Pé Hawinkels vertalen, drugs en rock & roll Korte proeve van een vertalersprofiel



Dovnload 89.61 Kb.
Datum26.08.2016
Grootte89.61 Kb.
Pé Hawinkels – vertalen, drugs en rock & roll

Korte proeve van een vertalersprofiel


Cees Koster

Een van de markantste vertalers uit de moderne geschiedenis van het vertalen in Nederland is zonder twijfel Pé Hawinkels (1942–1977) geweest1. Hij was een veelzijdig talent (dichter, columnist, muziekcriticus, vertaler, songwriter) en een vat vol tegenstrijdigheden. Net zo makkelijk begaf hij zich in de wereld van de hoge cultuur, zij het nooit zonder relativering, als in die van hasjdealers en de popmuziek. De laatste jaren van zijn korte leven (in 1977 overleed hij op 34-jarige leeftijd aan een hartstilstand) moeten wel een orgie van seks, drugs en rock & roll zijn geweest, en van vertalen. Het is moeilijk te begrijpen hoe hij in een leven dat zo op exuberantie en uitputting was gericht toch ook de discipline kon opbrengen om zijn professionele opvatting van het vertalen tot uitvoer te brengen.

Hij heeft een indrukwekkend vertaaloeuvre nagelaten. Zijn werkzame leven als vertaler besloeg niet veel meer dan negen jaar (1968–1977) maar daarin heeft hij meer dan 55 prozawerken en toneelstukken vertaald, van auteurs als Thomas Mann, Nietzsche, Sophocles en Shakespeare, en was hij bovendien betrokken bij diverse vertalingen van boeken en fragmenten uit de Bijbel.

Bijzonder aan hem was al evenzeer dat hij zich er, in een periode waarin van alle kanten de klacht te horen was dat met vertalen toch geen droog brood te verdienen viel, op liet voorstaan dat hij een rijk leven kon leiden van het vertalen als beroep en er ook nog zijn voorliefde voor dure, snelle auto’s van kon uitleven.

De vertaalcarrière van Hawinkels viel midden in de periode waarin het vertaalveld door een verdergaande professionalisering meer en meer volwassen werd. In die periode speelde Hawinkels in bepaalde opzichten een centrale rol, in elk geval als vehikel voor een vertaalpoëticale discussie. Een profiel van Hawinkels, een overzicht van zijn positie, zijn achtergrond, oeuvre en ideeën, kan dus ook inzicht geven in een cruciale periode in de ontwikkeling van het vertaalveld in Nederland.
Local hero

Als Hawinkels in 1969 op 26-jarige leeftijd bij De Arbeiderspers zijn eerste boekvertaling publiceert (E.T.A. Hoffmanns De gouden pot en andere verhalen) heeft hij al een halve carrière als veelbelovend literator (of literair publicist, zoals hij het zelf graag noemde) in Nijmeegse, (en dus) katholieke kringen achter de rug. In 1961 trok hij na het afronden van het gymnasium alfa vanuit Hoensbroek, waar hij als de jongste zoon in een mijnwerkersgezin was opgegroeid, naar Nijmegen om klassieke talen te studeren. Op de middelbare school in Heerlen was hij een briljante leerling – elk jaar wint hij de prijs voor de beste studieresultaten: een woordenboek van een moderne vreemde taal. Na een jaar is hij op de klassieke talen uitgekeken (niet alleen de talen, ook de literatuur vond hij ‘dood’ [Koos Hawinkels 1979, p. 13]) en schrijft hij zich in bij het Instituut Nederlands dat onder leiding staat van het geweten van katholiek-literair Nederland, Wim Asselbergs (alias Anton van Duinkerken).

Tijdens de zeven jaar dat hij studeert groeit Hawinkels uit tot een literaire local hero. Een halfjaar na aanvang van zijn studie al begint hij te schrijven voor het Nijmeegs Universiteitsblad (NUB), een activiteit die hij tot in 1967 volhoudt. Als hij in 1963 redactiesecretaris wordt van het NUB, fungeert dat blad min of meer als zijn persoonlijke uitlaatklep. In de loop der jaren publiceert hij er honderden bijdragen in, over een scala aan onderwerpen en in zeer uiteenlopende genres: gedichten, besprekingen van muziek en literatuur, autobiografische schetsen en columns over allerhande maatschappelijke en persoonlijke onderwerpen. Het NUB speelt in die tijd een belangrijke rol in het ontstaan van de studentenbeweging, die in de tweede helft van de jaren zestig tot wasdom komt. Op organisatorisch vlak heeft Hawinkels daar niet veel mee te maken, maar met zijn stukken, waarin regelmatig het gezag werd getart, heeft hij wel bijgedragen aan de emancipatie van studenten, aan de sfeer van bevrijding die tot een ander klimaat leidde. Wanneer de Nijmeegse studentenbeweging in het begin van de jaren zeventig een marxistische wending neemt, moet Hawinkels er niet veel meer van hebben. Het heeft er alle schijn van dat zijn eigen stukken vooral aan zijn persoonlijke bevrijding hebben bijdragen en dat hij als alle schrijvers-in-de-dop de publicatiemogelijkheden gebruikte om te experimenteren in de zoektocht naar een eigen stem.

Een dergelijk talent bleef uiteraard ook in bredere kring niet onopgemerkt. In 1962 maakt Hawinkels zijn debuut in het katholieke literaire tijdschrift Roeping, met het gedicht ‘Sketches of Spain’ dat het jaar daarvoor in het NUB was geplaatst. Nadat in 1963 het tijdschrift Raam als opvolger van Roeping wordt gelanceerd (cf. Bakker 1986), wordt Hawinkels een van de voornaamste medewerkers. De werklust en gedrevenheid die hij bij het NUB al tentoonspreidde, vindt ook in Raam zijn uitweg. Vanaf 1964 publiceert hij met grote regelmaat poëzie in het blad, later komen daar ook nog autobiografische prozafragmenten bij. Vanaf 1965 lijkt Hawinkels’ ideaal om een professionele publicist te worden binnen zijn bereik te komen. Vanaf dat jaar draagt hij ook bij aan het net opgerichte progressieve katholieke opinieblad De Nieuwe Linie. In eerste instantie schrijft hij vooral over jazz, maar in latere jaren draagt hij bijna wekelijks een (wederom vooral autobiografische) column bij, deze keer onder de titel ‘Diabolo’. Zijn jazzstukken slijt hij dan vooral aan het vaktijdschrift Jazzwereld; in De Nieuwe Linie kan hij zijn toenemende belangstelling voor popmuziek kwijt.

De enorme productie van Hawinkels leidt vanzelfsprekend ook tot boekpublicaties. In 1968 komt zijn debuutbundel Bosch & Bruegel uit, een jaar later gevolgd door Het uiterlijk van de Rolling Stones. De bundels verschijnen bij Ambo (zijn gedichten waren eerder geweigerd door Querido en daarna ook door Van Gennep), waar hij was aanbevolen door Cornelis Verhoeven, zijn docent Grieks aan het gymnasium in Heerlen, die hij op de Katholieke Universiteit Nijmegen weer was tegengekomen en met wie hij uiteindelijk samen zou werken in de redactie van Raam. Wat poëzie betreft zal het bij deze uitgaven blijven.

Over de kwaliteiten van Hawinkels’ dichterschap bestaat weinig overeenstemming. Zijn dichterschap wordt gekenmerkt door exuberantie, geen lyrische gedichten, maar breedvoerige, beeldrijke poëzie, ‘die als een golf over je heen kwam rollen’ (Kneepkens in Beex). Vaak gebruikte hij als uitgangspunt muziek of beeldende kunst. De gedichten in Bosch & Bruegel ontlenen hun titels aan schilderijen en een lange cyclus vroege poëzie heette ‘De Haydngedichten’. Aan de ene kant is er de opvatting dat zijn dichterschap nooit echt volgroeid is geweest, zich nooit echt naar een specifieke thematiek heeft ontwikkeld. Het ontluikende dichterschap was gericht op het onderzoeken van alle uithoeken van de taal, op de ontwikkeling van een stilistische virtuositeit (zie bijvoorbeeld Van Nieuwstadt 1979). Daar staat tegenover de visie van bijvoorbeeld Paul Sars, die in de exuberantie en de verbale virtuositeit juist een kenmerk van de vrijheid van de jaren zestig zag: ‘Als geen ander heeft hij vorm gegeven aan de mentaliteit van de jaren zestig, aan het thema van de vrijheid, de veranderende waarden en normen, zeker waar het de erotiek betreft’ (Sars 1990: 5). Tot de grote literatuurgeschiedenissen (bijv. Brems 2007) is hij niet doorgedrongen en pas in de meest recente editie is hij met twee gedichten doorgedrongen tot Komrijs canonieke bloemlezing.

Voor zijn proza geldt min of meer hetzelfde – een enorme productie, die uiteindelijk tot twee bundelingen leidt, waarna de stroom opdroogt. Zijn proza is al even exuberant: lang uitwaaierende zinnen, grote stilistische experimenteerdrift. In 1968 verschijnt bij De Arbeiderspers Autobiografische flitsen en fratsen, een titel die hij eerder ook al in het NUB had gebruikt, en in 1971 bij Van Gennep Ik hau van Holland, een bundeling van stukken uit De Nieuwe Linie.

Rond 1968 (hij is dan 25, 26) is de positie van Hawinkels in het literaire veld dus die van een veelbelovend dichter en schrijver, die zichzelf met behoorlijk succes via een scala aan schrijfactiviteiten voor een veelheid aan opdrachtgevers weet te onderhouden. Hij schrijft over literatuur, muziek en over zichzelf. In zijn woonplaats Nijmegen is hij een centrale figuur in het openbare, culturele leven.

Ondertussen leeft hij nog steeds min of meer het leven van de vrijgezelle student met de reputatie van een rokkenjager – een leven dat hij tot zijn dood zou volhouden. Hij woont nog altijd op de studentenkamer (zijn ‘boekenspelonk’) aan de Nijmeegse Mr. Franckenstraat die hij in 1964 had betrokken (waar hij ook nog woonde toen hij stierf). Hij is nooit afgestudeerd, heeft wel een doctoraalscriptie afgeleverd over de Slingelandromans van Vestdijk, maar als zijn mentor professor Asselbergs in 1968 overlijdt, wat hem zeer aangrijpt, laat Hawinkels het er verder bij zitten, te meer daar zijn leven als student naadloos is overgegaan in dat van publicist.

Een van de raadsels van Hawinkels’ leven die tot veel speculaties hebben geleid, is de vraag waarom hij nooit uit Nijmegen naar het cultureel centralere Amsterdam is vertrokken. Door sommigen wordt dat uitgelegd als een vorm van provincialisme – in Nijmegen zou hij zich beschermd weten en een leven als opinieleider en voortrekker kunnen leiden, als ‘prinsje’ (Kneepkens in Beex) – en een teken van een zekere dieper gelegen melancholie, waartegen zijn levenshonger en harde werken een pantser vormden. Anderen wijzen er juist op dat Hawinkels’ beslissing om niet naar Amsterdam te verhuizen (waartoe hij overigens wel pogingen heeft ondernomen) voortkwam uit zijn weerzin tegen wat hij ervoer als Amsterdams provincialisme: ‘een zekere zelfgenoegzaamheid in het afbakenen van culturele en artistieke voorkeuren en tegenzinnen zonder dat die door werkelijk begrip, doorleefdheid of eruditie gedragen worden’ (Ros 1979: 489).

Hoe dit ook zij, vanaf 1968 slaat hij op publicitair gebied zijn vleugels verder uit. Waar hij eerder bij de ontwikkeling van zijn literaire loopbaan sterk op zijn Nijmeegse, katholieke netwerk leunde, vormen de proza-uitgaves daarmee een breuk. De eerste contacten met De Arbeiderspers dateren uit 1967, wanneer besprekingen plaatsvinden over de uitgave van een verzameling stukken van diverse auteurs uit het NUB. Een jaar later komt deze door Hawinkels samen met zijn Nijmeegse kompanen Michel van Nieuwstadt en Hugues Boekraad samengestelde en door hem ingeleide bundel uit onder de titel Waarom kinderen altijd willen dat de indianen winnen.

Ook worden er plannen gemaakt voor een door Hawinkels te vertalen selectie uit de verhalen van E.T.A. Hoffmann. Dat plan wordt kennelijk onmiddellijk ten uitvoer gebracht, want al in februari 1969 verschijnt De gouden pot en andere verhalen.


Van Prediker tot ‘Skid Row’

Het Hoffmannboek was niet zijn eerste vertaling. In het NUB en in Raam had hij al vertalingen gepubliceerd, voornamelijk van zestiende- en zeventiende-eeuwse Engelse dichters, maar dat waren incidenten. In het voorjaar van 1968 was hij begonnen aan de vertaling van het Bijbelboek Prediker (in 1969 bij Ambo verschenen onder de titel De mens heet mens). Hij was daarvoor benaderd door de monnik Pius Drijvers, die eerder een aantal psalmen had vertaald in samenwerking met Huub Oosterhuis. Omdat deze voor Prediker niet beschikbaar was, kwam Drijvers op instigatie van Karel Meeuwese, de opvolger van prof. Asselbergs bij het Nijmeegse Instituut Nederlands, bij Hawinkels.

Er schuilt een zekere ironie in het feit dat juist Hawinkels, die zich in zijn NUB-tijd toch ook als een rabiaat anti-clericaal had leren kennen, zich mede zou toeleggen op de vertaling van Bijbelboeken. De samenwerking met Drijvers is niettemin zeer vruchtbaar en wordt door beiden zeer gewaardeerd (zie Drijvers 1979). De wijze van samenwerken heeft veel weg van het procedé dat later bij de Nieuwe Bijbelvertaling ook is toegepast. Drijvers bracht als hebraïcus een exegetische grondvertaling in, waarna het Hawinkels’ taak als dichter was om ‘de tekst [te] bekijken, op zich in [te] laten werken en [te] zoeken naar Nederlandse uitdrukkingsmogelijkheden’ (Drijvers & Hawinkels 1969: 119). De samenwerking bleek niet van voorbijgaande aard, in 1970 volgt een gezamenlijke vertaling van het boek Job en na het overlijden van Hawinkels verschijnt postuum een verzameling van honderden Bijbelpassages onder de titel Bijbelfragmenten.

Dat Hawinkels het vertalen als een serieuze uitbreiding van zijn literaire activiteiten ziet valt af te leiden uit de omstandigheid dat in 1969 van zijn hand meteen al vijf substantiële boekvertalingen uitkomen. Gezien de status van de originelen, geniet hij kennelijk het vertrouwen van zijn uitgevers – niet alleen komt er een vertaling van teksten van Hoffmann uit, maar ook van Thomas Mann en Friedrich Nietzsche. 1969 lijkt overigens sowieso een literair annus mirabilis voor hem te zijn, want naast de vertalingen komen ook zijn prozadebuut en zijn tweede bundel uit en begint hij te publiceren in tijdschriften met landelijke reikwijdte: Raster en Maatstaf. In feite vormt het jaar echter het begin van een overgangsperiode. Hawinkels betreedt het vertaalveld als een zogeheten ‘ook-vertaler’ (zie Lauber 1996), iemand voor wie vertalen slechts één van de werkzaamheden is, wellicht ter facilitering van andere literaire arbeid. Tot die literaire arbeid hoort steeds minder de poëzie, want het heeft er alle schijn van dat Het uiterlijk van de Rolling Stones Hawinkels’ poëtische zwanenzang is geweest. De reikwijdte van zijn schrijverschap wordt beperkter: naast de vertalingen levert hij voornamelijk nog zijn column ‘Diabolo’ voor De Nieuwe Linie en zijn stukken voor Jazzwereld. Daarnaast draagt hij zeer incidenteel proza bij aan een aantal tijdschriften.

Die overgangsperiode duurt tot en met 1973, waarna hij bijna uitsluitend nog vertalingen publiceert. Zijn vertaalarbeid breidde hij wel uit naar het domein van het theater. Met grote regelmaat vertaalde hij stukken (van o.m. Sophocles en Shakespeare) voor prestigieuze theatergezelschappen als de Haagse Comedie, Globe en het Publiekstheater.

Tot 1974 blijft hij voor Jazzwereld schrijven, maar steeds sporadischer. Dat zou te maken kunnen hebben met de culturele marginalisering van de jazz die in die periode echt doorzet, maar allicht ook met het feit dat zijn eigen belangstelling zich steeds meer richt op popmuziek. In zijn ‘Diabolo’s’ besteedt hij er regelmatig aandacht aan, maar na 1975 gaat hij zich in een andere, creatieve vorm met popmuziek bezighouden: het schrijven van songteksten – zo goed als de enige schrijfarbeid die hij vanaf 1975 nog naast het vertalen bedrijft. Zijn partner in dezen is niemand minder dan Herman Brood, die hij in 1966 in Nijmegen in een popkroeg had ontmoet en met wie hij een jarenlange vriendschap heeft onderhouden (zie Brood 1979: 403). In 1975 komen de eerste vruchten van die samenwerking op het debuutalbum van de groep Vitesse. Wanneer Brood de jaren daarna grote roem gaat oogsten met zijn Wild Romance, heeft Hawinkels daar ook een bijdrage in. Op het eerste album van Herman Brood & his Wild Romance, Street uit 1977, staan drie teksten van hem, waaronder ‘One more dose’. Op het tweede studioalbum van Brood, dat na Hawinkels’ overlijden uitkomt, in 1978, en dat mede aan hem is opgedragen, blijkt dat de samenwerking op het laatst intensief was; op de klassieker Shpritz is bij vijf van de vijftien nummers de tekst van zijn hand, waaronder Skid Row. Op dat album staat ook het door Brood speciaal voor Hawinkels geschreven Get Lost. De teksten van Hawinkels waren ‘junkieteksten’ (Jansen 1979: 414), liedjes vol junkieverdriet, zelfkant en zelfdestructie, waarvan ‘One more dose’ en ‘Skid Row’ goeie illustraties zijn. Of de liedjes waren toegespitst op het imago dat Brood voor zichzelf aan het bouwen was, of dat er ook verbanden zijn met het leven van Hawinkels zelf valt niet makkelijk uit te maken. Feit is wel dat Hawinkels de laatste jaren meer en meer de popscene werd ingetrokken en in zijn drugsgebruik al evenzeer het experiment zocht als eerder in zijn werk. Hij schreef niet alleen teksten, maar hoorde ook tot de entourage van de Wild Romance. Op de binnenkant van de hoes van Street staat een foto van Hawinkels, die geleund staat over een frisdrankautomaat met het opschrift Coca-Cola, waarbij zijn rechterhand het tweede deel van de merknaam aan het zicht ontneemt.2


Dringen voor de deur

In een paar jaar tijd ontwikkelt Hawinkels zich dus van een ‘ook’-vertaler, van een jonge veelbelovende schrijver die het vertalen erbij deed, tot een zo goed als fulltime beroepsvertaler.

Wat bracht Hawinkels daartoe? Hij heeft er zelf vanaf het begin weinig misverstand over laten bestaan dat geld een zeer voorname factor was. In een interview in Maatstaf uit mei 1970 (nauwelijks een jaar nadat zijn eerste vertaling is uitgebracht) beantwoordt Hawinkels de vraag of hij vertaalt uit plezier of uit materiële noodzaak: ‘Ik vertaal zuiver om te kunnen leven, maar als je een auteur vertaalt, die je iets te bieden heeft, kruip je op de huid van die man; je breidt je eigen mogelijkheden uit; je moet zijn plaats innemen; voor elke auteur moet je een stijl creëren’ (Bos 1970: 792). Toch spreekt hieruit nog wel een bepaalde ambivalentie, wanneer Hawinkels opmerkt dat vertalen voor de schrijver ook ten eigen bate gedaan kan worden.

De stelling dat Hawinkels goed van het vertalen kon leven, valt met de nodige documentatie te onderbouwen. Aan opdrachten had hij geen gebrek, naar eigen zeggen stonden de uitgevers te dringen voor de deur (zie Kockelkoren 1979 en Brokken 1976). Vanaf het begin was hij dus verzekerd van een constante stroom opdrachten. Hij heeft zich niet moeizaam een positie in het veld hoeven te verwerven, hoewel hij niet anders voor het vertalen was toegerust dan door de stilistische virtuositeit die uit zijn eigen werk sprak en wat hij van het vertalen op het gymnasium had meegekregen. Hij heeft daarbij wel de omstandigheid mee gehad dat hij het vertaalveld betrad op een moment dat in Nederland de boekproductie aanzienlijk steeg (zie Heilbron 1995) en de uitgevers bezig waren met een grote inhaalslag in het uitbrengen van werk van gecanoniseerde buitenlandse auteurs – er was dus ook volop werk.

Dat geld, en de druk om geld te moeten verdienen, voor Hawinkels een belangrijke drijfveer was, mag je afleiden uit een ongedateerde notitie (vermoedelijk van eind 1970) die zich, evenals alle hier geciteerde brieven, in zijn nalatenschap bevindt in het Letterkundig Museum, waarin hij een kwantitatieve balans van zijn leven opmaakt, van hoe vaak hij ziek (18) en verliefd (4, ‘tweemaal met gevaar van huwelijk’) is geweest tot het aantal boeken (2114), kranten (800) en tijdschriften en weekbladen (1233) dat hij vanaf zijn verhuizing naar Nijmegen heeft gekocht. Over die periode van ruim tien jaar zegt hij: ‘Ik heb f 120.842,33 inkomen genoten/ Hiervan ben ik f 105.004,52 weer kwijt.’

Dat uitgevers graag met hem werkten kwam mede door zijn uiterst professionele houding. Het beeld dat uit de verhalen van redacteuren naar voren komt is dat van een stipte en betrouwbare vertaler. Iemand die al zijn werk op tijd inleverde, en ook snel kon werken, zijn manuscripten goed verzorgde, voorzag van instructies voor zetters en eindredacteuren, wiens vertalingen je ‘eigenlijk direct naar de drukker [kon] brengen’, aldus de uitgever van Ambo, Herman Pijfers (1979: 487). Martin Ros noemt hem een van de ‘onberispelijkste’ vertalers voor eindredacteuren (Ros 1979: 492). Ook was Hawinkels niet te beroerd om tussendoor ongeplande spoedvertalingen aan te nemen, wanneer een uitgever met een klus omhoog zat, waar hij dan altijd wel een spoedtoeslag op zijn gebruikelijke honorarium voor rekende. Het vertaalhonorarium dat destijds gold, was uiteraard buitengewoon laag. In de jaarverslagen van het Fonds voor de Letteren valt te lezen hoe eind jaren zestig, begin jaren zeventig de pogingen van vertalers om via overheidssubsidies iets aan hun inkomenssituatie te doen leidden tot de instelling van een additioneel honorarium voor vertalingen van literaire teksten. Het soort werken dat Hawinkels vertaalde kwam meestal wel voor een additioneel honorarium in aanmerking. In de beginjaren van zijn schrijverschap ontving hij overigens ook stipendia en additionele honoraria voor zijn oorspronkelijke werk. Uit die jaarverslagen valt te reconstrueren wat Hawinkels met zijn vertalingen verdiend moet hebben. Voor De toverberg kreeg hij in 1976 6.358 gulden aan additioneel honorarium, wat gezien de verhouding tussen subsidie en het gangbare vertaaltarief betekent dat hij van De Arbeiderspers minimaal het dubbele aan honorarium moet hebben gekregen. Zijn inkomen uit de arbeid aan dit boek (waar hij een vol jaar aan heeft gewerkt) zou dan neerkomen op minstens 19.000 gulden, in een tijd dat het modale inkomen rond de 25.000 gulden lag.3

De reden dat hij goed van het vertalen kon leven zal toch geweest zijn dat hij vanaf 1973 ook veel opdrachten kreeg van theatergezelschappen, die onvergelijkelijk veel hogere honoraria boden dan literaire uitgevers deden. In de nalatenschap van Hawinkels zijn notities bewaard gebleven waaruit blijkt dat hij voor toneelvertalingen honoraria ontving die varieerden van 6000 tot ruim 8500 gulden.

Het is lastig om precies te reconstrueren wat voor jaarinkomen Hawinkels met zijn vertaalarbeid verdiende. Wel is het mogelijk om op grond van de beschikbare gegevens en aan de hand van zijn bibliografie te achterhalen wat Hawinkels aan honorarium en subsidies heeft ontvangen voor in een gegeven jaar uitgebrachte boeken. Zo valt te berekenen dat hij voor alle werken, drie proza- en drie toneelvertalingen, die in 1975 zijn uitgekomen (maar waarvan dan niet per se vaststaat in welk jaar hij eraan heeft gewerkt) 37.500 gulden heeft ontvangen.

Er zijn aanwijzingen dat Hawinkels het vertalen als een soort fuik heeft ervaren. Aanvankelijk deed hij het om zichzelf als schrijver te faciliteren, maar op een gegeven moment heeft het vertalen de overhand genomen, waarbij niet duidelijk is of dat nu kwam omdat hij op die manier op een betrekkelijk eenvoudige manier in zijn onderhoud kon voorzien met een arbeid waarbij hij zijn literaire vaardigheden kon inzetten, of omdat hij aan zijn schrijverschap geen vorm meer wist te geven.

De ambivalentie waarvan hierboven al sprake was, is misschien wel kenmerkend voor zijn houding. De tegenstrijdige verhalen van de mensen om hem heen over zijn ideeën over de status van het vertalen in zijn leven getuigen daar ook van. Mathieu Kockelkoren, collega-Nijmegenaar en schrijver-vertaler, herinnert zich dat hij Hawinkels over het vertalen, ‘afgezien van enige vererende opdrachten die hem landelijke roem en erkenning moesten brengen plus het daarbij behorende prijzengeld, nooit anders dan geringschattend had horen spreken, zodat ik onderhand ging geloven dat hij vertaalde “faute de mieux”, natuurlijk omdat er “brood op de plank moest komen”, maar meer nog omdat het heilige vuur van de eigen creativiteit voortijdig was opgebrand’ (Kockelkoren 1979: 334). Etzo Dibbets, Nijmeegs kunstenaar en een van de vrienden van de laatste jaren, weet juist te melden dat Hawinkels ‘altijd zeer trots was’ op zijn werk en er ‘zeer druk mee bezig’ (Dibbets 1979: 301).


Poëtica: De vertaler als tweede auteur

Tot het professionalisme van Hawinkels droeg zeker bij dat hij een veelzijdig vertaler was. Zijn vertaaloeuvre overziend (zie bijlage 1), heeft hij zich op vier gebieden met vertalen bezig gehouden: literair proza, toneel, filosofie en de Bijbel. Wat waren daarbij zijn poëticale uitgangspunten? Vanuit welke principes vertaalde hij, en verschilden die principes per gebied, of hield hij er één homogene poëtica op na?

Het achterhalen van de externe poëtica is geen eenvoudige taak. Hawinkels was niet genegen tot expliciete, openbare reflectie op of verantwoording van zijn werk. Dat gold niet alleen voor zijn werk als vertaler, maar evenzeer voor zijn oorspronkelijke werk. In interviews liet hij zich wel uit over zijn motieven en overwegingen, maar in zijn enorme bibliografie vallen geen stukken met een poëtisch program te ontdekken, laat staan stukken met daarin een expliciet verwoorde vertaalpoëtica. In een van de interviews, wanneer hij zijn licht laat schijnen over de relatie tussen muziek en poëzie, komt hij tot een uitspraak over waar het hem in de poëzie om te doen is die in dit opzicht verhelderend kan werken: ‘Al het verklarende opheffen, daar gaat het om’ (Bos 1970: 793). Zijn schrijverschap, zo kun je deze uitspraak duiden, was misschien vooral een intuïtieve aangelegenheid.

In de beslotenheid van de correspondentie gaf hij echter wel regelmatig rekenschap van zijn uitgangspunten; daarin vinden we ook aanknopingspunten voor zijn vertaalpoëtica. Zoals eerder vermeld werd Hawinkels voornamelijk toegerust geacht voor het vertalen door de stilistische virtuositeit van zijn eigen werk en misschien door wat hij van het vertalen op het gymnasium had meegekregen. In de begeleidende brief bij de inlevering van het manuscript van zijn eerste vertaling bij De Arbeiderspers, Hoffmanns De gouden pot, voelt Hawinkels zich kennelijk wel geroepen zijn werkwijze te verantwoorden.

Zijn referentiekader blijkt dan het afzetten tegen de ‘schoolse vertaling’ te zijn, waaronder hij een al te strikte woord-voor-woord-vertaling verstaat. Hij heeft niet ‘al te schools vertaald’ en ‘meer geromaniseerd dan een schoolse vertaalopvatting nodig zal achten, [...] en waar ik mij dus op nogal wat plaatsen verwijderd heb van de dictionairewijsheden, heb ik ernaar gestreefd zo dicht mogelijk bij Hoffmann te blijven, geen millimeter af te wijken van de werkelijke manier waarop hij vertaald dient te worden, met iets van mede-creativiteit misschien’, wat er dan op neer komt dat hij heeft geprobeerd ‘Hoffmanns tekst [...] zo levend, zo fraai en zo sprekend te maken als hij aan het begin van de xixe eeuw geweest is’. En: ‘Zo heb ik om een enkel voorbeeld te noemen glühende Abendsonne op een plaats vertaald met bloeiende avondzon, schmücke [sic] Schafe op een andere plaats met bloemige schapen, wat ik allebei vondsten van belang acht maar waarover een gediplomeerd germanist wellicht op niet weinig schilderachtige wijze de wenkbrauwen zal fronsen of zelfs de neus zal ophalen’ (brief aan De Arbeiderspers, januari 1968, geciteerd in Ros, 1979: 494).

Hoewel dit dus zijn eerste vertaling was, spreekt er een groot zelfbewustzijn uit de woorden van Hawinkels. Hij formuleert heldere uitgangspunten en positioneert zich tegenover mogelijke bezwaren van deskundige derden, stelt zich in feite tegenover hen (de germanisten) op als een buitenstaander die zijn eigen standpunt legitimeert. Die houding, en de opvattingen, vinden we later ook terug. Het belangrijkste aspect van de poëtica, naast dat van de mede-creativiteit, is dat van het hedendaagse, levende Nederlands, waarbij de levendigheid wordt gelegitimeerd door die van de brontekst in zijn eigen tijd.

Het duidelijkst heeft Hawinkels die vertaalpoëtica geformuleerd naar aanleiding van De toverberg, deels ook omdat hij daartoe werd uitgedaagd. De toverberg was zijn magnum opus, niet alleen achteraf gezien. Mann vertaalde hij met liefde en respect. Er was al begin jaren zeventig sprake van dat hij het boek voor De Arbeiderspers zou vertalen, maar aangezien de uitgeverij in zwaar weer was gekomen, werd het project te riskant bevonden. De uitgeverij richtte zich liever op het oeuvre van Hesse, dat beter bij de tijdgeest paste en commercieel kansrijker werd geacht, naar bleek met recht. Hoewel Hawinkels Hesse een minderwaardige schrijver vond (‘een gelover in het leven die je reinste kitsch kon produceren’; geciteerd naar Ros 1979: 495), nam hij het werk wel aan.

Aan De toverberg heeft hij een vol jaar vol overtuiging gewerkt en de verschijning ervan in 1975 was een literair evenement dat Hawinkels als vertaler definitief op de kaart zette. In een paginagroot interview in NRC Handelsblad naar aanleiding van het verschijnen laat literair journalist Peter van Eeten zich uiterst lovend uit over de openbaring die het lezen van de vertaling voor hem vormde, hij had niet gedacht dat Mann zo’n geweldige schrijver was. Daarbij doopt hij het boek ‘Hawinkels Toverberg’, want, stelt hij in wat hij zelf een ‘uitzonderlijk compliment’ noemt, ‘het boek is een van die uitzonderlijke prestaties die het je doen betreuren dat een vertaler niet meer dan een vertaler is’ (Van Eeten, NRC Handelsblad, 11-7-1975). Hawinkels zelf verheldert in het interview zijn ideeën over ‘mede-creativiteit’:


Dan ga ik ervan uit dat een vertaling die hetzelfde is als het origineel onmogelijk is. Het boek moet opnieuw geschreven worden; je bent niet alleen vertaler, maar eigenlijk de tweede auteur. En omdat het boek de mensen van nu moet aanspreken moet je het moderne Nederlands gebruiken. Het oorspronkelijke publiek in 1924 kon het boek met meer of minder moeite volgen en waarderen. Dat moet je in je vertaling ook bereiken. [...] het is juist dat levende, moderne Nederlands dat ik nodig heb.
Deze opvattingen vielen niet bij iedereen in goede aarde.

Voor Hawinkels golden de criteria van het levende, eigentijdse Nederlands en de mede-creativiteit niet alleen voor het vertalen van literair proza, maar voor alle soorten vertalen. Een van de motieven bij het vertalen van de Bijbelboeken was juist de vermeende noodzaak tot eigentijdsheid. In de verantwoording (waarvoor Pius Drijvers de verantwoordelijkheid droeg, maar die mede namens Hawinkels moet hebben gesproken) wordt uitgebreid stilgestaan bij de uitgangspunten waarbij de ‘Hebreeuwse gedachtegang zo zuiver mogelijk gepeild wordt en men probeert deze gedachtegang zonder onnodige toevoegingen en zonder onverantwoorde weglatingen in eigentijds Nederlands weer te geven’ (Drijvers & Hawinkels 1969: 117). Het resultaat moet dan zijn een tekst die met de ‘kracht van het Nederlandse taaleigen [...] frisser [...] en onmiddellijker en sprekender’ is dan traditioneler Bijbelvertalingen. Hawinkels zelf zegt het in een interview met een aantal Bijbelvertalers in het tijdschrift Schrift allemaal wat scherper, polemischer en soms wat apodictisch. Om te kunnen zien of de Bijbel überhaupt wel een klassieke tekst is, zou die ‘eerst eens behoorlijk vertaald moeten worden. Daarvoor is nodig dat er helderheid wordt gebracht in een onafzienbare filosofische verwarring, maar vooral dat de teksten als zodanig, dus literair, benaderd worden, en niet met de traditionele religieuze pudeur, en alle verdraaiingen en willekeurige interpretaties van dien’ (Drijvers 1971: 113). Daarbij:


Vertalen is vertalen [in tegenstelling tot wetenschap en verkondiging; ck]. [...] Vertalen betekent iets uit de oorspronkelijke taal herschrijven in een andere, zoveel mogelijk alsof het oorspronkelijk in die laatste taal geschreven was. En dan komt in ons geval, hoe sacrilegisch dit massa’s exegeten ook in de masoretische oren zal klinken, evenveel, zo niet meer, aan op de beheersing van het Nederlands dan die van het Hebreeuws. Als preekstoel of etymologenkabinet andere eisen stellen, is dat hun zaak. (idem: 117)
In wezen benadert Hawinkels bij het vertalen Bijbelboeken dus niet anders dan literair proza; voor hem ís de Bijbel een vorm van literatuur. Dezelfde opvatting gold in principe ook voor de vertalingen van toneelteksten en van Nietzsche. De toneelvertalingen zijn vergelijkbaar met de vertalingen van de Bijbelsteksten, omdat het in principe collectieve projecten waren – ze werden gemaakt in nauw overleg met de regisseurs en de dramaturgen van de voorstelling waarvoor ze werden vervaardigd.

Niettemin werden de vertalingen als het werk van Hawinkels als individu beschouwd en ook uitgegeven. Naast de uitgaves die als begeleidende programmaboekjes bij de voorstelling golden, werden ze ook afzonderlijk uitgegeven. Toegankelijkheid voor een eigentijds publiek was ook bij deze vertalingen een prioriteit: ‘Onder het motto: we spelen het tenslotte nú, koos hij voor een niet-archaïserende formule. [...] De grote kracht van Hawinkels’ vertalingen [...] was, dat iedereen het kon begrijpen, of je nou klassiek geschoold was, of een ervaren schouwburgbezoeker, of geen van beide’ (Lutz 1979: 420). Toegankelijkheid speelde ook een rol bij Hawinkels’ omgang met de koren uit Euripides’ Medea, dat hij voor het Publiekstheater vertaalde. ‘De koren’ aldus Hawinkels in het programmaboekje, ‘zijn vrijwel volledig vervangen door nieuwe gedichten, die voor een deel uitgaan van de oorspronkelijke thematiek. Ze zijn geworden tot bespiegelingen van en voor mensen van nu, over een tragedie van toen, uitgesproken door – zoals Goethe het koor noemde – de ideale toeschouwer.’ Het is een werkwijze die doet denken aan de ontleningen aan de schilderijen in zijn gepubliceerde poëzie.

Tegenover de Nietzschevertalingen had Hawinkels eenzelfde houding als tegenover de vertalingen van de Bijbelboeken. Hij benaderde Nietzsche voornamelijk als literair auteur en veel minder als filosoof. Dat zal mede zijn toe te schrijven aan uitgeverij De Arbeiderspers, die de in Nederland op dat moment nog altijd omstreden Nietzsche begin jaren zeventig met haar uitgaven van zijn ideologische beladenheid af wilde helpen. Hawinkels had de grootste moeite met Nietzsche, juist om die beladenheid, en vertaalde zijn boeken alleen om den brode: ‘tenslotte vertaal ik, zeker dit soort gebral, waarin je door de hele bruine rijstebreibergen [sic] heen moet eten voor je één parel van luciditeit tegenkomt, niet voor mijn lol, doch voor mijn brood’ (brief aan De Arbeiderspers, 6 oktober 1975). Volgens Michel van Nieuwstadt (die later zelf Adorno en Horkheimer zou vertalen) moet Hawinkels Nietzsche om die redenen welhaast ‘met afgewend gelaat hebben vertaald’ (1979: 141). Volgens Martin Ros heeft Hawinkels niettemin een grote bijdrage geleverd aan de Nietzsche-revival in Nederland, ‘door voor ’t eerst voor iedereen leesbare en verstaanbare vertalingen te produceren’ (1979: 498).

Er valt dus veel voor de stelling te zeggen dat Hawinkels er een coherente vertaalpoëtica op nahield, die hij van toepassing achtte op alle soorten teksten die hij vertaalde. De omvattende term daarvoor zou ‘esthetiseren’ kunnen zijn. In het interview met Ben Bos uit 1970 gaat Hawinkels in op zijn zelfbeeld als schrijver met een ‘precieuze pen’: ‘ik houd van mooie zinnen maken’ (Bos 1970: 972). Dat principe is ook van toepassing op zijn vertalingen. Alle teksten worden tot literatuur gemaakt, als ze dat al niet van zichzelf zijn, en voor die teksten moet dan allemaal gelden dat ze in helder, levend Nederlands gesteld zijn, wat in het geval van historische teksten (toch het gros van zijn werk) betekent dat ze niet archaïserend, maar eerder moderniserend vertaald moeten worden.


De Nijhoff Prijs-affaire: ‘Allemaal shit, man, allemaal shit.’

Het mag geen wonder heten dat hij, in een periode dat bij het vertalen nog algemeen het idee heerste dat niets anders dan de betekenis van de brontekst de leidraad voor de vertaler moest vormen en elke vorm van creativiteit uit den boze was, met een dergelijke houding niet iedereen voor zich innam. Al zal het ook niet geholpen hebben dat hij zich als vertaler ten opzichte van de traditionele deskundigen als buitenstaander opstelde (al zocht hij wel hun steun4). Classici reageerden van uiterst zuinig tot openlijk vijandig op zijn toneelvertalingen, filosofen hadden grote moeite met Hawinkels’ Nietzsche en vele germanisten vonden zijn Toverberg maar niks, of in elk geval geen echte Mann.

Het scherpst komt dit naar voren in de affaire rond de Nijhoff Prijs in 1976, waarin het oordeel over De toverberg het middelpunt werd. In dat jaar besloot de jury de prijs voor vertalingen in het Nederlands niet uit te reiken omdat er in 1975 geen vertalingen zouden zijn verschenen die over voldoende kwaliteit beschikten om in aanmerking te komen. Hoewel er uiteraard meer kandidaten waren dan Hawinkels, ontstaat er een openbaar debat over de vraag waarom zijn vertaling niet goed genoeg zou zijn geweest. In de gehele landelijke pers wordt de vraag aan de orde gesteld, en in de Haagse Post wordt de affaire eind januari officieel tot rel gebombardeerd in een artikel van Jan Brokken dat als titel draagt: ‘Hoe goed is De Toverberg vertaald?’ Waar eerder door velen de lof is gezongen van het boek (Beers 1975, Van Eeten 1975, Scheepmaker 1975) vanwege de grote leesbaarheid ervan, wordt nu door de jury, anoniem, uit de school geklapt over hun negatieve oordeel: er zouden honderden fouten in zitten, de vertaling zou barsten van de germanismen en de titel zou verkeerd vertaald zijn (‘het boek heet niet Toverberg maar De magische Berg’). Naar verluidt zou jurylid Henk Mulder, germanist en directeur van het Instituut voor Vertaalkunde, ter vergelijking een eigen vertaling van fragmenten hebben gemaakt, waarnaast die van Hawinkels tekort zou hebben geschoten (zie Scheepmaker 1976 en Brokken 1976). Aldus Brokken: ‘Eén jurylid vatte de overwegingen tegen het boek als volgt samen: als de argumenten van de jury ooit nog eens in de openbaarheid zouden komen, dan zou de carrière van Hawinkels definitief gebroken zijn.’

In de ontboezemingen van de anonieme juryleden (onder wie een heel contingent oud-winnaars en medewerkers van het Instituut voor Vertaalkunde) wordt sterk op de man gespeeld, maar de tegenstelling is er toch vooral één tussen verschillende opvattingen, tussen de traditionele opvatting van het primaat van de betekenis, waarin de vertaling wordt beschouwd als niet meer dan een reproductie van het origineel en de vertaling als een nieuwe tekst die zijn eigen samenhang en stilistische vereisten heeft.5

In een door Paul Beers georganiseerd rondetafelgesprek dat in de Revisor wordt gepubliceerd (Beers 1976), komt het tot een milde confrontatie tussen Hawinkels en André Matthijse, germanist en recensent van Het Vaderland, die een negatief oordeel had over De toverberg. Tot elkaar komen de tegenstrevers niet en het gesprek komt niet tot een conclusie. Hawinkels, als het gaat over hoe een van de personages uit Manns roman spreekt, stelt:
Hoe spreekt die kamerheer in het Nederlands? Als een bekakte bal! Niks aan te doen. Maar het is een andere bekakte bal, het is een Nederlandse bekakte bal en daar kom ik niet onderuit. En ik weiger om voor Duitser te spelen terwijl ik met een Nederlandse vertaling bezig ben – dat vertik ik.
Matthijse stelt daartegenover:
Dan zijn we er, dan zijn we heel snel klaar. Want dat is nu juist het punt: jij moet hier wel voor Duitser spelen. Jij zegt , dat doe ik niet, maar je zal het wel moeten doen.
Waarop Hawinkels riposteert dat het niet eens een kwestie is van vertikken, maar dat het gewoon onmogelijk is om voor Duitser te spelen (Beers 1976: 32).

Hawinkels, die in wezen een buitenstaander was in veel van de werelden waarin hij verkeerde, trok zich van alle kritiek in het openbaar niet veel aan:


Er wordt nu wel veel geroddeld, maar niemand heeft mij nog één woord kunnen aanwijzen dat fout vertaald is. Ik wacht dus op voorbeelden. Verder zal het mij een zorg zijn. Ik heb tot 1980 werk, de uitgevers staan voor de deur te dringen.’ (Brokken 1976)
In kleinere kring is dat wel anders. Als een van zijn Nijmeegse vrienden in de kroeg navraag doet naar wat hij ervan vindt, dan is het antwoord: ‘Allemaal shit, man, allemaal shit.’
De semi-onafhankelijke vertaler

In weerwil van de controverse rond de Nijhoff Prijs heeft Hawinkels in 1976 in acht jaar tijd een stevige positie in het vertaalveld bereikt. Institutioneel gezien kan men stellen dat hij een semi-onafhankelijke positie heeft bereikt: tot op grote hoogte kan hij zelf bepalen wat hij vertaalt, wat zich minder uit in de mogelijkheid om de teksten zelf te kiezen, als wel in de mogelijkheid om opdrachten te weigeren. Hij beschikt over een ruim netwerk van opdrachtgevers in de wereld van toneel en literatuur die zijn oordeel over hun uitgeef- en opvoeringsbeleid op prijs stellen en hem als vertaler volledig vertrouwen. In Martin Ros van De Arbeiderspers had hij een warm pleitbezorger en bij Guido de Moor en Ton Lutz (regisseurs van respectievelijk de Haagse Comedie en het Publiekstheater), met wie hij persoonlijk bevriend was geraakt, kon hij met eigen repertoirevoorkeuren terecht. De eerder aangehaalde brief bij het manuscript van De vrolijke wetenschap is een goede illustratie bij zijn semi-onafhankelijke status:


Ik begin in geen geval “dadelijk” aan een volgende Nietzschetitel. Daar is nooit over gesproken, ik heb er geen zin in, en het heeft geen zin: als jullie over een jaar weer eens een titel uitbrengen, lijkt dat me rijkelijk vroeg. Als we eens zeiden: zo rond dezelfde tijd? Dat lijkt me tijd zat. Over de titel in kwestie heb ik geen mening: ik ben bepaald geen Nietzscheliefhebber door dik en dun, en het lijkt me dus ten eerste een zaak van de uitgeverij, welk boek er in de reeks de volgende plaats inneemt. Alleen: Also sprach Zarathustra doe ik niet. Laat me dus te zijner tijd maar horen, wat het moet worden: Menschliches, Morgenröthe of Jenseits. (Brief aan De Arbeiderspers, 6 oktober 1975)
Aan werk had hij dus geen gebrek, hij kon tot op grote hoogte zelf bepalen waar hij aan werkte – ondertussen liep het project met Pius Drijvers om meer Bijbelteksten te vertalen ook nog door – en wist zich verzekerd van lucratieve toneelopdrachten en subsidies van het Fonds voor de Letteren. Voor een professioneel vertaler in het midden van de jaren zeventig had Hawinkels het goed voor elkaar. Veel succesvoller kon het niet – al bleef de Nijhoff Prijs dus uit.

Poëticaal gezien bevond hij zich zelfs in een onafhankelijke positie. Hoewel zijn opvattingen over hoe vertaald moest worden bepaald niet mainstream waren, kreeg hij van zijn opdrachtgevers alle ruimte om zijn tegendraadsheid uit te leven. Hawinkels liep daarmee voorop. Na de jaren zeventig kwam de bredere blik waarin de vertaling als zelfstandige Nederlandse tekst wordt beoordeeld op eigen overtuigingskracht meer in het centrum te staan. In latere jaren is de Nijhoff Prijs toegekend aan vertalers (bijvoorbeeld August Willemsen in 1983 en Peter Kaaij in 1984) die qua mentaliteit en opvattingen dicht bij Hawinkels stonden. De discussie rond De toverberg en de opvattingen van Hawinkels, wiens zichtbaarheid daarmee sterk vergroot werd, heeft daar zeker toe bijgedragen.


Nachleben: ‘Pé is dood & dat is kut.’

Wanneer op 24 augustus 1977 bekend wordt dat Hawinkels acht dagen daarvoor achter zijn bureau is gestorven en er een eind is gekomen aan deze succesvolle vertalerscarrière, zijn de schok en het ongeloof groot, niet het minst omdat het acht dagen heeft geduurd voor hij gevonden werd.

In de necrologieën wordt uitgebreid de lof van hem gezongen, vooral als vertaler. In Wereldbeeld drukt Herman Brood zich misschien nog het meest direct uit over de ervaring van het verlies: ‘Pé is dood & dat is kut’ (Brood: 401). Het algemene sentiment is dat er een groot talent verloren is gegaan dat nog een heel leven en een hele carrière voor zich had. Als vertaler had hij de top bereikt, maar als schrijver had hij de beloftes uit zijn jeugd niet kunnen waarmaken. Als een rode draad loopt door Wereldbeeld, dat niet alleen als een liber amicorum gelezen kan worden, maar ook als een boek van vrienden en kennissen die elk voor zich de balans opmaken van Hawinkels leven, de vraag waar dat nou aan heeft gelegen.

Voor Hawinkels zelf moet die vraag tijdens de laatste jaren van zijn leven ook een thema zijn geweest. Er is sprake van dat hij erover klaagde in een isolement gekomen te zijn door het vertalen, dat hij een zekere bitterheid had ontwikkeld over zijn lot. Altijd bleef in zijn gedachten de grote autobiografische roman die hij zou willen schrijven, die ook de Grote Roman over de Jaren Zestig had moeten worden. Volgens Wim van Houten, dramaturg bij de Haagse Comedie met wie Hawinkels veel samenwerkte, was Hawinkels de laatste jaren druk aan het sparen om zich een paar jaar vrij te kunnen maken en zich weer aan eigen werk te wagen. In 1977 was er voor het eerst sinds tijden weer een kort verhaal van hem verschenen, ‘Credite experto’, in de Revisor.

Veel van de oude vrienden uit de Nijmeegse studententijd reproduceren het beeld van Hawinkels die zich tegen wil en dank tot fulltime vertaler ontwikkelde. Algemeen neemt men aan dat Hawinkels is gaan vertalen uit noodzaak en dat het vertalen voor hem een manier was om zijn pen te scherpen waarmee hij aan zijn eigen oeuvre kon bouwen, waarna het vertalen met hem op de loop is gegaan. Met meer afstand zou je dat beeld ook kunnen omdraaien: het vertalen was niet zozeer de oefening voor het eigen werk, maar het eigen werk was de oefening voor het vertalen en daarin heeft hij uiteindelijk de top bereikt.

In 2007 wordt naar aanleiding van zijn dertigste sterfjaar een avond aan hem gewijd tijdens het Nijmeegse literatuurfestival Wintertuin – The Wild Romance zijn er om de Brood/Hawinkels songs uit te voeren, er wordt nagepraat over zijn leven en werken. Het vertaalduo Bindervoet & Henkes betuigen hem postuum de eer in hem een vroege geestverwant te zien en presenteren vertalingen van zijn songteksten (zie ook Bindervoet & Henkes 2008). De eerste Pé Hawinkels Pionierprijs wordt uitgereikt voor schrijvers die zich net als de naamgever niet tot één genre in de literatuur beperken. De titel van de avond luidt: Pé Hawinkels leeft!

In hoeverre hij nog voortleeft is de vraag. Dat zijn opvattingen over vertalen nu gemeengoed zouden zijn, kan niet worden gezegd. Wel heeft hij met zijn eigenzinnige vertaalopvattingen in het midden van de jaren zeventig mede het starre denken over vertalen opengebroken. In het vertaalde werk leeft Hawinkels in elk geval nog voort. De Nietzscheteksten zijn weliswaar opnieuw vertaald, al zijn zijn vertalingen daar wel de bron voor gebleven, maar veel van de prozavertalingen blijven herdrukt worden. In 2009 nog verschenen nieuwe drukken van De toverberg en Tristan van Thomas Mann en Kuren van Herman Hesse. Verder rest het verhaal van zijn leven, de Grote Roman van de Jaren Zestig die nog steeds geschreven moet worden.

Noten

1 Een deel van het materiaal voor dit artikel is afkomstig uit een dossier over Hawinkels dat in het cursusjaar 2009–2010 is samengesteld in het kader van de cursus Vertaling, cultuur en wetenschap van de Master Vertalen van de Universiteit Utrecht. Dank gaat uit naar Inge van Balgooij, Marlies Kok, Roy Lisman en René Vlieger.

Tevens is een deel van de informatie uit dit artikel afkomstig uit de bundel Moet dit een wereldbeeld verbeelden? Van en over Pé Hawinkels. Hierin is een schat aan documentatie te vinden over leven en werk van Hawinkels (en een volledige bibliografie van zijn werk), voornamelijk in de vorm van artikelen van en interviews met meer dan dertig mensen die in enigerlei hoedanigheid met hem te maken hebben gehad (opvallend daarbij is dat er geen enkele bijdrage van een vrouw in het boek staat; uit de inleiding bij de verzamelde gedichten blijkt dat dit destijds een affaire is geweest: zie Van der Pluijm et al.).

2 Voor de relatie Hawinkels-Brood zie ook Eilander 2001.

3 Zie http://www.gemiddeld-inkomen.nl/inkomens-vanaf-1970.php (12-08-2010). Het additioneel honorarium voor in 1975 uitgebrachte boeken bedroeg 2,2 cent per woord, het gangbare tarief 4,4 cent per woord. Gegevens ontleend aan Stichting Fonds voor de Letteren, Verslag over de jaren 1975 en 1976.

4 In Wereldbeeld geven Wim Bronzwaer en Cornelis Verhoeven een beeld van hoe hij bij zijn docenten te rade ging. Ook op andere gebieden documenteert Hawinkels zich bij deskundigen: voor het vertalen van de bouwvakkerstaal in het toneelstuk De aannemer loopt hij een paar dagen mee op een Limburgse bouwplaats om de taal van de bouwvakkers onder de knie te krijgen (zie Van Houten 1979).

5 Voor een uitgebreide bespreking van de Nijhoff Prijs-affaire zie Koster 1996 en Verstegen 1985.
Bibliografie

Bakker, Siem. 1986. Literaire tijdschriften. Van 1885 tot heden. Amsterdam: De Arbeiderspers.

Beers, Paul. 1976. ‘Nijhoff-prijs voor vertalingen ten onrechte niet toegekend’, Volkskrant, 24 januari 1976.

Beers, Paul. 1976a. ‘Hans Castorp als Nijmeegse corpsstudent. Een gesprek over de vertaling van De Toverberg’, De Revisor, 1976:5, p. 27–34.

Bindervoet, Erik & Robbert-Jan Henkes. 2008. ‘Om onder het werk wat te lezen te hebben’, Filter, 15:1, p. 11–15.

Boekraad, Hugues C. et al. (eds.). 1979. Moet dit een wereldbeeld verbeelden? Van en over Pé Hawinkels. Nijmegen: sun.

Bos, Ben. 1970. ‘Pé Hawinkels: mijn poëzie is als strooizout op een bevroren weg’ (interview), Maatstaf, 17:12, p. 781–793.

Brems, Hugo. 2006. Altijd weer vogels die nesten beginnen: geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1945–2005. Amsterdam: Bert Bakker.

Bronzwaer, Wim. 1979. ‘De Shakespeare-vertalingen van Pé Hawinkels’, in: Boekraad et al. (eds.), p. 442-452.

Brood, Herman. 1979. ‘Pé was mijn kameraad’, in: Boekraad et al. (eds.), p. 403–405.

Brokken, Jan. 1976. ‘Hoe goed is De Toverberg vertaald? De rel rond de Nijhoffprijs’, De Haagse Post, 31 januari 1976.

Dibbets, Elzo. 1979. ‘De stelling van Menelaos’, in: Boekraad et al. (eds.), p. 297–316.

Drijvers, Pius. 1971. ‘Zoveel hoofden zoveel zinnen. Bijbel vertalen nu’, Schrift, 15, p. 112–117.

Drijvers, Pius. 1979. ‘Bijbel vertalen’ in: Boekraad et al. (eds.), p. 455–460.

Drijvers, Pius & Pé Hawinkels. 1969. ‘Verantwoording van de vertaling’, idem, De mens heet mens. Het boek Prediker. Utrecht: Ambo.

Eeten, Peter van. 1975. ‘De vertaler is eigenlijk de tweede auteur. Thomas Mann, Pé Hawinkels en de Toverberg’, NRC Hansdelsblad, 11 juli 1975.

Eilander, Jan. 20013. Rock ‘n roll junkie. Amsterdam: Prometheus.

Baak, Eugene. 2003. ‘Hard leven: de waarde van Pé Hawinkels’, radiodocumentaire voor RVU, uitgezonden 11 juli 2003.

(http://matrix.rvu.nl/cgi/spsp/rvu/rvu.php?i=1&l=0&n=784; 06-09-2010)

Hawinkels, Koos. 1979. ‘Biografica’, in: Boekraad et al. (eds.), p. 13–14.

Heilbron, Johan. 1995. ‘Nederlandse vertalingen wereldwijd. Kleine landen en culturele mondialisering’, in: idem et al., Waarin een klein land. Nederlandse cultuur in internationaal verband. Amsterdam: Prometheus. 206–254.

Houten, Wim van. 1979. ‘De toneelvertalingen van Pé Hawinkels voor Globe en de Haagse Comedie’, in: Boekraad et al. (eds.), p. 425–436.

Jansen, Bert. 1979. ‘Pé Hawinkels in de pop’, in: Boekraad et al. (eds.), p. 411–416.

Kockelkoren, Matth. 1979. ‘In de schaduw van de Meester’, in: Boekraad et al. (eds.), p. p. 324–335.

Komrij, Gerrit. 200616. Komrij’s Nederlandse poëzie van de 19de tot en met de 21ste eeuw in 2000 en enige gedichten. Amsterdam: Bert Bakker.

Koster, Cees. 1986. ‘Over meesterlijke vertalingen. Veertig jaar Martinus Nijhoff Prijs’, in: Ton Naaijkens (ed.), Vertalers als erflaters. Staalkaart van een eeuw vertalen. Muiderberg: Coutinho, p. 86–105.

Lauber, Cornelia. 1996. Selbstporträts: zum soziologischen Profil von Literaturübersetzern aus dem Französischen. Tübingen: Narr

Lutz, Ton. 1979. ‘Pé Hawinkels en het Publiekstheater’, in: Boekraad et al. (eds.), p. 419–422.

Nieuwstadt, Michel van. 1979. ‘“Andere uitwegen dan de persoonlijkste…”’, in: Boekraad et al. (eds.), p. 131–142.

Pijfers, Herman. 1979. ‘Alles heeft zijn tijd’, in: Boekraad et al. (eds.), p. 485–487.

Pluijm, Cees van der et al. 1988. ‘Inleiding: “Geweldig davert het woord over het niets”’, in: Pé Hawinkels, Verzamelde gedichten. Nijmegen: Uitgeverij De Stiel.

Ros, Martin. 1979. ‘Pé Hawinkels: afscheid van een profiel’, in: Boekraad et al. (eds.), p. 488–502.

Sars, Paul. 1990. ‘Hawinkels’ plaats in de Nederlandse Letteren’, QM, 4, p. 4–5.

Scheepmaker, Nico. 1976. ‘Trijfel’, Leeuwarder Courant, 13 januari 1976.

Verhoeven, Cornelis. 1979. ‘Oefenen voor het meesterschap’, in: Boekraad et al. (eds.), p. 437-441.

Verstegen, Peter. 1985. De muze met de Januskop. Dertig jaar Martinus Nijhoffprijs. Een collage. Amsterdam: Bert Bakker.



Bijlage 1: Oeuvre Pé Hawinkels, vertalingen (selectie)
Literair proza

1969 E.T.A. Hoffman, De gouden pot en andere verhalen, De Arbeiderspers (AP)

Thomas Mann, De ontgoocheling, gevolgd door Wälsungenblut, AP

Susan Sontag, Tegen interpretatie, Bruna

1970 Hermann Hesse, Narziss en Goldmund, AP

Alfred Kubin, Aan gene zijde, AP

1972 Hermann Hesse, Sprookjes, AP

Aldous Huxley, De duivels van Loudon, Contact

Hermann Hesse, Gertrud, AP

1973 Aldous Huxley, De ogen uitgestoken, AP

Thomas Mann, Tristan, AP

1974 Hermann Hesse, Kuren, AP

Iris Murdoch, De zwarte prins, Contact

1975 Thomas Mann, De toverberg, AP

1976 Bertolt Brecht, Me-Ti. Boek der wendingen, SUN

Sir Arthur Conan Doyle, De gedenkschriften van Sherlock Holmes, Contact

A.G. Mojtabia, Werledmij, Contact

1977 Theodor Fontane, Effi Briest, AP


Toneel

1970 John Arden, Varkens (Globe)

1971 Sophokles, Antigone (Haagse Comedie)

1973 David Storey, De aannemer (Globe)

Heiner Müller, Philoktetes (Haagse Comedie)

1974 Peter Shaffer, Equus (Globe)

1975 Sophokles, Elektra (Publiekstheater)

William Shakespeare, Leer om leer (Globe)

1976 William Shakespeare, Naar ‘t u lijkt (Haagse Comedie)

1977 Bertolt Brecht, Lux in tenebris (Globe)

Euripides, Medea (Publiekstheater)

Friedrich Schiller, De rovers (Globe)

Edward Bond, De gek. Taferelen van brood en liefde (Toneelgroep Theater)

1978 William Shakespeare, Julius Caesar (Haagse Comedie)


Filosofie

1969 Friedrich Nietzsche, Ecce Homo, AP

1973 Friedrich Nietzsche, De antichrist. Vloek over het christendom, AP

1976 Friedrich Nietzsche, De vrolijke wetenschap, AP

1977 Friedrich Nietzsche, Morgenrood. Gedachten over morele vooroordelen, AP
Bijbel

1969 De mens heet mens (Prediker; met Pius Drijver), Ambo

1970 Job (met Pius Drijver), Ambo

1978 Bijbelfragmenten (met Pius Drijver), Gooi en Sticht



Bijlage 2: Oeuvre Pé Hawinkels, oorspronkelijk werk (boektitels)
1968 Bosch & Bruegel, Ambo (poëzie)

1969 Autobiografische flitsen & fratsen, Arbeiderspers (proza)



Het uiterlijk van de Rolling Stones, Ambo (poëzie)

1971 Ik hau van Holland, Van Gennep (proza)



1988 Verzamelde gedichten (redactie Cees van der Pluijm, Anneke van der Putte, Paul Sars, Rob van de Schoor), Uitgeverij De Stiel





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina