezen naar de ter zake vastgestelde uitvoeringsbepalingen (bijlagen 2 en 3).



Wet van 22 december 2009 betreffende de

algemene regeling inzake accijnzen

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen en definities

Artikel 1

Wettelijke grondslag van deze wet en verwijzing naar de Europese richtlijn die wordt omgezet.

3

Artikel 2

Vermeldt de accijnsgoederen waarop de wet betrekking heeft. De bedoelde goederen zijn dezelfde als die vermeld in de wet van 10 juni 1997.



Artikel 3

Feiten die de accijns opeisbaar maken (productie en invoer). Deze feiten zijn identiek aan deze waarvan sprake in de wet van 10 juni 1997.



Artikel 4

a) §§ 1 en 2 : definiëren de toe te passen procedure voor accijnsgoederen herkomstig uit of ter bestemming van de gebieden bedoeld in artikel 5, § 1, 4°, a) van de wet; ter zake betreft het communautaire douanevoorschriften;


b) § 3 bepaalt dat de hoofdstukken 3 (productie, verwerking en voorhanden hebben) en 4 (overbrenging van accijnsgoederen onder schorsing van accijnzen) van de wet niet van toepassing zijn op accijnsgoederen die zich bevinden onder een douane-schorsingsregeling (een definitie van dit concept is terug te vinden in artikel 5, § 1, 5° van de wet).

Artikel 5

Geeft de definities noodzakelijk voor een goed begrip van en voor het toepassen van de wet. Het merendeel van deze definities is identiek aan die werden gebruikt in de wet van 10 juni 1997. De

4

aandacht wordt evenwel gevestigd op twee nieuwe definities, namelijk die van “geregistreerde geadresseerde” (ter vervanging van het concept van “geregistreerd bedrijf” en van “niet-geregistreerd bedrijf” waarvan sprake in de wet van 10 juni 1997) en die van “geregistreerde afzender” (nieuwe marktdeelnemer inzake accijnzen; deze is gemachtigd om accijnsgoederen onder de accijnsschorsings-regeling te plaatsen, onmiddellijk na het in het vrije verkeer brengen van ingevoerde accijnsgoederen; als gevolg van het creëren van dit nieuwe statuut, is het dus niet meer nodig om de procedure AGD-IMP – voorzien in de §§ 95 t/m 98 van de Administratieve commentaar, gevoegd bij het Boekwerk Accijns Bewegingen, toe te passen; voor de overgangsperiode van 1 april 2010 tot 30 juni 2010 dient evenwel rekening te worden gehouden met de voorafgaande opmerking bij Afdeling 2 van Hoofdstuk 4).


Bovendien wordt opgemerkt dat veel definities van onderhavig artikel 5 worden aangevuld door definities die zijn opgenomen in artikel 1 van het koninklijk besluit (zie bijlage 2) en in artikel 1 van het ministerieel besluit (zie bijlage 3).

Hoofdstuk 2. Verschuldigdheid, terugbetaling,

vrijstelling van accijnzen


Afdeling 1. Tijdstip en plaats van verschuldigdheid




Artikel 6

§ 1. Bepaalt het tijdstip waarop de verschuldigdheid van de accijnzen ontstaat (het ogenblik van de uitslag tot verbruik) en stelt de voorwaarden inzake de verschuldigdheid en het toepasselijk tarief vast. Het betreft een bepaling die overeenkomt met die opgenomen in de wet van 10 juni 1997.

5

§ 2. Definities betreffende wat wordt verstaan onder uitslag tot verbruik. De definities van artikel 6 van de wet van 10 juni 1997 worden hernomen en een nieuwe definitie is toegevoegd (het voorhanden hebben van accijnsgoederen buiten een accijns-schorsingsregeling).


§ 3. Bepaling betreffende het tijdstip van de uitslag tot verbruik dat in aanmerking moet worden genomen. Deze bepaling kwam in de wet van 10 juni 1997 niet voor.
§ 4. Omschrijving van de gevallen die niet kunnen aangemerkt worden als “uitslag tot verbruik”. Ter zake gaat het om situaties van vrijstelling voorzien bij artikel 14 van de wet van 10 juni 1997. Deze paragraaf geeft tevens aan wat verstaan moet worden onder “algehele vernietiging” of “onherstelbaar verlies” en bepaalt de bevoegdheid van de administratie.
§ 5. Aan de Koning wordt delegatie verleend om de regels en de voorwaarden van toepassing op het vaststellen van vernietiging en verlies vast te stellen (zie ten deze artikel 2 van het koninklijk besluit).
§ 6. Bepaling met betrekking tot tevelen. Deze bepaling komt overeen met die opgenomen in de wet van 10 juni 1997.

Artikel 7

Bepalingen tot vaststelling, afhankelijk van de situatie, van de persoon die gehouden is tot voldoening van de verschuldigde accijnzen. Deze bepalingen zijn uitgebreider dan die welke opgenomen zijn in artikel 6 bis van de wet van 10 juni 1997. In principe is, voor elke situatie van “uitslag tot verbruik”, de persoon gehouden tot de voldoening van de accijnzen duidelijk geïdentificeerd.

6

Artikel 8

Bepalingen met betrekking tot de tijdens een overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling begane of vastgestelde onregelmatigheden. Deze bepalingen zijn vergelijkbaar met die waarvan sprake in artikel 25 van de wet van 10 juni 1997.


De aandacht wordt evenwel gevestigd op volgende punten :
a) onderhavige bepalingen verwijzen uitsluitend naar “onregelmatigheden” terwijl in de wet van 10 juni 1997 sprake is van “onregelmatigheid of inbreuk”; bovendien wordt gedefinieerd wat onder “onregelmatigheid” moet worden verstaan;
b) indien de erkend entrepothouder of de geregistreerde afzender niet op de hoogte was of mogelijk niet op de hoogte was van het feit dat de accijnsgoederen niet ter bestemming zijn aangekomen, wordt hem een bijkomende termijn van één maand (bovenop de normale termijn van 4 maand) gegund, om het bewijs te leveren van het beëindigen van de overbrenging onder een accijnsschorsingsregeling of om de plaats waar de onregelmatigheid heeft plaatsgevonden aan te tonen.


Afdeling 2. Terugbetaling en kwijtschelding




Artikelen 9 t/m 12

Bepalingen met betrekking tot de terugbetaling of de kwijtschelding van accijnzen. Die bepalingen hernemen de verschillende situaties van terugbetaling, welke in de wet van 10 juni 1997 inzonderheid het voorwerp waren van de artikelen 27 (§§ 3 t/m 6) en 28 t/m 30.

7

De aandacht wordt gevestigd op 3 nieuwe situaties van terugbetaling :


- artikel 9, e) : accijnsgoederen die op last van de overheid werden vernietigd;
- artikel 9, f) : accijnsgoederen die bij vergissing ten verbruik werden aangegeven ;
- artikel 9, g) : accijnsgoederen die worden uitgevoerd.
Uitvoeringsbepalingen zijn opgenomen in artikel 1, §§ 2 en 3 van het koninklijk besluit en in de artikelen 18 en 19 van het ministerieel besluit.


Afdeling 3. Vrijstellingen




Artikel 13
Bepalingen betreffende de vrijstellingsregelingen, in het bijzonder deze voorzien in het kader van de diplomatieke vrijdommen (gevallen opgenomen in artikel 20, 7° tot en met 12° van de algemene wet van 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen). De na te leven procedure en de vereisten inzake het certificaat van vrijstelling dat de overbrenging van de goederen moet vergezellen, worden eveneens beschreven.

Artikel 14
In principe moeten de overbrengingen van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling bestemd voor de strijdkrachten van de NAVO (artikel 20, 11° van de algemene wet van 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen) plaatsvinden onder dekking van een douaneschorsingsregeling.

8

Aangezien een douaneschorsingsregeling in principe niet kan worden gebruikt voor de verzending van communautaire goederen, zijn de Europese commissie en alle lidstaten overeengekomen om de gewone accijnsregeling zoals bedoeld in artikel 13 van de wet, ook toe te passen op de overbrengingen met als bestemming de NAVO. Dit akkoord werd opgenomen in artikel 4 van het koninklijk besluit.



Artikelen 15 t/m 17

Bepalingen aangaande de vrijstelling van betaling van accijnzen met betrekking tot accijnsgoederen geleverd door taxfreeshops. Deze bepalingen zijn uitsluitend van toepassing op goederen die in de persoonlijke bagage worden meegevoerd door reizigers die zich naar een derdelandsgebied of een derde land begeven door de lucht of over zee.



Hoofdstuk 3. Productie, verwerking en voorhanden hebben

Artikel 18

Bepalingen met betrekking tot de productie, de verwerking en het voorhanden hebben van accijnsgoederen onder een accijns-schorsingsregeling. Er werd in voorzien dat deze handelingen moeten plaatsvinden in een belastingentrepot. Wat de voorwaarden inzake het openen en de werking van een belastingentrepot betreft, wordt, buiten de bepalingen van artikel 19 van de wet, verwezen naar de voorwaarden opgenomen in de artikelen 5 t/m 10 van het koninklijk besluit.

9

Deze bepalingen komen overeen met die welke opgenomen zijn in artikel 12 van de wet van 10 juni 1997.



Artikel 19

Bepalingen met betrekking tot de verplichtingen opgelegd aan de erkend entrepothouder. Deze bepalingen komen overeen met die welke opgenomen zijn in artikel 13 van de wet van 10 juni 1997, met dien verstande evenwel dat :


- het geval van rechtstreekse aflevering thans wettelijk geregeld is bij artikel 19, 5° (met een verwijzing naar artikel 20, § 4);
- het percentage tot hetwelk de zekerheid bedoeld in arti-kel 19, § 2, 1° mag worden verhoogd is vastgelegd op 100 %;
- voor de zekerheden bedoeld in artikel 19, § 2, 1° en 2° werd een maximumbedrag vastgelegd, namelijk 9.000.000 EUR (dit bedrag was vroeger vastgesteld bij artikel 15 bis van het ministerieel besluit van 14 mei 2004 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop); de voorwaarden met betrekking tot de toepassing van dit maximumbedrag zijn voorzien in artikel 14 van het koninklijk besluit;

- de voorwaarden voor het bepalen van het bedrag van de zekerheid bedoeld in artikel 19, § 2, 2° zijn voorzien in artikel 11, §§ 1 t/m 3 van het koninklijk besluit;


- de voorwaarden voor het verhogen van het bedrag van de zekerheid bedoeld in artikel 19, § 2, 1° zijn voorzien in artikel 13 van het koninklijk besluit.

10

Hoofdstuk 4. Overbrenging van accijnsgoederen



onder schorsing van accijnzen

Afdeling 1. Algemene bepalingen



Artikel 20

§§ 1 en 2. Bepalingen met betrekking tot de toegelaten bestemmingen inzake accijnzen en met betrekking tot de accijnsgoederen overgebracht onder een accijnsschorsingsregeling, hetzij bij vertrek vanuit een belastingentrepot (artikel 20, § 1), hetzij bij vertrek vanuit de plaats van invoer (artikel 20, § 2). De bepalingen met betrekking tot § 1 komen overeen met die welke zijn opgenomen in de wet van 10 juni 1997 ; de situatie bedoeld in artikel 20, § 2 is nieuw (creatie van het statuut van geregistreerde afzender – zie definitie voorzien in artikel 5, § 1, 11°).

§ 3. Bepalingen met betrekking tot het statuut van geregistreerde afzender. Ter herinnering, het gaat om een nieuw statuut dat zal toelaten aan een bij invoer aangewezen marktdeelnemer, om accijnsgoederen te verzenden onder een accijnsschorsingsregeling. Dit nieuwe statuut leidt ertoe dat het bepaalde in artikel 15, § 6 van de wet van 10 juni 1997 doelloos is geworden (zie, voor de overgangsperiode van 1 april 2010 tot uiterlijk 30 juni 2010, evenwel de voorafgaande opmerking bij Afdeling 2 van Hoofdstuk 4).

Met betrekking tot de zekerheid wordt mede verwezen naar het bepaalde in artikel 11, §§ 1 t/m 3 van het koninklijk besluit.

11

§ 4. Bepalingen met betrekking tot de machtiging tot rechtstreekse aflevering. De voorwaarden aangaande het toekennen van een dergelijke machtiging zijn opgenomen in artikel 16 van het koninklijk besluit. Het betreft hier nieuwe bepalingen.


§ 5. Bepalingen met betrekking tot bewegingen van accijns-goederen die het voorwerp zijn van een nultarief. Deze bepalingen komen overeen met die welke zijn opgenomen in artikel 15, tweede alinea van de wet van 10 juni 1997.

Artikel 21

Bepalingen betreffende het statuut van geregistreerde geadresseerde. Dit nieuwe statuut vervangt dat van geregistreerd bedrijf en niet-geregistreerd bedrijf zoals bedoeld in artikel 18 van de wet van 10 juni 1997. Het statuut van geregistreerd bedrijf is vergelijkbaar met het nieuwe statuut van geregistreerde geadres-seerde (artikel 21, §§ 1 en 2), terwijl het statuut van niet-geregistreerd bedrijf momenteel gedekt is door het begrip geregistreerde geadresseerde die slechts sporadisch accijnsgoederen betrekt (maximaal 6 bewegingen per jaar – zie de definitie opgenomen in artikel 1, § 2, 7° van het koninklijk besluit). Dit begrip wordt verduidelijkt in artikel 21, § 3 van de wet; in tegenstelling tot de procedure van machtiging toegepast op niet-geregistreerde bedrijven, zal het toekennen van het statuut van sporadisch geregistreerde geadresseerde het voorwerp zijn van een vergunning die moet opgenomen worden in de Europese SEED-databank.


Vanaf 1 april 2010 zal geen certificaat van zekerheidstelling meer afgeleverd worden aan de geregistreerde geadresseerde die slechts sporadisch accijnsgoederen betrekt.
Bepalingen betreffende de te stellen zekerheden komen voor in artikel 11, §§ 4 en 5 van het koninklijk besluit.

12

Artikel 22



Opmerking :

- de bestaande vergunningen (erkend entrepothouder en geregistreerd bedrijf) zullen in de loop van 2010 aangepast moeten worden. Elke betrokken operator zal hieromtrent door de administratie worden gecontacteerd;
- alle vergunningen die zullen afgeleverd worden, moeten door de vergunningverlenende autoriteit ingebracht worden in de SEED-databank.
§ 1. Bepalingen betreffende de aanvragen om een vergunning erkend entrepothouder, geregistreerde afzender en geregistreerde geadresseerde.
De toepasselijke voorwaarden zijn opgenomen in artikel 18 van het koninklijk besluit en in de artikelen 2 t/m 4 van het ministerieel besluit. In het bijzonder wordt de aandacht gevestigd op de bijlagen 1 t/m 8 van het ministerieel besluit (formulieren voor het aanvragen van vergunningen en het verlenen van vergunningen).
§ 2. Bepalingen die verduidelijken dat vergunningen enkel verleend worden aan hier te lande gevestigde personen. Deze bepaling komt overeen met die welke is opgenomen in artikel 20, § 2 van de wet van 10 juni 1997. De aandacht wordt er evenwel op gevestigd dat het bepaalde in de wet van 10 juni 1997 met betrekking tot het weigeren van een vergunning indien het nodige toezicht niet kan worden uitgeoefend en indien de nodige controles niet kunnen plaatsvinden zonder dat dit administratieve kosten meebrengt die niet in verhouding staan tot de desbetreffende economische behoeften door de Raad van State werd bekritiseerd; dientengevolge werd dat voorschrift in de huidige wet niet meer opgenomen.

13

§ 3. Bepalingen betreffende het weigeren een vergunning af te leveren. Wat het voldoen van de verschuldigde bedragen betreft, komen de huidige bepalingen overeen met die opgenomen in artikel 20, § 3 van de wet van 10 juni 1997; wat evenwel het bepaalde met betrekking tot de ernstige of herhaalde inbreuken betreft zullen die, vanaf nu, nog enkel op de douane- of accijnswetgeving betrekking hebben.


§ 4. Bepaling betreffende de procedure inzake het mededelen van het niet-verlenen van een vergunning. Het betreft eenzelfde bepaling als die opgenomen in artikel 20, § 4 van de wet van 10 juni 1997.

Artikel 23

Bepaling betreffende het intrekken van een vergunning. Rekening houdende met het advies van de Raad van State in verband met het bepaalde in artikel 21 van de wet van 10 juni 1997 werd het begrip “nietigverklaring” vervangen door het begrip “intrekking”.



Artikel 24

Bepalingen betreffende het intrekken of het wijzigen van een vergunning. Het betreft hier bepalingen die overeenkomen met die welke opgenomen zijn in artikel 22 van de wet van 10 juni 1997.



Artikel 25

§ 1. Bepalingen die het aanvangen van een overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling duidelijk vastleggen (uitslag uit het belastingentrepot van verzending of het in het vrije verkeer brengen).

14

§ 2. Bepalingen die het eindigen van een overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling duidelijk vastleggen (op het tijdstip waarop de geadresseerde de accijnsgoederen in ontvangst heeft genomen of op het tijdstip waarop de goederen het grondgebied van de Gemeenschap hebben verlaten).



Afdeling 2. Procedure voor overbrengingen van

accijnsgoederen onder schorsing van accijnzen



Voorafgaande opmerking : Deze afdeling vermeldt de voornaamste wijzigingen aangebracht aan de huidige wet met betrekking tot het stelsel van verkeer van accijnsgoederen zoals vroeger van toepassing (papieren AGD). In principe gebeuren de overbrengingen van accijnsgoederen immers onder dekking van een elektronisch administratief document door middel van het systeem betreffende de geautomatiseerde verwerking van gegevens inzake het verkeer van en de controle op accijnsgoederen (EMCS). Nochtans moet er, rekening houdend met de overgangsperiode waarvan sprake in artikel 50 van deze wet, opgemerkt worden dat :

  alle overbrengingen onder de accijnsschorsingsregeling bestemd om onder de uitvoerprocedure te worden geplaatst op een Belgisch uitvoerkantoor (plaatsing onder de ECS-procedure in België) moeten t/m 30 juni 2010 plaatsvinden onder dekking van een administratief geleidedocument (papieren AGD). Ter zake blijven de bepalingen van artikelen 23 en 24 van de wet van 10 juni 1997 van toepassing;
- de erkend entrepothouders alsmede de hier te lande gevestigde geregistreerde afzenders die accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling verzenden, hebben, tussen 1 april 2010 en 31 december 2010, de keuze wat betreft de toe te passen

15

overbrengingsprocedure, te weten het e-AD (elektronisch administratief document) of het papieren AGD waarvan sprake in de artikelen 23 en 24 van de wet van 10 juni 1997, met dien verstande evenwel dat voor de overbrengingen die zij verrichten met bestemming Denemarken, Griekenland of Polen tot en met 31 december 2010, uitsluitend het papieren AGD mogen worden gebruikt (deze drie lidstaten hebben een communautaire afwijking verkregen);


- wat betreft de overbrengingen van accijnsgoederen vanuit België onder dekking van een e-AD (elektronisch administratief document) EN die tussen 1 april 2010 en 31 december 2010 via het grondgebied van Denemarken, Griekenland of Polen moeten worden doorgevoerd, worden de afzenders uitgenodigd om de overbrenging onder een accijnsschorsingsregeling te laten vergezellen van een kopie van de afgedrukte e-AD, zodat in die drie lidstaten de controle wordt vergemakkelijkt en bespoedigd;
- wat betreft de ingevoerde accijnsgoederen die in het vrije verkeer worden gebracht bij een Belgisch invoerkantoor, zal de procedure AGD-IMP omschreven in §§ 95 t/m 98 van de Administratieve commentaar gevoegd bij het Boekwerk Accijns Bewegingen, van toepassing blijven tot en met 30 juni 2010.
De artikelen 26 t/m 34 van deze afdeling hebben uitsluitend betrekking op de nieuwe elektronische procedure betreffende de overbrenging en de zuivering van die overbrengingen van accijnsgoederen onder de accijnsschorsingsregeling. Voor elk van deze artikelen wordt toelichting verstrekt; die toelichting verschaft meer duidelijkheid omtrent de door de administratie te vervullen taken.

Artikel 26

§ 1. Bepaling waarbij wordt gesteld dat alle overbrengingen van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling moeten gebeuren onder dekking van een elektronisch administratief document (e-AD) opgesteld overeenkomstig het bepaalde in de §§ 2 en 3. De aandacht wordt evenwel gevestigd op de bepalingen van artikel 30 (noodprocedure).

16

§ 2. Beschrijving van het gebruikte geautomatiseerde systeem.


§ 3. Bepaling betreffende de administratieve controle van het e-AD. Deze controle vereist geen enkele menselijke tussenkomst. Indien het document ontvankelijk is, wordt op elektronische wijze een unieke administratieve referentiecode (ARC) toegekend en aan de betrokkene medegedeeld.
§ 4. Bepalingen betreffende het doorzenden van de gegevens van het e-AD aan de verschillende betrokken bestemmelingen (overbrengingen onder een accijnsschorsingsregeling, uitgezonderd uitvoer). Vermits deze doorzending geheel op een elektronische wijze geschiedt (zonder menselijke tussenkomst), behoeft dit geen nadere toelichting.
Uitvoeringsmaatregelen zijn opgenomen in artikel 19 van het koninklijk besluit en in artikel 6 van het ministerieel besluit. Voor de uitvoering van de procedure voorzien in artikel 6 van het ministerieel besluit (mededeling van het elektronisch administratief document en terugzending van het bericht van ontvangst – zie tevens artikel 28, § 1, b), zijn de bevoegde diensten :
a) met betrekking tot de leveringen bedoeld in artikel 20, 7° t/m 10° en 12° van de algemene wet inzake douane en accijnzen van 18 juli 1977 : de dienst Douaneprocedures, Directie 12, van de Centrale Administratie der douane en accijnzen;
b) met betrekking tot de leveringen bedoeld in artikel 20, 11° van de algemene wet inzake douane en accijnzen van 18 juli 1977 : de Inspectie der douane en accijnzen bij de SHAPE.
§ 5. Bepalingen betreffende het doorzenden van de gegevens van het e-AD aan de verschillende betrokken bestemmelingen (overbrengingen onder een accijnsschorsingsregeling met het oog op de uitvoer). Aangezien deze doorzending volledig op een elektronische wijze wordt afgehandeld (zonder menselijke tussenkomst), behoeft dit evenmin een specifieke commentaar. Wat betreft de plaatsing onder een douaneregeling van uitvoer bij een Belgisch douanekantoor, wordt verwezen naar het 1ste streepje van de hiervoren opgenomen voorafgaande opmerking.

17

§ 6. Bepalingen betreffende het mededelen van de aan het e-AD toegekende unieke administratieve referentiecode (ARC); deze code moet voorkomen op een afgedrukte versie van het e-AD of op enig ander commercieel document en die code moet op elk verzoek gedurende de hele duur van de overbrenging aan de administratie kunnen worden voorgelegd.



Opmerkingen :

- de geldigheid van een overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling wordt aangetoond door het bestaan van een ARC-nummer. Indien dit nummer vermeld is op de afgedrukte versie van het e-AD, kan de overeenstemming van deze gegevens met de betrokken accijnsgoederen, onmiddellijk worden nagegaan. Indien dit nummer vermeld is op een commercieel document, moeten de gegevens nodig voor de controle van de accijnsgoederen gevraagd worden door middel van een geautomatiseerde verbinding met het systeem EMCS; in de veronderstelling dat de controleambtenaren (nog) niet beschikken over het noodzakelijke informaticamateriaal, kunnen de te controleren gegevens met betrekking tot de ARC, verkregen worden door middel van een telefonisch contact, tijdens de normale kantooruren, met het kantoor waaraan deze ambtenaren zijn verbonden; buiten die kantooruren moet er beroep worden gedaan op de bevoegde opsporingsinspectie der douane en accijnzen;
- bij een controle van de gegevens van het e-AD moet een verandering van het vervoermiddel niet als een onregelmatigheid worden aangemerkt.

§ 7. Bepalingen betreffende het annuleren van een e-AD. Het annuleren is slechts toegestaan voor zover de accijnsgoederen het belastingentrepot nog niet hebben verlaten.

18

§ 8. Bepalingen betreffende een wijziging van bestemming. Dergelijke wijziging is mogelijk tot en met de aankomst van de accijnsgoederen ter bestemming; deze wijziging van bestemming kan tevens het terugzenden van de accijnsgoederen naar de afzender zijn.


§ 9. Bepalingen betreffende de toegangsvoorwaarden tot EMCS en de technische kenmerken waaraan de mededelingen moeten voldoen. Specifieke uitvoeringsbepalingen zijn opgenomen in artikel 19 van het koninklijk besluit en in artikel 5 van het ministerieel besluit.

Artikel 27
Bepalingen betreffende overbrengingen van accijnsgoederen over zee of via binnenwaterwegen, en waarvoor de geadresseerde nog niet definitief gekend is op het ogenblik van verzending. Deze bepalingen komen overeen met die opgenomen in artikel 15, § 5 van de wet van 10 juni 1997.
Uitvoeringsbepalingen zijn opgenomen in artikel 21 van het koninklijk besluit.

Artikel 28
§ 1. Bepalingen betreffende het voorleggen van het bericht van ontvangst door de geadresseerde van de accijnsgoederen. De aandacht wordt gevestigd op de volgende punten :
- het bericht van ontvangst moet door de geadresseerde voorgelegd worden door middel van het geautomatiseerde systeem uiterlijk binnen vijf werkdagen na het eindigen van de overbrenging (datum van de inschrijving in de voorraadadministratie van de geadresseerde); momenteel bestaat er geen enkele uitzondering op deze termijn.

19

- voor de bestemmingen bedoeld in artikel 20, § 1, a), iv) (situaties van vrijstelling van artikel 20, 7° t/m 12° van de algemene wet van 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen) wordt verwezen naar de procedure vastgelegd in artikel 19, 2° van het koninklijk besluit en in artikel 6 van het ministerieel besluit.


§ 2. Bepalingen betreffende de controle door de administratie van de gegevens vermeld op het bericht van ontvangst. Ter zake gaat het om een elektronische controle.
§ 3. Bepalingen betreffende de elektronische toezending van het bericht van ontvangst aan de afzender.
§ 4. Bepalingen betreffende de toegangsvoorwaarden tot EMCS en de technische kenmerken waaraan de communicatie-middelen moeten voldoen (andere personen dan die bedoeld in artikel 26). Specifieke uitvoeringsbepalingen zijn opgenomen in artikel 19 van het koninklijk besluit en in artikel 5 van het ministerieel besluit.
Artikel 29
§ 1. Bepalingen betreffende het bericht van uitvoer. Een overbrenging vindt plaats onder dekking van de EMCS-procedure ter bestemming van een douanekantoor van uitvoer. Op dat kantoor wordt deze overbrenging onder een douaneregeling (ECS, …) geplaatst, die geldt tot het ogenblik van het vaststellen van de uitvoer van de goederen uit het grondgebied van de Gemeenschap. Het visum van het kantoor van uitgang is het voorwerp van een bericht aan het kantoor van uitvoer, dat op zijn beurt, in het EMCS-systeem een bericht van uitvoer kan opstellen.
Opmerking : Rekening houdende met het feit dat er op 1 april 2010 nog geen verbinding zal zijn tussen het geautomatiseerde accijnssysteem (EMCS) en het geautomatiseerde douanesysteem (PLDA), moeten de overbrengingen van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling dus, en dit tot 30 juni 2010, worden gedaan met gebruikmaking van een papieren AGD en dit conform de procedure opgenomen in §§ 91 t/m 93 van het Boekwerk Accijns Bewegingen.

20

§ 2. Bepalingen betreffende de controle door de administratie van de gegevens vermeld op het bericht van uitvoer. Het betreft hier een elektronische controle.


§ 3. Bepalingen betreffende de elektronische toezending van het bericht van uitvoer aan de afzender (kantoor van uitvoer gevestigd in een andere lidstaat).
§ 4. Bepalingen betreffende de elektronische toezending van het bericht van uitvoer aan de afzender (kantoor van uitvoer gevestigd in België).

Artikelen 30 en 31
Deze artikelen betreffen het niet-beschikbaar zijn van het geautomatiseerde systeem. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 5 van het ministerieel besluit worden de situaties van het niet-beschikbaar zijn en de voorwaarden voor het toepassen van de noodprocedure (“fallback”) gedefinieerd door de administrateur douane en accijnzen. De bedoelde situaties en voorwaarden werden opgenomen in een afzonderlijke omzendbrief.

Artikel 30
§ 1. Bepalingen betreffende het niet-beschikbaar zijn van het geautomatiseerde systeem (niet-beschikbaar zijn bij het vertrek). Indien de voorwaarden opgenomen in die circulaire worden gerespecteerd kan de afzender de overbrenging starten overeenkomstig de procedure vermeld in artikel 30, onder a) en b).
§ 2. Bepalingen betreffende de te volgen procedure indien het geautomatiseerde systeem opnieuw beschikbaar wordt. Op dat ogenblik moet een elektronisch administratief document in het EMCS-systeem worden ingediend.

21

§ 3. Bepalingen betreffende de aan het papieren document bedoeld in artikel 30, § 1, a) toe te kennen waarde. Dit document is geldig voor de overbrenging onder een accijnsschorsingsregeling, tot op het ogenblik van validatie van het e-AD.


§ 4. Bepaling betreffende de aan de afzender opgelegde verplichting om een kopie te bewaren van het papieren document bedoeld in artikel 30, § 1, a).
§ 5. Bepalingen betreffende de te volgen procedure bij een wijziging van bestemming wanneer het geautomatiseerde systeem niet beschikbaar is.


Artikel 31


§ 1. Bepalingen betreffende het niet-beschikbaar zijn van het geautomatiseerde systeem (niet-beschikbaar zijn ter bestemming ). Beschrijving van de door de geadresseerde te volgen procedure, hetzij wanneer het geautomatiseerde systeem van zijn lidstaat niet beschikbaar is dan wel wanneer de overbrenging nog niet het voorwerp is geweest van een elektronische validatie bij het vertrek. In deze twee situaties moet de geadresseerde een kopie van het papieren bericht van ontvangst voorleggen aan het hulpkantoor waarvan hij afhangt. De aandacht wordt gevestigd op de volgende punten :


- er kan slechts beroep gedaan worden op de noodprocedure bij het verstrijken van de termijn van vijf werkdagen waarvan sprake in artikel 28, § 1;
- tot op heden bestaat er geen enkele administratieve beslissing waardoor de geadresseerde kan afwijken van de verplichting om een kopie van het papieren bericht van ontvangst voor te leggen;

22

- het begrip “afzienbare termijn” werd tot op heden nog niet gedefinieerd; hieruit volgt dat de termijn van vijf werkdagen waarvan sprake in het eerste streepje steeds in aanmerking moet worden genomen;


- het betrokken hulpkantoor moet een kopie van het papieren bericht van ontvangst doorzenden aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van verzending; op hun beurt moeten zij dit document toezenden aan de afzender;
- het bericht van ontvangst moet door de geadresseerde ingediend worden van zodra het geautomatiseerde systeem weer beschikbaar is of van zodra hij ervan in kennis is gesteld dat de procedure van validatie van het e-AD bij vertrek werd uitgevoerd.
§ 2. Bepalingen betreffende het niet-beschikbaar zijn van het geautomatiseerde systeem (niet-beschikbaar zijn op het kantoor van uitvoer). Beschrijving van de door het hulpkantoor waar de uitvoerformaliteiten werden vervuld te volgen procedure, hetzij wanneer het geautomatiseerde systeem van zijn lidstaat niet beschikbaar is dan wel wanneer de overbrenging nog niet het voorwerp is geweest van een elektronische validatie bij het vertrek. In deze twee situaties moet het betrokken hulpkantoor een papieren document opstellen dat dezelfde gegevens bevat als het bericht van uitvoer en dit voorleggen aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van vertrek. De aandacht wordt gevestigd op de volgende punten:
- er kan slechts beroep gedaan worden op de noodprocedure bij het verstrijken van vijf werkdagen te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het visum van het douanekantoor van uitgang;
- tot op heden bestaat er geen enkele administratieve beslissing waardoor de geadresseerde kan afwijken van de verplichting om een kopie van het papieren bericht van uitvoer voor te leggen;
- het begrip “afzienbare termijn” werd tot op heden nog niet gedefinieerd; hieruit volgt dat, voor het opstellen en het doorzenden van een kopie van het papieren bericht van uitvoer, de termijn van vijf werkdagen waarvan sprake in het eerste streepje steeds in aanmerking moet worden genomen;

23

- het betrokken hulpkantoor moet een kopie van het papieren bericht van uitvoer doorzenden aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van verzending; op hun beurt moeten zij dit document toezenden aan de afzender;


- het bericht van uitvoer moet door het hulpkantoor ingediend worden van zodra het geautomatiseerde systeem weer beschikbaar is of van zodra het ervan in kennis is gesteld dat de procedure van validatie van het e-AD bij vertrek werd uitgevoerd.
Artikel 32
§ 1. Bepalingen betreffende het bewijs van het eindigen van de overbrenging van accijnsgoederen onder een accijns-schorsingsregeling. In de gevallen voorzien in artikel 25, § 2, bewijzen het bericht van ontvangst of het bericht van uitvoer het eindigen van de overbrenging.
§ 2. Bepalingen betreffende het beëindigen van een overbrenging op een andere basis dan deze vermeld in § 1. Ter zake wordt er verwezen naar “afdoend bewijs” dat wordt geleverd door de lidstaat van bestemming of door de lidstaat waar het kantoor van uitgang zich bevindt. Een visum aangebracht op een document dat alle gegevens bevat die op een bericht van ontvangst of een bericht van uitvoer moeten voorkomen, geldt als afdoend bewijs.
Indien het hulpkantoor waarvan de afzender afhangt het afdoend bewijs aanvaardt, moet dat hulpkantoor de overbrenging manueel afsluiten in het geautomatiseerde systeem.

Artikel 33

Bepalingen betreffende de vereenvoudigde procedures die in België kunnen ingesteld worden. Uitvoeringsbepalingen zijn opgenomen in artikel 22 van het koninklijk besluit en in artikel 8 van het ministerieel besluit.

24

Artikel 34
Bepalingen betreffende de vereenvoudigde procedures wanneer accijnsgoederen veelvuldig en regelmatig onder een accijnsschorsingsregeling worden overgebracht tussen meerdere lidstaten, waaronder België. Uitvoeringsbepalingen zijn opgenomen in artikel 22 van het koninklijk besluit en in artikel 8 van het ministerieel besluit.

Hoofdstuk 5. Overbrenging van accijnsgoederen en accijnsheffing na uitslag tot verbruik


Afdeling 1. Verkrijging door particulieren




Artikel 35
Bepalingen betreffende verkrijgingen van accijnsgoederen door particulieren. Die bepalingen komen overeen met die welke opgenomen zijn in de artikelen 8 en 9 van de wet van 10 juni 1997.
De aandacht evenwel wordt gevestigd op de nieuwe bepalingen opgenomen in § 4 inzake de fiscale behandeling van geschenken verzonden door een in een andere lidstaat gevestigde particulier aan een in België gevestigde particulier.

Afdeling 2. Hier te lande voorhanden hebben




Artikel 36
Bepalingen betreffende het hier te lande voor commerciële doeleinden voorhanden hebben van accijnsgoederen die in een andere lidstaat reeds tot verbruik zijn uitgeslagen. Deze bepalingen stemmen overeen met die welke zijn opgenomen in artikel 7 van de wet van 10 juni 1997, met uitzondering van volgende punten :

25

- het begrip bestemd voor commerciële doeleinden voor de behoeften van een bedrijf dat op onafhankelijke wijze een economische activiteit uitoefent of van een publiekrechtelijke instelling werd opgeheven en het werd vervangen door het veel bredere begrip van “voor commerciële doeleinden voorhanden hebben” (artikel 36, § 1, tweede alinea);


- de accijnsgoederen verzonden vanuit een andere lidstaat met als bestemming België, en dit onder dekking van een vereenvoudigd geleidedocument (VGD) worden slechts geacht om voor commerciële doeleinden voorhanden te zijn van zodra ze het Belgisch grondgebied bereiken;
- de EMCS-procedure is niet van toepassing op de in dit artikel voorziene overbrengingen; ter zake wordt steeds gebruik gemaakt van het document waarvan sprake in Verordening (EEG) nr. 3649/92 van de Commissie van 17 december 1992 (zie V. 2 in het deel “wettelijke bepalingen” van het Boekwerk Accijns Bewegingen).
Uitvoeringsbepalingen zijn opgenomen in de artikelen 23 en 24 van het koninklijk besluit en in de artikelen 7 en 8 van het ministerieel besluit.


Afdeling 3. Afstandsverkopen




Artikel 37

Bepalingen betreffende de afstandsverkopen. Het betreft bepalingen die identiek zijn aan deze opgenomen in artikel 11 van de wet van 10 juni 1997, met uitzondering van de volgende punten :

26

- in het geval dat de verkoper zich niet heeft gehouden aan de hem opgelegde verplichtingen, wordt de accijns opeisbaar in hoofde van de geadresseerde van de accijnsgoederen;


- een vereenvoudigde procedure kan ingesteld worden in geval de accijnsgoederen veelvuldig en regelmatig het voorwerp zijn van afstandsverkopen.
Uitvoeringsbepalingen zijn opgenomen in de artikelen 15, 23 en 25 van het koninklijk besluit en in de artikelen 2, 4 en 12 van het ministerieel besluit.


Afdeling 4. Vernietiging en verliezen




Artikel 38

Totaal nieuwe bepalingen betreffende de vernietiging en verliezen die zich voordoen bij een overbrenging van accijnsgoederen waarop “reeds accijnzen werden voldaan”. Deze bepalingen zijn vergelijkbaar met die van toepassing voor accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling. Op grond van deze bepalingen is de accijns niet opeisbaar in België bij vernietiging of verliezen die zich hebben voorgedaan of die werden vastgesteld op het Belgisch grondgebied.


Een specifieke procedure van vrijgave van de in België gestelde zekerheid is voorzien in geval van vernietiging of verliezen die zich hebben voorgedaan of die werden vastgesteld op het grondgebied van een andere lidstaat.
Uitvoeringsbepalingen zijn opgenomen in artikel 23, § 2 van het koninklijk besluit.

27


Afdeling 5. Onregelmatigheden tijdens de overbrengingen

van accijnsgoederen




Artikel 39
Totaal nieuwe bepalingen betreffende de onregelmatigheden begaan tijdens de overbrenging van accijnsgoederen waarop “reeds accijnzen werden voldaan”. Deze bepalingen zijn vergelijkbaar met die van toepassing voor accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling. Onderhavige voorschriften bepalen per situatie van onregelmatigheid de lidstaat waar de accijns opeisbaar wordt en de persoon gehouden tot voldoening hiervan.

Hoofdstuk 6. Diversen


Afdeling 1. Merktekens




Artikel 40
Bepalingen betreffende het aanbrengen van fiscale merktekens. Die bepalingen komen overeen met die opgenomen in artikel 26 van de wet van 10 juni 1997.


Afdeling 2. Kleine wijnproducenten




Artikel 41
Bepalingen betreffende de overbrengingen onder een accijnsschorsingsregeling door kleine wijnproducenten. Deze bepalingen komen overeen met die opgenomen in artikel 33 van de wet van 10 juni 1997, met dien verstande evenwel dat de verwijzingen naar de toepasselijke communautaire verordening werden geactualiseerd.

28

Uitvoeringsbepalingen zijn voorzien in artikel 26 van het koninklijk besluit en in artikel 9 van het ministerieel besluit.




Hoofdstuk 7. Slotbepalingen




Artikel 42

Bepalingen betreffende de te stellen zekerheid; hieromtrent wordt verwezen naar de vormen en de voorwaarden van de algemene wet van 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen. Deze bepalingen komen overeen met die opgenomen in artikel 34 van de wet van 10 juni 1997.



Artikel 43

Bepalingen betreffende de aangifte ten verbruik. Ter zake wordt verwezen naar de bepalingen opgenomen in artikel 27 van het koninklijk besluit en in de artikelen 11 en 13 t/m 17 van het ministerieel besluit.



Artikel 44

§ 1. Bepaling voorlopig nog zonder uitvoeringsbesluit.


§ 2. Bepalingen betreffende het in verbruik stellen van bepaalde accijnsgoederen (aardgas, elektriciteit, steenkool, …). Uitvoeringsbepalingen zijn opgenomen in artikel 26, § 2 van het koninklijk besluit en in de artikelen 13 t/m 17 van het ministerieel besluit.

29

Artikelen 45 t/m 48


Strafbepalingen die overeenkomen met die opgenomen in de wet van 10 juni 1997, behoudens voor wat het bedrag van de boete betreft, dat in de artikelen 45 en 46 thans werd vastgesteld op vijf- tot tienmaal de in het spel zijnde accijnzen, gekoppeld aan een minimumbedrag van 250 EUR.

Artikel 49
Bepaling houdende intrekking van de wet van 10 juni 1997 en houdende bepaling dat verwijzing in andere wetten naar de opgeheven wet dienen gelezen te worden als een verwijzing naar de nieuwe wet.

Artikel 50
Overgangsbepalingen die erin voorzien dat tot en met 31 december 2010 voor vertrek vanuit een Belgisch belastingentrepot een papieren AGD bedoeld in de wet van 10 juni 1997 voort kan worden gebruikt. Voor die gevallen blijft de aanzuiveringsprocedure voorzien in de evenvermelde wet van toepassing.

Artikel 51
Bepalingen betreffende overbrengingen van accijnsgoederen die vóór 1 april 2010 zijn aangevangen. Dergelijke overbrengingen moeten voort geschieden conform het bepaalde in de wet van 10 juni 1997.

Artikel 52
Bepaling betreffende de inwerkingtreding van deze wet, namelijk op 1 april 2010.
De Administrateur-generaal Douane en Accijnzen a.i.

Noël Colpin




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina