P pa papa, va, vader pa (Engels) dad, daddy pa of ma



Dovnload 0.91 Mb.
Pagina10/13
Datum22.07.2016
Grootte0.91 Mb.
1   ...   5   6   7   8   9   10   11   12   13

Portugees oorlogsschip - karaak

Portugees vissersvaartuig - Calao

Portugees zeevaarder - Magelhaens

Portugees zeilschip - caravela

Portugese bergtop - Malhao

Portugese bezitting in Afrika - Angola, Mozambique

Portugese bezitting in Azië   Timor

Portugese brllslang - cobra

Portugese componist - Arroyo

Portugese dichter - Oliveira

Portugese dichteres - Alorna

Portugese edelman   hidalgo

Portugese eilanden   Azoren

Portugese en Spaanse Joden   sefardim

Portugese eretitel - don

Portugese havenstad   Lissabon, Oporto, Porto, Setubal

Portugese havenstad in Afrika   Baire

Portugese hoofdstad - Lisboa, Lissabon

Portugese inhoudsmaat - almude, alqueira

Portugese kolonie - Angola, Mozambique

Portugese kolonie in China - Macao

Portugese koning(in) -

5 Johan, Jozef, Karel, Maria

6 Eduard, Miguel, Sancho

7 Emanuel, Hendrik, Lodewijk

8 Alfonsus

9 Dionisius, Ferdinant

10 Sebastiaan

Portugese kroniekschrijver - Lopes

Portugese landstreek - Algarve, Beira, Minho

Portugese munt   crusaat, crusado, escudo, fanga, milreis, moio, reaal (oud), reis, rs

Portugese president - Braga, Gomes

Portugese rekenmunt   milreis

Portugese rivier - Douro, Ebro, Guadiana, Lima, Mandego, Minho, Mira, Sado, Taag, Tamega, Tejo, Tua, Vouga

Portugese ruitersabel - sarras

Portugese stad - Almada, Braga, Coimbra, Elvas, Evora, Faro, Lagos, Lisboa, Lissabo, Oporto, Setubal

Portugese synagoge   esnoga

Portugese titel - senhor

Portugese titel voor adellijke dame - donna

Portugese voormalige kolonie - Angola, Mozambique

Portugese wijnsoort - aquilar, made(i)ra, port

Portulacee - claitonia, montia, postlein

portulak - postelein

portuur   tegenpartij

portvrij - franco, ongefrankeerd

portwijn - douro, madouro, port

porijzer - pook

pos - baarsvisje, zeedonderpad

pose - aanstellerij, air, houding, stand

Poseidon   Neptunus

poseren - modelstaan

poseur   aansteller

positie – aanzien, betrekking, houding, ambt, baan, hoedanigheid, hoeveelheid, houding, ligging, opstelling, plaats, post, rang, situatie, staat, status, stand(ing), stelling, toestand, zwangerschap

positiebejag - arrivisme, carriëremaking, streberij

positief - bepaald, gunstig, overtuigd, stellig, uitgesproken, vast, werkelijk, wezenlijk, zeker

positief beeld op onderlaag   dia

positief elektrisch atoom - anode, elektrode

positief electron van de atoomkern - positron

positief geladen atoom   anion

positief geladen ion - kation

positief geladen waterstofatoom – proton

positief idee - ideaal

positieoorlog   stellingoorlog

positieve elektrode   anode

positieve ideeën   ideaal

positieve kans   fortuin, geluk, mazzel

positieve niveauverandering   transgressie, zeespiegelrijzing

positieve pool   anode

positieve relatie - resonantie

positieve uitkomst - resultaat

positieve verandering - appreciatie

positieven   bewustzijn

posse   gagel, post, pos, possem

possederen   bezitten

possem   gagel, Myrica, pors

possessie   bezit, bezitting, have, piëdestal sokkel, voetstuk

possessief - bezittelijk

posibiliteit - mogelijkheid

post   ambt, baan, betrekking, brieven, functie, gagel, mail, officie, paal, positie, postbestelling, postiljon, postrijder, raamstijl, schildwacht, standplaats, taak, wachter, werkkring

post op de begroting - item

post van advocatenrekening - retenue

Post, de - betreffende - postaal

postament   pedestal, piëdestal, sokkel, voetstuk

postbode   besteller, koerier, postiljon, postbezorger

postbus - box, brievenbus

postduivenhouder (amateur) - duivenmelker

poste restante   p.r.

postelein   protulak

postelein achtigen - postulacaceeën

posten - wachthouden

poster - affiche

posteren - aanstellen

posterieur   later, volgend

posteriteit   nakomelingschap

postglossator - commentator

posthorenslak - planorbis

posthuis - wachthuisje

postiche - nagemaakt, vals

posticheur   haarwerker

postiljon   koerier, postknecht, postrijder

postille   predikboek

postkoets - diligence, mailcoach

postludium   naspel

postmandaat - wissel

postmerk - stempel

post of baan - betrekking

postpakje - pakket

postrijder   postbodepostiljon

postscriptum   naschrift, ps., nabericht

poststukken - mail

postulaat   axioma, stelling, proeftijd

postulant   kandidaat, nieuweling

postuleren   vooropstellen

postuur   bouw, figuur, gedaante, gestalte, houding, lichaamsbouw, lichaamsvorm, stand

postvaartuig - mailboot

postwagen   diligence, mailcoach, postrijtuig

postzak   brievenbaal

postzegel   frankeerzegel

postzegelkennis - beminnen

postzegelkunde - filatelie

postzegelkundige   filatelist

postzegeltang   pincet

postzegelterm   eerstedagenvelop, postfris, tanding

postzegelverzamelaar   filatelist

postzegelverzamelwoede - filatelie

postzegel voor goed doel - kinderzegel, weldadigheidszegel

pot   bloempot, glas, inleg(geld), inzet, koffiepot, kroes, marihuana, mise, nachtspiegel, pint, spaarpot, speelgeld, stuff, vaas

potaarde - potgrond

potage - vleessoep

potas - alkali, kaliumcarbonaat, loogzout, parelas, weedas (van wede gemaakt)

potasmetaal - kalium, potassium

potassium - kalium

potator - drinkebroer, drinker, dronkaard

potbloem - anjelier

pot de chambre - po

potdicht - gesloten, impenetrabel, lekvrij

potdoof - stokdoof

poten   planten, inpoten, stekken, verpoten, zwemmen

potent - mannelijk

potentaat   (alleen)heerser, dictator, gezaghebber, machthebber, mamamouchi, tiran, vorst

potentie   kracht, macht, machtsexponent, vermogen

poter - aardappel

potgieter - koperslager

potgrond   potaarde

pothaak - hengsel, heugel

pothoed - bolhoed

potig - fiks, flink, gespierd, krachtig, moedig, sterk, stevig, stoer, struis,

potig wijf - Brunhilde, Kenau

potje - spel(letje), partij

potje in een stoof   test, vuurtest

potloden - zwartmaken

potlammetje   leblam

potlood - grafiet, zwartsel, kachelglans

potloodhout - cederhout

potloodpunt - stift

potpourri - allegaartje, medley, mengelmoes, muziekstuk,

potroos - pioenroos

pots   grap, joke, klucht, poets, streek

potsachtig - aardig, grappig

potsenmaker   cadee, clown, grapjas, grappenmaker, hansworst, harlekijn, joker, klown, komiek, kurenmaker, nar, paljas, pias, polichinel, sater, snaak, tuimelaar

potsenmakerij - hansworsterij

potshoofd - kikvorslarve

potsierlijk   aardig, boertig, burlesk, dwaas, gek, grappig, grotesk, kluchtig, koddig, komiek, lachwekkend, raar, snaaks

potsig - grappig

potten - sparen

pottenkijker - keukenpiet, snuffelaarspion

pottenbakkersaarde - gleis, klei

pottenbakkersklei - gleiergoed, gleis, terracotta

pottenbakkerskunst   ceramiek, keramiek

potter - gierigaard, schraper

potvis - cachelot, tandwalvis

poularde - hoen

poule - inzet

poulet   kip, kuiken, soepvlees

pover - arm, armetierig, armoedig, armzalig, berooid, dun, dunnetjes, gering, iel, karig, magertjes, noodruftig, onbeduidend, schamel, schraal, schriel, sober, mager

povertjes - armoedig, karig, mager, schraal

pozen   blijven, ophouden, pauzeren, rusten, verwijlen

potsachtig - aardig, grappig

potsenmaker - clown, grappenmaker, hansworst, pias

potsierlijk - grotesk, scurriel

pottenbakkersaarde - gleis

pottenbakkerskunst - keramiek

potvis - cachelot

por acquit - voldaan

pousse-café - poesje

pover - arm(zalig), berooid, schamel, schraal

Praag - Praha

praaien - aanklampen

praal   daad, bluf, eer, glans, gloor, glorie, luister, opschik, opsmuk, pocherij, poeha, pompa, pracht, pronk(zucht), roem, schittering, sier, somptuositeit, staatsie, statie, vertoon, weelde, ijdeltuiterij, zege, zwier

praalbed - pronkbed, katafalk, paradebed, staatsiebed

praalboog - arke, ereboog, erepoort

praal en eer - roem

praal en glorie - luister

praalgewaad - pronkgewaad, statiekleed

praalgraf   cenotaaf, mausoleum, tombe

praalgraf (leeg) - cenotaaf, mausoleum

praalhans - branie, opsnijder, opschepper, parvenu, pocher, pochhans, poen, pronker, snoever, ijdeltuit

praalhanzerij - grootsprekerij

praalkoets - galawagen, triomfwagen

praaltros - guirlande

praalvertoon - parade, sumptuositeit

praalwagen - pronkwagen

praalziek - behaagziek, frivool, mondain, nuffig, opschepperig, ostentatief, poenig, praallievend, praalzuchtig, prachtlievend, pronkerig, pronkzuchtig, ijdel,

praalziek kind - ijdeltuit

praalziek mens - ijdertuit

praalzucht - bluf, hoovaardij, ostentatie, pralerij, pronkzucht, vertoon, vertoonmaking, ijdelheid

praalzuchtig   ostentatief, prachtlievend

praam - bol, gabaar, gabare, klem, knevel, neusklem, neusknijper, pranger, prangijzer, schouw, zolderschuit

praam met een vast dek - zolderschuit

praamschuit - praam

praat - gebabbel, kul

praatachtig - babbelziek

praatal   babbelaar(ster), kletskous

praatgenootschap - dispuut

praatgraag - praatlustig

praatje - causerie, geroddel, gerucht, gesprek, klets, laster, leugen, mare, prevelement, smoes, verzinsel

praatjes   achterklap, gebaar, gerucht, grimas, kletskoek, koddig, kunst, kuur, laster, palaver, praats, prevelement, roddel, verzinsel

praatjesmaakster - kal, kalebas

praatjes maken - bluffen, opscheppen, raisonneren, snoeven

praatjesmaker   bluffer, branie, druktemaker, kakelaar, kletskous, opschepper, pochhans, snoever

praatlustig - praatgraag, pratatief, spraakzaam,

praatmoer - babbelaarster

praats   aanmatiging, babbel(tjes), drukte, kapsones, lef, ophef, pretentie, spats

praattafel - bittertafel

praatvaar - babbelaar

praatvogel   ara, beo, lorre, papegaai, parkiet

praatziek - babbelachtig, breedsprakig, loslippig, loquax

praatziek mens - kletskous

praatzieke vrouw - gons, klets, labbei, labbekak, snapster

praatziekte - logomanie, polyfrasie, loquaciteit, praatzucht

praatzuchtig - kletserig

prachen - bluffen, pochen

pracht - glamour, glans, glorie, heerlijkheid, luister, magnificentie, opschik, opsmuk, pompa, praal, pronk, schittering, schoonheid, sier, somptuositeit, staatsie, statie, sumptuositeit, tooi, vertoon, weelde, weelderigheid

pracht en praal – statie, vertoon

prachter - luster

prachtig – beeldig, briljànt, daverend, denderend, enig, enorm, florisant, fraai, glansrijk, glorieus, grandioos, groots, heerlijk, hemels, kostbaar, kostelijk, luisterrijk, luxueus, magnifiek, majestueus, mooi, moorddadig, pompeus, schitterend, schoon, splendide, stralend, sumptueus, superbe, uitmuntend, voortreffelijk, vorstelijk, weelderig, weids

prachtig feestmaal - banket

prachtig feestmaal   banket

prachtig werk - prestatie

prachtige auto - slee

prachtige blauwe steen - azuur, lazuur

prachtige of plechtige stoet - staatsie

prachtkaars - teunisbloem

prachtkever - buprestida, ossendoder

prachtlelie - glorioso

prachtlievend   magnifiek, praalziek, ijdel

prachtlobelia - sierheester

prachtrank - bignoniacee

prachtspreeuw - purperspreeuw

prachtwolfsmelk - kerstster

practicabel - doenlijk, mogelijk, uitvoerbaar

practicant - assistent

practicum - stage

practies slottafreel - apoteose

practisch - efficiënt, feitelijk

praecedent - pr., praec., voorgaande
praefectus   praef, prefect, stadhouder

Praemonstratenser - Norbertijn

praesens - o.t.t.

praeses - president, voorzitter

preteritum   o.v.t., imperfectum, praet

prahoe (Ind.)   prauw

prairie - pampa

prairiepaard   mustang

prairiewolf   coyote

prak - etensrest, kliekje, kliek

prakje - kliekje

prakken - fijnmaken

prakkeseren - nadenken, overwegen, peinzen, piekeren, prakkizeren, uitdenken, vigileren

praktikant - stagiaire

praktisch   bruikbaar, bijna, doelmatig, efficiënt, makkelijk, nagenoeg, nuttig, zakelijk

praktisch mens - utilist

praktisch onbestaanbaar - platonisch

praktische aanwijzing - raad, tip, wenk

praktische kennis - bekwaamheid, ervaring, ondervinding, praktijk

praktische krijgskunde - taktiek

praktische politiek - opportunisme

praktische wenk - aanwijzing, hint, wenk

praktische wijsbegeerte - etiek, ethica, ethiek

praktiseren - oefenen

praktizijn - zaakwaarnemer

praktijk - daad, gebruik, gewoonte, kliëntele, praxis

praktijk uitoefenen - praktiseren

praktijkjaar - stage

praktijkperiode - stage

praktijk uitoefenen - praktiseren

pral - pocher, snoever, opsnijder, opschepper

pralen   bluffen, bogen, geuren, gloreren, opscheppen, opsnijden, paraderen, pochen, prijken, pronken, schitteren, snoeven, stralen

pralen met ijdele opschik - pronken

pralend - fastueus, opgeschikt, ostensief, pronkerig, sierlijk, statieus, ijdel

praler   bluffer, branie, geurmaker, opschepper, opsnijder, pocher, poen, pronker, snoever

pralerig - deftig, dikdoenerig, fastueus, hoogdravend, ostentatief, pompeus, pralend, pronkend, pronkerig, statueus, weelderig, wijds, zwierig

pralerij - bluf, gepraal, gepronk, grootspraak, hoovaardij, ostentatie, praalzucht, snoeverij, vertoon

praline - bonbon

pram - vrouwenborst

pramen - aandringen, aanzetten, drukken, knellen

prang - band, boei, druk, drukking, halsijzer, klem, klemming, knel, knelling, knijper, kwelling, naald, neusklem, nood, penwortel, stukhout, stuthout

prangen - dringen, drukken, klemmen, knellen, prijken

pranger   klemhaak, molenklem, molenpraam, neusknijper, praam, schandpaal

prangijzer - praam

praseodymium   pr.

prat   bluffen, bogen, deftig, fier, geregeld, hoogmoedig, hovaardig, juist, lellen, nauwkeurig, parmantig, precies, roemen, steunen, trots, verwaand, ijdel

prat gaan - bogen

prat zijn op - bogen

praten   babbelen, bomen, converseren, kakelen, keuvelen, kletsen, kouten, kwetteren, lullen, parlesanten, parlevinken, parteren, prevelen, redeneren, snappen, snateren, spreken, talen, tateren, vertellen, zeggen

pratend   (muz.) parlando

pratende vogel   ara, beo, kraai, lorre, papegaai, parkiet

prater   babbelaar, flapuit, kletskous, redenaar, spreker, tater, wauwel

praterij - geklets, gepraat

praterig - spraakzaam

prat gaan – bogen

prauw - kano, korakora

prauwel - oblie

pre   pro, voor, voorkeur

pre existerend geesteswezen - reïncarnatie

preambule   inleiding, preludium

prebende - beneficie, gunst

precair   bedenkelijk, hachelijk, netelig, onzeker, penibel, pijnlijk, twijfelachtig, veeg, zorgelijk

precautie - voorzichtigheid, voorzorg

precedent   besluit, voorafgaande

precendentie - voorrang

precies   accuraat, bepaald, even, exact, formeel, haarfijn, juist, justement, krek, letterlijk, nauw(gezet0, nauwkeurig, nauwlettend, net(jes), onverbloemd, onwrikbaar, pal, pietepeuterig, promp, puntelijk, punctueel, secuur, stipt, strikt, stijf, woordelijk, zorgvuldig

preciesheid - accuratesse, acribie

precies op tijd - klokslag

precieus   geaffecteerd, gekunsteld, kostbaar,

preciosa   kostbaarheden, juwelen

precipitaat - bezinksel, neerslag, sediment

precipitato (muziek) - overhaast, schielijk

precipiteren - neerslaan, zakken

preciseren   omlijnen, verduidelijken, verhelderen

precisie   acribie, juistheid, nauwkeurigheid

precisiemeter - acribometer, meetring

precociteit - vroegrijpheid

preconisatie   aanprijzing

predestinatie   voorbeschikking

predictie - voorspelling

predikatie   kanselrede, leerrede, preek, sermoen, zedenpreek

predikaat   (taalk. gezegde), eretitel

predikant   dominee, ds, herder, leraar, pastoor, v.d.m., voorganger, zielenherder

predikante   da., domina .

predikantswoning - pastorie

predikantszaken - pastoralia

predikatie - kanselrede, leerrede, preek

predikatie in kesttijd - adventspreek

prediken - leren, preken, spreken, verkondigen

prediker - dominee, Ecclesiastes, evangelist, pred., Salomo, verkondiger

predikheer   dominicaan, O.P.

predikheren - dominicanen

prediking - evangelisatie, homilie, missie, preek, verkondiging

prediking en sacrament - genademiddel

predikkunde   homiletiek

predikstoel - kansel, katheder

predilectie   vooringenomenheid, voorkeur

predispositie - aanleg, voorbeschiktheid

predominatie - overheersing

pree - betaaldag, voorkeur

preek - kanselrede, leerrede, predikatie, prediking, sermoen, toespraak, verkondiging, vermaning

preekachtig - prekerig

preekheer - meikever

preekstoel - ambo, kansel, katheder, leerstoel

prefatie   voorbericht, voorrede

preferabel   verkieslijk

preferent - bevoorrecht, gewichtig, kernachtig, overtuigend, pr(e)f., pregnant, verkieslijk

preferentie - voorkeur, voorrang

prefereren - verkiezen

prefiguratie - eerste, prototype

prefix   voorvoegsel

pregnant (geneesk.)   beknopt, gewichtig, overtuigend, veelzeggend, zwanger

prehistorie   archeologie, voorgeschiedenis

prehistorisch dier   archeopterix, behemoth, brontosaurus, dinosaurus, dinotherium, diplodocus, diptera, mammoet, mastodont, minotaurus, mosasaurus, mylodon, ichthyosaurus, palaetherium, pleisiosaurus, plipithecus, stegodon, triceratops, zeuglodon

prehistorisch gedenkteken - megaliet

prehistorisch graf   hunebed, koepelgraf

prehistorisch mens - Neanderthalermens, oermens

prehistorisch volk   Indogermanen, Kelten

prehistorische hagedis - plesiosaurus

prehistorische periode - bronstijd, mesolithicum, neolithicum, paleolithicum, steentijd, ijzertijd

prehistorisch reptiel - brontosaurus, ceteosaurus

prehistorische periode - bronstijd, steentijd, ijzertijd, mesolithicum, neolithicum, paleolithicum

prei - poor

prei of ui - look

prejudicie - afbreuk, nadeel, schade, vooroordeel

preken - betogen, kletsen, verkondigen, vermanen, zedenmeesteren

preker - redenaar

prekerig - preekachtig

prelaat   (aarts)bisschop, ablegaat, abt, bisschop, collator, kardinaal, kerkheer, kerkvoogd, prior


1   ...   5   6   7   8   9   10   11   12   13


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina