Persoonlijkheidspsychologie hoofdstuk 1: Inleiding in persoonlijkheidspsychologie



Dovnload 159.87 Kb.
Pagina1/3
Datum26.08.2016
Grootte159.87 Kb.
  1   2   3

PERSOONLIJKHEIDSPSYCHOLOGIE


Hoofdstuk 1: Inleiding in persoonlijkheidspsychologie

  • Persoonlijkheidseigenschappen maken mensen uniek en verschillend van elkaar, we gebruiken adjectieven om deze kenmerken aan iemand toe te kennen. Adjectieven kunnen gebruikt worden om kenmerken te beschrijven en worden karaktertrek – beschrijvende adjectieven genoemd.

  • Zie vb. Ronald Janssen!



  1. Definitie persoonlijkheid

Persoonlijkheid is de verzameling van psychologische traits en mechanismen in een individu die georganiseerd zijn en relatief stabiel en ze beïnvloeden de interacties met, en de aanpassingen aan, de intrapsychische, fysieke en sociale omgeving.


  • TRAITS; gemiddelde neigingen

  • MECHANISMEN

  • IN HET INDIVIDU

  • GEORGANISEERD EN STABIEL OVER TIJD EN SITUATIES

  • BEÏNVLOEDING

  • INTERACTIE

  • ADAPTATIE

  • OMGEVING



  1. Drie niveaus van persoonlijkheidsanalyse



  • Menselijke Natuur;

  • Individuele en groepsverschillen;

  • Individuele uniekheid;

    • Nomothetisch onderzoek

    • Idiografisch onderzoek

  • A fissure in the field



  1. Zes Kennisdomeinen van de Menselijke Natuur



  • DISPOSITIONEEL DOMEIN;

  • BIOLOGISCH DOMEIN;

  • INTRAPSYCHISCH DOMEIN;

  • COGNITIEF – EXPERIMENTEEL DOMEIN;

  • SOCIAAL – CULTUREEL DOMEIN;

  • AANPASSINGSDOMEIN;



  1. De rol van een Persoonlijkheidstheorie

  • Wetenschappelijke criteria om een persoonlijkheidstheorie te evalueren:

    • Volledigheid

    • Heuristische waarde

    • Testbaarheid

    • Parsimony – Spaarzaamheid

    • Compatibiliteit en integratie

Hoofdstuk 2: Persoonlijkheidsschatting, -meting en onderzoeksopzet.

  • Persoonlijkheid onderzoeken: klinisch (PZ, CGG,…), school (CLB,…), arbeid (selectie,…), forensisch (peneteniair,…), sport, wetenschap …

  • niveaus: nomothetisch & idiografisch



  1. 4 Methoden van Persoonlijkheidsdata



  • ZELFRAPPORTAGE (S-data); is de meest evidente methode, expert bij gevoelens, gedachten, gedrag, persoonlijkheid,… In de vorm van vragenlijst, interview & rapport.

      • Ongestructureerde zelfrapportage; kenmerken: ongestructureerd en geen aangeboden antwoorden (bv. 20 statement test & zinnen aanvul test,…). Nadeel: hoe objectief scoren?

      • Gestructureerde zelfrapportage; kenmerken: gestructureerd & antwoorden aangeboden (bv. Beschrijvende adjectieven [likert schaal…] & beschrijvende zinnen [NEO-PI…]) Voordeel: objectieve scoring.

      • Nadelen: niet willen invullen (defensief, sociaal wenselijk), niet kunnen invullen (lage emotionele intelligentie), niet durven invullen (bescherming).

      • Niveau: idiografisch & nomothetisch (experience sampling)

  • OBSERVATIEGEGEVENS (O-data); (vb 35 jarige man; manische ontremming) Observeren, bekijken van mensen.

      • Voordelen; onbekend gebied wordt gezien (dingen die je van jezelf niet weet), interbeoordelaarsbetrouwbaarheid (betrouwbaarheid tussen de verschillende beoordeelaars  deze wordt groter als er meer beoordeelaars zijn!).

      • Observeerders; professionele onbekenden (objectief, zorgen dat ieder hetzelfde observeert, ieder observeert anders en interpreteren andersduidelijke info), bekenden (subjectief, vooroordelen)  natuurlijke omgeving (bv. Thuis; gedrag is natuurlijker dan in een niet-natuurlijke omgeving), multiple sociale personae (verschillende sociale persoonlijkheden; ieder gedraagt zich anders in verschillende situaties).

      • Natuurlijke observatie (gedrag verandert ook in eigen natuurlijke omgeving door veranderde patronen) vs. artificiële observatie (proefopzet met OV en AV, gedrag volg op experiment)  bv. Supernanny, selectie, enactments (nabootsen van natuurlijk gedrag bv. ruzie = artificiële observatie)

  • TESTGEGEVENS (T-data);

      • Niveaus; idiografisch onderzoek (gestandaardiseerde tests, werving en selectie, veel tijd en geld) vs. Nomothetisch onderzoek (laboratorium studies).

      • Voorloper; Murray – the bridge bilding test = meten van frustratie tolerantie bij bouwen brug met twee assistenten (dom & alleswetend), pp denkt dat hij wordt onderzocht op leiderschap  lage gezichtsvaliditeit (mate waarin een test lijkt op datgene wat hij onderzoekt)

      • Voorbeelden; Megargee; dominantie – leiderschap (exp. OV: combinatie koppels hoge vs. lage dominantie AV: resultaten op leiding nemen bij taak)  belang van combinatie met observatiegegevens. Rorschach met zijn inktvlekkentest en de Thematic Apperception Test waarbij een ambigue prent wordt aangeboden aan de cliënt, deze moet hier een interpretatie van maken

      • Nadeel; PP heeft weet van wat er getest wordt (evenwicht in gezichtsvaliditeit), altijd interpersoonlijke beïnvloeding tussen leider en pp

      • Voordeel; manipulatie OV, repliceerbaar onderzoek = wetenschappelijker

      • Soorten; Mechanische methode (vb. actometer (bloedslag, bloeddruk…) gegevens zeggen iets over persoonlijkheid/biologie (puppy’s vs. gevaarlijke honden)). Fysiologische methode (vb. FMRI scan (bloed door de hersenen) relatie tussen persoonlijkheid en hersendelen (knipperen vs. psychopaten))  nadeel; veel fouten. Projectieve technieken (ambigue stimuli; wenselijke antwoorden, leven/gedacht projecteren in antwoord, vb. Rorschach test, vb. TAT schetsen van situatie volgens prent)  nadeel; objectieve scoring om soorten antwoorden in te delen, moeilijk repliceerbaar.

  • ANAMNESTISCHE INFORMATIE (L-data); = informatie uit de levensloop van een persoon. Levensgebeurtenissen geven informatie over persoonlijkheid. Meestal gebruikt in combinatie met andere gegevens. Bv. Vrouw van 30 jaar, 7 relaties, 6 jobs, 2 zelfmoordpogingen  hypothese: borderline persoonlijkheidsstoornis.

Combinatie van te methoden: (WAIS III, Rorschach, Structureel interview, psychomotore therapie,…) Problemen bij dezelfde resultaten: meten ze hetzelfde construct? Zo ja, bevestigen van hypothesen en vergroten van validiteit en betrouwbaarheid. Problemen bij tegenstrijdige resultaten: meten ze hetzelfde construct? Zo ja, weerleggen van hypothese. Opletten voor confirmation bias!

  1. Evaluatie van Persoonlijkheidsonderzoek



  • BETROUWBAARHEID; = mate waarin een test het echte leven van een bepaalde trait kan meten (bv. Herhaaldelijke metingen van IQ)

      • Test-hertest betrouwbaarheid; = mate waarin een test dezelfde resultaten geeft op verschillende tijdstippen (bv. Repeated measurement)

      • Interne consistentie betrouwbaarheid; 1 tijdstip, interne herhaaldelijke meting. = de mate waarin de verschillende items van een test hetzelfde meten (bv. Wanneer een test een paar op elkaar gelijkende vragen stelt)

      • Interbeoodeelsaarsbetrouwbaarheid; is enkel toepasbaar op observatiegegevens. = de mate waarin de verschillende beoordelaars hetzelfde resultaat observeren.



  • VALIDITEIT; =mate waarin een test effectief meet wat het pretendeert te meten.

      • Gezichtsvaliditeit; = mate waarin een test op het zicht lijkt te meten wat het effectief meet (bv. Ik voel me vaak verdrietig – depressie). Belangrijk: te weinig = error ↔ te veel = sociaal wenselijk

      • Predictieve of criterium validiteit; = mate waarin een test externe criteria kan voorspellen. (bv. Sensation seeking – parachute springe, motor rijden, druggebruik)

      • Convergente validiteit; = mate waarin een test correleert met een andere test die hetzelfde meet.

      • Discriminerende validiteit; = mate waarin een test niet correleert met een test die niet hetzelfde meet.

      • Constructvaliditeit; = mate waarin een test meet wat het bedoelt te meten, correleert met een test die hetzelfde meet, en niet correleert met een test die niet hetzelfde meet. ≈ overkoepelende validiteit . Persoonlijkheidsvariabelen = theoretische constructen & persoonlijkheidsonderzoek ≈ röntgenfoto. (bv. Creativiteit: Face validiteit; items over creativiteit, Predictieve validiteit; diploma in kunsten, Convergente validiteit; correlatie met andere metingen creativiteit, Discriminerende validiteit; geen correlatie met intelligentie)



  • GENERALISEERBAARHEID; = mate waarin een test zijn validiteit behoudt over verschillende contexten, situaties, … (bv. Groepen/personen: leeftijd, geslacht, cultuur,... & context/situatie: werk-thuis…)



  1. Onderzoeksmodellen van Persoonlijkheid



  • EXPERIMENTELE METHODE; = onderzoek van de causaliteit van de onafhankelijke variabele op de afhankelijk variabele. Statistische technieken: significantie, gemiddelde, standaarddeviatie, T-test. 2 vereisten:

      • Manipulatie van de onafhankelijke variabele

      • Equivalentie door: randomisatie (=random toewijzing van de proefpersonen aan een experimentele groep) & counterbalancing (=verschillende condities binnen 1 groep)  volgorde-effect



  • CORRELATIONEEL ONDERZOEK; = onderzoek van correlatie tussen 2 variabelen. Wordt uitgedrukt in correlatiecoëfficiënt (-1 negatief, 0 geen, +1 positief) deze kan sterk of zwak zijn (.10 zwak, .30 gemiddeld, .50 sterk)  geen causaliteit: door een directionaliteitsprobleem (AB of BA) of door een derde variabele (ACB)



  • GEVALSSTUDIES; = onderzoek van de persoonlijkheid van 1 persoon in detail. Voordelen: detaillistisch, bron van hypothese (geen veralgemeningen, generaliseerbaarheid van hypothese, alleen hypothesen die we moeten onderzoeken, testen met een grote groep), speciale gevallen (zoals moeder Theresa…), speciale fenomenen (die we onmogelijk kunnen vinden in een grote groep pp bv. schizofrenie, multiple persoonlijkheden,…). Bv. seriemoordenaar Ted Bundy.

Dispositioneel Domein

  • Disposities = traits = persoonlijkheidskenmerken: ≈ inherente (intern) neiging (gedrag) om zich op een bepaalde manier te gedragen. ≈Bouwstenen van persoonlijkheid zijn stabiel over tijd, consistent over situaties, verschillen tussen mensen beschrijven (slide 4, bijvragen voor examen!)

Hoofdstuk 3: Trekken en Taxonomieën van Trekken.

  1. Wat is een Trek? Twee basisformuleringen.



  • Trekken als interne oorzakelijke bezitting; (verborgen – causaal) rechtstreekse relatie tussen behoefte en gedrag. (= verlangen, wil, behoefte) Intern van situatie naar situatie & causaal; gedrag verklarend, interne traits ≠ externe traits (het is niet omdat je een behoefte hebt dat je het gedrag echt gaat stellen omdat het ermee gerelateerd is). Doel = andere oorzaken van gedrag uitsluiten.

  • Trekken als externe en zuiver beschrijvende samenvatting van getoond gedrag; geen veronderstellingen over causaliteit  sociale situatie



  1. Act Frequency Formulation of Traits.



  • ACT FREQUENCE = illustratie van externe en beschrijvende traits en is een onderzoeksprogramma. Trait = gedragscategorie (bv. Dominantie) of een beschrijvende samenvatting van de algemene neiging van iemands getoond gedrag. 3 elementen;

      • Gedragsnominatie: identificatie gedrag  trait

      • Prototypische beoordeling: identificatie prototypisch gedrag  trait (bv. Orders geven is heel prototypisch voor dominantie)

      • Bevestigen van gedrag: dmv zelfrapportage en observatie



  • KRITIEK; te weinig informatie over context, “niet-gedrag” (bv. moedig)

  • VOORDELEN; expliciteren van gedrag, betekenis van traits (meer te weten komen) & voorspellen van externe criteria (bv. Iemand is heel creatief, kan een diploma kunsten halen!)



  1. Identificatie van de belangrijkste trekken.



  • LEXICALE BENADERING; lexicale hypothese: alle belangrijke individuele verschillen vinden oorsprong in taal (manier om te communiceren, te beschrijven  oorsprong uitvinding van verschillende woorden). 2 criteria;

      • Synoniem frequentie: hoe meer trait-beschrijvende adjectieven, hoe belangrijker de trait (bv. Dominantie)

      • Crossculturele universaliteit: in hoe meer verschillende talen de trait –beschrijvende adjectieven voorkomen, hoe belangrijker de trait.  probleem met crossculturele universaliteit: zelfstandige naamwoorden worden ook gebruikt om verschillen tussen mensen te beschrijven maar deze worden niet gebruikt in de lexicale benadering (vb. schat, prinses, lieveling,…)



  • STATISTISCHE BENADERING; Itempool (trait – beschrijvende adjectieven  lexicale benadering of vragen/stellingen over gedrag/emoties…). Op deze itempool wordt de factor analyse op toegepast. Factor analyse: identificeren van items die covariëren met elkaar en niet covariëren met andere (items dan samennemen!)  zo organisatie en reductie van itempool. Correlatiecoëfficiënt (item laadt op factor, item verklaart variantie van factor)



  • THEORETISCHE BENADERING; vanuit theorie worden belangrijke variabelen gedetermineerd. (bv. Freud – projectie & Maslow – zelf-actualisatie)



  1. Taxonomieën van Persoonlijkheid.



  • EYSECK; (°1916-†1998 Berlijn) Hiërarchische Model van Persoonlijkheid. Betrouwbare psychiatrische diagnoses met een biologische basis (biologische onderbouwing)  Voorloper Galenus. Op basis van lichaamsvochten (Sanguïstisch - bloed/Flegmatisch - slijm/Cholerisch - zwarte gal/Melancholisch - gele gal). Hiërarchische structuur:

      • Specifieke respons: observeerbar gedrag

      • Habituele respons: cluster van specifieke responsen

      • Narrow (enge) traits: cluster van habituele responsen

      • Supertraits: cluster van narrow traits

 3 supertraits:

      • Extraversie (narrow traits = sociaal, actief, levendig, avontuurlijk, dominant, assertief, sensation, seeking, zorgeloos, op voorgrond) vs Introversie

      • Neuroticisme (narrow traits = angstig, depressief, schuldgevoelens, laag zelfvetrouwen, gespannen, irrationeel, verlegen, emotioneel, humeurig) vs Laag Neurotisch (narrow traits = emotioneel stabiel, milde reactie op stress, rustig en kalm)

      • Psychoticisme (narrow traits = agressief, egocentrisch, creatief, impulsief, gebrek aan empathie, antisociaal)  mannen scoren hier hoger op dan vrouwen, het is een voorspellende criteria, ≠ “psychose” van DSM-IV

Erfelijkheid: PEN = gemiddeld erfelijk. Fysiologisch identificeerbaar substraat: extraversie – centraal zenuwstelsel / neuroticisme – autonoom zenuwstelsel / psychoticisme – testosteron en MAO. Beperkingen: andere traits buiten PEN zijn ook erfelijk, 3 supertraits is té weinig & té eenvoudig.

  • CATTEL’S TAXONOMIE; (°1905-†1998 Engeland, diploma chemie, fysica & psychologie, “exacte wetenschapper”, samenwerking met Spearman, analogie biologie) Doel = identificatie en meting basiseenheden persoonlijkheid. Oppervlakkige traits (surface): observeerbaar gedrag & bron traits (source): onderliggende variabelen, 16.  16 Persoonlijkheidsfactoren systeem (= 16 personality Factor Questionnaire op basis van Allport & Odbert). Wetenschappelijke manier: onderzoeksgroep, info (S-data & T-Data), factor analyse. Kritiek: repliceerbaarheid, 16 (teveel).

  • CIRCUMPLEX TAXONOMIE VAN PERSOONLIJKHEID; (Timothy Learly & Jerry Wiggins) Circulaire taxonomie, lexicale hypothese, soorten traits (temperament, karakter, materiële, attitude, mentale, fysieke, interpersoonlijke). Model van Foa & Foa. Interpersoonlijke transacties, sociale bronnen (status & liefde), dyadische interacties. Voordelen: expliciete definitie, specifieke relatie tussen traits (nabij [positieve correlatie], bipolair [negatieve correlatie], orthogonaal [gn correlatie]) & onbekend gebied. Nadeel: beperkt tot 2 dimensies. (Roos van Learly)

  • VIJF-FACTOR MODEL; BIG FIVE (extraversie, bereidwilligheid, openheid, consciëntieusheid en emotionele stabiliteit). Lexicale en statistische benadering (statische toegepast op de lexicale!). Geschiedenis: Allport & Odbert  itempool; trait beschrijvende adjectieven (psycholexical study, 18000 termen = semantische nachtmerrie, 4 categorieën: personality traits (stabiel), temporary traits (toestand), sociale evaluaties, metaforen of twijfeltermen…  van deze 4 houden ze er alleen personality traits aan over!). Cattel (4500 termen  35 variabelen, factor analyse; 12+4 factoren = 16 personality factor questionaire). Fiske (22 variabelen; 8 groepen  5 factoren). Tupes & Cristal (22 variabelen; 8 groepen  5 factoren (=cultuur)). Norman. Besluit; Breedte (termen tot stand gekomen door factor analyse, in de termen zit veel informatie…), abstract niveau (complexiteit van die 5 factoren, onmogelijk om persoonlijkheid hierin te beschrijven!), specifieke persoonlijkheidskenmerken (deze zitten vervat in deze 5 factoren). ABSTRACT EN CONCREET! Costa & McCrae; factor analyse van persoonlijkheidsvragenlijsten  NEO-PI (3 factoren) + agreeableness en consciëntiousness  NEO-PI-R  5 factoren (bestaan telkens uit 6 facetten en per facet krijg dan een beschrijving van een aantal kenmerken, per facet wordt er gescoord)  Hiërarchische structuur. Bij vijf factoren model hebben we te maken met echte traits want bij de big 5 alleen maar beschrijving! Verschillen Big 5 (trait beschrijvend, taal, trait?) vs Five Factor Model (niet gebaseerd op taal, echte traits, causaal (onder voorbehoud)). Empirisch bewijs voor Big 5, bestaan ze wel echt? Verschillende studies omtrent deze 5 factoren waarbij deze 5 allemaal zijn terug gevonden; Goldberg, Generaliseerbaarheid: Nederlands onderzoek waar ook de Big 5 gevonden zijn, ook terug gevonden in andere landen, groot probleem met de vijfde factor  minst overtuigend om terug te vinden. Dus, in de jaren ’80 vinden we deze factoren terug, alleen de vijfde factor is altijd anders  dit komt door de verschillende talen (verschillend resultaat door verschillende beginpunt en verschillende taal = verschillende itempool  oorzaak kan liggen bij de verschillende culturen!)  Persoonlijkheid wordt niet enkel bepaald door erfelijkheid, maar ook door cultuur!

    • Extraversie: sociale interactie, veel praten, leiding nemen, sociale impact, geluk. Maar ook snel rijden en luide muziek wat resulteert in meer ongevallen! (dimensioneel model! Extraversie vs introversie).

    • Bereidwilligheid – altruïsme: gericht op mensen, onderhandelen om conflicten op te lossen, terugtrekken uit conflicten, vermijden van conflicten, sociale harmonie, politiekers (tegenover gericht tegen mensen en agressiviteit).

    • Consciëntieusheid – gewetensvol: punctueel, betrouwbaar, strek verantwoordelijkheidsgevoel, hard werkend, hoge normen goed/kwaad, niet uitstellen (kenmerken van hoge gewetensvolheid: goede resultaten, job tevredenheid, positieve relaties kenmerken vs. lage gewetensvolheid: risicovol seksueel gedrag).

    • Emotionele stabiliteit: manier van omgaan met stress, gemoedstoestand, vermoeidheid (gezondheid algemeen), dissociatieve ervaringen, suïcidale neigingen, alcohol, relaties, seksuele problemen, professioneel succes, PTSD (post traumatische stress stoornis), Self-handicapping strategie (= beschermingmechanisme door jezelf te handicaperen/waarde naar beneden halen op voorhand, dus als je dan mislukt kan je waarde al niet naar beneden gaan) (hoge emotionele stabiliteit = laag neurotisisme).

    • Openheid: dromen, openheid tot ervaren, experimenteren, open informatieverwerking (vs. tunnel visie), minder vooroordelen.

        • Combinatie van Big 5 factoren: schoolresultaten (C↑N↓), risicovol seksueel gedrag (E↑N↑C↓A↓) …

Kritiek: 5+2 = 7 factoren (positieve en negatieve evaluatie), Goldberg (religiositeit en spiritualiteit), 6de factor (attractiviteit), Buss (sexiness), 10 factoren buiten FFM. Voorstanders gaan Big 5 betwisten; zelfstandige naamwoorden ook gaan betrekken in lexicale studie voor de beschrijving van persoonlijkheid zodat het duidelijker wordt, combinatie van talen  geen verschil meer in itempolen, maar gezamenlijke itempool (6de factor = eerlijkheid, nederigheid). Samenvatting: 4 factoren sterk repliceerbaar, 5de factor is moeilijk en mogelijk culturele verschillen, misschien toch nog een 6de factor, beschrijvend, oorzaak? Kritisch; ontgoochelend antwoord op sleutelvragen, descriptieve concepten die abstract zijn, verdere explicatie, echte taxonomie?, taal  maar het is bruikbaar en begrijpbaar!

Biologisch Domein

Hoofdstuk 6: Genen en persoonlijkheid.

  • 1 perspectief, lichaam en geest, Shakespeare, frenologie (Gall, Spurzheim), genetica (bv. Dirty Mind) (pg 191, a closer look Phineas Gage; KENNEN!) The Jim Twins (100% hetzelfde genetische materiaal, maar groeien apart op in andere omgevingen, dus gelijkenissen bijna volledig toeschrijven aan de genetica…)



  1. De menselijke genen.

  • GENOOM bestaan uit een 30000 – 40000 genen en zijn gelokaliseerd op 23 paar chromosomen en elke cel in het lichaam bevat deze! (behalve het mannelijke geslachtcel en een bloedcel). Dit genoom/gen is een DNA molecule. (98% genetic junk  is geen rommel maar bevat heel belangrijke eigenschappen en kenmerken dan ze oorspronkelijk gedacht hadden!) Toegepast op persoonlijkheid?



  1. Controverse rond genen en persoonlijkheid.

  • RELATIE genetica & persoonlijkheid.

  • MOGELIJKHEDEN EN ETHISCHE KWESTIES (men zou kunnen ontdekken wie dat er verslaafd zou worden, of bepaalde ziektes zou ontwikkelen…)

  • FINANCIEEL (schizofrenie, ADHD, alcoholisme, psychopathie,… deze mensen kosten de maatschappij veel geld)

  • Gevaar voor misbruik (uitroeien…)

  • EUGENETICA (= wetenschap om relatie te onderzoeken tussen bepaalde genen): Galton (1883), übermensch (mensen die tussen apen stond en mensen)  Nietzche, Nazisme interpreteerde dit anders en voegde üntermensch hierbij, ‘Kennis is beter dan onwetendheid!’



  1. Doelen.

  • VERKLAREN van individuele verschillen = % verklaarde variantie, genetica vs omgeving. Proces + differentiatie.



  1. Wat is erfelijkheid.

  • ERFELIJKHEID = de proportie fenotypische variantie die geattribueerd kan worden aan genotypische variantie. Fenotypische variantie: individuele verschillen die geobserveerd kunnen worden. Genotypische variantie: individuele verschillen in genetica.

  • ENVIRONMENTALITY = het percentage geobserveerde variantie in een groep mensen dat geattribueerd kan worden aan omgevingsinvloeden (≈omgevingsinvloeden)

  • MISVATTINGEN over erfelijkheid: individueel (debat nature - nuture niet te voeren op individueel niveau [voortdurende interactie] maar op populatie niveau), stabiel (niet stabiel, want het gemeten op 1 bepaald tijdstip of periode van een groep mensen), exact (nooit exact; psychologische variablele zijn nooit exact er zit altijd een meetfout op  relativeren van resultaten).



  1. Onderzoeksmethoden.

  • SELECTIEF FOKKEN: bv. honden met bepaalde kwaliteiten (uiterlijk, karakter), men heeft gevonden dat deze kwaliteiten erfelijk zijn, geldt dit ook voor mensen?

  • FAMILIESTUDIES: correlatie graad van verwantschap met graad van gelijkenis persoonlijkheid, verwantschap (ouder - kind: 50%, broer -zus:50%, grootouders - kleinkinderen: 25%, oom/tante - neven/nichten: 12,5%; Dus hoe meer overeenkomst, hoe meer erfelijke en gedeelde genetica), is persoonlijkheid erfelijk?  rekeningen met gedeelde omgeving (zelfde ouders, woonplaats, zelfde opvoeding,…)!

  • TWEELINGSTUDIES: monozygotisch = 100% identiek en dizygotisch = 50% identiek, gelijkenis persoonlijkheid op basis van genetische gelijkenis, erfelijkheid = 2(rmz rdz) (bv. dominantie; .90 = 2(.57 - .12) = 90%  fictief), men heeft hier veel tweelingen voor nodig om de tweelingstudie representatief te laten zijn! 2 Veronderstellingen; gelijke omgeving (gedeelde omgeving is voor beide soorten tweelingen gelijk wordt er veronderstelt, maar we zien in de praktijk dat dit vaak niet zo is vb andere vrienden,…  gedeelde omgeving gaat geen rol spelen in het verklaren van persoonlijkheid. Onderzoek dmv verkeerde diagnose.) & representativiteit (geadopteerde tweelingen; generaliseerbaar voor de hele bevolking? Nee, invloed van ander onafhankelijke variabele [prematuriteit], toch representatief, maar er blijft een limitatie van adoptie). Gemiddelde erfelijkheid (BIG 5)  nuanceren door omgeving, en interactie mee te rekenen (Extraversie 60%, neuroticisme 50%, aangenaamheid 72%, consciëntieusheid 36%, openheid 74%).

  • ADOPTIESTUDIES: meest krachtige methode, geadopteerde kinderen en adoptieouders hebben geen identieke genen maar wel een gedeelde omgeving, geadopteerde kinderen en biologische ouders dele 50% identieke gene met elkaar maar hebben geen gedeelde omgeving, scheiding tussen omgeving en genen, problemen; representativiteit (veralgemening? JA, maar limitatie adoptie) – selectieve plaatsing (wanneer men kinderen gaat plaatsen probeert men de cultuurschok zo klein mogelijk te maken, dus gaat men opzoek naar geschikte ouders die een beetje lijken op de biologische ouders; dit zorgt voor een kleiner verschil in gedeelde omgeving met biologische ouders…)  de krachtigste methode; identieke tweelingen scheiden en apart opvoeden! Resultaten (BIG 5 cijfers liggen lager maar exacter) worden sterker bepaald door omgeving dan door genen. (bv. Minnesota Twin study; persoonlijkheid is voor 54% genetisch bepaald  gaat dus in tegen de veronderstelling dat persoonlijkheid meer bepaald wordt door genen ipv omgekeerd!)



  1. Bevindingen omtrent onderzoeksmethoden

  • (OP EXAMEN VB KUNNEN GEVEN VAN CIJFERS en bevindingen!)  zie boek

  • TWEELINGSTUDIES: Extraversie 60%, Neuroticisme: 54% 47%

  • ADOPTIESTUDIES: Extraversie: 40%, Neuroticisme: 30%

  • Chimpansees: Well-being: 40%, Dominantie: 66%

  • Minnesota Twin Study: 54%

  • Attitudes en voorkeuren : Traditionalisme: 63% 34%

  • Drinken en roken: “gematigde erfelijkheid”

  • Huwelijk: 68%



  1. Gedeelde vs. niet gedeelde omgevingsinvloeden

  • GEDEELDE OMGEVING; huis, ouders, familie, waarden, opvoeding, …, houdt ook in attitudes, religieuze en politieke omgening, overtuiging, …

  • NIET GEDEELDE OMGEVING; vrienden/kamer/behandeling/…  unieke ervaring! Hypothese; 1 logische variabele & complexiteit aan variabelen (gedeelde vs niet gedeelde omgeving brengen veel meer te onderzoeken variabelen mee dan verwacht om te onderzoeken!). Geboorte volgorde, leeftijd tussen verwanten (= broers en zussen)

        • Besluit: omgeving > erfelijkheid / niet-gedeelde omgeving > gedeelde omgeving



  1. Genen en omgeving

  • INTERACTIE tussen genen en (gedeelde) omgeving (vb. Introversie vs. Extraversie. Kindermishandeling vs. Antisociale persoonlijkheidsstoornis)  zie boek!

  • Genotype – omgeving correlatie

  • 3 TYPES; passieve (= ouders geven genen door aan kinderen bv. intelligentie) – reactieve (= reactie van ouders op persoonlijkheid van kinderen) – actieve (= actief exploreren en uitoefenen van persoonlijkheidskenmerken)

  • Positieve en negatieve correlatie

        • COMPLEXE PERSOONLIJKHEID



  1. Moleculaire genetica

  • D4DR: Dopamine-receptor, Novelty seeking, 4%

  • 5-HTTLPR: Aangenaamheid, 0.5 – 2.8%

  • CHRM2: aangenaamheid, consciëntieusheid

  • COMT: openheid

  • ADH4: aangenaamheid

  • NRG1: consciëntieusheid



A CLOSER LOOK; ‘Phineas Gage’


  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina