Overeenkomst tussen de Regering van de Verenigde Staten van Amerika en de Vier Regeringen van de Franse Republiek, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de



Dovnload 51.55 Kb.
Datum20.08.2016
Grootte51.55 Kb.
Overeenkomst tussen de Regering van de Verenigde Staten van Amerika en de Vier Regeringen van de Franse Republiek, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de vestiging, bouw en exploitatie van installaties voor de verrijking van uranium met gebruikmaking van gas-ultracentrifugetechnologie in de Verenigde Staten; Parijs, 24 februari 2011 (Trb. 2011, 83).
Toelichtende Nota


1. Inleiding
Met het oog op de plannen van URENCO om in de Verenigde Staten (VS) een eigen verrijkingsfabriek te bouwen is op 24 juli 1992 te Washington tot stand gebracht de Overeenkomst tussen de drie Regeringen van het Koninkrijk der Nederlanden, de Bondsrepubliek Duitsland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika betreffende de vestiging, bouw en exploitatie van een installatie voor de verrijking van uranium in de Verenigde Staten (Verdrag van Washington) (Trb. 1992, 174). Het Verdrag van Washington is op 1 februari 1995 in werking getreden. Sinds 2 juni 2010 is deze verrijkingsfabriek van URENCO, de zogenaamde National Enrichment Facility (NEF) in bedrijf in Eunice, New Mexico.
URENCO bestaat tegenwoordig uit twee bedrijven, te weten de Enrichment Technology Company (ETC) en de URENCO Enrichment Company (UEC). ETC ontwikkelt en fabriceert de centrifuges waarmee uranium kan worden verrijkt. UEC produceert laagverrijkt uranium met behulp van centrifuges die worden betrokken van ETC.
Bij brief van 26 november 2003 (Kamerstukken II 2003/04, 29 200 XIII, nr. 33) heeft de Minister van Economische Zaken aan de Tweede Kamer meegedeeld dat met instemming van de aandeelhouders, waaronder de Nederlandse Staat, URENCO een commerciële overeenkomst (joint venture) had gesloten met het Franse staatsbedrijf AREVA. Op basis van die overeenkomst gaan beide bedrijven in het kader van ETC gezamenlijk verder met de ontwikkeling en productie van de gas-ultracentrifugetechnologie. Hiertoe heeft AREVA een belang van 50% in ETC genomen.

AREVA zal de ultracentrifugetechnologie van URENCO aanwenden om zijn bestaande, zeer verouderde en door zijn uitermate hoge energieverbruik dure verrijkingsinstallatie op basis van het gasdiffusie-procédé, te vervangen door een nieuwe verrijkingsfabriek, de George Besse II. Voor die laatste is op 12 juli 2005 het Verdrag van Cardiff tot stand gekomen tussen de Regeringen van het Koninkrijk der Nederlanden, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland inzake samenwerking op het gebied van ultracentrifugetechnologie (Verdrag van Cardiff) (Trb. 2005, 266).


AREVA heeft eveneens plannen voor het bouwen van een grote verrijkingsfabriek met ETC-technologie (ultracentrifuges) in de Verenigde Staten (Eagle Rock, Idaho).

De Nederlandse regering draagt tezamen met de regeringen van het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Frankrijk een speciale verantwoordelijkheid met betrekking tot het toezicht op de gas-ultracentrifugetechnologie (hier verder aangeduid als ultracentrifugetechnologie), die in handen is van ETC. Omdat hier sprake is van gevoelige technologie (geschikt voor de verrijking van uranium) kan deze alleen onder strikte voorwaarden overgedragen worden naar andere landen, namelijk alleen indien een verdrag is afgesloten met het ontvangende land, waarin het vereiste toezicht en waarborgen worden geregeld ten aanzien van het vreedzaam gebruik (non-proliferatie), veiligheid en beveiliging.



Het thans voorliggende verdrag is inhoudelijk grotendeels gelijk aan het bovengenoemde Verdrag van Washington, maar regelt – meer generiek – de toelating van verrijkingsinstallaties gebruikmakend van ETC-technologie van zowel URENCO als AREVA op Amerikaans grondgebied.
Voor de Europese verrijkingsindustrie zijn de Verenigde Staten (VS), naast het Verre Oosten, de grootste potentiële groeimarkt. Op dit moment zijn de VS voor meer dan 90% van de verrijkingsbehoefte afhankelijk van import. Daarvan komt bijna de helft uit de Russische Federatie via conversie van overtollig Russisch kernwapenmateriaal. Dit contract loopt echter af in 2013. De NEF-capaciteit van URENCO is reeds volledig verkocht via langjarige contracten met Amerikaanse elektriciteitsbedrijven. De eigen verrijkingsfabriek van de VS, de United States Enrichment Company (USEC), verrijkt op basis van het verouderde, zeer dure en elektriciteitsverslindende gasdiffusiesysteem, voor klanten in de VS en in het Verre Oosten. USEC heeft plannen om dit systeem te vervangen door zelf ontwikkelde gascentrifuges, maar heeft grote technische en financiële problemen om dat te realiseren. Met de snel oplopende vraag en de wens van de VS om minder afhankelijk te worden van importen doen zich zowel voor URENCO als voor AREVA interessante mogelijkheden voor, vooral vanwege de economisch aantrekkelijke en bewezen ultra-centrifugetechnologie van ETC, waarvan de fabriek gevestigd is in Almelo.
De centrifuges en alle benodigde componenten voor de Amerikaanse verrijkingsfabriek van AREVA zullen, evenals dat het geval is voor de VS-fabriek van URENCO, geleverd worden door ETC in Almelo, als “black box”. Dit betekent dat uitsluitend de centrifuges zelf naar de VS worden overgebracht, en niet de technologische know how. De centrifuges zullen in de ETC-fabriek in Almelo worden vervaardigd en onder toezicht van ETC-technici in de Eagle Rock fabriek worden geïnstalleerd. AREVA krijgt derhalve alleen een licentie van ETC voor het gebruik van de technologie. Dit is dezelfde constructie zoals die in 1992 met betrekking tot de NEF-faciliteit van URENCO in de VS (Verdrag van Washington) en in 2005 ten aanzien van de thans onder constructie zijnde Georges Besse II-fabriek van AREVA in Frankrijk is toegepast.
Om van de mogelijkheden op de Amerikaanse markt gebruik te maken, is het volgens AREVA nodig dat zijn fabriek vanaf 2014 kan leveren. Rekening houdend met de bouwtijd dienen met het oog op de vergunningsprocedure bij de Nuclear Regulatory Commission in de loop van 2011 geclassificeerde gegevens aan de VS te worden overgedragen. Dit is echter alleen mogelijk na unanieme toestemming van het Quadripartiete Comité (QuC) dat toezicht houdt op ETC ingevolge het bovengenoemde Verdrag van Cardiff. Die toestemming kan echter alleen gegeven worden nadat er een verdrag is gesloten en in werking is getreden tussen de vier ETC-landen en de VS. Immers, omdat gevoelige technologie zal worden overgedragen aan de VS, zullen de nodige garanties moeten worden verkregen om het weglekken van kennis over de ultra- centrifugetechnologie te verhinderen, zowel met het oog op non-proliferatie als om commerciële redenen. Tevens dienen maatregelen te worden overeengekomen op het gebied van beveiliging en classificatie.

Daartoe is het onderhavige zogenaamde Pentapartiete Verdrag gesloten tussen de Vier Regeringen en de VS.


Hoewel in het verdrag de regeringen als verdragspartijen worden genoemd, geldt het verdrag uiteraard tussen de staten. Nadat het verdrag in werking is getreden, zal door AREVA met de bouw van de verrijkingsfabriek kunnen worden gestart.
2. Het verdrag
In het verdrag worden alle relevante non-proliferatie en overige garanties ter bescherming van de aan de VS overgedragen gevoelige technologie, materialen en uitrusting vastgelegd. Naast bepalingen ter garandering van het vreedzaam gebruik voorziet het verdrag in de verplichting voor de Amerikaanse regering om overgedragen geclassificeerde gegevens ten minste op een gelijkwaardige manier te beschermen als onder het Verdrag van Cardiff is voorzien. Ook worden de modaliteiten van de overdracht nader geregeld en wordt bepaald hoe bij – onverhoopte – inbreuk gehandeld moet worden. Tenslotte wordt in een consultatieprocedure tussen de Partijen voorzien.
In een bij het verdrag behorende bijlage is voorzien in een procedure om ervoor te zorgen dat de gegevens uit de Amerikaanse verrijkingsfabriek, ook als die gegevens op basis van Amerikaanse wetgeving als geclassificeerd te beschouwen zijn, naar ETC of in voorkomend geval naar URENCO of AREVA in Europa overgedragen mogen worden.
Tegelijk met de ondertekening van het Pentapartiete Verdrag is tevens ondertekend een Overeengekomen Notulenverklaring (Agreed Minutes). Dit document bevat een uitwerking van de artikelen I, II, III, IV, VI en XIV. Het doel is de praktische toepassing van de genoemde artikelen te bevorderen. De Overeengekomen Notulenverklaring vormt een integrerend en bindend onderdeel van het verdrag en is van uitvoerende aard ten opzichte van de bepalingen van het verdrag. Wijzigingen van de Overeengekomen Notulenverklaring behoeven op grond van artikel 7, onderdeel b, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen geen parlementaire goedkeuring, behoudens het bepaalde in artikel 8 van die Rijkswet. In de artikelsgewijze toelichting zullen de paragrafen uit de Overeengekomen Notulenverklaring bij het desbetreffende artikel uit het verdrag worden behandeld.
Inhoudelijk sluit het onderhavige verdrag zoveel mogelijk aan bij de reeds bestaande bepalingen van het Verdrag van Washington dat immers dezelfde strekking heeft. Eventuele afwijkingen behelzen met name een aanpassing aan wijzigingen die zich hebben voorgedaan met betrekking tot de URENCO-organisatie sinds het van kracht worden van het Verdrag van Washington. URENCO bestaat immers sinds 2003 uit twee bedrijven.
Gezien de grote gelijkenis tussen het Pentapartiete Verdrag en het Verdrag van Washington en omdat het Pentapartiete Verdrag geen uitvoeringswetgeving behoeft, wordt het verdrag ter stilzwijgende goedkeuring aangeboden aan de Staten-Generaal. De gemaakte afspraken onder dit Pentapartiete Verdrag maken het mogelijk dat ook AREVA een installatie voor de verrijking van uranium kan vestigen, bouwen en exploiteren in de VS.

Tevens vloeien uit het verdrag geen nieuwe verplichtingen voort voor de verdragspartijen bij respectievelijk het Verdrag van Cardiff en de op 4 maart 1970 te Almelo tot stand gebrachte Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden, de Bondsrepubliek Duitsland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland inzake samenwerking bij de ontwikkeling en exploitatie van het gas-ultracentrifugeprocédé voor de productie van verrijkt uranium (Verdrag van Almelo) (Trb. 1970, 41).


3. Artikelsgewijze toelichting
Artikel I Begripsomschrijvingen
De meeste begrippen spreken voor zich en zijn veelal gebaseerd op standaardbepalingen.
Artikel I, onderdeel b,definieert het begrip ultracentrifugetechnologie. Ten aanzien van dit begrip is in de Overeengekomen Notulenverklaring onder paragraaf 1 een nadere afspraak gemaakt. Deze afspraak behelst dat onder centrifugetechnologie zowel centrifugetechnologie van ETC wordt verstaan als operationele technologie.
Artikel I, onderdeel n, definieert het begrip “vertrouwelijke gegevens”. Het betreft hier een begrip uit de Amerikaanse ‘Atomic Energy Act’ en heeft betrekking op alle gegevens betreffende: (1) het ontwerp, de vervaardiging of het gebruik van kernwapens; (2) de productie van bijzondere splijtstoffen; of (3) het gebruik van bijzondere splijtstoffen bij het opwekken van energie. Deze term heeft echter geen betrekking op gedeclassificeerde gegevens of gegevens die ingevolge sectie 14w2 van de Atomic Energy Act uit de categorie ‘Restricted Data’ zijn verwijderd.

Artikel II Werkingssfeer
Artikel II, eerste lid, onderdeel a, geeft aan dat het verdrag betrekking heeft op het mogelijk maken door de Vier Regeringen van de overdracht van ETC centrifugetechnologie aan de VS met het oog op het vestigen, bouwen en exploiteren van uraniumverrijkingsinstallaties (bijvoorbeeld via het afgeven van de benodigde exportvergunningen).
In paragraaf 2 van de Overeengekomen Notulenverklaring (ad artikel II en artikel IV) is op verzoek van de Vier Regeringen afgesproken dat de Vier Regeringen, ETC of, in voorkomend geval URENCO of AREVA, altijd toegang zullen hebben tot gelijksoortige centrifuge technologie buiten de VS. Voorts hebben de Vier Regeringen, ETC of, in voorkomend geval URENCO of AREVA, altijd toegang tot door hen overgedragen technologie en gegevens die niet geclassificeerd zijn.
In het eerste lid, onderdeel b, wordt aangegeven dat het verdrag betrekking heeft op het mogelijk maken door de VS van genoemde overdracht (bijvoorbeeld via het afgeven van de benodigde invoervergunningen).
In het eerste lid, onderdeel c, wordt bepaald dat het verdrag betrekking heeft op de toegang van ETC en, in voorkomend geval van URENCO en AREVA, tot de in de Amerikaanse verrijkingsfabriek gegenereerde gegevens, ook als deze gegevens vallen onder de Amerikaanse definitie van “vertrouwelijke gegevens”. De eventuele toegang van URENCO en AREVA zal enkel onder supervisie van de Vier Regeringen en onder bepaalde voorwaarden plaatsvinden. Daarvoor is een gedetailleerde procedure opgenomen in de Bijlage.

Dergelijke gegevens mogen ingevolge Amerikaanse wetgeving niet zonder een nucleaire samenwerkingsovereenkomst (Agreement for Cooperation) overgedragen worden aan buitenlandse partijen. Voor ETC is het echter zonder meer noodzakelijk dat men toegang heeft tot operationele bedrijfsgegevens teneinde een efficiënte en veilige bedrijfsvoering van de verrijkingsfabriek in de VS te verzekeren. Van de zijde van de Vier Regeringen is daarbij steeds beklemtoond dat alle operationele gegevens die ontstaan tijdens de bedrijfsvoering van de Amerikaanse fabriek uitsluitend voortkomen uit het gebruik van ETC-technologie en dat deze gegevens in geen enkel opzicht iets nieuws voor ETC zouden betekenen, ook al zouden die gegevens onder de definitie van “vertrouwelijke gegevens” vallen.



In het eerste lid, onderdeel d, tenslotte wordt vastgesteld dat het verdrag betrekking heeft op de toegang van de Vier Regeringen, van ETC en, in voorkomend geval van URENCO en AREVA, tot gegevens die betrekking hebben op de internationale waarborgen van de Amerikaanse AREVA-fabriek. Deze gegevens vallen in de regel onder de Amerikaanse categorie “National Security Information”.
In paragraaf 3 van de Overeengekomen Notulenverklaring (ad artikel II, eerste lid, onderdeel d) is op Amerikaans verzoek vastgelegd dat toegang van de Vier Regeringen tot de gegevens die vallen onder de categorie “National Security Information”, geregeld wordt volgens de bepalingen van de relevante algemene verdragen voor de uitwisseling van beveiligde gegevens tussen de betrokken landen.
Het tweede lid is het complement van het eerste lid en bepaalt dat voor ETC nieuwe gegevens vallend onder de definitie van “vertrouwelijke gegevens” niet mogen worden overgedragen zoals bepaald in sectie 144 a van de Atomic Energy Act.
In het derde en vierde lid wordt gesteld dat niets in het Pentapartiete Verdrag de uitvoering mag hinderen van het Verdrag van Almelo en het Verdrag van Cardiff door de Partijen bij die verdragen.
In het vijfde lid tenslotte wordt uitdrukkelijk bepaald dat dit verdrag niet van toepassing is op de NEF-uraniumverrijkingsfabriek van URENCO in Eunice, New Mexico. Op deze fabriek blijft derhalve het Verdrag van Washington van toepassing. Dit lid is opgenomen om tegemoet te komen aan een uitdrukkelijk verzoek van URENCO dat beargumenteerd kon aantonen dat het wegvallen van de toepassing van het Verdrag van Washington op deze fabriek zou leiden tot rechtsonzekerheid en grote financiële nadelen, die niet afdoende kunnen worden geadresseerd door het opnemen van overgangsbepalingen in het Pentapartiete Verdrag.
Artikel III Vreedzaam gebruik
Dit artikel legt de verplichting vast tot het uitsluitend vreedzaam gebruik in de VS van alle onder het verdrag vallende technologie, uitrusting en materialen. In paragraaf 4 van de Overeengekomen Notulenverklaring (ad artikel III) is onder meer bepaald dat ook technologische gegevens die in de te bouwen installatie zijn verkregen en terugkeren naar een van de Vier Regeringen uitsluitend voor vreedzame doeleinden mogen worden gebruikt. Voorts is bepaald dat deze verplichting niet verder gaat dan de reeds bestaande verplichtingen voor de Partijen op grond van het op 1 juli 1968 te Londen / Moskou / Washington totstandgekomen Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens (Non-Proliferatie Verdrag) (Trb. 1968, 126).
Artikel IV Toepassing van internationale waarborgen
Hoewel de VS als kernwapenstaat onder het Non-Proliferatie Verdrag niet verplicht zijn tot het toelaten van inspectie door de Internationale Organisatie voor Atoomenergie (IAEA) hebben de VS sinds 1980 op vrijwillige basis toch toepassing van IAEA-waarborgen ten aanzien van hun civiele nucleaire activiteiten aanvaard en terzake de VS-IAEA Waarborgen Overeenkomst (IAEA-document INFCIRC/288) gesloten. Onderdeel van deze Overeenkomst vormt een lijst waarop alle civiele nucleaire installaties in de VS vermeld staan die aan IAEA-waarborgen zijn onderworpen. De IAEA-inspecteurs hebben het recht elk van deze installaties te bezoeken en te inspecteren. Ook de onder het Pentapartiete Verdrag te bouwen AREVA-fabriek zal op deze lijst worden geplaatst.

Sinds de totstandkoming van het Verdrag van Washington hebben zich op het gebied van het internationale waarborgenstelsel van de IAEA nieuwe ontwikkelingen voorgedaan en is op

22 september 1998 te Wenen totstandgekomen het Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst tussen de Republiek Oostenrijk, het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Republiek Finland, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Portugese Republiek, het Koninkrijk Spanje, het Koninkrijk Zweden, de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Internationale Organisatie voor Atoomenergie ter uitvoering van artikel III, leden 1 en 4, van het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens (Trb. 1999, 147) (hierna te noemen het Additionele Protocol). In het licht van deze ontwikkelingen is de tekst van het derde lid van artikel IV geactualiseerd ten opzichte van een soortgelijke bepaling in het Verdrag van Washington. Overigens is voor de VS in januari 2009 ook het Additionele Protocol in werking getreden, waardoor de inspectiemogelijkheden van het IAEA in de VS aanzienlijk zijn verruimd.
Paragraaf 5 van de Overeengekomen Notulenverklaring specificeert de uitvoering van artikel IV. Punt a) heeft betrekking op de wijze van toepassing van IAEA-waarborgen met betrekking tot ultracentrifugeverrijkingsfabrieken waarover in de jaren 1980-1983 intensief overleg heeft plaatsgevonden. Hieraan werd deelgenomen door zes landen, te weten de VS, Japan, Australië, de drie URENCO-landen, alsmede de IAEA en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom). Dit overleg wordt daarom aangeduid als het Hexapartite Safeguards Project (HSP). In 1983 resulteerde dit overleg in een eindrapport, waarin de meest adequate wijze van toepassen van waarborgen op centrifugeverrijkingsfabrieken wordt beschreven. Dit model wordt sindsdien door de IAEA toegepast in Japan en door IAEA en Euratom in de vier Europese landen. In Australië bevindt zich, anders dan destijds werd voorzien, geen relevante installatie.

In artikel IV wordt bepaald dat de in de VS te bouwen installaties aan gelijkwaardige IAEA-waarborgen moeten worden onderworpen als de waarborgen die in de Europese landen (op basis van HSP) gelden. Over de tenuitvoerlegging van dit artikel zullen de vijf regeringen elkaar volledig op de hoogte houden.


Met betrekking tot de VS-IAEA Waarborgen Overeenkomst kunnen zich omstandigheden voordoen die het toepassen van waarborgen ten aanzien van onder het onderhavige verdrag vallende nucleaire materialen en de te bouwen installaties kunnen beïnvloeden. Dit betreft met name beëindiging of wijziging van de VS-IAEA Waarborgen Overeenkomst en het overbrengen van onder het onderhavige verdrag vallend nucleair materiaal naar een bestemming in de VS die niet voor toepassing van IAEA-waarborgen is aangemeld. In zulke gevallen zal de regering van de VS krachtens punt b) van paragraaf 5 van de Overeengekomen Notulenverklaring de Vier Regeringen inlichten over de mogelijke gevolgen voor onder het onderhavige verdrag vallend nucleair materiaal. De Vier Regeringen kunnen daarin aanleiding zien om consultaties met de regering van de VS aan te vragen onder artikel XIII. Artikel IV, derde lid, geeft de overeenstemming van de verdragsluitende partijen weer dat de installaties onder de daar beschreven IAEA waarborgen moeten blijven gesteld, die vergelijkbaar zijn met – kort gezegd – de waarborgen van de vier Europese partijen en in overeenstemming met INFCIRC/288 (+ Additioneel Protocol) voor de Verenigde Staten. In paragraaf 5 van de Overeengekomen Notulenverklaring wordt geduid wat er (procedureel) vereist is als er iets wijzigt in INFIRC/288 of als er nucleair materiaal verplaatst zou worden. Dit laat onverlet het niveau van bescherming waarin artikel IV van het verdrag voorziet. Van een eenzijdige vermindering kan geen sprake zijn. De vier Europese verdragspartijen zullen bij elke hiervoor geduide wijziging nauwlettend bewaken dat recht gedaan wordt aan artikel IV. De verplichting voor de Verenigde Staten tot informeren van de vier Europese landen moet in dat licht worden gezien.
Artikel V Fysieke Beveiliging
Elke verrijkingsinstallatie die valt onder de toepassing van dit verdrag alsmede de daarin aanwezige materialen en uitrusting dienen in de VS afdoende beveiligd te worden. Dit betekent dat de nodige voorzieningen dienen te worden getroffen op organisatorisch, bouwkundig en elektronisch gebied. Onder auspiciën van de IAEA zijn aanbevelingen opgesteld die in internationaal verband brede acceptatie genieten en die sinds de eerste publicatie in 1972 een aantal malen grondig zijn herzien en zijn uitgegeven door de IAEA in document INFCIRC/225 rev 4.

Zoals uit de tekst van het artikel blijkt, dient de Amerikaanse overheid ten minste een beveiligingsniveau voor te schrijven zoals in het IAEA-document aanbevolen wordt. Voor de specifieke beveiliging van de gevoelige technologie dienen de vijf verdragspartijen gezamenlijk beveiligingsvoorschriften vast te stellen.


Artikel VI Overdrachten
Dit artikel bepaalt dat het onder het verdrag vallende materiaal alleen vanuit de VS mag worden geëxporteerd, indien het ontvangende land non-proliferatiegaranties verstrekt welke ten minste gelijkwaardige zijn aan de garanties in het Pentapartiete Verdrag en die zijn ontleend aan de in het kader van de groep van nucleaire exporteurlanden (Nuclear Suppliers Group) overeengekomen richtlijnen, gepubliceerd in IAEA-document INFCIRC/254.
Om onnodige vertraging in de besluitvorming te vermijden en daarbij een zo groot mogelijke transparantie en voorspelbaarheid te garanderen, is op voorstel van de VS aangegeven welke landen, in aanvulling op de Euratom-Lidstaten, in aanmerking zouden komen voor de levering van onder het verdrag vallend nucleair materiaal vanuit de VS. Dit is bepaald in paragraaf 6 van de Overeengekomen Notulenverklaring.
De overdracht vanuit de VS van technologie vallende onder het verdrag is alleen toegestaan naar partijen bij het verdrag, afhankelijk vanuit welke partij de desbetreffende technologie oorspronkelijk is overgedragen aan de VS. Met technologie wordt hier bedoeld de ultracentrifugetechnologie van ETC (niet alleen de kennis en expertise terzake maar ook de centrifuges) en de operationele technologie. Deze bepaling ziet er op dat de betreffende technologie weer teruggeleverd mag worden aan de oorspronkelijk leverende staat, maar dat niet aan andere landen die geen partij zijn bij het Pentapartiete Verdrag geleverd mag worden. Dit laat onverlet dat ETC haar rechten op de technologie houdt, ook gedurende het gebruik daarvan in de VS.
Overdracht van gegevens die binnen de VS zijn geclassificeerd als “vertrouwelijke gegevens”, is alleen toegestaan naar de Vier Regeringen, met dien verstande dat conform artikel II, tweede lid, gegevens die nieuw zijn voor ETC niet vanuit de VS mogen worden overgedragen Bovendien dient de overdracht van deze “vertrouwelijke gegevens” te geschieden met inachtneming van de procedure vastgelegd in de Bijlage bij dit verdrag.
Artikel VII Verantwoordelijke instanties
Voor de uitvoering van hetgeen met betrekking tot de rubricering en de bescherming van gegevens is overeengekomen in de artikelen VIII, IX en X is het noodzakelijk, zoals dat destijds ook in het Verdrag van Washington is gebeurd, overheidsorganen aan te wijzen.

In de VS is de National Regulatory Commission (NRC) als verantwoordelijke instantie aangewezen. Voor de Vier Regeringen is dat de Quadripartiete Instantie bestaande uit de vertegenwoordigers van de vier nationale nucleaire beveiligingsdiensten. In Nederland is dat de coördinator Nucleaire Beveiliging en Safeguards van het Inspectoraat voor de Leefomgeving dat valt onder het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Het is met name voor de VS van belang aan Europese zijde één duidelijk contactpunt te hebben indien over de uitvoering van deze bepalingen overleg noodzakelijk is. Als zodanig fungeert bij jaarlijkse toerbeurt een van de nationale instanties.


Artikel VIII Rubriceringsgraden en de overdracht van gerubriceerde gegevens
De basis voor een systeem voor de beveiliging van gevoelige gegevens is de rubricering van dergelijke gegevens. Onder rubriceren dient te worden verstaan het selecteren van gegevens die voor beveiliging in aanmerking komen en het daaraan toekennen van een graad van beveiliging. Bij de rubricering wordt het principe van compilatie toegepast, dat wil zeggen bij het voorhanden zijn van diverse gerubriceerde gegevens zal in het algemeen de rubriceringsgraad en daarmee de beveiliging verhoogd worden.
In verband met het belang van een adequate beveiliging gedurende de overbrenging van gerubriceerde gegevens zijn in het derde lid over de wijze van overbrenging eveneens afspraken gemaakt.
Artikel IX Beveiliging van gerubriceerde gegevens
In het eerste lid is bepaald dat de VS en de Vier Regeringen niet slechts de nodige bescherming zullen geven aan gerubriceerde gegevens die zijn overgebracht naar de VS, maar dat die bescherming zich tevens zal uitstrekken tot gerubriceerde gegevens die voortkomen uit het gebruik in de VS van de overgebrachte gegevens.

Toegang tot gerubriceerde gegevens mag uitsluitend worden verleend aan personen die gerechtigd zijn door een van de in artikel VII bedoelde verantwoordelijke instanties, tot toegang tot gerubriceerde gegevens met op zijn minst dezelfde rubriceringsgraad (maar niet minder dan vertrouwelijk) in hun eigen land. Uitgangspunt hierbij is dat de verantwoordelijke instantie van het land waarvan de desbetreffende persoon de nationaliteit bezit, de toestemming geeft.

In elk geval zal nooit toegang worden verleend tot geclassificeerde gegevens die ontstaan zijn in de VS en aldaar als “vertrouwelijke gegevens” zijn gerubriceerd, aan personen die niet de nationaliteit hebben van een van de vijf verdragspartijen zonder de voorafgaande schriftelijke toestemming van de vijf Partijen.

Het tweede lid heeft met name betrekking op het geven van de nodige gegevens en ondersteuning aan de VS bij het opstellen en zo nodig herzien van de rubriceringslijst.


Artikel X Verlies van gerubriceerde gegevens
In dit artikel is een notificeringssysteem afgesproken voor het geval dat gerubriceerde gegevens verloren gaan.

Het tweede lid dient met name om de Vier Regeringen de mogelijkheid te bieden gegevens over te leggen die van belang kunnen zijn voor de bij het onderzoek betrokken VS autoriteiten. Dit lid legt tevens vast dat de Vier Regeringen over het instellen van een onderzoek of een strafvervolging alsmede het resultaat daarvan zullen worden geïnformeerd. Dit is van belang omdat dergelijke gegevens de noodzaak kunnen aantonen tot aanpassing van voorschriften of anderszins te treffen maatregelen in de vier Europese landen.

Soortgelijke bepalingen als voorzien in dit artikel zijn ook opgenomen in het Verdrag van Almelo en het Verdrag van Washington.
Artikel XI Beveiliging van tot de industriële eigendom behorende gegevens
Dit artikel voorziet in soortgelijke bepalingen met betrekking tot de bescherming van gegevens behorend tot de industriële eigendom als opgenomen in het Verdrag van Washington.

In het eerste lid wordt bepaald dat alle overgedragen gegevens, ongeacht het karakter daarvan, door de VS voor geen enkel ander doel zullen worden gebruikt dan voorzien in dit verdrag zonder de voorafgaande schriftelijke toestemming van de Vier Regeringen. De term “aanwenden” dekt elk mogelijk gebruik. Met andere woorden, dergelijke gegevens zullen evenmin worden gepubliceerd of anderszins worden verspreid. Bovendien is hiermee afgesproken dat de Amerikaanse overheid de ETC-gegevens niet mag aanwenden voor haar eigen verrijkingsactiviteiten.


Het tweede lid voorziet uitdrukkelijk in bescherming van tot de industriële eigendom behorende gegevens overeenkomstig de Amerikaanse wetgeving terzake.
Het derde lid regelt expliciet dat de commerciële gegevens die in het kader van de vergunningsprocedure beschikbaar dienen te worden gesteld, eveneens zullen worden beschermd.
Het vierde lid voorziet in een consultatieprocedure tussen de VS en de Vier Regeringen over te nemen maatregelen, wanneer om een of andere reden de VS zich geconfronteerd ziet met de onmogelijkheid gegevens behorende tot de industriële eigendom te beschermen.
Artikel XII Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie
Dit artikel is een standaardbepaling die de EGA-Lidstaten gebruiken in hun nucleaire overeenkomsten. Een dergelijke formulering was ook al opgenomen in de Verdragen van Almelo, Washington en Cardiff. Overeenkomstig artikel 103 van het op 25 maart 1957 te Rome totstandgekomen Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie is van het onderhavig verdrag mededeling gedaan aan de Europese Commissie. Tot slot wordt opgemerkt dat de bepalingen uit het EGA-verdrag inzake het Voorzieningenagentschap niet van toepassing zijn op het onderhavige verdrag. Het Pentapartiete verdrag ziet alleen op de overdracht van technologie en niet op de overdracht van ertsen, grondstoffen of bijzondere splijtstoffen.
Artikel XIII Overleg
De VS en de Vier Regeringen zullen overleg plegen over de toepassing of de uitleg van het verdrag indien dit door hen gewenst wordt.
Artikel XIV Inwerkingtreding en duur
Ingevolge het eerste lid zal het verdrag in werking treden nadat in de vijf Partijen aan alle wettelijke vereisten daartoe zal zijn voldaan. Voor het Koninkrijk betekent dit na bekrachtiging.

Onderhavig verdrag blijft van kracht voor een periode van 30 jaar en wordt automatisch verlengd voor 15 jaar, tenzij of de VS, of Frankrijk of de overige drie ETC-landen één jaar van tevoren te kennen geven het verdrag te willen opzeggen. Met dien verstande echter dat indien de wens om op te zeggen kenbaar wordt gemaakt door een van de Vier Regeringen (dus niet de VS), het verdrag van kracht blijft voor de overige Partijen indien zij schriftelijk te kennen hebben gegeven dat te willen.

Artikel XIV wijkt hier af van artikel XIV in het Verdrag van Washington. Aan Franse zijde bestonden problemen omdat in eerste instantie bepaald was (conform het Verdrag van Washington) dat Frankrijk voor de duur/opzegging van het verdrag afhankelijk zou zijn van de andere partners. De Franse grondwet verzet zich hiertegen. De Franse grondwet vereist namelijk dat Frankrijk het zelfstandige recht heeft een verdrag al dan niet op te zeggen. Uiteindelijk is daarom een tekstvoorstel overeengekomen waarbij Frankrijk expliciet genoemd wordt als Partij die gerechtigd is het verdrag na 30 jaar eigenstandig op te zeggen.
Het tweede lid bepaalt dat, ook al is het onderhavige verdrag beëindigd of geëxpireerd, de bepalingen met betrekking tot vreedzaam gebruik, toepassing van internationale waarborgen, fysieke beveiliging, overdrachten, beveiliging en bescherming van geclassificeerde gegevens en van industriële eigendomsgegevens onverminderd van kracht blijven zolang ook maar iets van het overgedragen materiaal zich in de VS of onder diens jurisdictie bevindt. Slechts wanneer de vijf regeringen overeenkomen dat het desbetreffende materiaal niet langer meer bruikbaar is voor nucleaire activiteiten waarvoor internationale waarborgen gelden, zullen bovengenoemde garanties en beschermende bepalingen niet meer van toepassing zijn.
Bijlage
In de bijlage bij het verdrag is op Amerikaans verzoek op gedetailleerde wijze de procedure beschreven die moet garanderen dat geen als “vertrouwelijke gegevens” bestempelde gegevens aan ETC, of in voorkomend geval aan URENCO of AREVA, worden overgedragen, die in de Amerikaanse AREVA-fabriek gegenereerd zijn en die – op grond van de ervaringen van ETC in haar Europese fabrieken – als nieuw voor ETC, of in voorkomend geval voor URENCO of AREVA, kunnen worden beschouwd.

Basis van de procedure is een door ETC en, in voorkomend geval URENCO en AREVA, op te stellen “Technology Guide” waarin ETC zal aangeven welke gegevens zij denkt dat in de Amerikaanse fabriek gegenereerd zullen worden en waarom die gegevens niet als nieuw voor ETC, en in voorkomend geval URENCO en AREVA, kunnen worden beschouwd.

De bijlage vormt een integrerend onderdeel van het verdrag en is aan te merken als zijnde van uitvoerende aard. Verdragen tot wijziging van de bijlage behoeven ingevolge artikel 7, onderdeel f, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen geen parlementaire goedkeuring, tenzij de Staten-Generaal zich thans het recht tot goedkeuring terzake voorbehouden.
4. Koninkrijkspositie
Het verdrag zal, voor wat het Koninkrijk betreft, alleen gelden voor het Europese deel van Nederland, waartoe de reikwijdte van het verdrag zich beperkt.

De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,


De Minister van Buitenlandse Zaken,
De Minister van Infrastructuur en Milieu,







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina