Plaats-vinden, plaats-maken / 'Voor een tijd een plaats voor God'



Dovnload 12.14 Kb.
Datum30.09.2016
Grootte12.14 Kb.

Plaats-vinden, plaats-maken / 'Voor een tijd een plaats voor God'

Tjirk van der Ziel/Christiaan Hogenhuis

Moeten wij de wereld tot goede woonplaats maken? Of is de wereld al een goede woonplaats en vraagt het juist om de verbeelding dat te zien en zo een goede woonplaats te vinden? Wat biedt de notie van de pelgrimage in dit verband; het permanente vreemdelingschap en de onthechting die daarbij horen? Of gaat het juist om betere verbinding met de dingen, de natuur e.d.?


Ik begin met een nieuwsbericht. In The Sunday Times verscheen op 10 mei een verhaal van een boer in Sussex die een fabelachtig mooi aanbod kreeg om zijn land te verkopen. Hij bezit 222 hectare, en kan daarvoor (omgerekend) 380 miljoen euro krijgen. Dat is honderd keer de huidige waarde. Op zijn grond komt dan een deel van een nieuwe stad te staan die projectontwikkelaars hebben gepland, met tienduizend woningen.


Deze Robert Worsley zei nee. En dat was meteen nieuws. Tegenover de krant verklaarde hij: "Ik geloof in het nalaten van een erfenis voor komende generaties. Het zou de gemeenschap enorme schade berokkenen als ik het geld zou aannemen en vertrekken." Hij verzet zich met een groep lokale bewoners tegen de ontwikkeling van de nieuwe stad. "De gedachte alleen al dat we Sussex kunnen verkopen alsof het een goudmijn is! We kunnen het nooit meer terugkrijgen."

Zijn boodschap: niet alles is voor geld te koop. Landschap, tradities, het voortbestaan van kinderen - overwegingen die zwaarder wegen dan het korte termijn winstbejag. Saillant detail: het bedrag van 380 miljoen euro is slechts een zevende van wat de nieuwe stad straks waard zou zijn.



Toen ik dit bericht las, moest ik meteen denken aan een ander verhaal, uit het Oude Testament. In 1 Koningen 21 staat hoe koning Achab van Samaria zijn oog heeft laten vallen op een wijngaard, pal naast zijn paleis. Die wijngaard is van Nabot de Jizreëliet. Dan zegt Achab tegen Nabot: 'Geef me je wijngaard, dan wordt die mij tot moestuin, omdat hij zo dicht naast mijn huis ligt; in plaats daarvan geef ik jou een wijngaard die nog beter is dan deze, en als dat beter is in je ogen, geef ik je z'n koopprijs in zilver!' Maar Nabot zegt tot Nachab: Dat zij verre van mij, vanwege de Heer, om het erfgoed van mijn vaderen aan u te geven! Achab komt zijn huis binnen, boos en verbolgen over het gesprokene (...) Hij legt zich neer op zijn bed, draait zijn aanschijn af en heeft geen stukje brood gegeten.
Hoe het verhaal afloopt zal bekend zijn. Izebel, de koningin, vindt haar man maar een slappeling en belooft hem de wijngaard te geven. Met valse getuigenissen laat ze Nabot stenigen. Maar als Achab in de wijngaard rondloopt, komt hij Elia tegen. En Elia zegt namens de Heer: 'Op de plaats waar de handen Nabots bloed hebben gelikt, zullen de honden jouw bloed oplikken, ook dat van jou! (...) En ook over Izebel heeft de Heer gesproken en gezegd: De honden zullen Izebel opvreten op het stuk grond van Jizreël."
Mij gaat het hier vooral om de betekenis van de plaats. Op het eerste gezicht doet Achab aan Nabot een zeer genereus aanbod. Die wordt er beslist niet armer van. Maar rijkdom doet hier helemaal niet ter zake. Voor Nabot geldt de oude regel uit Numeri 36: 'Nooit mag een erfdeel rondgaan van een stam naar een andere stam; nee, per man zullen ze aan het eigen erfdeel vasthouden.'
In beide berichten gaat het over een erfenis, een erfdeel. Voor Worsley én voor Nabot betekent land bestaanszekerheid. Dat is niet vanzelfsprekend. Voor het volk Israël was er zelfs een goddelijke instructie nodig om te voorkomen dat met land handel wordt gedreven, met als gevolg dat mensen aan de bedelstaf raken. Het zit God zo hoog, dat Hij menig profeet erop uitstuurt, zoals Micha, die fulmineert tegen degenen die 's nachts in bed al liggen te bedenken welke akkers ze de volgende dag zullen inpikken, eventueel met huisraad en de arbeiders erbij - ook hier klinkt het 'erfdeel'.
In het Oude Testament kent niet de mens, maar God een waarde toe aan grond. Een stuk grond wordt dan een plaats, een plek met historische, culturele, ethische en geestelijke aspecten. God kiest bv zelf een plek uit waar de tempel moet komen te staan die Salomo gaat bouwen: op de dorsvloer van Ornan de Jebousiet (1 Kronieken 21).
De Bijbel begint al direct met plaats. In de scheppingswoorden klinkt door hoe de aarde als woonplaats wordt gereedgemaakt, en vervolgens gevuld met leven, met een speciale plek voor de mens, in de tuin van Eden. Ook uit de naamgeving blijkt de verbondenheid: Genesis 1:25 legt een verband tussen mens en akker, tussen Adam op de ‘adamah. Het woord 'adamah komt in allerlei vormen voor, van 'grond' tot en met 'aardbodem'. Maar in verbinding met het volk Israël benadrukt 'adamah niet het bezit, maar de gave van de grond. Het wonen op de ‘eigen’ ‘adamah vraagt om een bijzondere levenshouding, die in de bijbel wordt aangeduid met 'trouw aan de torah'. Wanneer het volk Israël die trouw aan de torah niet naleeft, verliest het de 'adamah. Dan raakt het in ballingschap.
Het leven op de 'adamah draait daarmee om verantwoordelijkheid. Israël heeft een driehoeksrelatie met de grond waarop het leeft en met God, die de grond geeft. De grond is in deze relatie dus geen object, maar partij, een actor, een plaats, concreet aanwijsbaar en vaak met een naam aangeduid, kijk maar eens op historische kaarten. Mens-zijn is: leven in verbondenheid met de 'adamah, twee voeten op de grond, voor het aangezicht van God. Op de ‘adamah is de plaats waar het leven opbloeit: wie goed voor de akker zorgt, krijgt er veel voor terug. Zo is het ook in het groot, de aarde is onze akker.
Akker, land, plaats zijn altijd van groot belang geweest. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de oertalen waarvan sporen nog altijd door onze huidige talen heen schemeren. Neem het woord 'land', het element waar de mens vanouds zich het meest om bekommerde. Dat woord is meer dan vijfduizend jaar oud, en stamt uit de tijd dat de eerste boeren zich in kleine nederzettingen probeerden te handhaven. Een oerwoord. Dat zijn woorden die gaan over de wijze waarop onze verre voorouders een woonplek maakten en hoe dat in taal tot uitdrukking werd gebracht. Het zijn alledaagse woorden die toen een belangrijke rol speelden en al millennia nagenoeg dezelfde vorm hebben behouden. Taalkundige Maarten Jan Hoekstra heeft er onlangs een prachtig boek over geschreven.

Tegenwoordig hebben nog slechts weinig mensen in hun dagelijks werk een band met het land. Maar misschien juist het besef dat we iets wezenlijks aan het kwijtraken zijn, maakt dat er weer aandacht hiervoor komt, en dan vooral in de vorm van 'plaatsen van herinnering'. De onthechting zorgt voor een tegenbeweging, een onderstroom die het onbehagen kanaliseert. Mensen krijgen interesse in landschap, in bijzondere plekken, in lokale gebeurtenissen en persoonlijke geschiedenissen, in het gevoel deel uit te maken van een groter geheel.



Volgens mij heeft de christelijke traditie veel bagage om de concrete plaats gestalte te geven. Samen met mensen die eveneens verlangen naar een worteling met de plek waar ze wonen en werken. Gelovigen kunnen daarin ook een taal inbrengen die velen in onze tijd verloren hebben, en geen woorden meer weten te vinden om tot uitdrukking te brengen waarom zaken rond natuur en milieu hen aan het hart gaat. De christelijke taal gaat over heling, voor velen een nieuwe manier van omgang met aardse plekken.
Want er zijn nogal wat ecologische vragen te stellen. Hoe duurzaam is onze levensstijl? Hoe krijgen we een rechtvaardige samenleving? Waar ligt onze verantwoordelijkheid bij het mondiale armoedeprobleem of bij de oorzaken én gevolgen van klimaatverandering? Deze vragen worden steeds belangrijker, maar het lijkt steeds moeilijker er een goed antwoord op te geven. De Franse filosoof Albert Camus schreef een halve eeuw geleden: "We beleven aldus de tijd van de grote steden. Met voorbedachten rade is de wereld geamputeerd van wat duurzaam in haar is: de natuur, de zee, de heuvel, de overpeinzing ’s avonds." Sommigen menen dat het moderniseringsproces niet alleen de aandacht voor plaats heeft genegeerd, maar zelfs bewust heeft onderdrukt (Edward Casey).
De weg naar een duurzame oplossing is de weg terug. We moeten weer - letterlijk - onze plaats vinden. Begint dat niet met (alledaagse) kennis van onze eigen omgeving? Van de ontstaansgeschiedenis van plekken? En gaat een besef van roeping niet gepaard met herstel van plekken waar de balans zoek is, waar mens en dier lijden onder onrecht? En vloeit uit dat plaats-vinden dan niet vanzelf een plaats-maken voor de ander voort, mens én dier, omdat die toch ook tot zijn recht moet komen? Kortom, is geloven niet gewoon een heel aardse bezigheid, en behoort theologie dat ook niet te zijn?



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina