Pieter van Abshoven, antropoloog, heeft ruim vier jaar in Boekarest gewoond



Dovnload 49.78 Kb.
Datum19.08.2016
Grootte49.78 Kb.
Pieter van Abshoven, antropoloog, heeft ruim vier jaar in Boekarest gewoond
en daar met verschillende lokale organisaties gewerkt.

Frans Brinkman is schrijver en redacteur in het werkveld van zorg & welzijn,

en woont met zijn gezin in Roemenië.

‘Wat koop ik ervoor?’ Sociale ethiek in Roemenië


Pieter van Abshoven & Frans Brinkman





‘Die aardappel mag je zelf houden!’, zei ik tegen de man achter het groentestalletje bij ons om de hoek in Boekarest. De aardappel had een rotte plek, en de groenteverkoper had geprobeerd hem netjes voor ons in de zak te doen, met de rotte plek naar hem toe.

Omdat we het zat waren om iedere keer na een dergelijk voorval weer op zoek te gaan naar een ander groentestalletje, besloten we er deze keer wat meer energie in te steken. Dus praatten we op hem in: als hij wilde dat we bij hem groenten kochten, dan moest hij ons niet meer beduvelen. Het resultaat was dat we een lange tijd klant bij hem waren, zonder achterdochtig in de gaten te houden wat hij allemaal in de zak deed. Totdat er een ander in de kraam kwam te staan, en we opnieuw moesten beginnen.


Alleen de vogel in de hand telt


De houding van de groenteboer tekende en tekent zeer veel zakelijke relaties in Roemenië. Het lijkt dat toen in 1948 de koning werd afgezet, daarmee ook de klant werd onttroond. Er heerst winstbejag op de korte termijn. Aandacht voor kwaliteit van een product of dienst, het werk en de betrekking lijkt zeer gering. Aan duurzaamheid heeft men geen boodschap. Mensen bestelen elkaar min of meer door werkafspraken niet na te komen, half werk te leveren voor een hele nota, of eerst andere materialen en oplossingen voor te spiegelen dan er uiteindelijk blijken te zijn.

Veel winkelpersoneel staat er verveeld bij en straalt uit dat ze menen te lange dagen te maken voor veel te weinig geld. ‘Zij doen alsof ze ons betalen, wij doen alsof we ervoor werken’ is ook hier een bekend gezegde. Ze hebben doorgaans wel gelijk, maar vaak is de gesalarieerde zo goed in niks doen, dat hij eigenlijk nog te veel betaald krijgt. Ook de werknemers en werkgevers stelen vooral van elkaar, zo lijkt het. De werknemers nemen zaken mee naar huis of ze klussen bij in de baas zijn tijd. Voor vrienden en familie, en klanten die wat extra betalen, ritselen ze van alles en nog wat. De werkgever toont zich weinig verplicht aan zijn personeel door het bedrijf


failliet te laten gaan als hem dat zo het beste uitkomt.

Deze houding verschilt natuurlijk per individu, maar de onttroning van de klant uit zich ook in het volstrekt niet klantgericht zijn van procedures, communicatie en materiële omstandigheden. Loketten vormen daarvoor een zeer dankbare illustratie. Ze kunnen een zeer kleine handelingsopening hebben, die zo laag is aangebracht dat een klant gedwongen is om diep voor de lokettist te buigen en, als er weinig glas in het geheel zit, zijn hoofd opzij te draaien om vaag iemand achter het loket te zien zitten. Is er wel glas, dan spreekt de klant tegen een aquarium. Het kan altijd erger: het betaalloket bevindt zich in een winkel. In die winkel is het dan nog gebruikelijk dat men eerst bij een verkoopafdeling artikelen bestelt, met een handgeschreven bonnetje naar een betaalloket gaat, en daarna met het kassabonnetje terugkeert om het gekochte op te halen. Doorgaans zijn er diverse afdelingen met diverse betaalplaatsen. Op iedere aankooproute staat de klant drie keer in de rij.

In persoonlijke relaties gaat een economisch aspect ook vaak boven de kwaliteit van de betrekkingen. Een bruiloft kan dit illustreren. Gasten worden geacht diep in de buidel te tasten. Velen doen dat ook, want het is een gelegenheid bij uitstek om de eigen welstand te tonen. Het bruidspaar en de ouders schromen niet om verre familie en vage kennissen uit te nodigen, mits die goed bij kas zitten. Het bruidspaar hoopt op een goede opkomst en een batig saldo. Diepe treurnis voor het bruidspaar als genodigden wegblijven ondanks hun toezegging of – erger nog – als ze het feest stiekem verlaten voordat het geld is ingezameld.

Het ophalen van de bijdragen is een publieke zaak, de bandleider roept om wat een gast geeft. Wie geen geld heeft, dus ook een direct familielid, is niet welkom en slaat een uitnodiging beleefd af. Gasten die node gemist kunnen worden krijgen zonodig vooraf geld toegeschoven, dat ze tijdens het feest kunnen ‘doneren’. Gratis feesten, op basis van de combinatie ‘klein geschenk & grote vriendschap’, is er niet bij. Wie zelf een bruiloft betaalt, is gek, want dan komt iederéén en dat levert niks op.


Een essentie in de voorgaande wat anekdotische beschrijving is dat het aangaan of in stand houden van een specifieke relatie, alleen interessant is als die relatie binnen korte tijd iets oplevert. Gevolg geven aan een bruiloftsuitnodiging kan een winstgevende handeling zijn: betaald meefeesten geeft gasten

het recht om het bruidspaar nogal dwingend uit te nodigen op hun nog komende feesten. Er is stellig geen sprake van filantropie, men voert eerder een precieze boekhouding. Handelingen die met een beetje goede wil onbetamelijk genoemd zouden kunnen worden, gelden ook al gauw als ‘toch best wel slim’. Hoewel men stevig kan ruziën, is men opmerkelijk vergevingsgezind. De verklaring zal zijn dat ruzie niet loont? We kunnen hieruit (te makkelijk) concluderen dat contact, omgang en vriendschap op zichzelf geen waardering krijgen. Dat er geen solidariteit bestaat, met een bedrijf, een instituut, een collega of een ander medemens, simpelweg omwille van de solidariteit. We zien dit terug in teams: problemen in de samenwerking, bij intercollegiaal overleg of het scheppen van een gezamenlijk elan en tijdens evaluaties waarbij enige persoonlijke kwetsbaarheid nodig is. Er heerst logischerwijs zoveel wederzijds wantrouwen en zogenaamde horizontale agressie (zie kader) dat een win-winsituatie nagenoeg onvoorstelbaar is.

Ook de schaarse vrijwilligers hebben het verre van eenvoudig. Hun schaarste komt wellicht doordat de meerderheid van de bevolking zich nog goed hun vrijwilligerswerk ter meerdere eer en glorie van het vaderland herinnert. Op een vrije dag ’s morgens vroeg met een vrachtwagen naar ‘ergens’ om aardappels te rooien. Of mee te bouwen aan een museum, dat later aan de bezoekers de grootsheid van de natie zou laten zien. Wat je eraan overhield waren blessures, en als je niet ging liep je bijvoorbeeld kans van de universiteit gestuurd te worden.

Een andere oorzaak van schaarste kan zijn dat men hier dus niet gauw iets om niet doet. Iemand die als vrijwilliger zieken, bejaarden of gevangen bezoekt, roept al snel vragen op: ‘Krijg je er echt niks voor?’, ‘Ze heeft toch wel wat geld?’, ‘Hij geeft je geld voor boodschappen?’, ‘Zijn er erfgenamen?’. Er moet gewoon iets in het verschiet liggen of aan de strijkstok kunnen blijven hangen.

En als iemand zich al aanmeldt als vrijwilliger in een organisatie, dan wordt hij overal voor ingezet, en mag hij ook lange dagen maken. Men ziet vrijwilligerswerk als onbetaalde arbeid, en een vrijwilliger als iemand die eigenlijk een arbeidsplek bezet. Komt er een vrijwilliger bij iemand op bezoek, dan weet die er overigens ook niet goed raad mee: ‘Wil je er echt niets voor hebben?’

De individualisering en verkilling van de Nederlandse samenleving, waarover veel wordt gesproken, tekent zich hierbij wat vreemd af. De daar zo gewone burenhulp en vriendendienst, het belangenloze eindeloze collecteren voor goede doelen, de zogenaamde mantelzorg en het vele vrijwilligerswerk zijn in Nederland nog net zo vanzelfsprekend als ze hier niet vanzelfsprekend zijn.





Horizontale agressie: buurmans geit
De houding die sociale gelijken ten opzichte van elkaar aannemen, is niet zonder problemen. In het Roemeens luidt een, vergelijkbaar, gezegde ‘Că moară capra vecinului!’ (‘Laat buurmans geit doodgaan!’). Paulo Freire noemt dit horizontale agressie.(1)

Projecten voor melkcoöperaties van kleine boeren zijn mislukt doordat de boeren water, bloem en varkensvet in hun melk mengden om hun medeleden te bedriegen en daarmee de organisatie ondermijnden. Een Nederlandse adviseur, die erg zijn best deed om dergelijke coöperaties op te zetten, vertelde de zeer illustratieve grap over twee arme boeren.

Op een dag sterft de geit van de ene boer. Hij begint te schreeuwen: ‘Heer, mijn geit is dood. Wat moet er van me worden? Ik ben een arme boer. Hoe moet ik mijn kinderen nu te eten geven?’ God hoort zijn klaagzang en komt neer uit hemel om te zien of kan hij helpen. ‘Oh Heer’, zegt de boer, ‘mijn enige geit is gestorven en nu weet ik niet waar ik de melk vandaan moet halen om aan mijn kinderen te geven.’ ‘Hoe kan ik je helpen?’ vraagt God. ‘Alstublieft, Heer, ik smeek u, laat mijn geit weer leven.’ En zie: de geit stond op. De boer, uitzinnig van vreugde, begint rond de geit te dansen, verbaasd door het wonder. Alvorens hij God kan bedanken, is God reeds verdwenen.

Vanachter een omheining zit zijn buurman, een al even arme boer, toe te kijken. Na de gebeurtenis verbergt hij zijn geit in het bos. Hij haast zich terug en begint te treuren - net zoals hij zijn buurman had zien doen. God verschijnt opnieuw en vraagt welke ramp hem is voorgekomen. ‘Heer, mijn geit, mijn geit! Wat een ongeluk! Het is vreselijk, mijn geit, mijn geit!’ ‘Mijn beste man’, zegt God, ‘Ik kan zien dat je hart gebroken is. Vertel me, waarmee kan ik je helpen?’ ‘Alstublieft Heer, ik smeek u, laat de geit van mijn buurman weer doodgaan!’



Ieder voor zich, God voor de rest


Roemenen kunnen zich zeer klein voelen tegenover het bedrijf of een andere organisatie waar ze zelf onderdeel van zijn. Zij zien dan niet dat hun zucht naar korte termijn voordeel, hun alledaagse corruptie, de organisatie op lange termijn serieuze schade berokkent. In krasse bewoordingen uitgedrukt: ze gedragen zich als parasieten die ervan overtuigd zijn dat hun gastheer het eeuwige leven heeft en dus

onmogelijk vanwege hun activiteiten dood kan gaan. Hoewel veel mensen deze houding toeschrijven aan de communistische tijd, liggen daar volgens ons de wortels niet. Tijdens het communisme stalen de leden van de coöperaties al de aardappels van hun eigen coöperatie, want die zou immers toch niet failliet kunnen gaan. Een belangrijker factor lijkt dat tot halverwege de 19de eeuw de lijfeigenschap nog algemeen was in Oost Europa.(2) Vanuit het oogpunt van een lijfeigene was de positie van zijn adellijke

landheer onaantastbaar, als door God verordonneerd. Wat gaf het als hij in het bos van zijn heer ging stropen? Die feodale verhoudingen golden vrijwel identiek in de communistische tijd, waarin de leiders teruggrepen op bekende systemen, en het gewone volk wist hoe ze daarbinnen konden overleven.

Binnen gelijke sociale posities heerst een vorm van jaloezie, die drijft naar het omlaaghalen van de ander, en die niet stimuleert om zelf te groeien, bijvoorbeeld door succesvolle anderen te kopiëren. Persoonlijk succes schrijft men zelden toe aan iemands zelfwerkzaamheid, altijd is er wel een begunstigende relatie, een handigheidje, een vorm van corruptie. ‘Och mijnheer, die sollicitant is niks waard - diploma’s kun je hier gewoon kopen.’ ‘Oh ja? Zo komt u ook aan uw getuigschrift?’



Abou, een jonge inwoner van de Ivoorkust, legt het als volgt uit. ‘Weet je waarom er in Afrika geen flats zijn? Dat is heel simpel. Wanneer iemand in Europa een huis bouwt met twee verdiepingen, bouwt zijn buurman er een met
drie verdiepingen en diens buurman een met
vier. Dat is vruchtbare jaloezie. In Afrika daarentegen zegt de buurman: 'Haal je niks in je hoofd. Je zult niet oud worden in je huis.' Dit voorbeeld, ontleend aan Signer(3), maakt duidelijk hoe een fatalistische instelling gevoed kan worden door allerlei verhalen over mensen die, na succes te hebben behaald, behekst zijn, en daardoor wat ze bereikt hadden weer kwijtraakten, hun verstand of zelfs hun leven verloren.(4)
We suggereerden al dat het wellicht te makkelijk is om Roemenen ervan te betichten dat egoïsme in het hier-en-nu hun enige drijfveer van handelen is. Wat we ernaast zouden willen zetten is dat het handelen mogelijk veel meer voortkomt uit het ontbreken van een ideaal, een concept van de toekomst, en van het gebrek aan vertrouwen in realiseerbaarheid, juist als men zich er zelf voor moet inzetten. In die gedachtegang past wat een Roemeense basisgedachte lijkt te zijn: wat je vandaag hebt, ben je morgen kwijt. Formuleringen als ‘God sta me bij’ en ‘Moge God je helpen’ liggen Roemenen voor in de mond bestorven. Ook bij hen die alleen met Pasen – of zelfs dan niet – naar de kerk gaan.



Een zegening van het nieuwe kapitalisme?


Klantgerichtheid, public relations, kwaliteit van dienst en product worden er natuurlijk wel degelijk ingehamerd bij het personeel van internationale bedrijven en daaraan gerelateerde ondernemingen.
Kunt u iets niet vinden in de Bouwmarkt? Nog maar zelden zal een personeelslid onverschillig zijn schouders ophalen en zeggen: ‘Dan zullen we het wel niet hebben’. Meer kans dat hij of zij voor u gaat zoeken, een alternatief bedenkt of voorstelt het gevraagde te bestellen. U bent dan een tevreden klant en denkt: ‘Kijk, die heeft net een workshop achter de rug’.


Ook veel andere (kleine) zelfstandigen, behalve dan die ene taxichauffeur die heel slim denkt te zijn als hij je één keer een poot kan uittrekken, zijn zich bewust van het belang van goed werken en welwillendheid. Het in Nederland verdwenen kruideniertje timmert in Roemenië volop aan de weg. De concurrentie is zwaar (onderling zowel als door het grootwinkelbedrijf) en de kruidenier moet de rode loper wel uitleggen voor de klant. In allerlei variaties geldt deze nieuwe marktwerking voor privé-klinieken, makelaarskantoren, detailhandelaren, schoonheidsspecialisten, autodealers enzovoort. De groei van de bedrijvigheid is groot.

Er wordt wel gezegd dat het Roemenië aan een sociale middenklasse ontbreekt. Voor zover dat waar is, zal het van korte duur zijn. We kunnen ons namelijk moeilijk voorstellen dat Boekarest het vroeger als Petit Paris zonder de economische kurk van midden- en kleinbedrijf kon stellen, of zonder de kaderfuncties in de grotere bedrijven voor commerciële dienstverlening. Een marktgericht denken is in

Roemenië betrekkelijk nieuw. Maar wie er nu geld wil verdienen moet minstens doen als of hij zich in de klant inleeft. En uit de ontwikkelingspsychologie weten we dat ‘doen alsof’ zeer wel kan overgaan in ‘echt doen’.

Deze ontwikkeling gaat grotendeels voorbij aan wie een dienstverband heeft bij een ‘traditioneel’ bedrijf of in de gezondheidszorg, het onderwijs, de sociale sector.

Een andere relativering van het kapitalistische elan is dat er een groot verschil is tussen rurale en verstedelijkte gebieden. Waarin de laatstgenoemde ‘alles’ hebben, hebben de eerstgenoemde ‘niets’: geen concurrentie in welke sector dan ook. Daar is gewoon de gekozen(!) burgemeester de baas. Ongeveer de helft van alle Roemenen woont op het platteland.

Wat je weinig ziet, bestaat minder


De volgens ons echt veel voorkomende neiging tot ‘externe attributie’, zoals het aanwijzen van oorzaken buiten jezelf in de cognitieve psychologie heet, staat natuurlijk onder druk als zich bepaalde realiteiten aandienen. We noem­den de vergevingsgezindheid al, wat eerst en vooral betekent: we hebben het er niet meer over. ‘Wissen met een spons’, noemen Roemenen dat. Een grote Hollandse mond tegen je krijgen kan ook lastig zijn, maar je kunt altijd zwijgen en denken dat hij nerveus is of gek of nu eenmaal een buitenlander. Niet toevallig allemaal kenmerken waar die Hollander zelf weinig aan kan doen. De ethische huishouding blijft door deze manoeuvres gevrijwaard van zelfkritische vragen.

In het voorgaande hebben we de Roemeense omgangsvormen en spelregels verbonden met profijt. We zijn ons ervan bewust dit enigszins ongenuanceerd te doen. We gaan er toch nog even mee door: hoe moet het nu met medemensen waar je geen enkel profijt van kunt hebben? De maatschappelijk marginalen? Die bestaan uiteraard, in een keiharde realiteit: de armlastige zieken en bejaarden, de meervoudig gehandicapten, de chronisch psychiatrische patiënten, de gedetineerden, de wegloopkinderen. Een groep medeburgers die maatschappelijk overbodig oogt, lastig is of gevaarlijk, of je ongeluk brengt.

De eerste regel in het Roemeense model is: afstand houden. Dit moet om te voorkomen dat dergelijke mensen hetzelfde willen als jij,

namelijk op slinkse wijze iets proberen te pakken te krijgen van wat een ander (jij dus) heeft. De oplossing is eenvoudig: niet met zo’n persoon omgaan of er niet op medemenselijke wijze mee omgaan. Ooit zei een Roemeense bij haar eerste bezoek aan Nederland dat er veel gehandicapten waren. ‘Die hebben we bij ons niet’, zei ze. De enige juiste repons: ‘Vast wel, maar bij jullie zitten ze niet in de bus.’


Kinderen


Dan kan het gaan om kinderen, waar er trouwens wel steeds minder van zijn. In 1990, het eerste jaar na het opnieuw legaliseren van abortus, werden er drie abortussen gepleegd voor iedere levendgeborene. Dat is gedaald naar één per levendgeborene in 2001. Abortus blijft daarmee een populair ‘voorbehoedsmiddel’. Het is in ieder geval een gangbare handeling waar weinig ethische twijfels aan kleven. Het aantal geboortes ligt nu op het niveau van zestig procent van het aantal geboortes net voor de omwenteling.(5)

Het communistische bewind heeft een periode de bevolkingsaanwas nadrukkelijk gestimuleerd. Het bewind heeft ook veel gedaan om de mensen hun eigen verantwoordelijk uit handen te nemen. Een gevolg is geweest dat arme families hun ‘boventallige’ kinderen inleverden bij tehuizen, in de verwachting dat ze het daar beter zouden hebben dan thuis.

We weten van de tv-beelden die na de omwenteling de hele wereld overgingen, dat het daar toch minder goed ging dan men in een communistische heilstaat zou mogen

verwachten. Veel kinderen die ook nu op straat leven zijn juist uit deze instituten weggelopen. Thans worden de tehuizen vervangen door kleinere eenheden. Dit gebeurt onder grote druk van de EU. Maar of de verantwoordelijken hier echt begrijpen waar het omgaat, is zeer de vraag. Kinderen worden van de ene dag, zonder aankondiging, van het ene tehuis naar het andere overgeplaatst. Ze keren bij voorkeur terug naar de regio van herkomst. Dit lijkt met het oog op herstel van familiebetrekkingen een verstandig beleid. Feit is echter dat kinderen de omgeving waar ze tien, vijftien jaar verbleven moeten verlaten om een ‘doorstart’ te maken in een hen totaal onbekende omgeving.




De toekomst op straat
We zien nog altijd straatkinderen in het centrum van Boekarest. Wat voor boodschap hebben goedwillende hulporganisaties voor hen? Dat ze zich enigszins moeten aanpassen aan de maatschappij. Weer wat zelfdiscipline leren voor hun dagelijks leven. Op tijd naar bed gaan, goed eten, liever geen alcohol of snuifmiddelen gebruiken, zichzelf en hun kleren regelmatig wassen. Leren lezen en schrijven en dan een vak leren, zodat ze later misschien kunnen gaan werken voor vijftig euro in de maand. Geef ze eens ongelijk als ze denken dat er nu dagen zijn dat ze het dubbele verdienen, dus wat zullen we ons druk maken? Ze gaan niet op erg nette manieren te werk, maar zijn wel heel trots. Ze vertellen er niet bij dat het geld in de kortst mogelijke tijd op is.


Ruim vijfduizend kinderen in Roemenië werken op straat, waarvan meer dan de helft in Boekarest, zo heeft Save the Children berekend. Dit bleek tijdens een debat over dit onderwerp in het Palatul Copiilor op 3 november j.l. ‘De kinderen en jongeren die op straat verblijven proberen met illegale middelen te overleven en krijgen op geen enkele manier bescherming van ouders of andere volwassenen’, aldus Gabriela Alexandrescu van de organisatie. Uit gegevens van de organisatie blijkt dat de kinderen in hun levensonderhoud voorzien door te bedelen, auto’s te wassen, verkoop van goederen, diefstal en in een aantal gevallen door zichzelf te prosti­tueren. Ook ziet Save the Children weer een toename van het aantal verslaafde kinderen.(6)

Zieken


Ook andere groepen werden en worden in instituten opgeborgen. Weinig mensen willen weten wat daar binnen gebeurt. Dit jaar is zelfs een internationale rel ontstaan, nadat het de burgemeester van Poiana Mare toch verdacht

voorkwam dat er zoveel mensen stierven in het gelijknamige psychiatrische ziekenhuis. Er bleken toen zeventien mensen gestorven te zijn van honger en kou. Het geeft aan hoe weinig men weet, of wil weten, over wat er in dat soort instellingen gebeurt.(7)

Gewone ziekenhuizen zijn ook instituten waar je maar beter uit kunt wegblijven. De behandeling is er eenzijdig op gericht om mensen zo snel mogelijk op te lappen. Verzorging is vrijwel afwezig. Als de familie dit niet zelf doet of personeelsleden niet wat toeschuift, dan gebeurt er bar weinig. Het komt voor dat patiënten gewoonweg niet worden verschoond en te weinig te eten krijgen. Men wordt tot object gereduceerd, een ding dat gerepareerd moet worden. Als dat niet mogelijk is, of als de zorg onderhands te weinig oplevert, is er geen aandacht voor de patiënt.

Dat is ook het lot dat veel bejaarden beschoren is. Ze zijn van nut zolang ze op de kinderen kunnen passen of op de beesten, nog voedsel kunnen verbouwen, of een pensioentje inbrengen. Zodra dat nut afwezig is, worden ze

verwaarloosd, en is er alleen nog interesse in het huisje of het land dat de oudere bij zijn dood zal nalaten. Het komt voor dat kinderen of kleinkinderen niet kunnen wachten,.Ze stellen de oudere voor bij hen in te trekken, het huisje te verkopen, en met elkaar enige welstand te genieten. Dat laatste gebeurt dan wel, maar zonder de oudere. Die vereenzaamt of, in extreme maar bestaande gevallen, wordt hij of zij letterlijk het huis uitgepest, de straat op.

Gevangenen


Gevangenissen en huizen van bewaring vormen een verhaal op zich. Doordat er op een (kleine) diefstal al twee jaar gevangenisstraf staat, is het logisch dat het aantal gevangenen hoger is dan in Nederland:188 tegenover 112 per 100.000 inwoners.(8) Dat de gevangenen mogelijk met dertig personen opgesloten zitten in krappe kamers met tien stapelbedden is misschien niet eens het grootste probleem. Erger is dat de gang naar de gevangenis omgeven kan zijn van het volstrekt negeren van de meest rudimentaire rechtsbeginselen. En dat de terugkeer naar de maatschappij moeilijk of onmogelijk is. Reclassering bestaat nauwelijks, en werk vinden is voor ex-gedetineerden erg moeilijk, ook al omdat ze van veel functies wettelijk uitgesloten zijn.

Er zijn een paar specifieke inrichtingen voor jongeren. Daar mag je tot je achttiende blijven, krijg je een basisopleiding, en als het je niet lukt om in een keer het eindexamen te halen, mag je nog een jaar blijven. Het gebeurt regelmatig dat ouders bij de rechtbank vragen of hun kinderen opgesloten kunnen worden. Ze zijn dan binnen een jaar of twee weer vrij, en wellicht een opleiding rijker.

Een van de weinige NGO’s die wat aan het gevangeniswezen probeert te doen is SIRDO (Romanian Independent Society of Human Rights). De verslagen die zij ieder jaar uitbrengen bij de VN Commissie voor de Mensenrechten liegen er niet om.(9) Het is geen prettige literatuur. Ze rapporteren bijvoorbeeld martelingen in gevangenissen en politiecellen om verdachten misdrijven te laten bekennen, en onthouding van medische zorg met dodelijke gevolgen. Politiefunctionarissen hebben één prioriteit: het aantal onopgeloste misdrijven mag niet te hoog oplopen. Dus als iemand al eens iets gedaan heeft, is het minder erg als hij er een tweede veroordeling bijkrijgt – naar verluidt ook wel voor iets wat hij niet heeft gedaan.

Binnen Roemenië is amper gehoor voor de aanklachten van SIRDO. Zolang het de bevolking weinig kan schelen wat er binnen de muren van een gevangenis gebeurt, zal een regering ook niet zo gauw iets ondernemen.




Religie
Doet de kerk er dan niets aan? De Roemeens-Orthodoxe kerk, waar de meeste Roemenen toe behoren, heeft geen enkele diaconale traditie. De orthodoxe kerk richt zich in eerste instantie op de liturgie en het kerkgebouw. Dat ziet men als een afspiegeling van de hemel. Heel misschien begint daar enige kentering in te komen. Een orthodoxe priester noemde een keer het diaconale werk als een verlengstuk van de liturgie. Maar men valt daarbij al snel terug op oude methoden: tehuizen, gaarkeukens en de bedeling. De kerk en aan kerken gelieerde organisaties hebben op dit terrein nog heel veel te doen en kunnen ook een zeer belangrijke rol vervullen. Als er een instituut is dat mededogen, respect en zorg als sociale waarden kan uitdragen, dan is het de kerk. Want hoe pragmatisch en opportunistisch geloofsuitingen van Roemenen ook kunnen overkomen, de kerk scoort hoog als betrouwbaar instituut in de samenleving.


Mogelijk complicerend is dat de etnische minderheden in Roemenië tot verschillende kerken behoren. Doorgaans hebben de andere kerkgenootschappen meer ervaring met diaconie en betere contacten met het Westen. De Saksische minderheid, nu vrijwel geheel naar Duitsland geëmigreerd, was Luthers. De Lutherse kerk nam onderwijs en armenzorg voor haar rekening. De Hongaren zijn overwegend Rooms-Katholiek of Protestant (in de variabelen van ‘licht’ tot ‘zwaar’). Nederlandse hulpstichtingen met een christelijke signatuur, bijvoorbeeld, zijn overwegend actief in regio’s waar veel etnische Hongaren wonen. De Rroma (Zigeuners) hebben geen volkseigen religie. De meeste Rroma zijn Roemeens-Orthodox, maar ook de Pinksterbeweging heeft onder hen een ruime aanhang.

Een perspectief?


Uit de voorbeelden kunnen we twee lijnen destilleren. De ene lijn is de spanning die mensen voelen tussen korte termijn voordeel en lange termijn voordeel. Ze lijken elkaar uit te sluiten. De andere lijn is wat in de antropologie het principe van de 'Image of Limited Good' genoemd wordt.(10) Het goede tussen mensen is maar beperkt voorradig, en kan niet zomaar even bijgemaakt worden.

Onderwijs kan korte termijn voordeel en lange termijn voordeel heel goed combineren. We moeten daar wel een ‘mits’ bij plaatsen, want het behaalde voordeel moet ruimer gedefinieerd worden dan materieel gewin. In Roemenië is onder bepaalde groepen nogal wat schooluitval en af en toe worden vormen van kinderarbeid breed uitgemeten in de pers. Om deze verschijnselen tegen te gaan, moeten we niet alleen praten over hoe belangrijk school voor later is. School moet ook nu leuk en nuttig zijn. Een kind gaat immers ook naar school vanwege zijn vriendjes en andere aardigheden. Wie na de middelbare school gaat studeren, ontzegt zich een aantal dingen, met het vooruitzicht dat

binnen een aantal jaren in te halen. Zowel in de vorm van vrijheid en zelfstandigheid, als in de zin van arbeidskansen en inkomen. Maar als een student alleen met het oog daarop met zijn neus in de boeken zit, dan houdt hij dat niet vol. Naast de ontspanningen van het studentenleven, dient de studie zelf een intrinsieke bevredigende prikkel te hebben. Dat is een voordeel op de korte termijn die de belangen op lange termijn niet in de weg staat.

Een focus op het een of het ander leidt nergens toe. Het gaat om een combinatie. Daarom bleek het ook een prima project te zijn toen in Moldova kinderen op school te eten kregen. Er bleef niemand meer thuis. Kinderen werden door ouders keurig naar school gestuurd: scheelde vandaag weer een hap eten.

Tijdens de dictatuur in Spanje was het gebruikelijk om de (huis)arts minstens een keer per jaar een geschenk te geven, bijvoorbeeld een gedroogde ham. Hiermee probeerde men medepatiënten af te troeven opdat die minder aandacht zouden krijgen. Dat een arts iedereen evenveel aandacht (het limited good) zou kunnen geven, ongeacht de cadeaus, kon men zich simpelweg niet voorstellen. Ook in Roemenië zien we deze handelswijze. Het gezondheidszorgpersoneel profiteert er ruimschoots van. Mensen die toch nooit meer bruikbaar en productief zullen zijn (psychiatrische patiënten, gehandicapten, ouderen) zijn uiteraard uit deze wedijver verdreven. De angel eruit halen houdt in dat Roemenen zouden moeten wennen aan op de langere termijn te kijken, en erop te vertrouwen dat oplossingen gevonden worden tegen de tijd dat je ze echt nodig hebt. Of beter nog: oplossingen zoeken voor de ander, in het hier-en-nu en voor het collectief, in het vertrouwen dat je er zelf ook ooit van zult profiteren.

Eenvoudig is het niet. We kennen het vaakgehoorde advies: ‘Geef een man een vis en je voedt hem voor een dag. Leer een man hoe hij moet vissen en je voedt hem zijn leven lang. Als

je hem leert leren, dan hoeft hij niet elke dag vis te eten.’

Echter om te leren vissen, moet hij eerst lesgeld betalen, medisch doorgelicht worden, een verklaring van goed gedrag overleggen, en een auto voor de docent ritselen. Als hij dan uiteindelijk ook nog het nodige links en rechts heeft uitgedeeld om het diploma te halen, moet hij bij diverse registers ingeschreven worden, bij het ministerie van landbouw en visserij geaccrediteerd worden (en dat ieder half jaar weer laten verlengen), en elke gevangen vis registreren op speciale daarvoor aan te schaffen formulieren die alleen bij het provinciehuis besteld kunnen worden. Daarna is de belastinginspecteur aan de beurt. Wellicht is onze visser dan al een heel eind verwijderd geraakt van zijn inzicht dat korte termijn en lange termijn niet op gespannen voet met elkaar staan. Wellicht ziet hij ook de bodem van de kruik met limited good.

Voor het ‘leren leren’ dient natuurlijk gewoon even het systeem van onderwijs en opvoeding veranderd te worden. Er gewoon even voor gezorgd worden dat studenten en docenten ophouden met elkaar begunstigen, anders dan voor onderwijsprestaties. Toch begint zich hier de wil tot verandering af te teken. Roemenen zijn de eersten om te onderkennen dat de mentaliteit van de mensen moet veranderen. Maar als je vraagt hoe men dat wil doen, en waar je moet beginnen, dan komen er vage antwoorden. ‘Ja’, zeggen sommigen, ‘daar zal nog wel een generatie over heengaan.’ Waarmee zij ook zeggen dat er van henzelf weinig verandering te verwachten is.

Vooral de jongere generatie die net voor of na de omwenteling is geboren, zoekt naar nieuwe maatschappelijke omgangsvormen en wil ook meer aandacht hebben voor anderen. Vrijwilligerswerk wint bij hen enig terrein en ze zien ook het belang ervan voor hun eigen persoonlijke vorming. Het is zeker niet in de eerste plaats de kerk die het initiatief neemt. Het zijn de nieuw opgerichte vrijwilligerscentra die

het meest aan de weg timmeren, en die vooral studenten weten te bereiken. Veel centra worden vanuit het buitenland gefinancierd, uit zowel Europese als Amerikaanse fondsen, en ze baseren zich in hun werk ook op ervaringen van soortgelijke organisatie in het westen.(11) Ze bemiddelen tussen vrijwilligers en organisatie waar vrijwilligers aan de slag kunnen en geven cursussen over wat vrijwilliger zijn inhoudt, en begeleiden organisaties die met vrijwilligers werken: wat kun je een vrijwilliger laten doen, en wat beslist niet.

Goede kerkelijke initiatieven, buiten de Roemeens-Orthodoxe kerk, zijn er zeker ook. Het is niet geheel uit de lucht gegrepen om te schamperen over bekeringsdrift en nog meer over de praktijk van geloofsgenoten helpen en anderen niet, ook al wonen ze in hetzelfde dorp of dezelfde wijk. Maar er zijn, weliswaar opnieuw veelal buitenlandse, hulp- en ontwikkelingsorganisatie die overdragen en voorleven hoe gemeenschapszin, burgerschap en solidariteit eruit kunnen zien. Ze geven in hun aanwezigheid gestalte aan het meer algemene begrip van maatschappelijk activering. Dit gebeurt niet in de laatste plaats door vrijwilligers en stagiaires uit eigen achterban in Roemenië te laten werken. Het kan daarbij gaan om bijvoorbeeld een opvanghuis voor weeskinderen, de renovatie van een dorpsschool, een leer/werkproject voor adolescenten.


Een constatering


Van mensen die midden in een gangbare praktijk zitten, kun je echter niet verwachten dat ze zomaar veranderen. Een verpleegkundige die geen geld of cadeautjes van patiënten meer wil aannemen, krijgt onherroepelijk problemen met collega’s. De patiënten zouden dat immers ook wel eens van hen kunnen gaan verwachten? Als buitenstaander, als Westerling, zie je al gauw fantastische oplossingen: ‘dat ze daar niet eerder mee begonnen zijn!’ Dit is een wat kortzichtige zienswijze. Als het zo makkelijk was, hadden de

mensen het allang zelf gedaan. Ergens ligt een barrière, met name in het prille begin van een veranderingstraject. Deze barrière dient te worden blootgelegd en serieus genomen. De eigen belangen én de welhaast onoverkomelijke externe hindernissen bij innovaties dienen zeer scherp tegen het licht gehouden. Ze negeren om de lieve vrede te bewaren, helpt zeker niet. We hebben de indruk dat dit niettemin voorkomt: consultants en trainers komen af en toe eens langs en alles lijkt op rolletjes te lopen. Na verloop van tijd blijkt een project een zeepbel: twijfels, haken en ogen, concurrerende belangen – vooral ook buiten het project – zijn niet of nauwelijks ter tafel gekomen.



Roemenen, en wie hen wil bijstaan in sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen binnen de transitie naar democratie en vrije markteconomie, moeten beseffen, dat met alleen een grote zak geld weinig wordt oplost. Direct contact, begrip van beide kanten, geduld, en volharding, maken de kans op een gunstig resultaat veel groter. Het verschil, zo niet: de kloof, tussen sociale ethiek in Roemenië en sociale ethiek in Nederland zien we als erg groot. Zo groot zelfs, dat we enigszins sceptisch staan tegenover omvangrijke EU-programma’s en andere, goed bedoelde, initiatieven die op afstand worden aangestuurd. Een vraag die we hier niet kunnen beantwoorden is of het eventuele topdown-karakter van projecten niet een herhaling is van de zo vertrouwde feodale gang van zaken. Met de vraag is de suggestie gewekt. De fysieke aanwezigheid van consulenten voor opbouwwerk, docenten, trainers en vrijwilligers zou wel eens de cruciale factor kunnen blijken.


1() Freire, Paulo (1970). Pedagogie van de onderdrukten. Baarn: In den Toren.

2() Pieter van Abshoven, 2003, As You Own, So Shall You Reap. Romanians Between the Feudal and Knowledge-Based Economy In: Ethnologia Balcanica, Journal for Southeast European Anthropology 7 (2003), 123 – 138. Ethnologia Balkanica, Munich, Sofia

3() Uit: David Signer. Hoe leef je onder de sjaria? Trouw, 23 oktober 2004

4() David Signer, Ökonomie der Hexerei. Ausgabe 25/02 2002

5() Bron: Institutul National de Statistica, Yearbook 2002

6() Peste 5.000 de copii romani muncesc pe strada, releva statisticile organizatiei Salvati Copiii. Stiri.rol.ro, 4 november 2004 http://stiri.rol.ro/stiri/2004/11/159895.htm

7() Mental Disability Advocacy Center. Romania - Poiana Mare Psychiatric Hospital. Background Research by Mental Disability Advocacy Center, Budapest, mei 2004 www.mdac.info/documents/Poiana%20Mare%20media%20reactions.doc

8() Bron: International Centre for Prison Studies http://www.kcl.ac.uk//depsta/rel/icps/worldbrief/world_brief.html

9() Zie o.a. de laatste verklaring ingediend in januari 2004: http://www.unhchr.ch/Huridocda/Huridoca.nsf/(Symbol)/E.CN.4.2004.NGO.14.En?Opendocument

10() Foster, G. M. (1965). Peasant Society and the Image of Limited Good. American Anthropologist, 67: 293-315.

11() Zie bv overzicht in: http://www.voluntariat.ro/Sponsori/sponsori.php.

MARKANT – 2004 - 3




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina