Overheidstoezicht op buitenlandse rechtspersonen Erasmus Instituut Toezicht & Compliance Juni 2008 Prof dr. H. G. van de Bunt Mr. T. J. van Koningsveld Prof mr. M. J kroeze Mr drs. B. van der Vorm Prof mr



Dovnload 127.63 Kb.
Pagina1/7
Datum19.08.2016
Grootte127.63 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7





Overheidstoezicht op buitenlandse rechtspersonen

Erasmus Instituut Toezicht & Compliance

Juni 2008

Prof.dr. H.G. van de Bunt

Mr. T.J. van Koningsveld

Prof.mr. M.J Kroeze

Mr.drs. B. van der Vorm

Prof.mr. J.B. Wezeman

Mw. drs. C.G. van Wingerde

Mw. drs. A. Zonnenberg

Dit rapport is een uitgave van het Erasmus Instituut Toezicht en Compliance. Dit instituut is een initiatief van verschillende faculteiten binnen de Erasmus Universiteit Rotterdam en beoogt onderzoek en onderwijs op het gebied van toezicht en compliance op een interdisciplinaire, maatschappelijk relevante wijze te stimuleren en uit te voeren.


Contactgegevens

Erasmus Instituut Toezicht & Compliance

Erasmus Universiteit

Postbus 1738

Kamer L7-26

3000 DR Rotterdam

Tel: 010-408 8917

Fax: 010-408 8914


info@toezichtencompliance.nl

www.toezichtencompliance.nl



Eerder in deze reeks verschenen:

  1. Nationaal Commissarissen Onderzoek 2007. De Bos, A., Lückerath-Rovers, M., en Quadackers, L.M.. November 2007.

  2. De Nederlandse ‘Female Board Index’ 2007. Lückerath-Rovers, M. Februari 2008.


ISBN 978-90-5677-040-2
© Erasmus Instituut Toezicht & Compliance
All rights reserved. No part of this publication may be reproduced or transmitted in any form or by any means electronic or mechanical, including photocopying, recording, or by any information storage and retrieval system, without explicit permission from the author.

INHOUDSOPGAVE


1 Ten geleide 5

2 Van preventief naar doorlopend toezicht 7

1.1 Een beknopte historie 7

1.2 Een veelbesproken onderwerp 8

1.3 Wijziging van het overheidstoezicht 9

1.4 Buitenlandse rechtspersonen 12

3 2 Juridische kenmerken van buitenlandse rechtspersonen 15

2.1 Inleiding 15

2.2 Verantwoording van de selectie van rechtspersonen 15

2.3 Onderzochte rechtsvormen 17

2.4 Methode van onderzoek 17

2.5 De aard van buitenlandse rechtspersonen: weergave van de uitkomsten 18

2.6 Karakteristieken van de verschillende buitenlandse rechtspersonen in Nederland 18

2.7 Misbruik van buitenlandse rechtspersonen 24

2.8 Conclusie 25

3 Misbruik van buitenlandse rechtspersonen in de praktijk 27

3.1 Kern en verschijningsvormen van misbruik 27

3.2 Casuïstiek 30

4 Samenvatting en conclusie 39

Referenties 41




1Ten geleide


In de komende jaren zal het toezicht op rechtspersonen worden gewijzigd. In plaats van het preventieve toezicht (gericht op de oprichting van rechtspersonen) komt het accent te liggen op ‘monitoring’, dat wil zeggen op het permanent volgen van de rechtspersoon. Volgens het huidige Nederlandse recht dienen oprichters van een naamloze en besloten vennootschap een verklaring van geen bezwaar te verkrijgen alvorens tot oprichting van een van deze rechtspersonen kan worden overgegaan. Dit preventieve toezicht op rechtspersonen beperkt zich echter tot de oprichting en statutenwijziging. Eén van de bezwaren aan deze vorm van toezicht is dat misbruik van rechtspersonen niet goed kan worden aangepakt. Immers, zodra een vennootschap is opgericht is er geen controlemoment meer, tenzij er een statutenwijziging plaatsvindt. Verscherping van dit zogeheten preventieve toezicht zou ertoe kunnen leiden dat oprichters de strenge eisen omzeilen door (eerder) te kiezen voor een buitenlandse rechtsvorm. In het nieuwe systeem zullen de bestuurders en de activiteiten van rechtspersonen doorlopend gescreend worden. Ook buitenlandse rechtspersonen die in Nederland opereren zullen met dit nieuwe toezicht te maken gaan krijgen. Dit roept interessante vragen op over onder andere de aard van de buitenlandse rechtspersonen die in Nederland activiteiten verrichten, maar ook, vanuit het oogpunt van misbruik, over de gevoeligheid van verschillende typen buitenlandse rechtspersonen voor misbruikconstructies.
In dit rapport wordt de misbruikgevoeligheid van enkele veel voorkomende buitenlandse rechtspersonen bekeken. Dit rapport is gebaseerd op een breder onderzoek uitgevoerd in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatie Centrum.1 Op basis van verschillende empirische gegevens is in die verkennende studie inzicht gegeven in de aard, omvang en ernst van misbruik van buitenlandse rechtspersonen in Nederland en is getracht een antwoord te formuleren op de vraag welke problemen de buitenlandse rechtspersoon concreet oplevert in de praktijk van toezicht en controle op rechtspersonen. Het onderhavige rapport is als volgt opgebouwd: in het eerste hoofdstuk worden de ontwikkelingen in het toezicht op Nederlandse kapitaalvennootschappen beschreven. Vervolgens wordt in de hoofdstukken 2 en 3 de misbruikgevoeligheid van enkele veel voorkomende buitenlandse rechtspersonen (veelal kapitaalvennootschappen) in kaart gebracht aan de hand van hun juridische kenmerken en enkele praktijkvoorbeelden waarin dat risico zich gerealiseerd heeft. Tot slot worden de belangrijkste bevindingen samengevat en de conclusies gepresenteerd.


2Van preventief naar doorlopend toezicht

1.1 Een beknopte historie


In 1810 lijfde het eerste Franse Keizerrijk het Koninkrijk Holland in. Met de gedwongen invoering van de Franse Code de Commerce in 1811 kreeg het preventieve overheidstoezicht op kapitaalvennootschappen in Nederland voet aan de grond.2 Het Wetboek van Koophandel, dat in 1838 werd ingevoerd, schreef voor de oprichting van een naamloze vennootschap Koninklijke bewilliging voor. (De besloten vennootschap bestond nog niet en werd pas in 1971 in het Nederlandse recht ingevoerd). Daartoe moest de oprichtingsakte, of een ontwerp daarvan, aan de Koning worden ingezonden. Voor elke statutenwijziging was eveneens Koninklijke bewilliging vereist. Een belangrijk argument voor invoering van dit preventieve overheidstoezicht was het tegengaan van misbruik van de naamloze vennootschap. Hiervoor bestond vrees omdat een aansprakelijke persoon in de naamloze vennootschap ontbrak. De memorie van toelichting vermeldde hierover het volgende:
‘In dat geval moet zij [de wet] ook voor het algemeen welzijn zorgen, en, zoo veel doenlijk, voorkomen dat derden, die te goeder trouw hunne goederen, hunne kapitalen of hunnen arbeid aan eene naamlooze maatschappij leveren, niet, ten gerijve van eenige weinigen, van allen redelijken waarborg worden verstoken, - hetgeen werkelijk het geval zoude zijn, indien de deelhebbers van alle personeele verantwoordelijkheid werden ontheven en tevens het toezigt van de Regering werd afgeschaft.’3
De Koninklijke bewilliging is in de nieuwe vennootschapswet van 1928 gewijzigd in de ministeriële verklaring van geen bezwaar. Bij latere wetswijzigingen, onder andere die in 1971, in 1976 en in 2001 is de ministeriële verklaring van geen bezwaar behouden gebleven. Voor oprichting van een naamloze of besloten vennootschap of bij wijziging van de statuten is ook nu nog een ministeriële verklaring van geen bezwaar vereist. Dit suggereert grote continuïteit. In werkelijkheid is de reikwijdte van het ministeriële toezicht in 2001 danig ingeperkt. Tot die datum bepaalde art. 2:68/179 lid 2 BW (oud) dat de verklaring alleen geweigerd mocht worden ‘op grond dat er, gelet op de voornemens of de antecedenten van de personen die het beleid van de vennootschap zullen bepalen of mede bepalen, gevaar bestaat dat de vennootschap zal worden gebruikt voor ongeoorloofde doeleinden of dat haar werkzaamheid zal leiden tot benadeling van haar schuldeisers; of dat de akte in strijd is met de openbare orde of de wet’.
Deze toetsingsnorm duidde op de twee functies van het preventieve overheidstoezicht. Er was toezicht op de financiële en criminele antecedenten van degenen die het beleid van de vennootschap (mede) gaan bepalen en er was toezicht op de juridisch-technische inhoud van de statuten van NV’s en BV’s. Met invoering van de Wet herziening preventief toezicht in 2001 is, uit het oogpunt van misbruikbestrijding, alleen het antecedentenonderzoek behouden gebleven.4 Het toezicht op de juridisch-technische inhoud van de statuten is aan het notariaat overgelaten. Sindsdien luidt de toetsingsnorm in art. 2:68/179 lid 2 BW dat de verklaring alleen geweigerd mag worden ‘op grond dat er, gelet op de voornemens of de antecedenten van de personen die het beleid van de vennootschap zullen bepalen of mede bepalen, gevaar bestaat dat de vennootschap zal worden gebruikt voor ongeoorloofde doeleinden of dat haar werkzaamheid zal leiden tot benadeling van haar schuldeisers’.



  1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina