Overzicht woordsoorten klas 3 oktober 2014



Dovnload 17.29 Kb.
Datum17.08.2016
Grootte17.29 Kb.

Overzicht woordsoorten klas 3 oktober 2014


Klas 2:

Lidwoord (lw) - de, het, een

Altijd voor een znw

Zelfstandig nw (znw)- Woorden die personen, dieren of dingen betekenen. Ook eigennamen.

Er staat een lw. voor (of kan ervoor staan)

Bijvoeglijk nw.(bnw)- Zegt iets van een znw. (hoeft er niet voor te staan, kan wel). Je kunt ze ook “verbuigen” (groot – grotere).

Werkwoord: 3 soorten:

Zelfstandig ww (ZWW)- Belangrijkste ww. in een wwg. Kan in z’n eentje een wwg vormen.

Koppelww. (KWW) - Belangrijkste ww. in een nwg.

Hulpww. (HWW) - Kan in beide soorten gezegdes voorkomen om het ZWW of KWW te “helpen”. Kan niet zonder ander ww. (een ZWW of KWW) een gezegde vormen.

Voorzetsel (vz) - “kast-woorden”. (voorde kast, in de kast, enz)

Bijzondere voorzetsels zijn: sinds, wegens,via, tijdens, vanwege, volgens, enz..

Bijwoorden zeggen iets van: bnw (erg mooi, heel groot, ontzettend dik)

Of van: een ander bijwoord (heel erg mooi)

Of van: een werkwoord (hij werkt hard, hij werkt ontzettend hard)

Bijwoorden zijn ook alle losse woorden die op zichzelf een bijwoordelijk bepaling kunnen vormen: altijd, morgen, ’s avonds, ergens, niet, ook, wel, daarom, dan




Voornaamwoorden, 8 soorten:



1. persoonlijk voornaamwoord (p.vnw): 2. bezittelijk voornaamwoord (bez.vnw):

Onderwerp: Ander zinsdeel: Geeft bezit aan:

Ik mij, me mijn, mijne

Jij, je jou, je jouw, jouwe

Hij hem zijn, zijne

Zij, ze haar haar, hare

Het het zijn, zijne

Wij, we ons, onze ons, onze

Jullie, je jullie, je jullie, je

Zij, ze hen, hun, ze hun, hunne


3. wederkerend voornaamwoord (wnd.vnw):

ZICH en alle afleidingen daarvan (bij werkwoorden, bv: zich wassen)

Mij, me (ik was me)

Je (jij wast je)

Zich (hij, zij, het kind wast zich)

Ons (wij wassen ons)

Je (jullie wassen je)

Zich (zij wassen zich)
4. wederkerig voornaamwoord (wig.vnw)

Elkaar (en alle variaties daarop: mekaar, elkander, mekander,)

Ook: elkaars

5. Aanwijzende voornaamwoorden (aanw.vnw):

deze, die, dit, dat, diegene, datgene, degene, hetzelfde, dezelfde, zelf, zo’n, zulk(e)


Bij die en dat moet je even controleren of je ze kunt vervangen door deze of dit. Als dat kan, weet je zeker dat ze echt aanw.vnw. zijn.

Als de vervangingsproef niet lukt, zijn ze waarschijnlijk betr.vnw. Zie verder bij nr. 7.

Als dat geen antecedent heeft (en ook niet een aanw.vnw. is), is het onderschikkend voegwoord.

6. Vragende voornaamwoorden (vr.vnw):

wie, wat, welk(e), wat voor (een).


Let Op: wie en wat zijn ook wel een betr.vnw. Zie verder bij nr. 7
7. Betrekkelijk voornaamwoord (betr.vnw):

die, dat, wie, wat

(In oudere boeken zie ook wel eens: hetwelk of hetgeen. Dit zijn ook betr.vnw.)
Let Op:

Een betr.vnw. heeft altijd een antecedent. (een zinsdeel dat voor het betr.vnw. staat en waarnaar het terugwijst)

Als je bij de woorden die of dat twijfelt, probeer dan eerst de vervangingsproef: zie nr. 5

Lukt deze proef niet, dan zijn ze waarschijnlijk betr.vnw. In dat geval moet er dus een antecedent te vinden zijn.


Als je bij de woorden wie of wat twijfelt, kijk je eerst of je ze kunt splitsen:

Wie wordt degene die

Wat wordt dat(gene) wat

Als deze splitsing lukt, heb je aangetoond dat ze betr.vnw. zijn. Het antecedent is ingesloten.

(wat kan ook een antecedent hebben dat ervoor staat, in dezelfde zin)

Als deze splitsing niet lukt, zijn ze waarschijnlijk vr.vnw. In dat geval hebben ze een vragende betekenis in de zin.



LET OP: die en dat zij NOOIT betr,vnw m.i.a.!!! Deze woorden hebben altijd een antecedent (als ze betr.vnw. zijn)
8. Onbepaald voornaamwoord (o.vnw):
men, iets, niets, iemand, niemand, ieder, iedereen, enkele, alles, veel (vele), weinig, elk(e), wat (als het betekent: een beetje),

het (als het niet vervangen kan worden door dat, en het niet voor een znw. staat!)


:

9. Telwoorden: hoofdtelw: geven een hoeveelheid aan.

Rangtelw: geven een volgorde aan.

Bepaald: je weet precies hoeveel

Onbepaald: je weet niet precies hoeveel.



Klas 3:

Deze woordsoorten komen er nog bij:



10. vnw.bijw: er, hier, daar, waar + voorzetsel (bv: eraan, hieraan, daaraan, waaraan)
11.Voegwoorden:

Onderschikkende staan altijd aan het begin van een bijzin. (zie blz. 24 en 25 in je boek) en koppelen HZ aan BZ (ongelijkwaardige delen)



Nevenschikkende koppelen gelijkwaardige zinnen (dus HZ aan HZ of BZ aan BZ) (en, maar, want) (gelijkwaardige delen)



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina