Petrus Valkeniers’t Verwerd Europa (1675), een constructie van traditionele politiek moraal en ‘nieuwe politiek’



Dovnload 404.55 Kb.
Pagina1/7
Datum19.08.2016
Grootte404.55 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7


Petrus Valkeniers’t Verwerd Europa (1675),

een constructie van traditionele politiek moraal en ‘nieuwe politiek’

Marianne Klerk /291612

Juli 2010

marianne_klerk@hotmail.com /0654371060

Master Maatschappijgeschiedenis



Inhoudsopgave

Inleiding 6



Theoretisch kader 6

Doel, onderzoeksvragen en opbouw 21

Hoofdstuk 1: Raison d’état-discours en interessenleer der staten 23

1.1. De traditionele politieke moraal: Christelijk Ciceronianisme, de ‘ancient constitution’ en de vorstenspiegel literatuur 23

1.2. Een ‘nieuwe politiek’: Machiavellisme en Tacitisme en raison d’état 27

1.3. Kritiek op de raison d’état: Botero en Hugo de Groot 35

1.4. De interessenleer der staten van Duc de Rohan en Samuel Pufendorf 39

Hoofdstuk 2: Een schets van het leven van Pieter Valkenier 48

2.1. Biografie 48

2.2. Het Rampjaar 1672 53

Hoofdstuk 3: ’t Verwerd Europa 59

3.1. Uiteenzetting 59

3.2. Argumentatieanalyse 89

Hoofdstuk 4: Conclusie 98

Literatuurlijst 106



Inleiding

In juli van het jaar 1672 stond het leger van Lodewijk XIV in Utrecht terwijl de provincies Drenthe en Overijssel werden bezet door Duitse troepen uit Münster en Keulen. Op zee voerde de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden oorlog met de Engelse vloot. Holland stond gedeeltelijk onder water. Volksopstanden waren uitgebroken in een groot aantal steden en het land leek verscheurd te worden door een interne politieke strijd. De dagen van de Republiek leken geteld. Hoe was het mogelijk dat een staat, die vijf jaar daarvoor met de Vrede van Breda nog gold als een Europese grootmacht, in een korte tijd bijna had weten ophouden te bestaan? Ooggetuigen en tijdgenoten van het rampjaar wilden de oorzaken weten van de verschrikkelijke gebeurtenissen, harde nederlagen en onfortuinlijke tegenspoed. Hoe en waarom was hun tot dan toe weldadige situatie plotslag veranderd en welke politicus had dit op zijn geweten?

Eén van de eerste personen die over het rampjaar schreef, was Petrus Valkenier (Emmerik,1638/41- Den Haag,1712). Zijn boek ’t Verwerd Europa, ofte politijke en historische beschryvinge der waare fundamennten en oorsaken van de oorlogen en revolutien in Europa, voonamentlijk in en omtrent de Nederlanden zedert den jaare 1664, gecauseert door de gepretendeerde universele monarchie der Franschen1 werd reeds bij publicatie een groot succes in 16752. In hetzelfde jaar verscheen nog een tweede druk en in 1677 werd een Duitse vertaling van het boek gepubliceerd. Valkenier meende dat geheel Europa in verwarring was en gaf de schuld aan de buitenlandse politiek van Lodewijk XIV, die streefde naar een Franse ‘universele monarchie’ in Europa. De Republiek bevond zich ook in een verwarde staat door het stadhouderloze bewind onder leiding van de Hollandse raadspensionaris Johan de Witt. ’t Verwerd Europa bevat drie delen; Valkeniers staatsleer; het Franse streven naar een universele monarchie en de mislukte binnen- en buitenlandse politiek van Johan de Witt; en het verloop van de gebeurtenissen van het jaar 1672. Het laatste deel is het omvangrijkste gedeelte van het boek. Het zwaartepunt van zijn werk ligt zodoende bij het jaar 1672.

In de loop van de achttiende eeuw kreeg Valkeniers werk een negatieve reputatie in Nederland. Dit gold in het bijzonder voor het tweede en derde deel. Zijn beschrijving van de historische gebeurtenissen van 1672 werd door vele historici beschouwd als partijdig en wordt in de meest recente historische werken over het rampjaar op grond van zijn partijdigheid afgeschreven. Valkeniers politieke filosfie uit het eerste deel raakte in de vergetelheid door deze beschuldigingen.3 P. J. Blok (1855-1929)4 beoordeelde Valkeniers werk als ‘zonder letterkundige waarde en duidelijk het kenmerk dragend van zijn bedoeling om de staatkunde van Willem III in het beste licht te stellen.’5 De historicus Mathijs Bokhorst noemde het werk ‘een groot pamflet’6, dat twee hoofdthema’s bevatte: ‘Oranjeliefde en Fransenhaat’.7 D.J.Roorda omschreef Valkenier in zijn Partij en factie als niet objectief en de historicus beschuldigde hem van het bewust achterwege laten van gegevens in het voordeel van de Oranje factie.8



Moderne historici moeten zich echter behoeden om vroegmoderne geschiedwerken te beoordelen aan de hand van negentiende-eeuwse maatstaven. De vragen of er wel correct bronnenonderzoek is gedaan en of er een beoordeling is gedaan met de criteria uit de tijd zelf, zijn niet van toepassing op de geschiedschrijving van de zeventiende eeuw. De humanisten zagen een belangrijke tweedeling in de geschiedschrijving9. Enerzijds bestond de geschiedschrijving uit de bronnen van de geboekstaafde feiten, de kroniek, oftewel de ‘lage’ vorm van geschiedschrijving. Anderzijds bevatte de geschiedschrijving interpretaties van de opgeschreven feiten, oftewel ‘hoge’ geschiedschrijving. De hoge geschiedschrijving was literair en filosofisch van aard. In werken van de hoge geschiedschrijving uitte de auteur zijn morele oordelen, lof en blaam, en inzicht in de diepere waarden van de geschiedenis. De hoge geschiedschrijving had als taak van nut te zijn op de maatschappij en het individu: het algemeen vormend en intellectueel nut van geschiedschrijving, het geven van politiek of ethische lessen middels historische voorbeelden van grote mannen en hun daden en het documentaire nut van de geschiedenis voor de mensheid als nuttige bron van wijsheid voor het heden. In deze laatste twee taken is de nauwe relatie tussen geschiedschrijving en politiek denken in de vroegmoderne tijd waar te nemen. Zodoende kan het verleden worden geïnterpreteerd in een bepaalde mate van partijdigheid en vanuit een politieke motivatie.10

De historicus E.O.G. Haitsma Mulier stelt; (...) de 'humanistische geschiedbeoefening was nu eenmaal altijd politiek van karakter.'11 Het historisch verhaal werd gebruikt als illustratie voor politieke of ethische lessen. Daarnaast werd in de late zestiende en zeventiende eeuw geschiedschrijving in toenemende mate gebruikt om het eigen bestaan als politieke eenheid te legitimeren. Steden, gewesten, provinciën en de Staten-Generaal waren al in de zestiende eeuw begonnen met het uitvaardigen van opdrachten tot het schrijven van de 'eigen' geschiedenis. Bovendien benaderden vroegmoderne historici het verleden vanuit hun eigentijdse belangen en aspiraties, wat veelal betekende dat historische motieven met politieke ideeën werden gecombineerd. De humanistische historici gebruikten dus het verleden ter illustratie van en als onderbouwing voor hun politieke ideeën. De geschiedschrijving was onderhevig aan politieke doelstellingen en gericht op het eigentijdse verleden. Hierdoor waren historische werken in deze periode sterk retorisch en propagandistisch van opzet.12

Het eerste deel van ’t Verwerd Europaverhandelt het Interest van Staat, so in ’t algemeen, als in ’t bijzonder van yder Potentaat en Republijk in Europa.13 In zijn voorwoord schreef Valkenier dat zou optreden als een miles togatus; hij zou de interesten van zijn Republiek met de pen in plaats van met het zwaard verdedigen. Zijn doeleinden waren tweeledig: praktisch politiek en intellectueel van aard. Valkenier hoopte dat stadhouder Willem III de leiding op zich zou nemen in de internationale strijd tegen het expansionisme van de Franse koning Lodewijk XIV. Een machtsevenwicht moest gevormd worden om het streven naar een universele monarchie door de Franse koning tegen te gaan. Tevens opperde Valkenier een ideale overheid met een gemengde staatsvorm – waarin voor de Republiek de stadhouder de centrale rol bezat- waarin de rechten en privileges van haar burgers bewaakt werden en waarin de kerk en geestelijken geen politieke invloed uitoefenden. Valkenier ageerde tegen absoltue vorsten, de confessionele kerk en goddeloze raison d’état-auteurs. Zodoende bepleitte Valkenier indirect een deconfessionele, protestantse overheid onder wetten. Deze doeleinden beargumenteerde hij middels een moreel beteugelde raison d’état-theorie en een systematische analyse van de Europese politieke situatie weergegeven in een interessenleer der staten.

Valkeniers uiteenzetting van zijn raison d’état-gedachten en zijn interessenleer der staten uit het eerste deel van ’t Verwerd Europa is vrijwel onbestudeerd in de prullenmand van de historiografie beland. E.H. Kossmann noemde Valkenier niet één keer in het standaardwerk over het Nederlands politiek denken in de zeventiende eeuw.14 Het doel van deze scriptie is niet Valkenier als geschiedschrijver te rehabiliteren. Daarentegen poogt deze scriptie een nieuw licht te schijnen op het‘t Verwerd Europa en in het bijzonder op het eerste deel van het boek door het te plaatsen in de politieke filosofische debatten van zijn tijd en ruimte.


Theoretisch kader

Het theoretisch kader van deze scriptie zal de belangrijkste debatten waarop Valkenier heeft gereageerd uiteenzetten. Het raison d’état-discours van de zeventiende eeuw en de interestdebatten vormen het theoretisch raamwerk van zijn eerste deel. Deze zullen dan ook uitvoerig besproken worden in het eerste hoofdstuk van deze scriptie. Daarnaast waren andere contemporaine debatten aan de orde. Valkeniers visie op de rol van religie en kerk in de politiek en samenleving komt overeen met de stelling van historicus Heinz Schilling aangaande de door hem waargenomen deconfessionalisering vanaf ongeveer 1650.15 De religiekritiek van Valkenier sluit tevens aan bij het huidige NWO-onderzoeksproject Fault line 1700: early Enlightenment conversations on religion and the state van kerkhistorica Joke Spaans en geschiedfilosoof Wiep van Bunge over de ontwikkeling van het ‘nieuw protestantisme’ in Nederland aan het einde van de zeventiende eeuw.16 Bovendien hield Valkenier zich bezig met het verklaren van de verhouding tussen de stadhouder en andere delen van het staatsapparaat waarbij hij in zijn argumentatie aandacht besteedde aan de meest ideële staatsvorm en de debatten tussen absolutistische en constitutionele visies op de overheidsinrichting. Deze drie hoofddebatten zullen hieronder nader verklaard worden.


Raison d’état -discourse en interestdebatten

In de zestiende eeuw was de macht van de staat sterk toegenomen, maar het behouden van de macht bleek een moeilijke opgave te zijn tijdens de religieuze oorlogen en conflicten van de vroegmoderne tijd. In het Europa van de zestiende en zeventiende eeuw leek oorlogvoering inherent aan de samenleving. De zeventiende-eeuwse geschiedschrijving bevatte dan ook grotendeels beschouwingen over oorlog en vrede, de meest geschikte staatsvorm en het behouden en beschermen van de staat. De zeventiende-eeuwse politiek filosofen en auteurs probeerden in hun werken de nog kwetsbare staat te versterken. 17

Het principe van raison d’état nam een belangrijke plaats in bij deze beschouwingen. Raison d’état bestond uit een overkoepelende notie die verschillende lastige kwesties inhield. Voornamelijk was het een categorie van bepaalde politiek handelingen; de handelingen ten aan zien van omstandigheden van neccisitas; geheime of buitengewone handelingen tegengesteld aan de algemene en morele wetten; of de politieke prudentia van individuele staten. Raison d’état werd ook beschouwd als algemene richtlijnen voor rationeel gedrag op elk niveau van de politieke praktijk, als het kernidee van geheime politiek, of als de principes achter elke politieke handeling in het algemeen.18 Peter Burke meent dat de ambiguïteit van het begrip de hoogstwaarschijnlijk reden was van zijn succes.19

Het raison d’état -concept was dus gedeeltelijk beschrijvend; het beschreef hoe heersers zich moesten gedragen. Daarnaast bestond het uit een normatief gedeelte. Niet zozeer op morele basis, maar op grond van gewin en nuttigheid konden de handelingen gelegitimeerd worden. Raison d’état werd vaak pas herkenbaar wanneer het juist in strijd kwam met moraal. Vanaf de late zestiende eeuw werden de noties van gewin en nuttigheid in toenemende mate ingebed in de term interest. René Lucinge gebruikte de term in 1588. Hij schreef dat alle prinselijke handelingen gemotiveerd werden door eer en gewin, waarbij gewin het vaak won van eer. Daarom zou hij zich richten op het bestuderen van het nastreven van gewin, dat hij omschreef als interest. In 1589 populariseerde de jezuïet en later Milanese diplomaat Giovanni Botero (ca.1540-1617) het gebruik van interest als een fundamenteel principe van politieke analyse. Interest was de essentiële basis van prinselijke politiek. De Italiaanse filosoof vatte deze gedachte samen in de zin: ‘ragion di Stato è poco altro, che ragion d’Interesse’[ragion di stato is niets minder dan ragion d’intersse].20 De term was sindsdien gevestigd.

De werken introduceerden een nieuw literair en politiek genre, maar brak niet totaal met de heersende intellectuele waarden.21 Sinds de middeleeuwse herinterpretatie van Aristoteles en Romeins recht discussieerden filosofen over verscheidende kwesties, die vanaf de late zestiende eeuw ijlings onder de noemer van raison d’état werden geplaatst.22 De intellectuele context van ideeën over nastreven van staatsbelangen voor het behoud, de verdediging of de vergroting van de staat moet worden geplaatst tegen de achtergrond van meer algemene theorieën over de menselijke natuur en het menselijk gedrag, afgeleid uit verschillende bronnen. Zo schreef de Augustiaanse theologische traditie en het natuurdenken uit de Renaissance, discipline en orde voor in de sociale en politieke samenleving. Filosofen uit beide stromingen namen aan dat de mens van nature niet naar de geboden van de ware rede luisterde en zodoende het goede zou zoeken in gewin of voordeel. Interacties zouden derhalve bijna onvermijdelijk uitlopen conflicten.23

Desalniettemin is een flinke toename in de zeventiende eeuw waar te nemen in het aantal werken en inhoudelijke debatten die onder het raison d’état-genre vallen. De rationalistische benaderingswijze van de raison d’état op de politiek was totaal tegengesteld aan de traditionele politiek moraal. In historicus Maurizio Viroli’s visie ligt de raison d’état -discours ten grondslag aan een verschuiving vanaf de late zestiende eeuw van de opvatting van politiek als de nobele kunst van het besturen van de res publica volgens rechtvaardigheid en rede, naar een realistische beschouwingswijze van politiek, waarin het handhaven van de macht en het grootste belang, oftewel interest, centraal stonden: van ‘res publica naar raison d’état ’.24 Het nuchtere ‘realisme’ van raison d’état stuitte echter op menige en uiterst felle kritiek vanuit verscheidende domeinen van de samenleving. Sommige politiek denkers als Botero poogden de raison d’état te integreren in de traditionele politieke moraal. Anderen zoals staatsman en advocaat-fiscaal Hugo de Groot (1583-1645) verwierpen het in zijn geheel. De door Viroli beargumenteerde verschuiving en de voorbeelden van Botero en De Groot zullen nauwgezet aan de orde komen in hoofdstuk 1 van deze scriptie.

Het was met name gebruikelijk om een onderscheid te maken tussen twee soorten raison d’état: een ware, goede type en een verkeerde, duivelse soort. Een goede raison d’état was een die het algemeen belang diende. Een slechte raison d’état was datgene dat de vorst afzonderlijk diende. Ook een onderscheid in de middelen van raison d’état werd gemaakt. In dit onderscheid werd een juiste raison d’état beperkt door wetten, vroomheid en de goddelijke wetten, terwijl een slechte het breken van bondgenootschappen en zelfs politieke moorden toestond. Er bestond een algemene overeenstemming dat er een grens moest worden getrokken tussen twee verschillende soorten raison d’état. Waar die grens dan precies lag, bleef echter onderwerp van discussie.25

In het algemeen publieke debat heerste een vrij simpel en scherp definitie van raison d’état. Het concept werd gebruikelijk gedefinieerd aan de hand van een onderscheid tussen honestum (datgene wat eerbaar was) en utile (datgene wat nuttig was). Wanneer een heerser niet deed wat eerbaar, maar wel nuttig was voor zijn staat, schreef men zulke handelingen toe aan raison d’état. Het nut, het gewin van de prinselijke handeling werd vereenzelvigd met de term interest.26 Het stond dus lijnrecht tegenover de moraal. De begrippen interest en raison d’état bevonden zich echter niet in eenduidige, afgescheiden theoretische domeinen. Beide concepten omvatten vele interpretaties, overlapten elkaar en werden zelfs als inwisselbaar beschouwd.27 De Nederlandse historicus Wyger Velema stelt dat er weinig vroegmoderne naties bestonden met een geheel originele en exclusieve tradities van politiek denken of politieke taal. De dominante politieke talen waren voor een groot gedeelte internationaal. Politieke termen werden toegepast, verworpen, aangepast of uitgebreid in verschillende nationale en internationale contexten en onder diverse omstandigheden.28

Literatuur omtrent interest nam toe vanaf de jaren twintig van de zeventiende eeuw, wanneer publicisten van Kardinaal Richelieu zich bezigden met de term in het verklaren van allerhande binnen- en buitenlandse politiek kwesties. De nadruk kwam steeds meer te liggen op de interesten van staten als onderliggende factor van de internationale betrekkingen van staten onderling, waarbij raison d’état-politiek als natuurlijke motor van de politieke handelingen van een overheid werd beschouwd. De historische context van deze interestanalyse op internationaal niveau bestaat uit de vele binnen- en buitenlandse oorlogen die plaatsvonden in de late zestiende en zeventiende eeuw als de Franse Hugenotenoorlogen (1562-1598), de Nederlandse Opstand (1568-1648), de Dertigjarige Oorlog (1618-1648), de Spaans-Franse Oorlog (1635-1659), de Engelse Burgeroorlog (1639-1651), de Franse Fronde (1648-1653), de Nederlands-Engelse Zeeoorlogen (1652-1654;1665-1667;1672-1674), de Tweede Noordse Oorlog (1655-1660), het Rampjaar (1672) en de Frans-Nederlandse Oorlog (1672-1679). De oorlogsvoering in deze periode was ongeëvenaard in tijdsduur, geografische reikwijdte en de gemobiliseerde hulpmiddelen. 29

De vele oorlogen, waarvan de Dertigjarige Oorlog de meest intensieve en grootschalige was, hadden als gevolg dat de reguliere internationale betrekkingen een essentieel onderwerp werden op de politieke agenda van staten. De Vrede van Westfalen erkende de externe soevereiniteit van de Europese staten. In het vredesgedrag werden de landsgrenzen van de Europese staten vastgesteld. De erkenning van de externe soevereiniteit van de afzonderlijke Europese staten ten opzichte van elkaar vertegenwoordigde de formele erkenning en het wettelijk fundament van het moderne interstatelijk systeem, het statensysteem. Het Europese statensysteem hield politieke interactie in tussen rechtsgelijke territoriale staten, wiens vorsten hun macht beoefenen binnen vastgestelde landsgrenzen en wiens inwoners geen hogere macht erkennen dan de desbetreffende heerser. Het betekenis van het concept staat veranderde dus van een bewind van personen (vorsten) naar een territoriale staat. De binnenlandse politiek werd op ongekende wijze geïntegreerd met de internationale situatie. Europese staten waren nu erkend onderdeel van het statensysteem, waarop ze invloed konden uitoefenen en waarvan ze invloed ondervonden. Binnen het politieke programma van een staat kwam de nadruk kwam te liggen op het onderscheid tussen een intern en extern politieke domein. Een passend voorbeeld is de geheime alliantie van de Engelse koning Charles II met de Franse koning Lodewijk XIV in 1672-1674 gericht tegen de Republiek. Zonder medeweten van het Engelse Parlement, die hij moest raadplegen voor elke financiële uitgave, sloot Charles dit bondgenootschap om zijn macht als koning te versterken middels de Franse Florijnen.30

Analyses van de interesten van verschillende staten waren een veelgebruikt middel waar staatsmannen en politiek denkers zich toe wendden in hun buitenlandse politiek. De binnen- en buitenlandse oorlogen leidden tot een hevige zoektocht naar een geheel van regulerende principes die ‘orde’ konden scheppen in de chaos van rivaliserende en onafhankelijke staten. Het toepassen van het concept ‘interest’ op de interacties tussen vorsten en staatsmannen verrijkte het oude idee van machtsevenwicht. Het in kaart brengen van alle interesten van de Europese staten en de onderlinge werking daartussen, leidde vaak tot een advies voor machtsevenwichtpolitiek als orde scheppend middel. Beschouwingen van de internationale politiek werden essentieel onderdeel voor de politiek van een staat. Analyses van de onderlinge verhoudingen tussen de afzonderlijke Europese staatsinteresten waren een middel waar velen staatsmannen, diplomaten en politiek auteurs zich tot wenden in de loop van de zeventiende eeuw. Gatien Courtilz de Sandras wees in 1686 op het feit dat Europese diplomaten in hun dynastieke twisten en religieuze conflicten geheel in beslag genomen werden door ‘interesten’. De gevoerde buitenlandse politiek van de Franse koningen Lodewijk XIII (1601-1643) en Lodewijk XIV (1638-1715), onder de facto leiding van de kardinalen en eerste ministers De Richelieu (1585-1642) en Jules Raymond Mazarin (1602-1661), dienden vaak als voorbeelden van raison d’état-politiek waarin het nastreven van de interesten van de Franse kroon centraal stond. 31

De Duiste historicus Friedrich Meinecke omschreef in zijn boek Die Idee der Staatsräson in der neueren Geschichte (1925) verschillende pogingen van politieke denkers tot het komen van een analyse van interesten van de verschillende Europese staten en de wisselwerking daartussen. 32 De eerste poging plaatste hij in Frankrijk ten tijde van Richelieu. Bij de Vrede van Montpellier in 1622 met de Hugenoten was de interne verdeling opgelost en ontstond er een mogelijkheid voor het stimuleren van de Franse macht in Europa. In deze historische context verscheen in de jaren 1623-1624 het eerste gedeelte van het boek33 Discours des Princes et Estats de la Chréstienté plus considerable à la France, selon leurs diverses qualitez et conditions. De auteur is echter anoniem gebleven. Het doel van het boek was het stimuleren van de Franse overheid in het veroveren van het Veltin, een bergdal in het huidige Noord-Italië. Een groot gedeelte van de auteurs beoordelingen verraden volgens Meinecke het feit dat hij bekend was met de Italiaanse literatuur over raison d’état. Hij verhief zichzelf echter boven deze traditie door Europa als een geheel te behandelen en in zoverre was hij de eerste die dat had geprobeerd.34

De tweede poging, volgens Meinecke, tot het komen van een systematische analyse van de verschillende interesten van afzonderlijke staten in Europa was van de hand van de legerleider van de Hugenoten, Hertog Henri II de Rohan. De l’interest des Princes et Estats de la Chrestienté uitgebracht na zijn dood in 1638 was geschreven in een soortgelijke historische context als de Discours des Princes et Estats. Het werk stond aan de vooravond van het maken van grote beslissingen door de Franse politiek omtrent een eventuele interventie in de Dertigjarige Oorlog en het wilde deze beslissingen versnellen.

Meinecke aanschouwde Valkenier zijn werk als een interessenleer der staten, een uitbreiding van de raison d’état-leer op internationaal niveau. Meinecke heeft Valkenier beschuldigd van het kopiëren van gehele passages uit het werk van Rohan.35 Vanuit dit oogpunt zal Rohans interessenleer der staten behandeld worden in het eerste hoofdstuk van deze scriptie. Daarnaast zal Samuel Pufendorfs (1632-1694) Introduction ad historiam Europæam (1682) nauwgezet besproken worden om Valkeniers interessenleer der staten in zijn tijd te kunnen plaatsen. Meinecke beschouwde dit werk van Pufendorf als een vervolmaking van de interessenleer der staten en een opmerkelijk succesvolle combinatie van het combineren van geschiedenis, kennis van staten en volkeren, en het raison d’état-discours.36


Deconfessionalisering en het ‘nieuwe protestantisme’

Valkenier ageerde tegen de invloed van kerken en geestelijken op de politiek, tegende de confessionele staat. Heinz Schilling signaleert vanaf de tweede helft van de zeventiende eeuw een deconfessionalisering van samenleving en politiek.37 In de lijn van deze stelling onderzoeken Joke Spaans en Wiep van Bunge de ontwikkeling van het ‘nieuw protestantisme’ in de Nederlandse Republiek rond 1700. In deze periode zien zij een verschuiving in de algemeen heersende opvattingen omtrent de plaats van religie in de samenleving. Deze verschuiving tonen zijn aan de hand van minder bekende auteurs, die in mindere mate gelinieerd zijn aan de regering of kerk.38 Valkenier past in dit beeld. Hij was een Amsterdamse jurist en bezat geen functies in de regeringscolleges of kerkraden.

Vanaf ongeveer 1560 ontstond de confessionele staat, waarin de verschillende confessies in nauw verband stonden met de overheden. Schilling omschrijft confessie als een religie gedefinieerd door een expliciete stelling of doctrine. De belangrijkste drie geloofsbelijdenissen waren het Lutheranisme, gedefinieerd door de Ausburger Confessie (1530) en de Concordia (1580), het Calvinisme, in Nederland gebaseerd op de Dordste leerregels (1619), en het Katholicisme, vormgegeven in de Concilie van Trente (1545-1563). De drie grote confessies ontwikkelden zich tot intern samenhangend en extern afgesloten gemeenschappen, gebaseerd op instituten lidmaatschap en geloof. In het vroegmoderne Europa vormde de kerk en religie het fundament van de gehele sociale orde. Religieuze verandering betekende om deze reden sociale verandering. 39

De Reformatie veranderde de relatie tussen de kerk en staat. Elke confessie sloot op haar eigen wijze een alliantie met de vroegmoderne overheden. De confessionalisering ging niet geheel toevallig gepaard met de vroegmoderne staatsvorming. Bijgestaan door de staatsmacht gaven de kerken vorm aan het openbare leven. De staten op hun beurt werden bijgestaan door de kerken in het creëren van een gemeenschappelijke en geordende samenleving door een goed georganiseerde kerk en door het opleggen en stimuleren van een ware doctrine, voorname publieke geloofsbeoefening en vroom publiek gedrag. De geloofsbelijdenissen construeerden een politiek en culturele identiteit om de onderdanen te integreren in de staat. Heersers maakten gebruikt van de mogelijkheden die de georganiseerde geloven boden voor het versterken van hun macht over hun onderdanen. De staten bevorderden en beschermden de heersende officiële kerk tegen invloeden van andere confessies en religieuze tegenstanders.40

Volgens Schilling bepaalde in het begin van het confessionele tijdperk de verschillende geloofsbelijdenissen de samenleving. Geleidelijk aan ontdekten de Europese juristen en staatsmannen echter mogelijkheden om zich tegen de confessionele autonome macht te wapenen en de confessies te binden aan hun staten. De vroegmoderne staat verkreeg zodoende naast het geweldsmonopolie en het alleenrecht op het beheren van de staatsfinanciën ook het geloofsmonopolie.41 Het einde van de het confessionele tijdperk wordt door historici verschillend gedefinieerd.42 Na 1650 ziet Schilling een deconfessionalisering van politiek en samenleving. De historicus Ronnie Po-chia Hsia ziet het eindpunt in de vorming van de seculiere Verlichtingstheorieën vanaf het midden van de achttiende eeuw.43 Voor het geval van Engeland beargumenteert Jonathan Clarke dat de opheffing van de wettelijke discriminatie van katholieken in de jaren 1830 het einde van het Confessionele tijdperk betekende.44

De deconfessionalisering vanaf 1650 verklaart Schilling tweedelig. Ten eerste spreekt hij over een ontbinding van de orthodoxie. Als tweede reden noemt hij het groeiende besef bij de Europese bevolking dat geestelijken die spraken in termen van totale strijd tegenover tegenstaande wereldvisies de staat naar interne en externe chaos zouden leiden. De ontbinding van de religieuze strenge traditie van de confessies kwam voort uit een hernieuwing van de belangrijkste Europese kerken vanaf het derde decennium van de zeventiende eeuw. Vanaf deze periode begon de visie van de oecumene -het idee van eenheid van religie- het heersende dogmatisme tegen te spreken, wat leidde tot nieuwe overtuigingen zoals het Jansenisme en het Puriteinse gedachtegoed. Tegelijkertijd lieten preconfessionele en transconfessionele groepen meer van zich horen. Seculiere krachten als de emancipatie van de kunsten en de wetenschappen, humanistische tendensen die geneigd waren om de religie te vervangen met filosofie en moraliteit. Het ideaal van Christelijke eenheid, dat na de bloedige geloofsconflicten was verpletterd, verscheen in een vorm van een nieuw Irenisme, een vredelievende soort oecumene.45

De externe krachten van de deconfessionalisering werden gevormd door ervaring met de vele Europese burgeroorlogen en internationale oorlogen. De invloed van de geestelijken op de overheden was een doorn in het oog voor velen. Vanuit een minachting ten opzichte van de confessionele kerk werden er pogingen ondernomen om de geloofsbelijdenissen juridisch en politiek in te perken en onderhevig te maken aan staatsbelangen. In de katholieke en de protestantse delen van het Heilig Roomse Rijk vond de juridische en politieke begrenzing van de confessionele op een grotendeels vredevolle wijze plaats. Het het Ausburger confessieprincipe van degene die heerst, bepaalt het geloof voorzag het van een juridisch raamwerk. In Frankrijk tijdens de confessionele burgeroorlogen van de jaren zeventig en tachtig van de zestiende eeuw poogden de Koninklijke juristen, de ‘politiques’, de confessie onderhevig te maken aan de staat middels de theorie van absolute macht van de staat over religieuze facties. In Engeland tijdens de burgeroorlog halverwege de zeventiende eeuw schiep Thomas Hobbes (1588-1679) een zogenoemde machtstaat Leviathan. Hobbes diskwalificeerde de confessionele staat; religie was een privéaangelegenheid en de staat bezat de absolute macht over kerkelijke handelingen in de publieke sfeer. Anderzijds streefde Engeland na de Glorious Revolution (1688) een liberale visie na, namelijk een van religieuze pluriformiteit. De Dertigjarige Oorlog bezegelde volgens Schilling de deconfessionalisering in de internationale betrekkingen van staten.46

De confessionele staat wijdde zich voor 1650 aan de overwinning van de ware doctrine in Europa en de verlossing van de zielen haar onderdanen. Na 1650 verving geleidelijk een seculiere, administratieve staat de confessionele staat. In Schillings visie beoogden deze staten een rasion d’état-politiek; intern streefden zij naar het algemeen welvaren van de bevolking en op internationaal niveau naar het behoud en de vergroting van de staatsmacht. In sommige landen werd de gevestigde kerk nog steeds beschermd en bevorderd door de staat, maar de officiële kerk moest haar machtsautonome aanspraken opgeven en zich uiteindelijk neerleggen bij haar rol als een religieuze gemeenschap onder vele andere geloven.47

Religiekritiek in de zeventiende eeuw was een heikele kwestie door het feit fat de confessionele kerk bewaakt werd door de staat. Spaans en Van Bunge signaleren echter een nieuwe ‘intelligentsia’ onder regenten, kunstenaars, artsen en andere denkers die minder gebonden waren aan de confessionele politiek. Zij bekritiseerden de confessionele rol van religie in de samenleving. Deze kritiek leidde uiteindelijk tot het ‘verlichte’ idee dat geloof een privéaangelegenheid was en dat de burger het religieuze overheidsbeleid moest ondergaan. In hun lopende NWO-onderzoeksproject bestuderen Spaans en Van Bunge onder andere de kunstenaar Romeyn de Hooghe (1645-1708) en de regent en oudheidkundige Gisbert Cuper (1644-1716). Deze personen behoorden tot de door Spaans zogenaamde ‘onderstroom’ van religiekritiek in de Republiek in de tweede helft van de zeventiende eeuw, waartoe Valkenier hoogstwaarschijnlijk behoorde. Zij waren niet verplicht tot de (zelf)censuur waaraan filosofen, theologen en staatsmannen op de universiteiten en in publieke functies onderhevig waren. Spaans en Van Bunge noemen hen ‘cultural brokers active in the “interface” between (academic) scholarship, political power and the literary and philosophical underground’48, waardoor ze uitstekend de koers van het paradigma konden beschouwen. Geen radicale innovaties streefden zij na, maar eerder hervormingsrichtingen, gebaseerd op de traditionele moraal en nieuwe filosofieën, geschikt om toe te passen in de praktijk door kerkelijke en wereldlijke autoriteiten.49

De onderzoekers stippen evenals Schilling de tendensen van antiklerikalisme en de vervaging van de confessionele band tussen kerk en religie aan. Zij stellen echter dat de heersende wetenschappelijke visie -dat de wortels van ‘Radical Enlightenment’ in de Nederlandse Republiek in de tweede helft van de zeventiende eeuw te vinden zijn bij auteurs als Baruch Spinoza (1632-1677)50- niet representatief is voor deze tijd en ruimte.51 Alhoewel radicale republikeinse, materialistische en atheïstische ideeën gevestigde waarheden uitdaagden, leidden deze niet tot een rationele moderniteit en vormden geen groot gevaar voor de gevestigde confessionele kerken. In vrijwel elke religieuze gemeenschap in de Nederlandse Republiek in de laatste decennia van de zeventiende en het begin van de achttiende eeuw ontstond er een nieuwe visie op religie, die Spaans en Van Bunge omschrijven aan de hand van Ernst Troeltsch zijn onderscheid tussen ‘Altprotestantismus’ en ‘Neuprotestantismus’.52 Het ‘oude protestantisme’ stond voor het protestantisme van de hervormden en de staatskerken gebaseerd op een leer, die voornamelijk aanpassingen van het Middeleeuwse Christendom bevatte. Het ‘nieuw protestantisme’ vertegenwoordigde echter een discontinuïteit door humanistische, anabaptistische en spiritualistische elementen te integreren. ‘Nieuwe protestanten’ konden andere religies respecteren en zagen niet noodzakelijk een conflict tussen kerkelijke en seculiere wereldlijke visies. Bovendien onderhielden ze een open positie tegenover vrijwillige religie buiten de gevestigde kerken. Niet alleen een paar radicale denkers waren in de gelegenheid tot het leveren van kritiek op de bestaande confessionele machten. De kritiek van de onderstroom mondde uit in een geaccepteerde praktijk in de Republiek aan het einde van de zeventiende en het begin van de achttiende eeuw.53


De verhouding tussen stadhouder en andere delen van het staatsapparaat

Valkeniers ‘politieke kleur’ bestond uit zijn afkeer van het stadhouderloze bewind van Johan de Witt; de auteur was Oranjegezind. ’t Verwerd Europa was een product van zijn tijd en ruimte. Na 1650 domineerde de tegenstelling tussen staats- en Oranjegezinden de contemporaine geschiedschrijving zoals bij Lieuwe van Aitzema (1600-1669) en Abraham van Wiquefort (1589-1682). Het rampjaar 1672 versterkte deze tegenstelling en bracht een flinke toename van politiekhistorische werken met zich mee. Het overgrote gedeelte van deze geschriften droeg een pamfletachtig karakter.54

Een onderdeel van Valkeniers pennenvrucht was zijn stellinginname voor de terugkeer van een stadhouder in het staatsbestel van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Hij verdedigde zijn mening middels een uiteenzetting van de meest geschikte staatsvorm. Haitsma Mulier stelt dat wanneer de beschouwing de meest geschikte staatsvorm betrof, de belangstelling van de nieuwe Republiek in de eerste helft van de zeventiende eeuw bij de monarchie en haar instelling lag. De Zuid-Nederlandse humanist, filoloog en historicus Justius Lipsius (1547-1606) beschouwde de erfelijke monarchie als de meest geschikte staatsvorm en velen waren zijn mening toegewijd. Een werkelijk republikeins denken werd niet ontwikkeld. Tijdens de Opstand probeerden politieke schrijvers namelijk in de eerste plaats het gebeuren te legitimeren.55

Geleidelijk probeerden politieke schrijvers ook de onduidelijke verhouding tussen de stadhouder en andere onderdelen van het staatsapparaat te verklaren. Het Aristoteliaanse begrip ‘gemengde staat’ met zijn driedeling van een regering van een enkeling, weinigen en velen werd een veelgebruikt middel in deze verklaring. Republieken uit de oudheid en de contemporaine wereld werden vergeleken met de staatsstructuur van de Nederlandse Republiek. De geschiedenis en de instellingen van de Republiek van Venetië waren hierbij veelgebruikte voorbeelden.56 De Nederlandse historicus Kossmann stelde dat de Nederlandse staatsstructuur in de zeventiende eeuw, met haar federatie van zeven staatjes, stadhouder, Staten-Generaal en de dominante rol van Holland en zijn stedelijk patriciaat, te ingewikkeld was om er de toenmalige politiek theorieën op toe te passen. Ten onrechte zagen vele politieke denkers in navolging van Hugo de Groot de stadhouder als het Koninklijke element in de gemengde staat.57

Valkenier aanschouwde ook de stadhouder als de koninklijke factor in de gemengde staat. De kracht van het koninklijke element onderbouwde hij met absolutistische argumenten die in tegenstelling stonden met zijn gehele constitutionele visies van het gevaar van de onbegrensde macht van absolute vorsten. ‘Constitutionalisme’ is een term waaronder historici bepaalde verzetstheorieën scharen. De Reformatie, geloofsconflicten en burgeroorlogen leidden tot een theoretische zoektocht naar gelegitimeerd verzet. Hervormde en politieke groepen baseerden zich op de Bijbel en het Romeins recht om hun verzet tegen de heerser te rechtvaardigen. Deze verzetstheorieën werden in de loop van de zestiende eeuw steeds vaker ook gebaseerd op de ‘ancient constitution’, dat een verdeeldheid van de macht inhield; een systeem van verschillende rechten en privileges voor de edelen, steden, provinciën en andere bestuurselementen verkregen van de vorst. In deze theorieën kwam naar voren dat verzet door lagere magistraten tegen de opperste heerser gelegitimeerd was wanneer deze wetten werden geschonden. Deze redeneringwijze wordt in door historici aangeduid met de term ‘constitutionalisme’.58

De moord op de gezalfde koning Henry III in 1589 duwde het debat echter in een nieuwe richting. Verschillende argumenten werden ontwikkeld voor het versterken van de legitimiteit van de heerser, voornamelijk de monarch, ten opzichte van de aanvallen en verzetstheorieën van de standen, religieuze groepen en het volk. Deze argumenten zijn onder de noemer van ‘absolutisme’ te plaatsen.59

De Franse filosoof Jean Bodin (1529/1530-1596) was de grondlegger van het zeventiende-eeuwse absolutisme. In zijn Six livres de la République (1576) beargumenteerde hij dat koninklijke soevereiniteit ondeelbaar was. In reactie op de constitutionele verzetstheorieën en voornamelijk de monarchomachen ontwikkelde hij de theorie van onverdeelde soevereiniteit. De ervaring van de hugenotenoorlogen vormde zijn standpunt van ‘konings wil is wet’. Naar Bodins mening bezat de monarch de wetgevende macht zonder enige beperkingen. De vorst stond niet alleen boven wetten en instituties van de staat, maar zelfs boven zijn eigen gecreëerde wetten. De staat beschouwde Bodin als een grote familie met de koning als vader aan de top, in plaats van een gemeenschap van vrije burgers. Kossmann onderscheidde drie opvattingen over soevereiniteit bij Bodin. Ten eerste functioneerde de koning niet langer alleen als rechter, maar ook als wetgever. Daarnaast was het staatsbestel niet langer verdeeld tussen constitutionele delen van het staatsapparaat en de koning. Ten derde was koningschap niet langer natuurlijk en van oudsher aanwezig, maar gecreëerd. Bodins theorie van koninklijke soevereiniteit leidde tot heftige discussies in Europa over wie er in het land de soevereine macht bezat. Bovendien betekende het een breuk met de constitutionele praktijk van institutionele beperkingen van de vorst.60

Politieke wijsheid benodigde echter volgens Bodin dat de koning de bestaande wetten en gebruiken in acht moest nemen. Bovendien plaatste Bodin nog drie andere formele begrenzingen van de koninklijke macht. Ten eerste benadrukte hij het natuurrecht, waar ieder individu onderhevig aan is. Ten tweede moest de koning rekening houden met de fundamentele wetten van het rijk, waarmee hij doelde op de opvolgingswetten en onmogelijkheid om delen van zijn domeingronden over te dragen. Als laatste wees Bodin op de vorstelijke plicht privé-eigendommen te respecteren, wat het onmogelijk maakt voor de koning om belastingen te heffen zonder de toestemming van zijn onderdanen. Hierin is een continuïteit met de ancient constitution waar te nemen.61 De late zestiende-eeuwse heroverwegingen van het organiseren van overheid hadden geleid tot tegenovergestelde beschrijvingen van de aard van overheid, voornamelijk het koningschap. Tevens hadden deze overwegingen een fundamenteel nieuwe wijze voortgebracht om de kwestie van overheid te bespreken.62


Doel, onderzoeksvragen en opbouw

Het doel van deze scriptie is het eerste deel van Petrus Valkenier zijn ’t Verwerd Europa te ‘bevrijden’ van de negatieve beoordelingen van het tweede en derde deel van het boek door het te behandelen in de intellectuele context van de auteurs tijd en ruimte. Als ooggetuige van het Rampjaar 1672 zocht hij naar een geheel van regulerende principes, die het ‘verwarde Europa’ konden stabiliseren. Het heersende raison d’état-discours en de interessenleer der staten vormden het raamwerk van het eerste deel. Valkenier vormde een door traditionele politieke moraal begrensde raison d’état-concept en bepleitte zulk moraal als basisprincipe in de internationale betrekkingen. Tevens integreerde hij de gemengde staatsvorm en deconfessionaliseringsgedachten in het eerste deel van ’t Verwerd Europa. In deze scriptie worden de hoofdvragen gesteld; op welke wijze heeft Petrus Valkeniers zijn raison d’état-theorie en interessenleer der staten uit het eerste deel van ’t Verwerd Europa (1675) beargumenteerd; en in hoeverre is dit een afspiegeling van de zeventiende-eeuwse heersende debatten over het vormen en behouden van macht, religie en de staat?

Ten eerste poogt deze scriptie de deelvraag te beantwoorden hoe politiek filosofen in de zeventiende dachten en schreven over raison d’état; hoe stond het in verhouding met de traditionele politiek moraal? Tevens wil deze scriptie de zeventiende-eeuwse analyses van de wisselwerking tussen de verschillende interesten van afzonderlijke Europese staten bestuderen; hoe en vanuit welke motieven hadden auteurs de interessenleer der staten gevormd? Deze vragen zullen aan bod komen in hoofdstuk 1.

Bovendien benodigd deze scriptie een historische achtergrond van de persoon Valkenier; Wie was Valkenier en waar was hij precies ooggetuige van in 1672? Hoofdstuk 2 van deze scriptie zal Valkeniers leven en het Rampjaar omschrijven.

Daarnaast zal er een samenvatting gegeven worden van het eerste deel van ’t Verwerd Europa en een analyse gemaakt worden van de meest opmerkelijke en inhoudelijke argumenten. Hoe is het eerste deel van Valkeniers pennenvrucht opgebouwd en welke argumenten en bronnen gebruikt hij?

Als laatste zullen de hoofdvragen beantwoord worden in de conclusie.




  1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina