Overweging bij Jesaja 7,10-14 Een naam krijgen 30 november 2014



Dovnload 10.3 Kb.
Datum02.10.2016
Grootte10.3 Kb.
Overweging bij Jesaja 7,10-14 Een naam krijgen 30 november 2014
Toen ik het kinderproject voor de advent las, dacht ik: dat jongetje, profeetje Joshua, is gemodelleerd naar de profeet Jesaja en de profeet Jezus.

Beiden kunnen het niet zien dat mensen niet meetellen en in het duister leven, geen vrede en geen thuis hebben. Beiden lijden zij eronder als mensen niet tot hun recht komen.

Hun passie voor gerechtigheid drijft hen tot actie.

Zij proberen mensen wakker te schudden, hoop te geven en in beweging te zetten.


We zijn in het jaar 734 voor onze jaartelling.

Jesaja heeft een conflict, een politiek conflict, met Achaz, de koning van Juda.

Het gaat over al of niet een coalitie vormen tegen het machtige Assyrië.

Jesaja vertrouwt op het kleine, het samen gaan van de koninkrijkjes.

Achaz zet zijn kaarten op de macht, op Assyrië.

Jesaja heeft het over een teken. Dat teken is een kind dat geboren gaat worden.

Wat is er weerlozer, kwetsbaarder dan een pasgeboren kind?

Toch verwijst Jesaja naar een kind om je hoop op te stellen. Want in een kind is er toekomst.

In een kind groet ons een warme wereld van licht en vrede.

In een kind spreekt het liefste wat in mensen leeft, raakt de hemel de aarde.


Welk kind Jesaja bedoelde, weten we niet.

Doelt hij op een zoon voor koning Achaz? Of denkt hij aan een messiaanse toekomstfiguur?

Het kind zal de naam Immanuël krijgen.

Precies om deze naam hebben de eerste christenen in de jonge vrouw Maria gezien en in de zoon Jezus. Evangelist Matteüs verhaalt dit letterlijk zo (Mt. 1,20-23).

Want Immanuël is de uitleg van de Godsnaam: God met ons.

In het kind Jezus komt God onder ons, wordt God mens.

In hem komt Gods mensenliefde en nabijheid aan het licht.

Dat wordt duidelijk uit heel het leven zoals hij het leeft.

Wie buitengesloten is, haalt hij in de kring; wie het minst telt, geeft hij een plek vooraan; de verzwegenen geeft hij een naam en een gezicht.
Pas als je een naam hebt, ben je iemand.

Je naam is nauw verbonden met wie je bent, met je identiteit.

Met de naam die je hebt, kun je aangesproken worden.

En kun je jezelf uiten als degene die je bent.

We voelen allemaal aan dat het waar is: het gekend zijn is de basis van het mens zijn.

Gekend zijn door de ander maakt je tot mens.

Jij die mij ik maakt – het is de prachtige titel van een boekje van Oosterhuis.

Andere mensen maken je 'ik', vanaf je geboorte, door je aan te kijken, aan te raken, aan te spreken.

Wie heeft het niet wel eens meegemaakt: aan de kant geschoven worden, genegeerd, miskend of verloochend worden, nooit eens een compliment krijgen. Je mag geen naam hebben.

Hoe gemakkelijk ga je dan niet jezelf verloochenen en minder waard vinden.

In de concentratiekampen werd mensen hun naam afgenomen en werden zij tot nummer gemaakt.

Zij werden 'ontmenst'.

Je ervaart dat je pas echt mens bent als je gezien wordt, erkend wordt, gekend wordt.

Wederkerigheid is essentieel.

Want ook de ander kan pas 'ik' zijn, door mij als ik, zoals Levinas dat zo mooi duidelijk maakte, hem aanzie en in zijn ogen de vraag lees 'laat mij leven'.
Hoe groot de behoefte is aan een jij die mij ik maakt, spreekt uit het relaas over de film.

De man heeft de schipbreuk overleefd, als enige, maar hij kan zo niet leven.

Hij maakt zich een medemens, uit een bal. Hij roept die bal als het ware tot leven.

Hij geeft hem een naam opdat zij wederzijds gekend zijn en kunnen communiceren.

Alleen zó kan hij echt overleven.

Het meest dramatisch is het als hij deze tot persoon geworden bal niet kan redden.

Dan telt hij ook zijn eigen leven niet meer.
Schipbreuk, bij dat woord denken we haast automatisch aan al de naamlozen, in gammele bootjes onderweg naar een beter leven, naar Lampedusa of waar dan ook.

En de tallozen met naamloos leed in de puinhopen van Syrië komen in onze gedachten, de vluchtelingen uit Irak en Eritrea, zonder naam en zonder land.

Wie geeft hen een naam, een gezicht, een bestaan?

Jesaja had voor de ballingen die terugkeerden en een puinhoop vonden een opwekkend woord.

Hij zei: 'De oude ruïnes worden weer opgebouwd,

de verwoeste steden worden herschapen' (61,4) en:

'Men noemt u niet langer 'Verstotene' en uw land niet langer 'Verlatene',

maar u zult heten: 'Mijn Welbehagen' en uw land 'Gehuwde' (62,4).

Hoe graag zouden wij dit zeggen tegen de ballingen van nu.

We kunnen slechts in het klein wat voor hen doen, door onze politieke keuzen, door te vertrouwen op kleine coalities en de kleine initiatieven te versterken.

Misschien nog wel het meest door in eigen kring een 'kerstmens' te zijn, een werkelijk mens geworden mens.
Het kleine, weerloze kind, dat ooit op weergaloze wijze het aanschijn der aarde vernieuwde, geeft ons hoop en roept ons steeds weer op om niet te versagen.

Geef hen een naam, de naamlozen, blijf hen gedenken, blijf hen noemen.



Blijf het benoemen, hoe het worden moet, de wereld van morgen, het goede. Tot het bestaat.


Carola Dreier.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina