Palestijns Messiasbelijdend Jodendom tussen 70 en 135 na Chr



Dovnload 91.18 Kb.
Datum07.10.2016
Grootte91.18 Kb.
Palestijns Messiasbelijdend Jodendom tussen 70 en 135 na Chr.1
In het navolgende gaat het over het Messiasbelijdend Jodendom in Palestina in een periode die onmiddellijk volgt op het tijdperk waarover het in het boek van de Handelingen gaat. En onder Messiasbelijdende Joden versta ik dan die Joden die in Jezus als hun langverwachte Messias geloven. We noemen hen - om ze te onderscheiden van de christenen uit de heidenen - Messiasbelijdende Joden, hoewel die naam natuurlijk iets preciezer moest zijn: Jezus als de Messias belijdende Joden. Over deze Joodse volgelingen van Jezus van de tweede en derde generatie gaat het en wel in het bijzonder in het Joodse land. 1.2

Afgrenzingen

In het laatste ligt tegelijk een sterke beperking opgesloten. Want Messiasbelijdende Joden zijn er ook elders in de wereld geweest, in Efeze, in Korinthe, in Rome. Joden die in de synagogen van de diaspora, waar lange tijd het Evangelie van Jezus Christus gepredikt is geweest, tot het geloof in Jezus als de Messias zijn gekomen. Wij willen evenwel onze aandacht richten op wat we zouden kunnen noemen de Palestijnse, inheems Joodse kerk in de dagen na de apostelen. 2. En daarbij denken we bovendien hoofdzakelijk aan een tijdperk van ongeveer 70 jaren of liever aan de tijd tussen twee opstanden van het Joodse volk tegen de Romeinse bezettende macht. 3. De eerste opstand is die van de Joodse oorlog van 66-70 na Chr. eindigend in de verwoesting van Jeruzalem en de vernietiging van Israëls centrum van de eredienst, de tempel. En de tweede opstand is die van Bar Kochba die plaatsvond in de jaren 132-135 na Chr..


Als we dit stukje geschiedenis van het Palestijns Messiasbelijdende Jodendom overzien, worden we droevig gestemd. Het is immers zonneklaar, dat de kloof tussen de Joodse volgelingen van de Joodse Messias Jezus en het synagogale Jodendom hoe langer hoe dieper is geworden en dat die twee steeds verder uit elkaar zijn geraakt. Totdat de Joodse kerk tenslotte geheel uit het gezichtsveld is verdwenen. Na 135 horen we weinig of niets meer van haar.
De geschiedenis van het Palestijns Messiasbelijdende Jodendom is er één van een totale vervreemding. We zullen ook moeten zeggen: van een dubbele totale vervreemding. Want zijn deze Joodse volgelingen van Jezus in de gemeenten waar heiden-christenen de leiding hadden, in Palestina of daarbuiten, ooit echt opgevangen? Konden de heiden-christenen in het algemeen met hen goed overweg? Helaas, de Messiasbelijdende Joden die eens als moederkerk functioneerden, zijn nagenoeg volledig uit het gezichtsveld van de christenheid in en buiten Palestina verdwenen.
De Messiasbelijdende Joden van de eerste, de tweede.en de derde generatie zijn in alle opzichten tussen wal en schip geraakt.
Maar laten we nu eerst de belangrijkste punten uit de geschiedenis van de Palestijnse Messiasbelijdende Joden de revue laten passeren.
Het geestelijk gehalte van de Jeruzalemse moederge-meente
Uit de geschriften van het Nieuwe Testament blijkt, dat de Jeruzalemse gemeente van de Heere Christus een belangrijke plaats heeft ingenomen in het geheel van de christelijke kerk, ook buiten Palestina. In de eerste tijd strekte zich het gezag van de in Jeruzalem levende en werkende apostelen uit tot ver buiten de grenzen van Sion en van Israël. Vanuit deze moedergemeente was er de verspreiding van het Evangelie.

Straks een apostolische visitatie in Samaria, waar niet-Joden tot het geloof in Jezus als Messias waren gekomen. Zo ook in Antiochië. Verder koppelde Paulus, der heidenen apostel later steeds weer op Jeruzalem terug. Hij collecteerde niet alleen voor deze moedergemeente. Hij stelde ook de grote vragen van het zendingsterrein, betreffende de onderhouding van de Mozaïsche wet door niet-Joden aan de orde op het zogenaamde apostelcon-vent te Jeruzalem.


De Jeruzalemse gemeente nam in één woord een gezaghebbende plaats in het geheel der christenheid in. Zij vormde een soort thuisfront voor de arbeid van de zending, dat in de heilige oorlog met het heidendom niet kon worden gemist. En naar algemeen wordt aangenomen, zijn het in het bijzonder familieleden van Jezus, onder wie Jakobus, de broer van Jezus die in die Jeruzalemse gemeente lange tijd een leidende rol speelden.

Deze Jakobus die een zuil van de Jeruzalemse gemeente was, moet volgens H. Mulder het ideaal hebben gekoesterd van een wereldwijde organisatie van de kerk, geleid vanuit Jeruzalem en gestuwd door de Joodse gelovigen als dragers van de eeuwenoude beloften, aangevuld met proselieten die de zware geboden wilden volbrengen en door christenen die alleen de lichte geboden (Hand. 15) zouden doen. Het is deze Jakobus die volgens Eusebius, de kerkhistoricus van de eerste eeuwen, zeer in aanzien is geweest bij zijn volksgenoten, de Joden die niet in Jezus geloofden. 4. En dat ondanks het feit, dat de Joodse leidslieden in het jongste verleden bepaald wel getoond hadden met de volgelingen van Jezus weinig op te hebben.


Men had Stefanus gestenigd. Jakobus, de broer van Johannes, één van de zonen van Zebedeüs, was onder Herodes Agrippa I in het begin van de veertiger jaren gedood. En mede door deze gewelddaden van de kant van de Joden waren er dan ook nogal wat volgelingen van Jezus uit Jeruzalem weggevlucht. Om elders het Evangelie te gaan verkondigen.

Kennelijk is dat voor Jakobus, de broer van Jezus en voor velen met hem geen aanleiding geweest om uit Jeruzalem heen te gaan. Vele Joodse gelovigen bleven er wonen. Men zou zich kunnen afvragen, hoe het mogelijk was, dat Jakobus zo lang heeft kunnen standhouden. Was het, omdat de Messiasbelijdende Joden van Jeruzalem het conflict met de Joodse leidslieden weinig zochten? Was het, omdat zij zolang mogelijk bleven meedoen in de tempel en de synagogen? Was het, omdat zij wetsgetrouw wensten te leven?


Onze conclusie kan zijn, dat de Jeruzalemse volgelingen van Jezus, hoewel telkens weer bedreigd van de kant van hun volksgenoten, toch werden geduld in hun pogingen om binnen het officiële Jodendom van die dagen te blijven. Zij hebben er vermoedelijk, vooral onder leiding van genoemde Jakobus ook steeds de nadruk op gelegd, dat de boodschap van hun Messias Jezus niet betekende, dat men de wet van Mozes aan de kant gooide. Paulus moet dan ook bij zijn laatste bezoek aan Jeruzalem in 58 tonen, dat het niet waar is, dat hij alom onder de heidenen leert van Mozes af te vallen. De duizenden Joden die geloven en die allemaal ijveraars der wet zijn (Hand. 21:20), kunnen dat niet tolereren. En Paulus geeft gehoor aan deze oproep. Het Evangelie van Jezus Christus heft de wet van Mozes niet op, maar brengt die juist tot nieuwe zeggenschap.

Het is derhalve in geen enkel opzicht waar te maken wat H. J. Schoeps schrijft, namelijk dat de missionaire activiteit van Paulus onder de heidenen het fundament gelegd heeft niet voor een kerk van Joden en heidenen, maar van een kerk van heidenen die zich aan het judaïsme ontworstelde. Altijd weer worden Paulus en Jakobus tegen elkaar uitgespeeld. Maar ik zou niet weten, op welke gronden men dat waar kan maken. 5.


Jakobus, de broeder des Heeren wordt gedood
Jakobus, de broeder des Heeren heeft zonder twijfel zijn enige gerechtigheid gevonden in de opgestane Christus. Net als Paulus. En Paulus heeft zonder twijfel steeds en overal gepleit voor een dagelijkse levenspraktijk naar de orde van Gods wet, terwijl hij de Joodse gelovigen volledig toestond om de Joodse leefwijze te behouden.

Maar hoezeer de eerste christenen in Jeruzalem ook naar de leefregels van de Mozaïsche wet zullen hebben geleefd, met rust werden ze niet gelaten. Zolang zij zich solidair opstelden en behoedzaam probeerden om te gaan met hun volksgenoten, werd hun directe vervolging bespaard. Maar weinig meer dan een gewapende vrede was dat niet.


Dat blijkt, als in het jaar 62 uitgerekend Jakobus, de broeder des Heeren het slachtoffer wordt van een vermoedelijk Sadducees drijven onder leiding van de hogepriester Hannas de Jongere. Josephus verhaalt, dat de Farizeeën tegen de terechtstelling van de wetsgetrouwe Jakobus hebben geprotesteerd. Eusebius echter geeft een ander beeld. Hij vermeldt, dat Jakobus kort voor het begin van de Joodse opstand door de Farizeeën en Schriftgeleerden van de tinne des tempels is gestort. En dat was dan Jakobus ‘de Rechtvaardige’ (in de ogen van vele Joden). ‘Hij bad dagelijks in de tempel voor Israël, zodat zijn knieën knobbelig werden als die van een kameel.’ 6.
De vlucht van de Jeruzalemse gemeente naar Pella
Als we - zoals velen doen - mogen aannemen, dat vooral door het optreden van de wetsgetrouwe Jakobus in Jeruzalem vele Joden, ook oversten der Joden tot geloof in de Messias Jezus zijn gekomen, mogen we daaraan wel de conclusie verbinden, dat Messiasbelijdende Joden het uiterste moesten doen om hun Joodse identiteit te bewaren.
We kunnen ons toch echter ook niet aan de indruk onttrekken, dat de Messiasbelijdende Joden in Jeruzalem van meet af door hun geloof in Jezus als de Messias de grootste weerstanden bij hun Joodse volksgenoten hebben opgeroepen. Ook al ontwikkelden ze door omstandigheden soms minder zendingsactiviteiten dan hun lief was. Blijkbaar is er dan toch vanaf het begin al sprake van een diepe kloof. Van beide zijden is er het besef van een grote afstand.
Iemand zou kunnen vragen, waardoor die kloof is ontstaan. Mijn antwoord kan moeilijk anders zijn dan dat dit heeft te maken met het verschil in Messiaans geloof. Als er in het Jodendom wel plaats is voor een profetische en koninklijke Messias, maar niet voor een Messias die hogepriesterlijk en plaatsvervangend lijdt en sterft voor zijn volk en als juist dat geloof de kern van het geloof in Jezus’ Messiasschap betekent, ligt hier dan niet het kardinale punt? Deze tegenstelling in Messiaans geloof is het, die in het Evangelie van Johannes als het breekpunt wordt aangewezen.

En dat Johannes-evangelie, vermoedelijk geschreven na de verwoesting van Jeruzalem, laat hierin tevens de kloof zien tussen het synagogale Jodendom en de Messiasbelijdende Joden aan het eind van de eerste eeuw.


De moord op Jakobus, de broer van Jezus, is er een bewijs van, dat Messiasbelijdende Joden, ook al doen zij het uiterste om hun Joodse identiteit te bewaren, een diepe vervreemding van hun eigen volksgenoten bepaald niet altijd kunnen voorkomen.
Dit alles wordt nog eens onderstreept door wat er gebeurd is met de Joodse volgelingen van Jezus tijdens de opstand van de Joden tegen de Romeinen (66-70 nChr). Wat is er dan namelijk aan de hand? Onder leiding van de Zeloten pogen in die dagen de Joden het tergende juk van de Romeinen van zich af te werpen. Het verplichte offer aan de keizer in Jeruzalems tempel en de tirannie van de vijand in politiek en sociaal opzicht hangt hen de keel uit. Onder de wapenen, volk van God!

En welke Jood heeft dan het recht om af te haken, als eindelijk de tijd rijp schijnt te zijn om zich van het juk van de bezettende macht te bevrijden? Ja en toch zijn het uitgerekend de ‘Nazareners’ die het in Jeruzalem laten afweten. Alle Joodse groeperingen, zelfs de Essenen doen mee aan de opstand tegen de Romeinen. De volgelingen van Jezus doen dat niet. Zij kunnen op dit punt kennelijk niet ‘Joods’ zijn. Zij kunnen niet geloven, dat er ooit Messiaanse heerlijkheid op aarde komt door een zwaard en een paard. Hun Meester had hen trouwens verboden om eigenwillig zich te verzetten tegen de keizer (vgl. Mark. 12:13v.v.). Een grote groep Jeruzalemmers betoont in deze geen solidariteit met de Zeloten. De Joden die de Naam van Koning Jezus belijden, nemen het heft niet in eigen handen. Ja, nog voordat de Romeinen van Jeruzalem een puinhoop hebben gemaakt, verdwijnen ze allen uit de stad. Naar wordt aangenomen vlucht de Jeruzalemse gemeente die uit meer dan 1000 Joden bestaat, die de Naam van Jezus belijden, reeds voor 70 naar het Overjordaanse Pella. 7. Wellicht, omdat daar de Romeinen heer en meester zijn en van deze Joden weten, dat zij geen opstandelingen zijn. Een aantal van hen vertrekt overigens naar elders en komt in de christelijke gemeenten uit de heidenwereld terecht.

Overal in Palestina worden voorts de Messiasbelijdende Joden, als ze niet gevlucht zijn, neergeslagen. 8.
Dat is een triest verhaal. Het Jodendom in zijn Messiaanse pretenties heeft de Joodse Palestijnse kerk niet aan zijn zijde gehad. En de Messiasbelijdende Joden, hoeveel pijn hun dat ook zal hebben gedaan, moesten hun eigen volk in de steek laten. Helaas, ze werden als verraders behandeld.
Veel is over deze fundamentele breuk tussen Joden en Joodse volgelingen van Jezus nagedacht en geschreven. Is het allemaal wel echt gebeurd? Hebben de oud-kerkelijke schrijvers die ons dit alles verhalen, het maar niet uit hun duim gezogen? Om het officiële Jodendom van de vervreemding tussen hen en hun volksgenoten die in Jezus geloofden, alle schuld te geven? Of behoeft er aan het verhaal over de vlucht van de Jeruzalemse gemeente niet getwijfeld te worden, omdat de weigering van deze mensen om aan revolutionair geweld deel te nemen in de lijn ligt van het onderwijs dat hun Meester hen had gegeven? Het Messiaanse rijk komt niet door opstand en geweld. 9.
‘Dat alsdan, die in Judéa zijn, vlieden op de bergen; die op het dak is, kome niet af, om iets uit zijn huis weg te nemen; en die op de akker is, kere niet weder terug, om zijn klederen weg te nemen. Maar wee de bevruchten en de zogende vrouwen in die dagen! Doch bidt, dat uw vlucht niet geschiede des winters, noch op een sabbath’ (Matth. 24:16-20).

‘Alzo ook gijlieden, wanneer gij al deze dingen zult zien, zo weet, dat het nabij is, voor de deur. Voorwaar, Ik zeg u: Dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, totdat al deze dingen zullen geschied zijn. De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan’ (Matth. 24:33-35).


Na de verwoesting van Jeruzalem (70 nChr.)
Over de opstand van de Joden (66-70 nChr.) is niets dan verdrietigs te vertellen. Ze is geëindigd in een diepe vernedering van het Joodse volk. De Romeinen hebben onder leiding van Titus alles kort en klein geslagen. Ze hebben Jeruzalem verwoest en de tempel in brand gestoken. En tot op de dag van vandaag is ze nooit meer herbouwd. De Jeruzalemse Talmoed vermeldt, dat er in deze dagen niet minder dan 480 synagogen zijn vernietigd in de stad.3

En de Zelotische opstandelingen? Met wortel en tak heb-ben de Romeinen hen gepoogd uit te roeien. Bekend is, hoe de Zeloten de burcht Masada bij de Dode Zee waar zij zich met 1000 mensen - mannen, vrouwen, kinderen -verschanst hadden, moedig en onverzettelijk hebben verdedigd. Maar de Romeinen kwamen tenslotte boven. En vlak voordat zij de vesting in zouden nemen, hebben de verdedigers elkaar en zichzelf van het leven beroofd. Omdat zij niet levend in handen van hun snode en onbesneden belagers wilden vallen.

De zogenaamde triomfboog van Titus te Rome, waarop de afbeelding van de zevenarmige kandelaar uit Jeruzalems tempel te zien is, is het symbool van de victorie van het heidendom in de stad van de grote Koning en in het huis van Israëls God.
En hoe is dan de situatie na 70 in Jeruzalem en omgeving? 10. Uit de geschriften van de oud-kerkelijke geschiedschrijvers valt op te maken, dat er ondanks alle verschrikkingen toch nog een gemeente van Messiasbelijdende Joden in Jeruzalem en omgeving was. Geleid door verwanten van Jezus vooral.
Eusebius vertelt van Simeon, de zoon van Kleopas, opvolger van Jakobus de broeder des Heeren, die – 120 jaren oud - als martelaar aan een kruis stierf. Verder is er het verhaal van Hegesippus over twee kleinzoons van Judas, ook een broer van Jezus, die tegen het einde van de eerste eeuw zich moesten verantwo6rden voor keizer Domitianus. Deze keizer zou - aldus het verhaal - bevreesd zijn geweest, dat hij zijn troon ooit zou kwijtraken aan een Davidszoon.
Toen hij echter hun vereelte handen zag, waarmee zij als dagloners de kost moesten verdienen en toen hij hen hoorde spreken over een hemels koninkrijk dat Jezus Christus, de Davidszoon aan het eind der tijden zou doen komen, was keizer Domitianus niet langer bevreesd voor het verlies van zijn troon.

Na de verwoesting van Jeruzalem en van de tempel kwamen er tussen de Messiasbelijdende Joden en hun volksgenoten ook weer discussies op gang. De Joodse volgelingen van Jezus konden het kennelijk niet laten om erop te wijzen, dat de ondergang van Jeruzalem een oordeel van de God van Israël was. Dat had met Jodenhaat niets te maken. Hoe zou het kunnen? Antisemitisme kan bij echte Joden moeilijk verondersteld worden.


En niemand kan er met goed recht aan twijfelen, of de Messiasbelijdende Joden echte Joden zijn geweest. Zij discussieerden met de rabbijnen over de betekenis van Messiaanse teksten uit het Oude Testament. Vooral de goddelijke drieëenheid kwam daarbij ter sprake. De Messiasbelijdende Joden deden al het mogelijke om hun volksgenoten vanuit de Schrift te betuigen, dat Jezus is de Christus. Ook dat had met antisemitisme of Jodenhaat niets te maken. Men kon niet zwijgen over de naam van Jezus, tot zaligheid gegeven.
De rabbijnen echter volhardden in bet algemeen bij hun overtuiging, dat wie gelooft in de godheid van Jezus zich aan godslastering schuldig maakt. 11.

Als de schaarse gegevens over deze ontmoetingen tussen de Joodse volgelingen van Jezus en hun volksgenoten ons niet bedriegen, blijkt uit dit alles in elk geval, dat de dialoog tussen kerk en synagoge in de eerste eeuw geen vrijblijvende dialoog is geweest, waarin de gesprekspart-ners elkaar de vrijheid lieten om op hun eigen wijze te geloven. 12. Kennelijk stond voor de Joodse mensen die in Jezus geloofden de ‘Hoop Israëls’ in alles op het spel.


En dat zij daarbij een Messiaans geloof hadden, dat in wezen verschilde van het Messiaanse geloof van de Joodse leidslieden, kan duidelijk zijn. Het was - eenvoudig gezegd - een kwestie van kiezen. Of liever: zij konden niet anders. 13.
Het Achttiengebed
Dit alles hield echter tevens in, dat de verhoudingen er niet beter op werden. In elk geval werd de behoefte die de Messiasbelijdende Joden aan de dag legden om te evangeliseren onder hun eigen volk, door de Joodse leidslieden als bijzonder lastig ervaren. Ja, men zal zelfs moeten zeggen, dat de rabbijnen er op de duur bepaald van verlost wilden wezen. Daar komt nog een ander element bij.

Na de verwoesting van de tempel zag het Jodendom zich gesteld voor de vraag, hoe men religieus kon overleven. Hun cultisch centrum was verdwenen. En daarmee was voor een goed deel ook de invloed van het Jeruzalemse sanhedrin als een college van oppertoezicht over het tempelgebeuren gebroken.


Het zijn echter vooral de Farizeeën geweest, die gepoogd hebben onder leiding van rabbi Jochanan ben Zakkai (de enige overlevende van het Jeruzalemse sanhedrin, gest. 80/85 nChr.) om de doodssteek van het religieuze leven van Israël te boven te komen door in Jabne (bij Jaffa) een sanhedrin in het leven te roepen. Dit sanhedrin van de zeventiger jaren heeft geruime tijd onder de Joden, ook van de diaspora, erkenning gevonden. In één woord: het Jodendom deed een ernstige poging om zich te consolideren.
Dit alles hield echter wel in, dat de Farizeeën voortaan in het Joodse religieuze leven de toon aangaven. Er kwam - wellicht sterker dan tevoren - nadruk te liggen op de ‘Halacha’, de overlevering der ouden, waaraan elke Jood geacht werd zich te houden. En waar het Joodse religieuze leven geen tempel en offers meer waren gelaten, moest van nu voortaan de synagogale eredienst het centrale punt zijn. De gebeden, aalmoezen en ook het lijden dat het Joodse volk te verduren had van de kant van zijn haters, kon dat alles ook niet worden gezien als plaatsvervangend voor de offers, die tevoren in de tempel werden gebracht?

Wellicht is het aan deze ontwikkeling van het tot heerschappij komend farizeïsme van de dagen na 70 te wijten, dat de grenzen met dissidenten scherper werden getrokken en dat de breuk met de Messiasbelijdende Joden definitief werd, zodat dezen ook niet meer aan de synagogale erediensten deelnamen.


Rondom het jaar 90 (onder Rabbi Gamaliël II) moet namelijk in het zogenaamde Achttiengebed (‘Sjemone Esre’ ofte wel 'Tefilla/Amada’) dat in de synagogen en driemaal 's daags door de Joden gebeden werd, de ‘birkat ha-minim’ (ketterverwensing) zijn opgenomen. Een vloekspreuk waarin alle ketters werden vervloekt. 14.
Het Achttiengebed dat van oorsprong reeds van voor het begin van onze jaartelling stamt, bestond uit zegen-spreuken waarin de God van Israël voor vele weldaden werd geprezen. In dit gebed nu is naar alle waarschijnlijkheid tegen het einde van de eerste eeuw de spreuk opgenomen: ‘Voor de afvalligen zij er geen hoop en het koninkrijk van de slechtaards, snel moge Gij het ontwortelen, in onze dagen en de christenen (‘notsrim’) en de ketters (‘miniem’) 15. als in een ogenblik mogen zij te gronde gaan, mogen zij uitgewist worden uit het Boek des levens en met de rechtvaardigen mogen zij niet opgeschreven worden. Gezegend zijt Gij, JHWH Die slechtaards verlaagt’. 16.
Nu behoeven met de oorspronkelijke vorm van deze spreuk niet direct de Messiasbelijdende Joden te zijn bedoeld. Er waren in die dagen in de ogen van de Farizeeën een paar ketterijen meer in de Joodse wereld. Daarom kan men ook het oog hebben gehad op ketterse stromingen in het hellenistisch Jodendom waarin naar het oordeel der orthodoxe Farizeeën de eigenheid van de Joodse religie werd verloochend. We denken daarbij aan op de Griekse cultuur afgestemde Joden, bijvoorbeeld in Alexandrië/Egypte. 17.
Dat wil dus zeggen, dat met ‘miniem, het woord dat voor ketters gebruikt wordt in het Achttiengebed, niet direct de Joodse christenheid behoeft te zijn bedoeld. Bedoeld zullen zijn alle van de orthodoxie van de Farizeeën afwijkende leringen. Al moeten we ook zeggen, dat men er zeker geen heidense ketterijen mee op het oog had. En al is het ook waar dat in de Talmoed een ‘min’ vaak de uitdrukking is voor een christen.
Trouwens in bepaalde vormen van het Achttiengebed ging aan de verwensing van de ‘miniem’ (ketters) de vervloeking van de ‘notsrim’ (Nazareners) vooraf. En daarmee moet men in elk geval het oog hebben gehad op de Joden die de Naam van Jezus Christus beleden.
Hoe dit ook zij, de Messiasbelijdende Joden zullen zich door dit alles volstrekt van de synagoge vervreemd hebben gevoeld. Konden zij in de erediensten van de synagoge tevoren meebidden, nu ging dat niet meer. Als de overste van de synagoge iemand uitnodigde om het Achttiengebed te bidden en de man aarzelde, dan was er reden om te denken, dat hij problemen had met dit gebed en wellicht zelf een ketter was.

Mede door deze ontwikkelingen is de breuk tussen kerk en synagoge - zoals gezegd - definitief geworden. En de Joodse volgelingen van Jezus moeten dit ervaren hebben als een diepe ontgoocheling. Iets dat toch wel sterke gelijkenis vertoonde met wat Johannes in zijn Evangelie schrijft (12:42): ‘Nochtans geloofden ook zelfs velen uit de oversten in Hem; maar om der Farizeeën wil beleden zij het niet; opdat zij uit de synagoge niet zouden geworpen worden. 18.


De opstand van Bar Kochba


Op nog een ander punt moet gewezen worden, als we een beeld willen krijgen van de positie van de Messiasbelij-dende Joden onder Israël in de eerste en tweede eeuw. En dat is de opstand van Bar Kochba. De tweede grote opstand van de Joden tegen de Romeinse overheersers, die heeft plaatsgevonden van 132 tot 135 nChr.. Bar Kochba, van wie wij in onze dagen meer weten dan tevoren door de vondsten van geschriften in de grotten bij de Dode Zee, heeft deze opstand geleid als een ware Messias. Zijn naam herinnert aan de ‘sterrenzoon’ uit Bileams profetieën. 4


Het leek alsof er in hem metterdaad een ster uit Jakob opging. Zelfs de bekende rabbi Akiba zag in hem de door God gezonden verlosser van zijn volk. Zijn verzetsbeweging was een soort broederschap, gelijkend op die van de Essenen, met strenge regels en wetsvoorschriften. Al met al een zeer bloedige opstand die eindigde in een totale vernietiging door de Romeinen onder leiding van keizer Hadrianus.

Het laat zich raden, dat de Messiasbelijdende Joden net als in de eerste opstand (66-70 nChr.) niet mee hebben gedaan. Zij hebben zich van Bar Kochba gedistantieerd. Wat hun niet in dank is afgenomen.

Heeft Bar Kochba, zoals een tijdgenoot, Justinus vertelt, de Joodse christenen die weigerden hem te volgen, afgestraft? Hij wenste in elk geval met de ‘Galileeërs’, zoals hij de volgelingen van Jezus noemde, geen contact.
H. Mulder schrijft (a. w., blz. 81): ‘Tijdens de opstand van Bar Kochba is de toch al ongunstige positie van de Joden-christenen nog kritieker geworden. Door de Romeinen gehouden voor oproerige Joden, door hun eigen volksgenoten geschuwd, veracht en vervolgd, was een droevig lot hun deel.’ Hun invloed verdween en hun kracht word gebroken. Het einde van deze tweede krachtmeting van de Joden met de Romeinen was niet slechts een verschrikkelijke slachting onder het Joodse volk, maar leidde tegelijkertijd de ontbinding van de Joods-christelijke kerk in dit land in.

Als wij ons nu afvragen, om welke redenen de Messiasbelijdende Joden Bar Kochba weigerden te steunen, dan kunnen we moeilijk iets anders noemen dan wat we te berde brachten, toen we ons afvroegen, waarom zij in 66-70 nChr. met de eerste Joodse opstand niet hebben meegedaan. Deze Joden konden niet geloven in een Messias als Bar Kochba. 19. Zij geloofden in een andere ster die in Jakob was opgegaan, Jezus Christus. En zij verwachtten Israëls redding van een andere kant dan van de kant van aards geweld.

In het vaandel van Bar Kochba en de zijnen was de wijnstok te zien. Het symbool van een land waarover de God van lsraël zich heeft ontfermd. Het symbool van het land waarin Gods volk in vrede en met weivaart wonen kan.

En geloof maar gerust, dat de Joodse volgelingen van Jezus daar met een bloedend hart naar gekeken hebben. Want ook voor hen immers zal het land der vaderen het symbool van Gods trouw aan Israël zijn geweest. ‘En het zal geschieden, dat de overgeblevene in Sion en de overgelatene in Jeruzalem zal heilig geheten worden, een ieder, die geschreven is ten leven te Jeruzalem... Nu zal ik mijn Beminde een lied mijns liefsten zingen van Zijn wijngaard; Mijn Beminde heeft een wijngaard op een vette heuvel’ (Jes. 4:3; 5:1).


Messiasbelijdend Jodendom, in de kiem gesmoord
Na de verwoesting van Jeruzalem in 70 nChr., maar vooral ook nadat de Romeinen aan de opstand van Bar Kochba (132 – 135 nChr.) een bloedig einde hadden gemaakt, ontstond er in het Joodse land een treurige situatie.
Voor 132 nChr. woonden er naar men heeft uitgerekend 1.300.000 Joden in Palestina. Tijdens de opstand van Bar Kochba - zo misdadig hebben kennelijk de Romeinen huisgehouden - werd dat getal tot de helft gereduceerd. En daarvan weer woonde ongeveer de helft in Galilea. 20.

Jeruzalem, voortaan Aelia Capitolina genoemd, werd na de opstand van Bar Kochba een voor de Joden verboden stad. Derhalve ook voor de Joodse volgelingen van Jezus. 21. Eerst onder keizer Constantijn (200 jaar later) was het de Joden weer toegestaan eenmaal per jaar, op de dag van de verwoesting van de oude tempel, Jeruzalem te bezoeken. Op het tempelplein waar eens in de tempel de God van Israël in offers en liederen alle eer was gegeven, kwamen twee standbeelden van de keizer te staan en een beeld van Jupiter.


Het lag al verwoest door die geweldenaren. De besnijdenis werd verboden. Vele Joden verlieten dan ook het land hunner vaderen en vestigden zich elders in de wereld (Syrië, Babylonië vooral). In hun harten leefde slechts de wens om althans in Israël nog eens begraven te kunnen worden, het liefst in de buurt van de Olijfberg, waar de Messias zou komen en waar Hij de doden zou opwekken.

Het Joodse volksbestaan werd met dit alles haast tot in de kiem gesmoord.


Ook de Joden in Palestina die in Jezus Christus geloofden, hebben uiteraard de gevolgen van dit alles ondervonden. Zij leefden volstrekt geïsoleerd. Ook omdat zij van de kant van de Joodse leidslieden gewantrouwd en terzijde geschoven werden.
Velen van de Messiasbelijdende Joden kwamen door die omstandigheden dan ook in het buitenland terecht. Men spreekt zelfs van een exodus van Messiasbelijdende Joden (vooral naar Transjordanië) in de tweede helft van de tweede eeuw. Van een leidinggevende plaats als moedergemeente in het geheel van de christelijke kerk is dan in de verste verte geen sprake meer.

De Messiasbelijdende Joden van Palestina zijn min of meer spoorloos verdwenen.

Origenes, enkele eeuwen later, schrijft, dat met de 144.000 verzegelden uit de stammen Israëls wel niet de christenen uit de Joden zullen zijn bedoeld, omdat er in totaal naar zijn oordeel zoveel christenen onder de Joden niet waren.
Nazareners en Ebionieten
Nog aan één zaak moeten we tenslotte aandacht geven. De Messiasbelijdende Joden in Palestina hebben namelijk niet altijd op één stoel gezeten. Zij zijn in verschillende groeperingen uiteen gegaan.
Enerzijds waren daar de volgelingen van Jezus die net als Jakobus, de broeder des Heeren, in het midden van de eerste eeuw te Jeruzalem in alles trouw wilden blijven aan de leer der apostelen. Zij zullen bijvoorbeeld aan de godheid van Jezus Christus niet getwijfeld hebben. En tegelijk wensten ze zich blijvend te houden aan de wet van Mozes. Mochten de heidenen zich meer vrijheid veroorloven inzake de onderhouding van de leefregels die God aan Israël in het bijzonder had gegeven, zij wensten zelf hun Joodse christen-zijn te blijven beleven, ook door de Joodse gebruiken in ere te houden.

Onder de Joden zelf werden zij evenwel beschouwd als sektariërs. Zij staan bekend onder de naam van de sekte der Nazareners of Nazoreeërs. Afstammelingen (volgens Epiphanius) van de christenen uit Jeruzalem die voor de verwoesting van de stad naar Pella zijn gevlucht. Hun woonplaats moeten we zoeken in Beroea, in het Overjordaanse. Zij gebruikten het Mattheüs-evangelie in de oorspronkelijke Aramese versie. Het staat bekend onder de naam: Evangelie der Nazoreeërs. De tekst van dit Evangelie der Nazoreeërs is niet meer bekend. In de christelijke kerk is het in elk geval als een apocrief Evangelie gezien, hoewel er vermoedelijk - vergeleken met de in de canon van de Bijbel voorkomende Evangeliën - geen afwijkende leringen in te vinden zijn geweest.

Anders ligt het met de zogenaamde Ebionieten. Het woord schijnt met ‘arm’ samen te hangen. Zij waren eveneens Messiasbelijdende Joden en leefden in het Oost-Jordaanland. Bij hen schijnt ook een Evangelie (van Mattheüs) in gebruik te zijn geweest. Het is genoemd het Evangelie der Ebionieten. 22. Ook dit Evangelie is verloren gegaan. En het is ook door de kerk als apocrief van de hand gewezen. Uit een aantal gegevens die te vinden zijn bij de kerkvaders, kunnen we namelijk besluiten, dat in dit Evangelie niet gesproken is over de maagdelijke geboorte. Wel legde het er de nadruk op, dat Jezus de offers afgeschaft wilde hebben en dat Hij geen vlees at.
De Ebionieten schijnen de godheid van Jezus Christus te hebben geloochend. Als althans de kerkvaders, onder andere Ireneüs die hen aan het eind van de tweede eeuw voor het eerst noemt 23., ons een juist beeld van hen gegeven hebben. In het oog van de kerk uit de heidenen zijn ze in ieder geval ketters geweest. Zeker in de eerste eeuwen, toen de discussies in die kerk zo intensief gingen over de twee naturen van Christus, zullen deze Joodse belijders van de Naam van Jezus, voorzover ze ooit invloed kunnen hebben gehad, als vrijzinnig zijn beschouwd.
Zij kunnen in elk geval niet ten tonele worden gevoerd als de meest oorspronkelijke Messiasbelijdende Joden. 24.
Van het eigen volk vervreemd
Nadat we in vogelvlucht de geschiedenis van de Messiasbelijdende Joden in Palestina de revue hebben laten passeren, moeten we tenslotte nog een korte evaluatie geven. Het zou niet goed zijn, als we slechts enkele constateringen maakten. We moeten de les van de geschiedenis leren. En wat dat voor ons kan inhouden, willen we dan nog in enkele punten samenvatten.
a. Messiasbelijdende Joden vandaag zouden er goed aan doen om zich nog eens uitvoerig te verdiepen in hun eigen geschiedenis, vooral die van de eerste anderhalve eeuw van onze jaartelling. Zij zouden daarbij zichzelf vooral de vraag moeten stellen, hoe het mogelijk is geweest, dat er een zo grote vervreemding is ontstaan tussen Messiasbe-lijdende Joden enerzijds en de synagoge anderzijds.
Is die vervreemding - zo zou men kunnen vragen - ontstaan, doordat de Messiasbelijdende Joden de wortels van hun geloof in het Jodendom wellicht slecht hebben bewaakt?

Mijn inziens kan dit niet de oorzaak van die vervreemding zijn geweest. De meest wetsgetrouwe volgelingen van Jezus die naar de Joodse wet wensten te blijven leven, hebben kennelijk de brug naar het officiële Jodendom van hun dagen niet kunnen slaan.


b. Maar wat is dan wel de oorzaak van die vervreemding geweest? Zijn de christenen van de moedergemeente te Jeruzalem wellicht in al te driftige ijver om hun volksgenoten te bekeren, te werk gegaan?

Mijn antwoord is, dat zij toch moeilijk konden zwijgen over de Naam van Jezus.


c. Maar als ze, zoals later de Ebionieten, nu eens meer nadruk op het mens-zijn van Jezus hadden gelegd en als zij minder aan de hand van oudtestamentische teksten met de rabbijnen gestreden hadden over de godheid van Christus, dan zouden zij wellicht niet beschouwd zijn als ‘godslasterlijke’ mensen en hadden daardoor bruggen kunnen slaan naar het Jodendom van de synagoge.

Als ze hun Meester meer als een wetsleraar gepredikt hadden, die ietwat anders dan Sadduceeën en Farizeeën de wet van Mozes leerde, dan zou hen vermoedelijk minder minachting en vervolging ten deel zijn gevallen. En dat zou zeker het geval zijn geweest, als ze zich solidair hadden opgesteld in de Joodse opstanden en in het Messiaans geladen verzet hadden meegedaan.


Mijn antwoord is echter: zij konden toch immers zo niet spreken en handelen? Zij konden niet geloven, dat er in hun Meester slechts een Messiaanse profetische macht werkzaam was geweest. Hij was voor hen de Vervulling van de beloften der profeten, die een Messias in het vooruitzicht hadden gesteld, in Wie God zelf de redding van Zijn volk ter hand zou nemen. Zij konden niet zwijgen over die ene Naam die onder de mensen gegeven was tot zaligheid, van Wie de Schriften getuigen. En in Wie de wet van Mozes radicaal en helemaal tot haar recht is gekomen. Zij konden niet ophouden over Hem die zelf het Koninkrijk des Vaders onder Israël zou oprichten en die het beloofd had: ‘Ik kom terug’.
d. In één woord: de Messiasbelijdende Joden en de synagoge ontmoetten eikaar op zeer cruciale punten. Maar hun wegen gingen uiteen, omdat ze fundamenteel verschilden in het verstaan van Gods verlossend ingrijpen in de geschiedenis.

Ten diepste lag dit verschil hierin, dat de één geloofde, dat God in Christus alles zelf doet en de ander, dat God en mens het samen doen. Naar mijn inzicht is dit geloofsinzicht van het ‘sola gratia’ van de Joodse volgelingen van Jezus Christus het, dat hen vervreemdde van diepe religieuze intenties van het toenmalige Jodendom.



En ik meen, dat Messiasbelijdende Joden vandaag er goed aan doen, hoezeer zij ook geroepen zijn om aan hun volksgenoten het Evangelie te verkondigen, ja juist daarom, deze vervreemding als een last te blijven dragen. Totdat God zelf hen allen terugleidt tot de bronnen van Israëls religie in de Schriften.
Door heiden-christenen afgeschreven
Laten we echter als christenen uit de heidenen ook onze les leren uit deze geschiedenis van het vroege Palestijnse Jodendom, dat in de voetsporen van Jezus wenste te wandelen. Hebben de Messiasbelijdende Joden van Palestina, waar zij van hun eigen volk in vele opzichten zijn vervreemd, in de christelijke kerk uit de heidenwereld een goed onthaal gekregen?
Konden zij - om zo te zeggen - daar een schuilplaats vinden? Dat zou toch immers te verwachten zijn geweest? In Paulus’ brief aan de Romeinen worden zij als ‘de eerstelingen van de oogst’ en de ‘rasechte spruiten uit de wortel Davids’ gezien (Rom. 11:16vv.). Maar zijn de Messiasbelijdende Joden als zodanig ook behandeld in de christelijke kerk uit de volkeren?
Jakob Willebrands (de man van de Melkitische monastieke stichting op de top van de Netofaberg in Galilea) heeft er in enkele van zijn publicaties op gewezen, dat er vanaf de prilste dagen van het Messiasbelijdend Jodendom in Palestina zelf plaats is geweest voor de Joodse volgelingen van Jezus in de Palestijnse kerk die bestond uit niet-Joodse bevolkingsgroepen. Zelfs zegt hij, dat de Palestijnse kerk in later tijd (vanaf Constantijn de Grote) in meerderheid uit Joodse gelovigen bestond en dat uit oude Palestijns-Aramese liturgieën blijkt, dat zij daarin hun Joodse identiteit konden bewaren. 25.
Dit bestaan en voortbestaan van Messiasbelijdende Joden in de christelijke kerk van Palestina in de loop der eeuwen zou - denk ik - nog heel wat meer moeten worden onderzocht, om daar een helder beeld van te krijgen.
Maar hoe is het gesteld geweest met de opvang van de Palestijnse Messiasbelijdende Joden buiten Palestina? Daarover kunnen we niet optimistisch doen. Want zijn deze volgelingen van Jezus hier werkelijk als ‘eerstelingen van de oogst’ en als ‘rasechte spruiten van de wortel Davids’ opgevangen?
a) Wij weten ondermeer uit Romeinen 14, dat de apostel Paulus er in de gemeente van Rome zeer voor gepleit heeft om Messiasbelijdende Joden de vrijheid te geven om op hun wijze te leven in de onderhouding van de Mozaïsche wetten. Mits zij dat alles maar niet zichzelf en de anderen opleggen als voorwaarden voor het geloof in Christus Jezus. Maar is er van de kant van heiden-christenen werkelijk wel begrip voor geweest, dat Joden die in Jezus geloven, om die reden hun Joodse identiteit niet behoeven af te leggen?
b) De kerk van de eerste/ tweede eeuw heeft in sterke mate het gevaar van Judaïsme gevreesd. En daar was werkelijk wel reden voor. Want was dat soms geen gevaar? Konden Joodse volgelingen van Christus in het bijzonder niet terugvallen in wetticisme en anderen daarin meeslepen? Dat de kerk van de eerste eeuwen dat gevaar van wetticisme heeft onderkend (we zien dat vooral bij de apostolische vaders), is een goede en nodige zaak. Maar hebben de christenen uit de heidenen in de eerste eeuwen wel voldoende ook het andere gevaar gezien? Het gevaar van een Evangelie zonder wet of ten koste van de wet? De Jakobusbrief wijst daar uitdrukkelijk op. En kan dat ook een reden zijn geweest, waarom de deuren voor het Messiasbelijdend Jodendom van meet aan op een kier zijn komen te staan?
c) Als we de geschriften van de kerkvaders uit de tweede eeuw lezen, waait ons daaruit in het algemeen een andere wind tegen dan de wind die waait in Romeinen 9-11. Zeer waarschijnlijk heeft de eerste christenheid van het Westen de handen overvol gehad aan haar zelfverwerkelij-king tegenover het heidendom en tegenover de Romeinse overheid die haar beestachtig vervolgde. Maar tegenover het Jodendom maakten de meeste kerkvaders van het eerste uur zich vooral sterk door zichzelf te houden voor het ware Israël, in de plaats gekomen van het Joodse volk. En daarmee werd Israël als volk Gods met een bijzondere plaats in de geschiedenis afgeschreven. 26. Toen de christelijke godsdienst staatsgodsdienst werd onder Constantijn de Grote, is dat alleen nog maar veel erger geworden. Daardoor ontnam men zichzelf de kans om te luisteren naar de eerste getuigen en naar hun nazaten onder de Joden. 27.
Een les die wij in onze dagen tot onze schande nog niet volledig en soms nog maar amper geleerd hebben. 28. Messiasbelijdende Joden vandaag zouden ons veel kunnen leren. En wij zouden de bereidheld moeten hebben om van hen te leren. Zijn zij metterdaad niet ‘de eerstelingen en de rasechte spruiten uit de wortel Davids’? En zijn wij met hen niet ingelijfd in de stam van Gods verbond met Israël? Laten zij met heel hun hart geloven, dat de wet van God niet gedaan kan worden buiten het verzoenend werk van de God-mens Jezus Christus om. Maar laten zij er ons tevens blijvend aan herinneren, dat die wet dan wel gedaan mag en moet worden.

De geschiedenis van de eerste christenen uit het Palestijnse Jodendom is helaas een geschiedenis van dubbele vervreemding. Voor Messiasbelijdende Joden - nu een droevig verhaal. Voor christenen uit de heidenen - nu diep beschamend.


God de Heere, de God van Abraham, Izak en Jakob, de Vader van Jezus Christus geve hun en ons, Jood en heiden, uit kracht van de opstanding van de Messias Israëls uit de doden, dat wij weer gezamenlijk leren leven uit de gerechtigheid van Koning Jezus. Het zij ons aller hartelijke belijdenis: ‘De mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan’ (Jes.61:10). Opdat wij ook de vruchten der gerechtigheid dragen. En opdat wij eikaar juist daarin als echte broeders en zusters in de Heere erkennen.

AANTEKENINGEN



1.Omdat de naam 'Messiasbelijdende Joden’ als de naam voor joden die Jezus als Messias belijden is ingeburgerd, gebruik ik die hier ook. Beter zou zijn te spreken over: Joden die Jezus als Messias belijden. Of over: Nazareners. Want zo hebben de volgelingen van Jezus in de eerste eeuw vooral geheten (Hand. 24:5). De naam christenen (Hand. 11:26) was onder de volgelingen van Jezus in de heidenwereld in gebruik
2.Voor de historische gegevens met betrekking tot het Messiasbelijdende Jodendom in deze periode zijn we afhankelijk van wat ons verteld is door Josephus, Latijnse historieschrijvers, kerkvaders, apocriefe evangeliën en de Talmoed. In een aantal gevallen moet achter de historische betrouwbaarheid van het verhaalde een vraagteken worden gezet.
3.We laten hier dus, omdat we ons beperken tot Palestina, de Joodse opstand in de diaspora (116/117 nChr. in Mesopotamië, Egypte, Cyrenaika, Cyprus) buiten beschouwing.
4. L. Goppelt, in Die apostolische und nachapostolische Zeit, Die , Kirche und ihre Geschichte, Bnd. 1, Lieferung A, Göttingen z.j., S. 39 schrijft, dat het in Jeruzalem achterblijvende deel van de gemeente zich uitdrukkelijk aan de wet houdt om verder leven onder Israël mogelijk te doen zijn.

K.H. Rengstorf, in Kirche und Synagoge, Handbuch zur Ge- schichle von Christen und Juden, Bnd. 1, Stuttgart 1968, 5. 53 citeert Eusebius. Deze vertelt, dat Jakobus in aanzien was bij de Joden, maar door hen van de tinne des tempels is gestort, toen zij zagen, dat zo velen, ook van de oversten tot geloof in Jezus kwamen. Zie ook: Garsten Colpe, ‘Die erste urchristliche Generation’, in: Die Anfänge des Christentums, Kohlhammer Verlag 1987, S. 77.


5. H.J. Schoeps, in The Jewish-Christian Argument, a history of theologies in conflict, Holt, Rinehart and Winsten, Inc. 1963, p. 46.

Terecht zegt dan ook Aalders, dat het antisemitisme niet zijn wortels vindt in het anti-judaïsme van de vroeg-christelijke kerk en van het Nieuwe Testament. Zie G.J.D. Aalders, Synagoge, kerk en staat in de eerste vijf eeuwen, Kampen 1985, biz. 94vv..


6.Naar wat Hegesippus ons vertelt. Zie H. Mulder, Geschiedenis van de palestijnse kerk (tot 638), Kampen z.j., blz. 37v. En H. Mulder, Jakobus en de oudsten in de boeken van Lukas. Exegetica, Amsterdam 1972, vooral blz. 76vv... Zie ook L. Goppelt, a.. w., S. 40.
7.Vgl. L. Goppelt, a. w., S.41 bovenaan. Epiphanius (adv. haer. 29,7) vertelt, dat ze dit deden op een goddelijke aanwijzing (van Jezus of van een engel). Of hebben ze het woord van Jezus over de verwoesting van de stad en de tempel in de herinnering gehad? Vgl. Matth. 23:34-39.
8.Voor deze historische gegevens wordt verwezen naar Eusebius (Hist. Eccl. Ill, 5, 1-3) en Epiphanius (29,7; 30,2; de mens.et pond. 15).

Eusebius verhaalt, dat niet alleen de volgelingen van Jezus uit Jeruzalem, maar ook uit alle andere plaatsen van het land naar over de Jordaan zijn gevlucht. Schoeps vindt dat een overdrijving. Zie: H.J. Schoeps, Theologie und Geschichte des Judenchristentums, Tübingen 1949, S. 265v. Er waren volgens hem (Hand. 21: 20) aan het eind van de 50-er jaren reeds vele tienduizenden gelovigen in het land. Bovendien waren in Galiléa, waar de meeste leden van de gemeenten woonden, aan het eind van het jaar 67, de Romeinen de opstand reeds de baas, zodat men niet meer behoefde te vluchten. In Hand. 21:20 wordt inderdaad over tienduizenden (niet: vele duizenden) gesproken. Hoe velen van hen in Jeruzalem woonden, wordt hier niet gezegd.


9. H.Mulder, De geschiedenis van de palestijnse kerk, blz. 43vv.,verwijst het verhaal van Eusebius/Epiphanius naar het rijk der fabelen.

a. De gedachte van een goddelijke aanwijzing voor een vlucht (zie Matth. 2) past in bet beeld van Eusebius’ tijd, maar is onwaarschijnlijk; men wilde de weg van de gemeente in Palestina daarmee in hemels licht plaatsen.

b. Pella, 30 km ten zuiden van de zee van Tiberias, in het Overjordaanse, was een stad met een heidens stempel; konden wetsgetrouwe Joodse christenen zich daar thuis voelen?

c. In 66 was Pella door Joodse verzetsstrijders in een wraakactie nagenoeg verwoest; als de Joodse christenen uit Jeruzalem vóór 66 als emigranten in Pella zijn aangekomen, zijn ze slachtoffer geworden van de verbitterde verzetsstrijders en zijn ze er na 66 aangekomen, dan zijn ze in een verwoeste stad gaan wonen.

d. De Joodse christenen (naar berekening enkele duizenden) moesten ruim 100 km afleggen van Jeruzalem naar Pella; maar in dit gebied waren de Romeinen heer en meester.

Naar mijn inzicht gebruikt Mulder weinig steekhoudende argumenten om de vlucht van de Jeruzalemse gemeente naar het rijk der fabelen te verwijzen. De Messiasbelijdende Joden zullen in vele opzichten veiliger zijn geweest daar, waar de Romeinen heer en meester waren dan in de buurt van hun volksgenoten, die hen als verraders beschouwden. Overigens is hiermee niet gezegd, dat zij meer met de Romeinen op hadden dan met hun eigen volk (zoals NSB-ers in Nederland in de jaren ‘40-‘45). Zie ook Garsten Colpe,a.w., S. 78.

L. Goppelt, a. w., 5. 83, Schoeps, a.w., S. 270vv., 296vv., zeggen, dat de Joodse christenen vanuit Oost-Jordaanland missionair bezig zijn geweest in het gehele Syrisch-Arabische grensgebied tussen Berea (oostelijk van Antiochië), Damaskus en de oostrand van de Dode Zee.
10.Het navolgende is ontleend aan H. Mulder, a. w., blz. 59 vv.11.
11.Mulder meent, dat de Talmoed op deze discussies doelt. Zie over de vervreemding die er ontstond in verband met discussies over het ‘Zoon van God zijn’ van Jezus, Kurt Hruby, Die Stellung der jüdischen Gesetzeslehrer zur werdenden Kirche, Schriften zur Judentumskunde, Bnd. 4, Zürich 1971, S. 20. Zie ook Mark. 2:1-13 en Matth. 26:65.
12.W. Maurer, in Kirche und Synagoge, Stuttgart 1953, S. 14, spreekt over het wantrouwen van de synagoge tegenover de eschatologie van de Joodse christenen (in tegenstelling tot een politiek gekleurd Messianisme dat haar eigen was).
13.Een voorbeeld van zo’n discussie is wellicht de dialoog tussen Jason, een Joodse volgeling van Jezus, en Papiscus, een heiden. Deze discussie moet te vinden zijn geweest in een geschrift van Aristo van Pella, kort na 135 geschreven (yolgens Origenes, Contra Celsum 4,52), dat verloren is gegaan. Jason betuigt aan zijn gesprekspartner vanuit het Oude Testament (via een allegorische verklaring van teksten), dat Jezus de Zoon van God is. Zie A.F.J. Klijn, Na het Nieuwe Testament, de christelijke literatuur uit de tweede eeuw. Baarn 1973, blz. 78.
14.Mareel Simon, in Verus Israel, étude sur les relations entre chrétiens et juifs dans l'empire Romain (135-425), Paris 1964, p. 236, schrijft, dat de Nazareners in deze vloekformule een soort ‘miniem’ (dus één van de soorten ketters) zijn.

W. Maurer, a.w., S.14, noemt het wantrouwen van de synago- ge tegenover de Messiaanse heilsverwachting van de christenen als ook afweer tegen het gnosticerend hellenisme als de oorzaken van de vervloeking.


15.Over de betekenis van het woord 'miniem': zie Kurt Hruby, a. w., S.14vv
16.Zie K.A.D. Smelik, in Hagar en Sara, de verhouding tussen Jodendom en Christendom in de eerste eeuwen. Baarn 1979, blz.76, over de vermoedelijk oorspronkelijke, ongecensureerde tekst.
17.Zo werd bijvoorbeeld de Septuagint, de reeds langere tijd bestaande Griekse vertaling van het Oude Testament, vooral in gebruik bij het diaspora-Jodendom door de rabbijnen terzijde geschoven als universalistisch. De proseliet Aquila heeft op aandringen van de geleerden van Jabne een nieuwe Griekse vertaling van het Oude Testament, die zeer letterlijk was, vervaardigd. Zie L. Goppelt, a..w., S. 81.
18.Het lijkt me dus volstrekt onjuist om zoals Smelik, a.w., blz. 151, suggereert, Paulus verantwoordelijk te stellen voor het feit, dat de christelijke gemeenschap zich buiten het Jodendom heeft geplaatst. Paulus zou door vrijheid van de wet te prediken de gemeente van haar Joodse wortel hebben losgeweekt. Mijn inziens is deze opvatting een misvatting van wat Paulus over de verhouding wet-evangelie in zijn brieven onder woorden beeft gebracht. Paulus heeft bovendien alle moeite gedaan om Jood en heiden in één gemeente bijeen te houden. Zie onder andere Rom. 12-16. Het conflict tussen Joden en christenen - dat blijkt uit de wijze waarop ook de tweede generatie van Joodse christenen in Palestina zich heeft opgesteld ~ ligt ergens anders. De godheid van Christus Jezus was hier in het geding. En ten diepste het verschil in geloof in de openbaring van God. Zie W. Maurer, a..w., S. 21.

L. Goppelt, a..w., S. 81, concludeert, dat het Jodendom zich opsloot in het pantser van de wet en de traditie. Fout lijkt mij in elk geval te zijn, wat P. Schäfer opmerkt in Geschichte der Juden in der Antike, die Juden Palästinas von Alexander dem Groszen bis zur Arabischen Eroberung, Stuttgart 1983, S. 154, namelijk dat de christenen als Joodse sekte werden gezien en daarom niet in deze vloekspreuk begrepen konden zijn. Rondom het jaar 90 zullen de Messiasbelijdende Joden in Palestina door de Joodse leidslieden bepaald niet als een onderafdeling van het Jodendom zijn gezien. Trouwens juist de sekten werden immers veroordeeld.


19.Aldus ook H. J. Schoeps, a.w., S. 288v. en P. Schäfer, a. w., S. 165.
20.De Joodse volgelingen van Jezus werden overigens in Galiléa door de rabbijnen geschuwd. Zo bepaalden de laatsten bijvoorbeeld, dat wie ‘de dag van de Nazarener’, de zondag vierde, gelijk te stellen was met de heidenen die op deze dag de afgoden dienden.
21.Heiden-christenen mochten er wel wonen.
22.Zie A.F.J. Klijn, a. w., blz. 20.
23. Ireneüs, (adv.haer. 1, 26.2).
24. Uit de Ebionieten zijn vermoedelijk de Elkasieten vortgekomen Een sekte die de profeet Elkasai (Elxai) als leider had. Volgens sommigen ongeveer 100 na Chr. ontstaan, volgens anderen (Hennecke, Schoeps) eerst aan het eind van de tweede eeuw. L. Goppelt (a..w., S.83 v.) vertelt, dat Elchasai zijn in plm. 101 oostelijk van de Dode Zee ontvangen openbaringen in bet jaar 116 in een boek neerlegt. Daarin wordt een ‘tweede doop’ geleerd voor christenen, die na hun bekering tot zware zonden zijn vervallen. Goppelt noemt dit gnostisch Joden-christendom. Later (160 nChr.) treedt dit gnostisch Joden-christendom opnieuw tevoorschijn in de ‘Kerygmata Petru’ die in de (katholieke) Pseudo-Clementinen verwerkt zijn. Hier is echter geen sprake van de theologie van het joden-christendom als zodanig (Schoeps), maar van een gnosticisti- sche richting, die sterk door de Essenen is beïnvloed. Deze richting mondt tenslotte uit in manicheïsme en mohammedanisme. Aldus Goppelt.
25.Zie Jakob Willebrands, Palestijnse Christenen in de Joodse Staat, de Joodsc en lsraëlische kontekst van Jezus', bijdrage in Am Israel Chai, Kampen 1988, blz.116vv.. Zie ook: Jakob Willebrands, De oude christelijke palestijnse liturgie, Verkenning en Bezinning, 11e jrg., nr. 4.
26.Als voorbeeld van een godsdienstig gesprek tussen een christen en een Jood is te noemen het geschrift van Justinus Martyr. Gesprek met de Jood Trypho (plm. 155-160). Een gefingeerde discussie. In het algemeen kwamen in zulke gesprekken dezelfde thema’s aan de orde: de verkiezing/verwerping van Israël, de Joodse hoop op de Messias en de terugkeer naar het land der vaderen, de geldingskracht van de oudtestamentische wet, sabbath, besnijdenis, spijswetten (Joden-christenen hielden daaraan vast), de incarnatie van Christus, de maagdelijke geboorte, de godheid van Christus, de kerk als het nieuwe Israël; en vooral de interpretatie van het Oude Testament. Zie G. Stemberger, Das klassische Judentum, Kultur und Geschichle der rabbinischen Zeit, Milnehen 1979, S. 207.
27.Of dit alles inhoudt, dat de Joden voor de polemiek van de kant van de heidenen met de christenen, alsmede voor de minachting en vervolging van de christenen door de heidenen in het Romeinse Rijk in de tweede eeuw in feite de argumenten hebben geleverd, lijkt mij een verregaande bewering. Aldus Goppelt, a.w., S. 82. Het is zeer de vraag, of Joden aan de vervolging van christenen samen met heidenen wel daadwerkelijk hebben meegedaan.
28.Van Jodenhaat is volgens Aalders, (a.w., blz. 47) bij Ireneüs bijvoorbeeld geen sprake. Wel ‘is zijn exegetische bekwaamheld erg pover, waardoor zijn oordeel over Israël wordt vertroebeld’. 'De apostolische vaders uit Klein-Azië en Egypte zijn in hun oordeel over het Jodendom scherper en harder geweest dan in het Westen.’ Aldus Aalders, biz. 41.

Dat de Joden bij de vervolging van christenen ijverig zouden hebben meegedaan, is naar het oordeel van Aalders (blz. 37) in elk geval sterk overdreven.

Aalders schrijft (blz. 99):‘Weer duiken judaïserende tendenzen op in de kerk, mijns inziens ingrijpender dan die waartegen het vroege christendom zich zo heftig heeft verzet. Immers Jezus wordt beschouwd als een Messiaans mens, misschien wel als de allergrootste, maar niet langer als de Christus Gods die zelf heeft gezegd: ‘lk ben de Weg en de Waarheid en het Leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij’ (Joh. 14:6).

Maurer, (a..w., blz. 21), zegt, dat het verschil in het verstaan van de openbaring en niet een of ander soort antisemitisme in de eerste eeuwen tussen kerk en synagoge staat.



Hruby in Juden und Judentum bei den Kirchenvätern, Zürich 1971, Bnd. 2, S. 9, schrijft, dat het de vraag is, of het het hoofddoel was van de zogenaamde Adversus-Judaeos literatuur van het vroege christendom om de Joden te bekeren of dat het meer de bedoeling was om te voorkomen, dat christenen die zich tot het Jodendom aangetrokken voelden, zich door de Joden lieten bekeren. Zie ook Stemberger, a.w., S. 102. Hij schrijft, dat de kerkvaders steeds klaagden over christenen die zich aan de Joodse vasten- en feestdagen hielden, op sabbath ter synagoge gingen om daar de Bijbeluitleg te horen.



1 Deze voordracht is de weergave van een bijdrage van mijn hand in Messiasbelijdende Joden, vroeger en nu (red.C.den Boer, M. van Campen, J.van der Graaf. Boekencentrum, s’ Gravenhage 1989; blz.34vv.

2 Zie voor de nummers 1, enz. de Aantekeningen aan het slot van deze voordracht.

3 Op de afbeelding is de burcht Masada te zien hoog boven de Dode Zee, met vele herinneringen uit de tijd van het verzet tegen de Romeinen.


4 De Messias komt naar Jeruzalem (schilderij uit de 16e eeuw, in Perzië gevonden). Voor de Messias uit gaat de profeet Elia die op de trompet der verlossing blaast.Uit Zev Vilnay, Israël, Een moderne gids door het land van de Bijbel; Amsterdam, 2e dr. (geheel en herzien en uitgebreid,1966; blz.580.







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina