P. 219-220, 26 februari 1948. Minister Lieftick



Dovnload 12.68 Kb.
Datum17.08.2016
Grootte12.68 Kb.
1. HEK 1947-1948, p. 219-220, 26 februari 1948.

 

Minister Lieftick: […] De geachte afgevaardigde de heer Molenaar heeft naar aanleiding van de schriftelijke gedachtenwisseling, die is gevoerd onder het hoofd ‘Financiële verhouding tussen Rijk en gemeente’, een vraag gesteld met betrekking tot de vergoeding van kosten en schaden, die door de geallieerden hier te lande zijn aangericht. Ik ben de geachte afgevaardigde erkentelijk voor het feit, dat hij mij in de gelegenheid heeft gesteld mij op deze inderdaad niet gemakkelijke vraag voor te bereiden. Het antwoord daarop luidt als volgt. De kosten en schade, die ten gevolge van het optreden van de geallieerden in ons land zijn veroorzaakt – uiteraard natuurlijk tegen hun wil –, kan men onderscheiden in kosten en schade, veroorzaakt gedurende de Lend-lease-periode en de Mutual Aid-periode en die, welke daarna zijn veroorzaakt. Om met de laatste te beginnen: met betrekking tot de kosten en schade, opgetreden na afloop van de Lend-lease, respectievelijk de Mutual Aid-periode, hebben wij de zekerheid, dat de geallieerden deze zullen vergoeden. De Lend-lease-periode eindigde op 2 September 1945. De Mutual Aid-periode eindigde op 8 November 1945.Voor wat betreft de schade, die vóór die tijd is aangericht, staat wel vast, dat wij geen schadeclaim met goed gevolg kunnen indienen. Immers, in de betreffende overeenkomsten is uitdrukkelijk bepaald, dat de geallieerden niet aansprakelijk zijn ‘voor schade aan eigendommen of verwondingen aan of de dood van personen, voortvloeiende uit de handelingen van of de operaties tegen de vijand of enige andere activiteit op het slagveld of enige andere schade of verwonding, welke gerangschikt kan worden onder oorlogsschade of verwonding ten gevolge van oorlog’. Dit staat zowel in de Lend-lease-overeenkomst als in de Mutual Aid Agreement en het is mij bekend, dat elke discussie over dit onderwerp, welke zich niet zou baseren op deze uitdrukkelijk door de Nederlandse Regering aangegane overeenkomsten, aan geallieerde zijde zeer onwelkom is. Met name dus met betrekking tot de schade, die het gevolg is van de bombardementen van Nijmegen en het Bezuidenhoutkwartier in den Haag, moet ik de geachte afgevaardigde mededelen, dat een vergoeding van deze schade niet kan worden geëist, aangezien deze schade krachtens gesloten verdragen niet voor verrekening vatbaar is.

2. HEK 1949-1950, Bijl. 705 wetsontwerp Materiële Oorlogsschade, MvA, p. 35, begin 1950, ministers Lieftick en Teulings:

[…] Dat de hier aan het woord zijnde leden verder de vraag hebben opgeworpen of schaden, als in 's-Gravenhage (Bezuidenhoutkwartier) en in Nijmegen geleden, wel voor Nederlandse rekening behoren te komen en of het niet veeleer een geallieerde plicht moet worden geacht in de regeling van deze schaden bij te dragen, wordt door de ondergetekenden betreurd. Deze vraag getuigt toch van een miskenning van de ontzaglijke inspanning, welke de geallieerden zich in het kader van de gemeenschappelijke oorlogvoering, ook ten behoeve van Nederland hebben getroost. Aan hun offers toch heeft Nederland in de eerste plaats zijn bevrijding te danken, zodat reeds hierom van een niet juiste instelling zou worden blijk gegeven, indien de Regering zou trachten de hierbedoelde schaden, welke rechtstreeks zijn voortgevloeid uit oorlogshandelingen, welke in wezen de strekking hadden de bevrijding van Nederland te bevorderen — zij het zelfs maar gedeeltelijk —, op onze bondgenoten te verhalen. De ondergetekenden zijn derhalve van mening, dat voor de hier gestelde vraag geen plaats is en dat de onderhavige schade als een vorm van materiële oorlogsschade in de zin van het voorliggende wetsontwerp ten laste van het Nederlandse volk dient te worden afgewikkeld.

3. HEK 1949-1950, p. 215 e.v., 7 februari 1950:


Reijers: […] Voorts, Mijnheer de Voorzitter, blijkt de Minister enigszins ontdaan te zijn over het feit, dat in deze Kamer leden zijn, die de schade, geleden door Nijmegen en het Bezuidenhoutkwartier in den Haag, ter sprake gebracht hebben. Deze vraag, zegt de Minister, getuigt toch van een miskenning van de ontzaglijke inspanning, welke de geallieerden zich in het kader van de gemeenschappelijke oorlogvoering ook ten behoeve van Nederland hebben getroost. Wij geloven niet, Mijnheer de Voorzitter, dat de passage in het Voorlopig Verslag aanleiding geeft tot de veronderstelling, dat deze leden blijk geven de ontzaglijke oorlogsinspanning der geallieerden te miskennen, als zij het karakter der verwoestingen van het stadscentrum te Nijmegen en het Bezuidenhoutkwartier ter sprake brengen. Wij hebben groot respect voor de oorlogsprestaties der geallieerden, maar dit noopt ons niet blind te zijn voor gemaakte fouten, en de aansprakelijkheid te laten ter plaatse, waar zij behoort. En over de B.B.C., èn over Radio-Oranje hebben we destijds vernomen, dat Nijmegen en het Bezuidenhout zo zwaar getroffen werden bij vergissing. Gelet op het proces tussen Engeland en Albanië over het bij vergissing tot zinken brengen van Engelse oorlogsbodems, dachten wij in alle eenvoud, met behoud van onze symphatie voor de oorlogsprestaties der geallieerden, dat er aanleiding zou kunnen zijn deze geallieerden eens vriendschappelijk te herinneren aan de plicht bij vergissing, zonder oorlogsnoodzaak aangebrachte schade te vergoeden, althans in deze schade een bijdrage te leveren. Laat de geachte bewindsman niet vergeten, dat de hier genoemde twee oorlogshandelingen geen enkele strekking hadden de bevrijding van Nederland te bevorderen.

 

Rip: […] Mijn tweede opmerking heeft betrekking op hetgeen is opgemerkt op blz. 2 van de Memorie van Antwoord. Het heeft betrekking op de gesuggereerde geallieerde plicht tot althans gedeeltelijke vergoeding van de schade, die is aangericht aan het Bezuidenhout in den Haag en in Nijmegen. Mijnheer de Voorzitter! Ik behoor niet tot hen, die hier een plicht zouden willen construeren tot betaling door de geallieerden. Ik ben met de Regering van oordeel, dat wij veel dank verschuldigd zijn aan onze geallieerden voor de bijdrage en de opofferingen, die zij zich getroost hebben om ons land te bevrijden. Maar als het gaat over de vraag, of wij ook die geallieerden met betrekking tot de aangerichte schade niet enigszins als een gemeenschap zouden kunnen zien, kan ik mij toch voorstellen, dat er naast de dank voor deze hulp ruimte zou overblijven voor de vraag, of het niet wenselijk zou zijn geweest, vooral bij zulke aperte vergissingen, enige schadevergoeding in ontvangst te nemen. De commandant van het betreffende eskader is disciplinair gestraft: er is spijt betuigd. Ik herhaal, dat ik niet van een geallieerde plicht zou willen spreken, maar er zijn zovele methoden om, zonder dat men een plicht construeert en een rechtstreekse vraag richt, toch duidelijk te laten blijken, dat een of andere tegemoetkoming zeer welkom zou zijn! Uit hetgeen de Regering heeft opgemerkt op blz. 2 van de Memorie van Antwoord moet ik opmaken, dat een dergelijke mentaliteit om niet rechtstreeks te vragen en een dergelijke plicht te construeren, maar te laten blijken, op hoffelijke en beleefde wijze, dat een bepaalde bijdrage welkom zou zijn, bij de Regering niet aanwezig is. Dat spijt mij enigermate.

 

Molenaar: […] Het is voor de leden, die al gesproken hebben, niet prettig hetzelfde betoog nog eens van een ander te horen. Ik moge in dit verband zeggen, dat ik het ook niet erg aangenaam vind, dat de heer Reijers hier in volle ernst — ik meen daarna ook de heer Rip — over de vernietiging van het Bezuidenhoutkwartier heeft staan te spreken, alsof dit vraagstuk nog nooit in de Kamer aan de orde is geweest. De Minister van Financiën zal zich herinneren, dat — ik weet niet meer bij welke gelegenheid het was — wij daarover een zeer diepgaand debat hebben gehad. De Minister heeft toen verklaard bereid te zijn van datgene, wat de Regering te dien aanzien had gedaan, aan de Kamer, althans voor degenen, die zich daarvoor interesseren, een overzicht over te leggen. Dat heeft de Regering gedaan.

 

Minister Lieftick: […] Over de wenselijkheid en de mogelijkheid om de geallieerden in de schade, in het Bezuidenhoutkwartier en in het stadscentrum te Nijmegen geleden, te doen bijdragen, heeft de geachte afgevaardigde de heer Molenaar alles gezegd naar mijn mening, wat ter zake dienende is, waarvoor ik hem gaarne mijn dank betuig.



 



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina