Plaats: Partijbureau Groen Links Utrecht Organisatie: Landbouwwerkgroep en Noord-Zuidwerkgroep



Dovnload 36.79 Kb.
Datum23.08.2016
Grootte36.79 Kb.

VERSLAG DISCUSSIEBIJEENKOMST MONDIALE VOEDSELZEKERHEID d.d. 6-6-2000




Plaats: Partijbureau Groen Links - Utrecht

Organisatie: Landbouwwerkgroep en Noord-Zuidwerkgroep

Aanwezig: Sjors Beenker (dagvoorzitter), Hans Beerends, Jacques van Nederpelt, Marcel van Kuik, Jaap Schouls, Annemarie Gehrels, Nicole Metz, Bert Geurink, Pim Juffermans, Lindy van Vliet (BBO), Dicky de Morree (BBO), Bert van Nijkerken, Bart Kuiper, Guus Geurts


Op deze avond gaven twee sprekers een inleiding te weten Paul Elshof, onderzoeker via Food World, en Niek Koning, landbouweconomoom via Universiteit Wageningen. Hierna was er ruimte voor vragen en discussie.

Het doel was een inhoudelijke verdieping op het onderwerp, meningsvorming en om vervolgens invloed op de politiek te kunnen uitoefenen als bijdrage aan de oplossing van het wereldvoedselvraagstuk.

Aanleiding van deze avond was het stuk “Mondiale Voedselzekerheid in de 21ste Eeuw”, van de Landbouwwerkgroep onder redactie van Jacques van Nederpelt, dat ook al besproken was door de Noord-Zuidwerkgroep. Toen bleek dat er nog een aantal lacunes aanwezig waren, waar we nog antwoord op wilden hebben, onder andere via de sprekers van vanavond.

Inleiding Paul Elshof

Het wereldvoedselvraagstuk is in eerste instantie een politiek vraagstuk en heeft vooral ook te maken met welvaartsverdeling. In de praktijk is gebleken dat het thrickle-down-effect via liberale politiek, waarbij de armen het op den duur ook beter krijgen als een land zich maar voldoende economisch ontwikkelt, niet werkt. De markt lost het probleem dus niet op.

In het verleden werden Groene Revolutie en nu weer genetische manipulatie als argument genoemd om de verdubbelende wereldbevolking te kunnen blijven voeden. Men zoekt dus technologische oplossingen voor politieke vraagstukken. Multinationals voelen zich echter niet geroepen om het voedselvraagstuk op te lossen. Ze zijn alleen geïnteresseerd in koopkrachtige mensen. Zo wilden bedrijven uit de VS in Rusland na het uiteenvallen van de Sowjetunie, de infrastructuur helpen opbouwen, maar dit gebeurde alleen uit eigen belang. Men zag hier een nieuwe markt. De voedingsindustrie concentreert zich vooral op de ontwikkelde wereld, van hieruit worden andere gebieden bediend met hun produkten. Sinds de val van de muur zag men een grote wereldmarkt, waarbij men zich in ontwikkelingslanden concentreerde op de steden. In deze periode (1989-1996) stagneerde de groei in de ontwikkelde wereld zich (slechts 3 %), de rest van de groei vond plaats in de ontwikkelingslanden waar ook de grootste bevolkingsgroei plaatsvindt. Sinds de economische crisis van 1996 en 1997 in vooral Azië, legt men weer het accent op het westen, en is het de taak in een stagnerende vraag naar voedingsmiddelen nieuwe markten aan te boren. Dit doet men vooral via de produktie van functional foods, men heeft namelijk te maken met een sterke vergrijzing in deze landen en een toenemende vraag naar gezondheidsbevorderende voeding. In deze laatste markt heeft een groei van 10 tot 20 % plaatsgevonden. Om deze markten te bedienen worden vaak merken overgenomen. Op grote toekomstige markten zoals de rurale samenleving in China en India richt men zich op merkbekendheid via kleine betaalbare porties van hun produkt. Men mikt dus op een koopkrachtige markt en levert geen bijdrage aan het wereldvoedselvraagstuk. De overheid zal dit moeten oplossen, waarbij ze zelfs belemmerd wordt door deze multinationals via een sterke lobby, die zich richt op merkbescherming, patenten en een vrije markt.
De voedselketen verloopt als volgt:

Landbouw->handel->verwerking->voedingsindustrie->distributie/detailhandel->consument



Momenteel is de klant koning, hij kan kiezen uit vele produkten. Dit betekent dat de detailhandel veel machtiger is dan vroeger toen we vooral te maken hadden met een aanbodeconomie vanuit landbouw en verwerkingsindustrie. Via de voordeelkaarten van b.v. Albert Heyn en Edah, worden alle gekochte produkten gescand en hebben deze concerns een goed beeld over de kooppatronen per consument. Zij kunnen op deze manier goed inspelen op trends in de markt. In ontwikkelde landen wordt 80 % van de voedingsmiddelen via winkelketens verkocht, ten opzichte van 10 % in Azië. Dit percentage groeit echter snel. Er vindt een grote internationalisatie en concentratie plaats van deze detailhandel, zo behoort Ahold nog maar tot de middengroep qua grootte. In ontwikkelingslanden worden dus ook steeds meer bedrijven opgekocht. Het gevolg van deze trend is dat de landbouw meer en meer georganiseerd gaat worden op om aan de vraag van deze detailhandel te kunnen voldoen. De detailhandel gaat op deze manier de hele produktieketen vanaf de selectie van boeren die aan hun kwaliteitseisen kunnen voldoen, de verkoop van zaad aan deze boeren, de oogst en de distributie beheersen. Dit alles om een kwalitatieve goede en leveringsbetrouwbare aanvoer te garanderen. Boeren die niet worden geselecteerd worden gemarginaliseerd, dit zal het grootste gedeelte van de boeren betreffen. Zij verdwijnen naar de slechtere gronden, krijgen geen overheidssteun meer, en kunnen op den duur ook niet meer voor de markt produceren alleen voor eigen gebruik. Vervolgens zal ook de informele handel in goedkoop voedsel op straat gaan verdwijnen, omdat zij verdrongen worden door de detailhandel die hygiënischer maar ook duurder voedsel kan aanbieden. Op deze manier organiseert b.v. Ahold in Thailand de contracteelt voor haar eigen markt in Europa.
Conclusie: Bij multinationals staat het rendement voorop. Ze bieden geen oplossing voor het wereldvoedselvraagstuk. Bij het streven naar winst werpen ze zelfs blokkades op voor de overheid, en werken ze mee aan de marginalisering van de zwakkeren.

Discussie en vragen


  • Volgens sommigen zou de bevolkingsgroei in de wereld gaan stabiliseren of afnemen?

Paul: Bevolkingsstatistieken moet je met een flinke korrel zou nemen. Het gaat om de verdeling tussen de koopkrachtige vraag van de 1 miljard mensen in de rijke landen en die van de resterende 5 miljard, waarvan 3 tot 4 miljard deels koopkrachtig is. Wat China betreft zit de koopkrachtige vraag vooral in de kuststreek. Dat kan daar pas veranderen, als de landbouw verder ontwikkeld wordt. Je krijgt dan wel te maken met het dilemma; door mechanisatie in de landbouw krijg je steeds meer werklozen. Nooit iedereen heeft baat bij de vooruitgang door economische ontwikkeling in b.v. China en India.


  • Relatief (in procenten van de wereldbevolking) is het wereldvoedselvraagstuk niet ernstiger geworden.

Paul: Die verbetering komt vooral door ontwikkelingen in China en India.


  • Paul: Soms zijn bedrijven gebaat bij een betere welvaartsontwikkeling en een sociaal economische ontwikkeling in een land.

  • Paul: In de wereld heeft het kapitaal het initiatief. Daarentegen zijn organisaties van kleine boeren en arbeiders slecht in het tegenwicht opbouwen, en weten ze vaak niet wat er allemaal om hen heen gebeurt op hoger niveau.




  • Bij aardappelen was contractteelt gunstig voor de boeren (in het westen red.). Ze kregen een vaste prijs, een geregeld inkomen, enzovoort.

Paul: Het kan gunstig uitpakken (in ontwikkelingslanden red.) Maar na afloop van het eerste contract na 2 of 3 jaar, ontstaan bij de heronderhandelingen voor een nieuw contract de problemen en worden ze afgeknepen. Dat komt onder andere doordat de boeren individueel en niet collectief onderhandelen.


  • Kijkend naar de voedselketen, ligt bij granen het zwaartepunt bij de verwerking niet bij de consument. En een concern als Nestlé zit vooral in de verwerking en niet in de detailhandel.

Paul: Een bedrijf als Cargill (o.a. granen) ging van handel naar verwerking en vervolgens ook naar de voedingsindustrie. Ze krijgen een steeds breder produktenpakket. Ze werken nu in opdracht van de detailhandel. Het omvat bijna de gehele keten. Ook hebben ze een verbod met Monsanto (zaad en bestrijdingsmiddelen), waardoor ze op maat gesneden landbouwproduktie kunnen bewerkstelligen. Zo wordt er ook al in opdracht van McDonalds via genetische manipulatie, frituurolie geproduceerd.


  • Moet in ontwikkelingslanden niet zelfvoorziening in voedsel in plaats van export van landbouwprodukten voorop staan?

Paul: Landen in vooral Afrika zijn door hun hoge schuldenlasten afhankelijk van deviezen via de export van landbouwprodukten, om deze te kunnen aflossen en hun rente te kunnen betalen. Bedrijven/ multinationals als McDonalds zorgen bij vestiging in deze landen voor hun eigen zelfvoorziening. Boeren in ontwikkelingslanden kijken zelf te snel naar ver-weg-markten (export). Ze zouden, samen met sociale bewegingen (o.a. de vakbeweging) veel meer voor de eigen steden moeten produceren. Meer regionale handel en milieuvriendelijkere produktie zijn dan mogelijk. De politiek zou hierbij ook een rol kunnen spelen, zoals b.v. in Sao Paulo (Brazilie) waar zij de infrastructuur zo georganiseerd hebben dat de biologische geproduceerde landbouwprodukten van 100 km verderop beschikbaar komt voor de arme bevolking. Zij betaalden het transport via voorfinanciering, inmiddels heeft men eigen vrachtauto’s. Ook in Canada kan men via instellingen bewust inkopen bij duurzaam producerende boerenorganisaties. De grote concerns zijn echter vooral gebaat bij “afstand”.


  • In veel ontwikkelingslanden is men toch nog steeds afhankelijk van regionale informele handel via bijvoorbeeld markten.

Paul: In Azië wordt inderdaad nog maar 10 tot 15 % via winkelketens verkocht. Maar merkenbekendheid als statusmiddel spreekt meer mensen psychologisch aan, dus worden de mensen als het ware de winkels ingeroepen.

Inleiding Niek Koning

De oorzaak en de oplossing liggen niet bij multinationals. In de derde wereld vindt 80 % van de handel lokaal plaats, en toch is er nog honger. Niek gebruikte vervolgens een aantal sheets:




  1. De mondiale carrying cappacity voor voedselproduktie is geen groot probleem.

  • Er zijn wel beperkingen in Zuid- en Oostazië (25 % van de wereldbevolking), waar men waarschijnlijk niet ontkomt aan voedselimporten en waar zelfvoorziening niet de oplossing is.

De grenzen van de produktiecapaciteit zijn nog niet bereikt technisch gezien, zelfs bij de hoogste schatting van de bevolkingsgroei en een consumptiepatroon zoals dat in de VS gebruikelijk is (bron: Wageningse agronomen). Zelfs de Sahel zou zijn eigen bevolking kunnen voeden volgens deze theorie. Er is nu geen tekort aan voedsel.


  1. Ondervoeding is vooral een armoedeprobleem

  • Armoede is niet alleen een landbouw-probleem

  • In het ontstaan van armoede spelen lage landbouwprijzen en sociale ongelijkheid in de landbouw wel een belangrijke rol.

  • Er zijn 2 patronen in ontwikkelingslanden te onderscheiden:

  • het ‘Latijnsamerikaanse’ model

Dit wordt gekenmerkt door: grootgrondbezit en lage landbouwprijzen leiden tot extensieve modernisering van de landbouw binnen grote bedrijven. Deze leidt tot verdringing van agrarische onderklassen, crowding en bodemdegradatie in marginale gebieden, en een scheve algemeen-economische ontwikkeling.

Door extensivering en mechanisatie wordt de plaatselijke bevolking ontslagen. De landbouw vindt echter nog wel acceptabel voor het milieu plaats op deze grote bedrijven. Deze agrarische onderklasse wordt verdreven naar marginale landbouwgebieden of naar de stad (urbanisatie), wat leidt tot armoede, honger en bodemdegradatie. Zo worden de dalen in de Andes gebruikt voor de export, en de hellingen door de arme boeren. De samenstelling van de economische vraag is vooral gericht op duurzame goederen. Deze kapitaal intensieve produkten worden hoofdzakelijk geïmporteerd. Er is wel economische ontwikkeling in dit model, maar deze is scheef en brengt vooral armoede in de stad met zich mee.



  • het ‘Afrikaanse model’

Dit wordt gekenmerkt door: lage landbouwprijzen leiden tot een vicieuze cirkel van rurale armoede en bodemdegradatie. Die drijft mensen naar de stad maar leidt tevens (niet ?) tot industriële ontwikkeling.

In Afrika is geen groot grondbezit, is de landbouw minder geconcentreerd en zijn brede lagen van de bevolking werkzaam in de landbouw. Boeren krijgen te maken met lage prijzen en een stijgende bevolkingsdruk op het land. Door de lage prijzen lukt het niet om te investeren in vruchtbaarheid en bodemconservering. Er ontstaat dan een vicieuze cirkel van rurale armoede en dus honger, bodemdegradatie op grote schaal en urbanisatie. Van ontwikkeling in de landbouw gaat in tegenstelling tot Europa vroeger, geen stimulans uit naar een economische ontwikkeling, omdat er geen stijgende koopkracht door ontstaat. Er vind dus ook geen industrialisatie plaats, maar een gevecht om banen in de informele sector. En dus ontstaat er een scheve economische ontwikkeling, waarbij de groei vooral plaatsvindt in de dienstensector.


In Azië is meer sprake van contractteelt. Maar daar heeft in veel landen wel industrialisatie plaats gevonden (zoals in Zuid-Korea en Taiwan) en ontstond koopkracht bij de bevolking voor de aankoop van o.a. voedsel.

3. Hoe armoede en ondervoeding tegen te gaan?


  • In het algemeen moet armoedebestrijding en dus oplossing van het wereldvoedselprobleem worden uitgevoerd via onderwijs, gezondheidszorg, sociaal beleid, vrouwen, rurale diversificatie enz.

  • Het landbouwbeleid moet zich richten op:

  • Verbetering van de landbouwprijzen, via het inperken van de dumping vanuit het westen (dit gebeurt via exportsubsidies en rechtstreekse inkomenstoeslagen), het verbeteren van de toegang tot westerse markten voor onbewerkte en vooral bewerkte produkten, en de bescherming van eigen markt tegen goedkope importen, door bijvoorbeeld de groep van sub-Saharalanden. Zo’n 80-90 % van de Afrikaanse voedselproduktie is gericht op de binnenlandse markt, terwijl er ongeveer 10 % aan cashcrops geproduceerd wordt. Deze binnenlandse markt moet dus beschermd worden via invoerheffingen, wat dus tegen de huidige liberalisatietrend ingaat. Op dit moment worden overigens de contigenten volgens het Lome-verdrag nauwelijks vol geproduceerd. Zij vormen namelijk geen concurrentie voor de westerse boer.

  • Een lokaal-specifiek agronomische benadering voor achtergestelde gebieden, via wetenschappelijke en lokale kennis, externe en lokale inputs, en ICT en biotechnologie.

Er is een nieuwe ‘Groene revolutie’ nodig voor de minst ontwikkelde landen. Hierbij moet de teelt van de gewassen aangepast worden aan de omstandigheden, in plaats van (zoals tot nu toe gebruikelijk) het aanpassen van de omstandigheden aan de aard van de gewassen. B.v. in de Sahara lukt dit laatste niet om politiek en fysieke redenen. Er zijn nieuwe gewassen nodig waarbij inheemse boerenkennis geïntegreerd moet worden met wetenschappelijke (westerse) kennis. Nieuwe technologieën kunnen hierbij zeer nuttig zijn zoals ICT, b.v. Indiase boeren die via Internet agrarische databestanden kunnen raadplegen. Met biotechnologie (genetische manipulatie) is maatwerk mogelijk, en deze zou niet alleen gericht moeten zijn op de ontwikkelde landen. Multinationals zijn niet geïnteresseerd in marginale gebieden, maar ze hebben wel de biotechnologiepatenten in huis. Dat betekent dat de intellectuele eigendomsrechten anders geregeld moeten worden. Er zijn tegelijkertijd publieke investeringen in biotechnologie nodig. Er is ook nog veel publiek onderzoek nodig, op dit moment is dat nog te duur omdat onderzoekers voor de patenten van de multinationals moeten betalen, voordat men onderzoek kan verrichten.

- De sociale breedheid van de landbouwontwikkeling moet aangepast worden aan niet-agrarische werkgelegenheid. De afvalrace tussen boeren is vooral pijnlijk als er onvoldoende werkgelegenheid is buiten de landbouw. Dit betekent dat kleine boeren en vrouwen ondersteund moeten worden, er landhervorming moet plaatsvinden vooral in Latijns-Amerika, en de drempels voor vernieuwing laag gehouden moeten worden. Dit laatste heeft consequenties voor de intellectuele eigendomsrechten.




  1. Mondiale beschikbaarheid van voedsel op lange termijn

Er komt een sterke stijging van de vraag naar voedsel, vooral door de stijging van de inkomens in een aantal ontwikkelingslanden. Tegelijkertijd worden de traditionele natuurlijke reserves voor het opvoeren van landbouwproduktie (vruchtbare grond, irrigatie e.d.) steeds schaarser.

Desondanks is er voldoende ruimte voor produktiestijging via nieuwe technieken als er wordt voldaan aan drie voorwaarden:


  • De hulpbronnen moeten goed beheerd worden, d.w.z. dat omvangrijke bodemdegradatie voorkomen moet worden.

  • Er mag geen grote desinvestering in land en menselijk kapitaal plaatsvinden, dus ‘multifunctioneel landgebruik’ moet niet doorschieten. Zo wordt er in Europa te veel landbouwgrond uit produktie gehaald, ten bate van bijvoorbeeld landschaps- en natuurontwikkeling. Op dit moment voorzien we nog niet eens in onze eigen voedselvoorziening, dit wordt vooral veroorzaakt door de hoge importen van veevoer uit de derde wereld. Op dit moment is dit nog geen probleem in Europa, maar bij een stijging van de graanprijs zou het kunnen gebeuren dat het graan verdwijnt in ons vee in plaats van de minder koopkrachtige Afrikanen. Ook moeten we opletten dat met het verdwijnen van landbouwbedrijven er niet teveel kennis en ervaring uit de landbouwsector verdwijnt. Europa zou dus in ieder geval zelfvoorzienend moeten zijn.

  • Er moet voldoende geïnvesteerd worden in onderzoek voor ecologische modernisering, zoals in precisielandbouw e.d.. Er moet dus voor gezorgd worden dat er tegelijkertijd zowel een produktiestijging als een daling van de milieuvervuiling optreedt. Biologische landbouw zorgt namelijk wel voor een daling van de vervuiling maar tegelijkertijd voor een daling van de produktie. Onderzoek en ontwikkeling die beide doelen kan bereiken duurt echter nog 20 jaar.

Andere voorwaarden zijn:

  • Mondiale beschikbaarheid van voedsel op de lange termijn moet een doel zijn van het Europese (en westerse) landbouwbeleid.

  • Er mag geen drastische vermindering van agrarische inkomenssteun plaatsvinden in het westen.




  1. Consequenties voor het internationale handelsbeleid

Uitgangspunten voor het internationale handelsbeleid zouden moeten zijn:



  • het beperken van de dumping (in ontwikkelingslanden),

  • ontwikkelingslanden vrije toegang geven tot de westerse markten,

  • toch een ondersteuning van de landbouwprijzen mogelijk maken.

Dit heeft tot gevolg dat:



  • ontwikkelingslanden hun landbouw mogen steunen, wat alleen mogelijk is via importheffingen op hun importen

  • ontwikkelde landen preferentiële toegang aan ontwikkelingslanden moeten geven,

  • ontwikkelde landen hun landbouw mogen steunen (via inkomenstoeslagen of prijsondersteuning) maar niet met exportsubsidies,

  • een toename van de zelfvoorzieningsgraad (dus overproduktie) van ontwikkelde landen wordt belast met een veelvoud van hun protectieniveau, waardoor produktiebeperking aantrekkelijk wordt,

  • deze belasting naar een internationaal fonds voor de landbouw in ontwikkelingslanden gaat.

Dit verschilt met de huidige trend in de GATT / WTO op onder andere de volgende punten:



  • sommige ontwikkelingslanden moeten de bescherming van hun boeren verlagen,

  • ontwikkelde landen mogen toeslagen onbeperkt gebruiken om hun zelfvoorzieningsgraad op te voeren.

Er wordt dus maximaal gestreefd naar zelfvoorziening en autonomie in het interne landbouwbeleid van landen. Tegelijkertijd wordt de exportexpansie afgestraft. Bij toekomstige voedseltekorten kan men de belasting op overproduktie variëren afhankelijk van het toekomstige aanbod op de wereldmarkt.



Verdere opmerkingen

Meer koopkracht in ontwikkelingslanden zal leiden tot vraag naar luxer voedsel (meer vlees e.d.) en tot meer consumptie van auto’s, meubels enz.. Verder gaat vooral in het westen via urbanisatie nu al de meest vruchtbare landbouwgrond verloren. Het komt er dus op aan de landbouwgronden in stand te houden en goed te beheren. Met biologische landbouw kan de wereld niet gevoed worden, want dat zou een min of meer vegetarisch dieet vereisen. Dat lukt in de toekomst niet meer als landen als China, ons eetpatroon gaan overnemen. Verder worden de braakligperiodes korter, de landbouw wordt dus intensiever. Ook is er meer kunstmest nodig voor aanvullende nutriënten. Overigens leidt kunstmest niet perse tot een minder duurzame landbouw, het vergt wel precisielandbouw.



Discussie en vragen




  • Lost minder armoede echt het voedselvraagstuk op?

Niek: Genoeg inkomen betekent op zich niet dat dan meteen de voeding verbetert. Het is wel de basis voor de verbetering (80% van de oplossing). In ontwikkelingslanden denkt men echter wel vaak, dat reclame hetzelfde als voorlichting is. Verder is ook meer diversificatie in de landbouw van belang (b.v. groenteteelt in plaats van een monoteeltgebied van koffie). Ook gaat het om gebruik van kennis, die in de ontwikkelingslanden zelf bij de boer aanwezig is. De micro-zaken kan men vaak wel zelf oplossen, het gaat erom dat op macro-niveau goede voorwaarden worden geschapen. Je kunt drie niveaus onderscheiden; micro (familie), macro (nationaal en bilaterale ontwikkelingshulp) en mondiaal (WTO).


  • De discussie wordt te snel macro-economisch. De relatie armoede – voedselzekerheid wordt te gemakkelijk gelegd. Er zijn ook rijken die slechter gaan eten. Er moet meer op micro-niveau worden gekeken.

Niek: De grootste voedselzekerheidsproblemen hebben wel met armoede te maken. Het gebrek aan toegang tot voedsel in de ontwikkelingslanden is het belangrijkste probleem. Hierna komen andere problemen zoals hygiëne, gebrek aan brandstof, het tekort aan micronutriënten bij b.v. zwangerschap. Oplossingen liggen dan toch in een groter inkomen voor de gehele bevolking, onderwijs, de positie van de vrouw, basisgezondheidszorg, medicatie en forsificatie en voorlichting. Voedingsdeskundigen zijn vooral gefocust op het toedienen van vitamines aan b.v. rijst


  • Biologische produktie vereist biologische consumptie. Verder is er meer invloed van en kennis bij kleine boeren vereist. De oplossing zou zijn groepen kleine boeren meer macht te geven.

Niek: Het vergt inderdaad biologische consumptie, en wel in de hele wereld. De toevoer van externe kennis naar deze boeren is ook nodig om de eenzijdigheid in de voedselproduktie te doorbreken. Zo zou men veel meer groenten kunnen verbouwen.


  • In hoeverre is het landbouwonderzoek b.v. in Wageningen gericht op technologische vernieuwing binnen de biologische landbouw?

Niek: Vereist is precisielandbouw dus landbouw op maat met betrekking tot kunstmest en bestrijdingsmiddelen o.a. afhankelijk van de toestand in de bodem, dit betekent de al genoemde ecologisering van de landbouw. Het onderzoek in het kader van de biologische landbouw bedraagt ca. 5 % van het budget van de Landbouwuniversiteit Wageningen. De vraag is of het de produktie wel verhoogt.


  • Wil Niek niet de kool en de geit sparen? Of: Zowel het lot van de boeren hier en daar tegelijkertijd verbeteren? Dat kan toch eigenlijk niet.

Niek: In ieder geval is het liberaliseren van de handel (WTO, DGIS, enz.) niet de oplossing voor de ontwikkelingslanden. De armoede in de derde wereld moet opgelost worden en de landbouwproduktie in het westen moet op lange termijn behouden worden. Het gangbare denken dat er voldoende voedsel beschikbaar is, is te kortzichtig. Een nieuwe (duurzame) Groene Revolutie en het beschermen van de produktiecapaciteit en de boeren in het westen blijven nodig. De discussie in Nederland is te ver doorgeslagen in het boerenland opofferen voor recreatie.

De WTO probeert de ontwikkelingslanden achter haar karretje te spannen, b.v. door toegang tot westerse markten te beloven. De derdewereld-beweging b.v. de NOVIB gaan mee in het blindstaren op de vrije toegang van ontwikkelingslanden op de westerse markt. De VS past tegelijkertijd ‘rich mans dumping’ toe, waarbij de produktie opgevoerd wordt via inkomensteun. Dat laatste kost de VS relatief weinig, want de VS telt maar weinig boerenbedrijven. Daarnaast willen ze dat EU stopt met dumping via exportsubsidies en Azië geen importheffing toepast. Produktiebeperking wordt momenteel binnen Europa tegen gehouden door de Franse graanhandel en de Nederlandse zuivelindustrie.




  • Je mag je eigen produktie toch beschermen?

Niek: Nee, van de WTO niet, want dat belemmert de export van een ander land.


  • Hoe kunnen we het oplossen van het wereldvoedselvraagstuk hoger op de politieke agenda krijgen?

Niek: Dat wordt moeilijk want je krijgt tegenstand van de grote multinationals, een deel van de boeren, degenen die Nederland als distributieland zien en degenen die landbouw als wisselgeld willen gebruiken voor de vervulling van andere belangen. Alleen partijen als Groen Links zou je aan je zijde hebben.
28 juni, 2000
Pim Juffermans

Guus Geurts



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina