Plastische opvoeding



Dovnload 328.47 Kb.
Pagina1/3
Datum24.08.2016
Grootte328.47 Kb.
  1   2   3




Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs

Guimardstraat 1, 1040 Brussel






PLASTISCHE OPVOEDING

EERSTE GRAAD B-stroom





LEERPLAN SECUNDAIR ONDERWIJS

September 2011

VVKSO – BRUSSEL D/2011/7841/026
(Vervangt leerplan D/1999/0279/099)



Inhoud

Situering van het leerplan 5

1 Visie op het vak 6

Beschouwen 6

Creëren 6

2 Situering van het leerplan 8

2.1 Plastische opvoeding binnen het kader van muzische vorming 8

2.1 Plastische opvoeding binnen het kader van muzische vorming 8

2.2 Samenhang 9

2.2 Samenhang 9

Samenhang met de tweede graad 9

Samenhang met de tweede graad 9

3 Beginsituatie 10

4 Leerplandoelstellingen 11

5 Pedagogisch-didactische wenken 17

5.1 Wenken voor de klaspraktijk 17

5.1 Wenken voor de klaspraktijk 17

5.2 Belang van kunst – en beeldbeschouwing 17

5.2 Belang van kunst – en beeldbeschouwing 17

5.3 Zelfstandigheidsdidactiek 17

5.3 Zelfstandigheidsdidactiek 17

5.4 De procesmap 18

5.4 De procesmap 18

5.5 Mediëren in de B-stroom 18

5.5 Mediëren in de B-stroom 18

5.6 Evalueren 19

5.6 Evalueren 19

5.7 Rapporteren 19

5.7 Rapporteren 19

5.8 Integratie van ICT 20

5.8 Integratie van ICT 20

5.9 Taalgericht vakonderwijs 20

5.9 Taalgericht vakonderwijs 20

3.9 Differentiëren, observeren en oriënteren 21

3.9 Differentiëren, observeren en oriënteren 21

6 Minimale materiële vereisten in verband met uitrusting en didactisch materiaal 22

6.1 Noodzakelijke infrastructuur 22

6.1 Noodzakelijke infrastructuur 22

6.2 Aanvullend (wenselijk) materiaal 22

6.2 Aanvullend (wenselijk) materiaal 22

7 Bibliografie 23

8 Bijlagen 26

8.1 Lijst met vakgebonden ontwikkelingsdoelen 26

8.1 Lijst met vakgebonden ontwikkelingsdoelen 26

8.2 Leerlijnen in de (meest voorkomende) beeldaspecten 27

8.2 Leerlijnen in de (meest voorkomende) beeldaspecten 27

8.3 Begrippenlijst 29

8.3 Begrippenlijst 29



Inleiding

Situering van het leerplan

Zie website van het VVKSO bij lessentabellen.


Werken met een graadleerplan

Dit leerplan is een graadleerplan waarbij geen verdeling is gemaakt tussen 1ste leerjaar B en bvl. De doelen moeten dan ook niet chronologisch behandeld worden. Bij het opstellen van het jaarplan maakt de leraar een zinvolle verdeling van leerinhouden en activiteiten over de twee leerjaren. Als verschillende leraars het vak geven, moeten in de vakwerkgroep duidelijke afspraken gemaakt worden.

Voor de B-stroom werden geen eindtermen vastgelegd, maar wel ontwikkelingsdoelen. Waar voor eindtermen een resultaatsverbintenis geldt, hebben scholen als het om ontwikkelingsdoelen gaat een inspanningsverplichting. Voor de B-stroom betekent dit dat de school bij elke leerling deze doelstellingen moet ‘nastreven’. Dit geeft hen iets meer ruimte om het leren van de jongere centraal te stellen.

Wij hebben bij de doelstellingen steeds de verwijzing naar de ontwikkelingsdoelen opgenomen. De lijst met ontwikkelingsdoelen is te raadplegen in bijlage.



  1. Visie op het vak

Plastische opvoeding is een wezenlijk en noodzakelijk onderdeel van de algemene vorming van iedereen.
Als algemeen vormend vak wil PO, via de beeldende communicatie, jongeren helpen bij het zoeken naar zichzelf en hun plaats in de maatschappij, om zo in de samenleving op een zinvolle en authentieke manier te functioneren.

Ons steeds veranderend maatschappijbeeld heeft nood aan creatieve mensen, die inventief en origineel kunnen zijn en die steeds een oplossing vinden voor nieuwe problemen.


PO ontwikkelt bij jongeren een manier van denken die aan de basis ligt van de creativiteit. Ze ontwikkelt daartoe tevens de nodige attitudes van zelfvertrouwen en verantwoordelijkheid. Door het beeldend creëren helpt PO hen om hun authenticiteit te vinden en zo op te groeien tot evenwichtige volwassenen. In het totale creatieve proces staat het plezier beleven centraal.

Jonge mensen inleiden in cultuur, raakpunten aanbieden die bijdragen tot de vorming van de universele mens, laten we bij voorkeur gebeuren vanuit het specifieke van de taal zelf.


De beeldtaal heeft, zoals iedere taal, haar eigen structuur en wetmatigheden. De belangrijkste componenten: lijn, vorm en kleur beantwoorden aan de plastische eigenschappen van de waarneembare werkelijkheid, die de basis vormt van beeldtaal. Vanuit die waarneembare werkelijkheid nemen we beelden op in het visueel geheugen en in het geheugen van de tactiele waarneming. De beheersing van deze taal stelt ons in staat onze ideeën, gevoelens en ervaringen te uiten. Hoe beter men deze taal beheerst, hoe meer men ermee kan uitdrukken.

Het didactisch proces verloopt van beschouwen naar creëren.

Beschouwen

De belangrijkste componenten van deze beschouwing zijn de natuur en de cultuur. De cultuur manifesteert zich in de ons omringende wereld, waarvan de beeldende kunst en de mediabeelden onderdelen zijn.


Door het beleven van de natuur gaan we terug naar de oorsprong, naar de bron. Het ontdekken van structuren, ordening en schoonheid in de natuur is voor PO de grootste uitdaging.

Ieder onderwijsvak heeft een onderliggend cultuurgoed. Het onderliggend cultuurgoed van de beeldende vorming is de beeldende kunst uit het verleden en het heden. De kunstenaar toont ons op specifieke wijze zijn werkelijkheid aan de hand van een persoonlijk omgaan met beeldaspecten, materialen en technieken.

Door de kunstinitiatie worden leerlingen uitgedaagd en geprikkeld, krijgen zij impulsen, leren ze gevoelens ontdekken, begrijpen en uiten. Ze gaan op zoek naar de boodschap in de creatie. Ze associëren wat ze in de kunst ontdekken met de eigen belevingswereld. Kortom ze worden uitgenodigd om zelf te creëren.

Beeldcultuur is onder andere via de massamedia (computergames, video, tv, film …) sterk aanwezig in het leven van elke dag. Jongeren krijgen niet enkel hun vorming en opleiding op school, maar worden ook gevormd door de dagelijkse media-informatie, die merendeels via beelden verloopt. Om de beeldcultuur te begrijpen is het leren kijken naar beelden een eerste stap. Daarom willen we het waarnemingsvermogen bij jongeren aanscherpen en hen bewust leren omgaan met beelden en deze op een zinvolle wijze leren interpreteren.

Creëren

Tijdens het waarnemen en het creëren krijgt het beeldend werk van de leerlingen inhoud en betekenis. De totstandkoming van het werk of het creatief proces veronderstelt een voortdurend probleemoplossend denken en handelen. Door de confrontatie met onderwerp, thema, concept, emotie of project worden leerlingen uitgedaagd een creatieve houding aan te nemen. Via brainstorming worden originele ideeën ontwikkeld en opdrachten verdeeld. Individueel of in groep worden concepten gerealiseerd, gepresenteerd en geëvalueerd. Alleen een authentiek werk kan een correct antwoord zijn op een opdracht van PO.

Gelijktijdig zal het vertrouwen in eigen kunnen toenemen en worden attitudes ontwikkeld zoals: plezier beleven bij het creëren, authenticiteit, esthetische zin, zorg, luisterbereidheid, respect voor elkaar en het materiaal, assertiviteit, verantwoordelijkheid, weerbaarheid, solidariteit, zelfredzaamheid, kritische houding.

Via het creëren gaat de leerling ook communiceren. Zo kan het volledige proces vergeleken worden met een communicatieproces. De leerling creëert boodschappen via de beeldtaal. Wat de leerling op die manier uitdrukt, wordt door anderen (of jezelf) waargenomen en gedecodeerd. Door je als toeschouwer te verplaatsen in het ‘product’ kom je in contact met de belevingswereld van de ander. Je ontmoet de ander in ‘zijn verhaal’ of je ontmoet jezelf in het eigen werk. In die zoektocht naar zichzelf en hun plaats in de maatschappij, ontwikkelen jon- geren een eigen levensstijl en leren ze genieten van kunst en cultuur.





  1. Situering van het leerplan

    1. Plastische opvoeding binnen het kader van muzische vorming

Muzische vorming
Plastische opvoeding (PO) is een onderdeel van de algemene muzische vorming.
Onder muzische vorming verstaan we alle kansen die scholen bieden om de muzisch creatieve ontwikkeling bij jongeren te stimuleren. Die muzische vorming moeten we zien als een continuüm doorheen de hele schoolloopbaan van elke leerling.


Basisschool
In de basisschool spreken we van ‘Muzische opvoeding’, een onmisbaar onderdeel van de algemene vorming van de kinderen . Om zich expressief en creatief te uiten, wordt hier gebruik gemaakt van de componenten ‘muziek en klank’, ‘beeld’, ‘drama’, ‘woord en beweging’.
De beeldtaal in de basisschool richtte zich vooral op de inhoud van beelden. Gaandeweg ontdekten de leerlingen middelen waarmee beelden kunnen worden vormgegeven. Die middelen zijn de beeldaspecten, materialen en technieken.
Zij leerden dat een goed muzisch proces evolueert van beschouwen naar creëren. Die grondpeilers zijn eveneens de basiscomponenten van PO in het secundair onderwijs.

Wat beschouwen en creëren betreft, werden leerlingen in het basisonderwijs geconfronteerd met de volgende doelstellingen:

Beschouwen: openstaan voor beelden
bewust zijn van het feit dat beelden een zeggingskracht hebben
inhouden, beeldaspecten, technieken en materialen achterhalen in beelden

Creëren: beeldende middelen exploreren en ermee experimenteren


de mogelijkheden van de beeldtaal gericht leren hanteren
een eigen beeldtaal hanteren om impressies weer te geven
strategieën aanwenden om te creëren
Het leerplan ‘beeldopvoeding’ suggereert langs die algemene doelen ook een aantal streefdoelen op cognitief vlak (kennis verwerven), dynamisch-affectief vlak (vreugde beleven), psychomotorisch vlak (technieken beheersen) en streefdoelen die een ontwikkelingsdomein overstijgen (bv. beeldende problemen op een creatieve manier oplossen).

Secundair onderwijs
In het secundair onderwijs wordt gekozen voor een vakspecifieke benadering van de muzische vorming o.a. in PO, MO en Beeldende vorming. Dat gaat niet in tegen de gedachte van een ononderbroken leerlijn over de niveaus heen, maar laat toe om de deskundigheid van vakleerkrachten in te zetten, die op basis van hun opleiding en ervaring het best geplaatst zijn om deze vakken te begeleiden. Het zijn deze mensen die de onmisbare spil vormen van de muzische vorming in de school. In de lessen PO en Beeldende vorming in de eerste, tweede en derde graad gaan de leerlingen, via eigen creatie, de kennis van visies, beeldaspecten, materialen en technieken verwerven.

Muzisch schoolklimaat

Om op een hedendaagse en toekomstgerichte manier die opdracht te kunnen realiseren, dient een muzisch schoolklimaat aanwezig te zijn. Dat in deze een belangrijke rol is weggelegd voor de schoolleiding is duidelijk. Een promotende houding voor al wat met het artistieke, kunstzinnige en muzische te maken heeft, is brood-nodig. Daarom willen we hier pleiten om de verantwoordelijken voor de creatieve vorming in de school van nabij te betrekken bij de inhoudelijke invulling van het onderwijsaanbod. Bovendien zijn bedrijven, overheid en zorgverstrekkende instellingen meer en meer vragende partij voor een creatieve samenwerking.


De resultaten van de lessen PO zullen door hun visueel karakter bijdragen tot de artistieke look van de school. Daarenboven zullen projecten via de ondersteuning van PO de nodige uitstraling krijgen.

    1. Samenhang

Over de verschillende vakken

De ondersteuning van cultuurbevorderende projecten mag niet uitsluitend het werk zijn van de leraar PO en MO. Ook in de taalvakken, godsdienst e.a. zal men regelmatig verwijzen naar kunstuitingen. Alle leraren zijn gebaat bij een muzisch-creatieve benadering van hun leergebied. Een dergelijke benadering draagt immers onmiskenbaar bij tot een beter en dieper beklijven van de leerstof, tot een grotere betrokkenheid bij en een beter welbevinden van de leerling. Elk goed leren is een creatief en actief gericht proces waarbij wordt aangestuurd op geïntegreerde toepassing van het geleerde in een vakoverschrijdende bredere context.



      Samenhang met de tweede graad

Slechts in enkele studierichtingen behoort Plastische opvoeding in de tweede graad tot de basisvorming. Voor deze leerlingen kan van de eerste naar de tweede graad een leerlijn ontwikkeld worden voor de basisvaardigheden bv. waarnemen, omgaan met beeldaspecten en kunstbeschouwing. In horizontaal en verticaal overleg bepaalt de leraar de leerinhoud wat de beeldaspecten betreft, de thema’s en de aangeboden kunstenaars. De leerlingen met het nodige talent en interesse kunnen naar een tweede graad in een artistieke richting doorstromen. Met de verworvenheden van PO uit de eerste graad zijn ze voldoende voorbereid.


  1. Beginsituatie

De beginsituatie van jongeren in de B-stroom is zeer specifiek. Mede daardoor is de samenstelling van klassen in de regel ook erg heterogeen.

1ste leerjaar B onthaalt jongeren



  • die het basisonderwijs hebben beëindigd zonder getuigschrift;

  • die het basisonderwijs niet hebben beëindigd maar op basis van leeftijd de overstap maken naar het 1ste leerjaar B;

  • die een getuigschrift basisonderwijs bezitten maar op advies de overstap maken naar het 1ste leerjaar B;

  • uit het buitengewoon onderwijs;

  • uit de onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers.

  • met leerstoornissen;

  • met een leerachterstand;

  • met een andere thuistaal dan het Nederlands;

  • met een geringe beheersing van de instructietaal en de schooltaal.

    In bvl vinden we jongeren



  • die het 1ste leerjaar B al dan niet met vrucht beëindigd hebben;

  • die overgaan op basis van leeftijd;

  • die na heroriëntering vanuit het 1ste leerjaar A in bvl instromen, zij hebben soms een voorsprong op gebied van algemene vakken;

  • die uit de onthaalklas komen voor anderstalige nieuwkomers;

  • die uit het buitengewoon (basis)onderwijs komen.



De meeste van deze jongeren zitten nog in volle exploratie van hun persoonlijke talenten en kwaliteiten. Soms komen ze uit maatschappelijk kwetsbare groepen en kenden ze weinig succeservaringen. Meer nog dan ondersteuning voor technisch lezen of rekenen, meer nog dan stimulansen voor hun leercapaciteiten, hebben zij nood aan een motiverende aanpak.

Spelenderwijze worden deze jongeren gevormd door de massamedia waar ze dagelijks mee geconfronteerd worden. Zij leven in een digitale wereld waar het voor de meesten niet gemakkelijk is realiteit van fictie te onderscheiden. Maar al te graag spiegelen ze zich aan fictieve personages. Hier ligt een belangrijke taak voor de PO leraar om authenticiteit en originaliteit na te streven.



  1. Leerplandoelstellingen

Kolom 1 bevat de leerplandoelstellingen voor PO.

Kolom 2 omschrijft de ondersteunende kennis, inzichten, vaardigheden, attitudes en wenken. Deze kolom wil de leerkracht tips aanreiken bij de uitwerking van de opgesomde doelstelling. Hier situeert zich ook de vrijheid van de individuele leerkracht.

Kolom 3 verwijst naar de ontwikkelingsdoelen (OD) van PO. Voor de overzichtslijst van deze OD zie bijlage 1.


Waarneming





Leerplandoelstellingen

Ondersteunende kennis, inzichten, vaardigheden,

attitudes en wenken

OD

  1. Aandachtig waarnemen door gebruik van de zintuigen

Dit kan door:

  • tijd te nemen om aandachtig waar te nemen met maximaal gebruik van de zintuigen

  • nieuwsgierig en onbevooroordeeld te kijken

  • textuur met de handen waar te nemen door te voelen

  • van globaal naar detaillerend waarnemen te komen

  • gebruik te leren maken van hulpmiddelen die de kwaliteit van de waarneming bevorderen bv. zoekertje

1

  1. Het authentieke in cultuur-, kunst- en mediabeelden nieuwsgierig en onbevooroordeeld ontdekken en er zich over verwonderen

Natuurbeelden beschouwen zoals:

  • het groeiproces van bomen, planten, groenten en vruchten

  • de kleurenpracht van fauna en flora

  • de camouflages van dieren in de natuur

  • ritmische ordeningen bv. honingraat, schubben van een slang, wemeling van grassen en riet…

Nieuwsgierig zijn naar onbekende culturen, kunst(uitingen) en mediabeelden

Tijdens de kunstbeschouwing de boodschap van de kunstenaar achterhalen (U)



1

  1. Analyserend waarnemen in functie van de inhoud, beeldaspect, materiaal en techniek

Kijkwijzers als instrument gebruiken

Herkennen dat beeldaspecten, materialen en technieken gekozen worden in functie van de inhoud

Beelden indelen op basis van beeldende criteria:


  • inhouden: bijvoorbeeld insect in de natuur, insect van Jan Fabre, insect op verdelgingsverpakking, insect in de animatiefilm

  • beeldaspecten: zie bijlage 2 ‘leerlijnen van de beeldaspecten’ waarin een mogelijk aanbod voorgesteld wordt

  • technieken: tekentechnieken, grafische technieken, schildertechnieken, ruimtelijke technieken, mixmedia, gemengde technieken, collage, assemblage, ICT, fotografie

  • materialen: potlood, houtskool, pastel, verf, inkt, klei, papier-maché, vindmateriaal

1, 2

  1. Verschillende beeldaspecten binnen lijn, vorm, compositie, kleur, licht en ruimte herkennen en benoemen

Via gericht kijken naar natuur, cultuur-, media- en kunstbeelden

Kijkwijzers als instrument gebruiken



1, 3

  1. Door middel van de waarneming het essentiële van het bijkomstige onderscheiden

De waarnemingsstudie herleiden tot de basisvormen

Structuur zien in wat waargenomen wordt bv. de opbouw van een boom



1

  1. Open staan voor de boodschap in cultuur-, kunst- en mediabeelden

Ontdekken hoe de wereld in beelden tot ons spreekt zoals reclamebeelden, videoclips, filmbeelden, kunstbeelden, signalisatie borden, pictogrammen, e.a.

2

  1. Bewust zijn dat beelden op allerlei manieren kunnen manipuleren

Kritische opstelling tegenover mediabeelden

Mediaboodschappen zijn niet altijd een weergave van de werkelijkheid: bv eenzelfde onderwerp in werkelijkheid en in een mediaboodschap vergelijken (TV-nieuws, videoclip, film, soaps, computergames)

De beïnvloeding van het eigen consumptiegedrag door mediabeelden die dagelijks op ons afkomen

Reclamespotjes vergelijken met boodschappen van algemeen nut

Reclame, drukwerk, uitnodigingen, wenskaarten en affiches bespreken


2

  1. De interactie tussen beeld en geluid in de wereld van de media ontdekken




Videoclips, filmfragmenten, e.a. bekijken met en zonder geluid (muziek) en onderzoeken hoe in beide gevallen de visuele boodschap overkomt bv. Bekijken van een spannend filmfragment of videoclip met en zonder geluid

Onderzoeken hoe beeld en geluid elkaar ondersteunen en versterken in bv. videokunst, animatiefilm, videoclips, stomme films, videogames

Het visualiseren vanuit een klanklandschap (opname opeenvolgende geluiden)

Een geluid van een (animatie)film laten beluisteren zonder beeld en zelf een passende schets/storyboard laten samenstellen (U)



4




Vormgeving





Leerplandoelstellingen

Ondersteunende kennis, inzichten, vaardigheden,

attitudes en wenken

OD

  1. Schetsen naar waarneming

Schets als middel om gericht te kijken: bv. snelschetsen, blindschetsen, 1-lijnschetsen, schetsen op aangepast formaat, schetsen met verschillende materialen, maar steeds in het belang van het ‘kijken’

6

  1. Waarnemingsbeelden als basis voor de eigen beeldvorming gebruiken

Vanuit gerichte waarnemingsoefeningen komen tot nieuwe creaties zoals stileringen, abstracte en decoratieve toepassingen, compositieoefeningen, ruimtelijk werk

6

  1. Eigen ideeën, gevoelens, fantasieën op een authentieke en originele manier uitdrukken




Eigen ideeën vastleggen door middel van een schets

Eigen ideeën en documenten verzamelen en selecteren naar bruikbaarheid

Waarnemingen, ervaringen, herinneringen, indrukken, gevoelens en visies via schetsen, tekenen, schilderen, boetseren, collage, maquette, e.a. uitwerken

Een vanzelfsprekende vormgeving durven loslaten



6,9


  1. Kleur op een expressieve en symbolische wijze onderzoeken en toepassen




Experimenteren met primaire, secundaire en tertiaire kleuren

Schakeringen van kleur ontdekken

Door experiment en onderzoek met diverse materialen en technieken komen tot kleurmengingen.

De symboolwaarde en de betekenis van kleuren onderzoeken

Een onderscheid maken tussen enkele eenvoudige kleurcontrasten, bv. licht/donker contrast, warm/koud contrast en deze evenwichtig leren toepassen

Gevoelens uiten door middel van kleuren (impressie en expressie)



7

  1. Vormeigenschappen vlak en ruimtelijk onderzoeken en toepassen




Het karakter van een vorm herkennen zoals rond/hoekig, geometrisch/organisch, open/gesloten, statisch/dynamisch, symmetrisch/asymmetrisch

Vorm en restvorm onderscheiden

Een vorm vereenvoudigen (stileren, abstraheren)

De rol van licht en schaduw op een vorm ontdekken en weergeven

Vlak werk en ruimtelijk werk ontwerpen en creëren


8

  1. Compositieleer onderzoeken en toepassen




Een derde dimensie (ruimte) suggereren in een plat vlak door toepassing van planmatige opstelling, voor/achter, overlap- ping, afsnijding, lijnperspectief, licht en schaduw, kleurgradaties

Formaat en bladrichting kiezen in functie van de compositie

Evenwichtige compositie nastreven door gebruik van compositieschema’s


8

  1. Mogelijkheden, beperkingen en de grote verscheidenheid van materialen en technieken exploreren

Onderzoeken van en experimenteren met materialen en technieken

Mogelijkheden:



  • tekentechnieken: potlood, pen, krijt, penseel, e.a.

  • druktechnieken: monotype, lino, gipssnede, stempeltechnieken, karton, structuur, e.a.

  • schildertechnieken: dekkend, transparant, nat in nat, e.a.

  • ruimtelijke technieken: boetseertechnieken, draadconstructies, technieken met vindmaterialen, textiel, e.a.

  • samengestelde technieken

  • mixmedia-technieken

Materiaal en techniek kiezen in functie van de beeldtaal

5

  1. Mogelijkheden van het gebruik van ICT en media onderzoeken en toepassen in functie van de beeldende opdracht

Mogelijkheden van ICT en media kritisch onderzoeken

Video, fototoestel, digitale camera, computer gebruiken in functie van de beeldende opdracht

Teksten en beelden vormgeven met de computer

Een eenvoudige animatiefilm maken (aan de hand van leg-figuren, zandtekeningen, plasticine, maquettes, e.a.) stopmotionfilmpje, opnames met blue-key, flip book, e.a.

Fotografietoepassingen zoals sleeveface, trick-fotografie, tableau vivant, lichtgraffiti, e.a.


5




Verwoorden en attitudes





Leerplandoelstellingen

Ondersteunende kennis, inzichten, vaardigheden,

attitudes en wenken

OD

  1. Tijdens het creatieve proces problemen herkennen en zoeken naar mogelijke oplossingen

Probleemoplossend vermogen ontwikkelen

De nodige creativiteit aanwenden tijdens het onderzoeksproces

Mogelijke instrumenten zijn: zelfevaluatie, kijkwijzer, stappenplan


14

  1. Ontwikkelen van een open houding die interesse in kunst, cultuur en andere leefwerelden toelaat




Nieuwsgierig en onbevooroordeeld kijken

Tijdens beeldbeschouwing open staan voor informatie

Kennis maken met het specifieke van een andere cultuur, bv. Etnische maskers, Aboriginalkunst, Egyptische kunst

Bij het bezoek aan een tentoonstelling of musea belangstelling tonen

Diverse culturele informatiebronnen uit hun omgeving leren raadplegen


10,12,15


  1. Ontdekken dat stemming, voorkeur of vooroordeel het creatieve proces kan beïnvloeden en daarover in gesprek gaan




11

  1. Durven de eigen mening uiten in groep




Geloven in eigen mening

Voor een mening durven uitkomen

Groeien in het formuleren van een eigen mening tegenover het eigen werk en dat van anderen (leerlingen, kunstenaars, vreemde culturen)





  1. Luisteren naar anderen






  1. Leven gemaakte afspraken na







  1. Durven expressief zijn

Durven grenzen verleggen van het eigen kennen en kunnen

17

  1. Kunnen de verschillende fases van de opdracht in de juiste volgorde toepassen

Mogelijke fases zijn: de voorbereiding van de opdracht, opbouw, omgang met beeldaspecten, techniekbeheersing, materiaalkennis

Gegevens over het creatieve proces bijhouden in een logboek, procesmap of een werkschrift

Tussentijdse kijkmomenten voorzien om de evolutie te volgen





  1. Leren hun werktempo aanpassen aan de vooropgestelde timing







  1. Aanvaarden mogelijke problemen in hun creatieve proces

Een probleemoplossende houding ontwikkelen

14

  1. Kunnen gepast omgaan met opbouwende kritiek

Individuele en klassikale besprekingen houden waarbij leerlingen de mening van anderen leren aanvaarden,,ook als het niet altijd positief klinkt

Kritiek zien als hulpmiddel om het eigen werk bij te sturen



14

  1. Tonen respect voor eigen werk en dat van anderen







10

  1. Gaan op een respectvolle manier om met eigen materiaal en dat van anderen







  1. Houden vol tot de eigen creatie afgewerkt is

Een opdracht verder zetten ook wanneer er moeilijkheden opduiken




  1. Streven naar orde, stiptheid en nauwkeurigheid







  1. Kunnen in groepsverband samenwerken aan een opdracht




Enkele suggesties: tijdens brainstorming, in het samen ontwerpen, groepsopdrachten met 2 of meer leerlingen samen uitvoeren, tijdens projectwerk, tijdens evaluatiemomenten

Zoeken naar mogelijkheden om werk te presenteren in groepsverband, bv. groepsopstelling, tentoonstelling, wand- collage, mobile, voorstelling via media




16

  1. Lichten de eigen creatie en het proces toe

Mogelijke hulpmiddelen zijn: kijkwijzer, stappenplan, zelfevaluatie, spelvormen zoals vraag – antwoordmethodiek

Tijdens klassikale gesprekken niet uitsluitend het product beoordelen maar zeker ook het proces



13

  1. Krijgen zicht op het eigen kunnen door middel van zelfevaluatie

Gerichte vraagstelling helpt de leerling inzicht te krijgen in zichzelf


14

  1. Winnen aan zelfvertrouwen bij het oplossen van beeldende problemen

Het zelfvertrouwen groeit door herhaalde positieve feedback, succeservaring, positieve ervaringen over het eigen kunnen, fierheid over eigen probleemoplossend vermogen, enz.

17

  1. Genieten van het creatief proces

Recht op lukken en mislukken




  1. Pedagogisch-didactische wenken

    1. Wenken voor de klaspraktijk

De doelstellingen worden het best nagestreefd door middel van korte en afwisselende opdrachten. Opdrachten die een lang werkproces vergen of vele opdrachten rond eenzelfde thema leiden bij leerlingen van deze klasgroepen vaak tot concentratievermindering en verveling.

De keuze van de thema’s kan gericht zijn op het verbreden van de horizon en de interesses van de leerlingen. De leraar kan bijvoorbeeld aanknopen bij de leefwereld van de jongeren, een link leggen met andere vakken, aansluiten bij de actualiteit, instappen in de wereld van cultuur, kunst en nieuwe media.

Het is belangrijk om de opdracht zo duidelijk mogelijk te omschrijven. De opdracht kan in een opdrachtenfiche beschreven worden met daarbij de beoogde evaluatiecriteria voor zowel het product als het proces. Om deze leerlingen maximaal te ondersteunen is een stappenplan op de opdrachtenfiche sterk aan te raden.

Mogelijke delen voor de opdrachtenfiche:

Titel van de opdracht
Korte omschrijving van de opdracht

Stappenplan

Evaluatiecriteria

Vereiste kennis en beeldbeschouwing



    1. Belang van kunst – en beeldbeschouwing

Door de deur van Cultuur en Kunst wagenwijd open te zetten geven we jongeren de kans hun affiniteit met kunst en met het cultureel erfgoed te ontwikkelen. Dit is een proces dat start bij de waarneming van beelden.

Zelf kunst beoefenen of zien beoefenen leidt tot zingeving en zelfontplooiing, prikkelt de zintuigen en de geest en neemt ons mee naar de wereld van de kunstenaar, weg van de dagelijkse realiteit. Hetgeen mogelijkheden schept om tot inzichten te komen. Jongeren krijgen zo de kans om zichzelf te ontdekken en te begrijpen waardoor er ook begrip ontstaat voor de anderen in een snel draaiende wereld.

Een mens zoekt, stelt vragen en probeert antwoorden te vinden. Steeds weer opnieuw. Kunst- en beeldbeschouwing kunnen hierin in belangrijke mate helpen want in kunst kan en mag alles gezegd worden, is er ruimte voor onderzoek en experiment. Beelden raken je, je wordt erdoor gegrepen en beroerd. Je gaat op ontdekkingreis, je neemt waar en je ziet.


    1. Zelfstandigheidsdidactiek

Het beeldend proces is een constant actief gebeuren. Vanwege het probleemoplossend karakter van PO bepaalt de leerling zijn creatieve groeiproces deels zelf. De leerling krijgt onder duidelijke begeleiding van de leraar geleidelijk aan verantwoordelijkheid. Dat wil zeggen dat er groeikansen gecreëerd worden, kansen om de leerling op weg te helpen naar een vorm van zelfstandigheid.

Tijdens het creatief proces begeleidt de leraar de leerling individueel. Hij inspireert, toont mogelijkheden, refereert naar kunstenaars, stuurt, motiveert, stimuleert en waardeert. Vaak zijn de medeleerlingen grote motivators.




    1. De procesmap

Beeldend bezig zijn moet, vertrekkend vanuit de vakvisie, voor de leerling veel meer betekenen dan het nastreven van een goedogend resultaat.

Een handig instrument hierbij is de procesmap. De procesmap of het werkschrift brengt het proces van de leerlingen in kaart en biedt hen de mogelijkheid om over dat proces te reflecteren.


Een goede procesmap bevat een neerslag van de activiteiten. Deze neerslag kan zich uiten in:

  • een korte omschrijving van de opdracht

  • de aangereikte beeldaspecten

  • de kunstbeschouwing

  • documentatie en illustraties door de leerling verzameld (met bronvermelding)

  • voorontwerpen, schetsen

  • kleur en vormstudies

  • studies in de zoektocht naar materiaalbeheersing

  • een begrippenlijst van gebruikte vaktaal, die per opdracht opgenomen of aangekruist wordt

  • verantwoording voor de keuze van materiaal, werkwijze….

  • aspecten waarbij problemen ondervonden worden, de aanpak van het probleem en de oplossingen die eruit voortgevloeid zijn

  • ideeën, mogelijkheden die bij deze opdracht niet gebruikt worden maar bij latere opdrachten nog nuttig kunnen zijn

  • nota’s van algemene tips of richtlijnen

  • persoonlijke richtlijnen i.v.m. houding, zelfredzaamheid …

  • aandachtspunten voor de specifieke opdracht en/of evaluatiecriteria

  • zelfevaluatie en evaluatie door de leerkracht

  • leefwereld van de jongere als kennismaking met jongerencultuur

Deze leerlingenwerkmap kan gegoten zijn in diverse vormen ( schetsboek,werkschrift, ringmap, farde met losse documenten …). Iedere vorm heeft praktische voordelen en beperkingen. Afspraken hierover binnen de vakgroep zorgen voor duidelijkheid en continuïteit.

De procesmap kan door de leerling behouden blijven over de jaren heen, zodat ze een mogelijk instrument vormt om verticale leerlijnen te kunnen volgen of uitzetten, zelfs wanneer de leerling overstapt van afdeling of school.



    1. Mediëren in de B-stroom

In de B-stroom staat het welbevinden van de leerling en zijn of haar ontwikkeling centraal. Dat maakt deel uit van een zorgverbreding waarin de sociale en emotionele ondersteuning en vorming een prioriteit is. Pedagogisch-didactisch vertalen we dat in de begrippen mediëren en zorg.

Door de leerling als persoon centraal te stellen, en niet louter als lerende, krijgt men ook aandacht voor het welbevinden. Het pedagogisch-didactisch handelen richt zich op het totale ontwikkelingsproces van de leerling. Mediëren wil de leerling teruggeven aan zichzelf: hij/zij wordt aangemoedigd, bouwt het zelfvertrouwen op, komt graag naar school en geniet er levensechte leerervaringen.



    1. Evalueren

Evalueren bij plastische opvoeding is veel meer dan een waardeoordeel vellen over een resultaat en is zeker niet gebonden aan of afhankelijk van rapport- of examenperiodes. Het is een permanent gebeuren waarbij leerlingen en leerkrachten betrokken zijn.

De vormende waarde van PO ligt in de wijze waarop de leerling aan zichzelf werkt. Aangezien we belang hechten aan het proces, is het ook vanzelfsprekend dat we in de evaluatie hiervoor de nodige aandacht schenken en opnemen in de eindbeoordeling. Bij evaluatie nemen we zowel proces- als productevaluatie op. In de evaluatie herkennen we de doelstelling van de specifieke opdracht. Voor de leraar zijn vastgestelde criteria een hulp in het peilen naar de vooruitgang bij de leerlingen en het zoeken waar er kan bijgestuurd worden.



  1. Bij evaluatie gaat er veel aandacht naar procesevaluatie. Deze omvat twee duidelijke aspecten nl het creatief proces en de attitudes. Aangezien we het creatief proces doorlopen via vaardigheden zoals: informatie verzamelen, de werkwijze/opbouw, omgaan met beeldaspecten en techniek en het streven naar authenticiteit is het vanzelfsprekend dat we de verschillende onderdelen ervan mee in rekening brengen tijdens de evaluatie.
    Attitudes kunnen daarentegen afwisselend beklemtoond en ingevuld worden. Concreet bedoelen we hiermee: attitudes zoals inzet, zelfredzaamheid, doorzettingsvermogen, respect voor en het in orde zijn met het materiaal, kritische zin, betrokkenheid bij de opdracht, sociaal gedrag, zin voor afwerking, communicatiebereidheid.

  2. Met productevaluatie bedoelen we een waardeoordeel uitspreken over het eindproduct. Dit gebeurt eveneens vanuit duidelijk vooropgestelde doelstellingen.

  3. Evaluatie moet de leerling aanzetten tot zelfreflectie. Het is een vorm van communicatie tussen de leraar en de leerling die het beoogde resultaat, zowel in meetbare factoren als in het groeien van de persoonlijkheid van de leerling, tot een hoger niveau tillen.

Steeds belangrijker wordt in die zin ook de zelfevaluatie, waarbij de leerling enkele malen per jaar na een grote opdracht zijn eigen proces en product bevraagt. Het vooraf bepalen van evaluatiecriteria is de taak van de leraar.

Vooropgestelde criteria helpen de leerling, door gebruik te maken van gekende patronen, zichzelf voortdurend te evalueren, zowel in de verschillende stappen van het proces als bij het product.

Het telkens weerkeren van bepaalde items zorgt ervoor dat de leerling meer inzicht verwerft bij zelfevaluatie en zelf zijn/haar vooruitgang kan toetsen aan vorige evaluaties. Het gebruik van formulieren of vignetten moet wel de ruimte laten om de specifieke, opdracht gebonden aandachtspunten aan te duiden.
Evaluatieformulieren kunnen gebruikt worden in de communicatie met de ouders om duidelijkheid te brengen in de beoordelingscriteria.


    1. Rapporteren

Rapporteren is verbonden met evalueren: het communiceren en het aanwenden van de resultaten. Om de rapportering bij de nieuwe evaluatievormen te laten aansluiten zijn de onderstaande aandachtspunten van belang:

  • de leerling moet goed weten waarover gerapporteerd wordt;

  • de leerling dient te weten op welke manier, met welke evaluatievormen er gewerkt werd/wordt;

  • het rapport moet begrijpbaar en duidelijk zijn (schooltaalproblematiek).



    1. Integratie van ICT

Een taak voor de leerkracht PO is zich inleven in de belevingswereld van de leerling. Als deze belevingswereld gedomineerd wordt door een beeldenvloed vanuit de multimedia en de ICT-hoek, dan is dat een terrein bij uitstek om de leerling geboeid en kritisch te leren kijken en keuzes te maken die berusten op kwaliteit, creativiteit, artisticiteit en waarheidsgehalte van het beeld.

Net zoals een mooi (kunst)boek, in al zijn kwaliteiten, zo is ook ICT een didactisch middel dat een geïntegreerd onderdeel hoort te zijn van PO, zeker wat betreft het informatie verzamelen en de kunstbeschouwing.

ICT biedt echter nog veel meer mogelijkheden. Tekenen of ontwerpen met computer kan een volwaardig medium (materiaal) in de lessen PO zijn.

Alle aspecten van de kleurenleer, licht, schaduw … kunnen snel, duidelijk en accuraat getoond en in eenvoudige oefeningen toegepast worden.

Beeldbewerking op eenvoudig, beperkt niveau wordt door jongeren vlot geassimileerd en vindt zijn toepassing op diverse niveaus: digitale fotografie, animatiefilm, presenteren via digitale weg van het leerlingenwerk, bij projecten, bij vakoverschrijdende thema’s.

Het aanbod van programma’s waarmee het ontwerpen, creëren of manipuleren van beelden kan gebeuren, is legio. Men kan zich echter beperken tot eenvoudige, voor de hand zijnde programma’s (bv. Paint).


Programma’s als Photoshop, CorelDRAW , e.a. bieden veel meer mooie, nuttige mogelijkheden. Waar voorheen de kostprijs van dergelijke programma’s het grootste obstakel vormde, kan dit voor de leerlingen opgeheven worden door het aanbod van min of meer vergelijkbare programma’s die gratis gedownload kunnen worden.

Al vormt ICT een volwaardig medium dat bij PO zeker niet mag ontbreken, toch heeft ook dit medium zijn beperkingen: het draagt weinig bij tot de motorische ontwikkeling, het neigt (door de omkeerbaarheid) tot te snelle, weinig doordachte beslissingen, het wordt nog vaak als vluchtig, niet duurzaam gezien en benaderd.

ICT hoort onderdeel te zijn van PO en vergt hierdoor voor de leerkracht een open stellen voor en vaak extra inspanning en navorming.
Deze extra inspanning mag echter niet leiden tot het toedelen van een te grote rol van ICT in het lesgebeuren, maar moet zijn rendement vinden in tijdwinst (bij bv. lay-outen), een grotere motivatie van de leerling, in een groter, vakoverschrijdend, totaal leerproces vanuit het actuele, voor de toekomst.


    1. Taalgericht vakonderwijs

Taal en leren zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Die verwevenheid vormt de basis van het taalgericht vakonderwijs. Het gaat over een didactiek die, binnen het ruimere kader van een schooltaalbeleid, de taalontwikkeling van de leerlingen wil bevorderen. Dit kan door ‘contextrijk, interactief onderwijs met taalsteun’ aan te bieden.
In dit punt willen we een aantal didactische tips geven om de lessen meer taalgericht te maken. Drie didactische principes: context, interactie en taalsteun wijzen een weg, maar zijn geen doel op zich.

Context

Onder context verstaan we het verband waarin de nieuwe leerinhoud geplaatst wordt. Welke aanknopingspunten reiken we onze leerlingen aan? Welke verbanden laten we henzelf leggen met eerdere ervaringen? Wat is hun voorkennis? Bij contextrijke lessen worden verbindingen gelegd tussen de leerinhoud, de leefwereld van de leerling, de actualiteit en eventueel andere vakken.



Interactie

Leren is een interactief proces: kennis groeit doordat je er met anderen over praat.


Leerlingen worden aangezet tot gerichte interactie over de leerinhoud, in duo’s, in groepjes of klassikaal. Opdrachten worden zo gesteld dat leerlingen worden uitgedaagd om in interactie te treden. Elkaar bevragen, informatie geven, spreken over zijn middelen om in interactie te treden. Hierbij is het belangrijk dat er ruimte wordt gegeven aan de leerling voor eigen inbreng. Bevorder als leraar dat leerlingen elkaar vragen stellen.

Enkele concrete voorbeelden:



  • leerlingen wisselen van gedachten tijdens het uitvoeren van onderzoeksopdrachten;

  • klassikale besprekingen waarbij de leerling wordt uitgedaagd om de eigen mening te verwoorden en om rekening te houden met de mening van anderen;

Om dit te kunnen bereiken, is het van belang om te voorzien in begeleiding tijdens de uitvoering van opdrachten. Een nabespreking kan/mag hier niet ontbreken.

Taalsteun

Opdrachten moeten voor leerlingen talig toegankelijk zijn. Bij het organiseren van taalsteun worden lessen, bronnen, opdrachten, toetsen begrijpelijker gemaakt voor de leerlingen.


Daarom is het goed dat de leraar gebruik maakt van visuele weergaven: duidelijke figuren, schema’s, stappenplannen.

Door als leraar met de begrippenlijst te werken (zie bijlage 3) geven we aan het typische vakjargon éénzelfde betekenis. We creëren duidelijkheid en gelijkvormigheid.


De leerlingen zullen zich deze woorden en begrippen geleidelijk aan eigen maken wanneer de leraar de vakterminologie dagelijks in de juiste betekenis en context gebruikt. Ook bij het gebruik instructietaal moet de leraar de opdracht voldoende omschrijven in een eenvoudige en duidelijke taal.

Bijkomend kunnen we kansen creëren voor een vlotter gebruik van de vakterminologie door de leerling:


We bezorgen de leerlingen een lijst van woorden en begrippen die voorkomen gedurende het schooljaar, eventueel geïllustreerd met afbeeldingen. Deze lijst (zit in de procesmap) kunnen ze steeds ter hand nemen en zelf aanvullen (differentiatie!).

    1. Differentiëren, observeren en oriënteren

Differentiëren is een vanzelfsprekendheid bij PO. Op iedere beeldende opdracht wordt van de leerling een origineel en authentiek antwoord verwacht, dat wil zeggen dat de leerlingen zich op een persoonlijke manier en in een eigen stijl uitdrukken in beelden en beelden op een eigen manier tegemoet treden.

In de muzische processen die verbonden zijn aan de beeldende expressie, geven leerlingen zich vaak helemaal bloot. Dat geeft de leerkracht PO de kans om de leerlingen op een heel andere manier te leren kennen dan de andere leraren. Hij kan te weten komen hoe zijn leerlingen voelen, wat ze bezighoudt, wat ze kunnen en durven, welke creativiteit en vaardigheid ze ontwikkelen, enz. Hij kan via observatie, via de interactie met de leerlingen tijdens de individuele begeleiding en via de bespreking van hun werkstukken en hun leerprocessen belangrijke informatie over hen verzamelen. Die informatie is de basis waarop de leerling uiteindelijk beoordeeld kan worden. Het is aangewezen dat deze beoordeling regelmatig en in overleg met de leerling gebeurt.



Omwille van de specificiteit van de kennis, de vaardigheden en attitudes die tijdens de lessen PO bij de leerlingen worden ontwikkeld, is het erg belangrijk dat de leerkracht PO over de informatie uit de leerlingenevaluatie communiceert met de andere leraren, bijvoorbeeld tijdens klassenraden. Zijn informatie kan namelijk erg relevant zijn bij de verdere begeleiding of oriëntering van leerlingen in hun verdere schoolloopbaan (studierichting, opleiding, enz.). De vakleraar is ook vaak de ontdekker van een bijzondere aanleg of talent bij de leerling. Leerlingen met bijzondere muzische talent moeten daarop aangesproken worden en kunnen uitgedaagd worden met een aanbod op maat. Bovendien zal de leerkracht PO door zijn ‘eigen kijk’ op de leerling bepaalde informatie die anderen over een leerling aanbrengen, kunnen bevestigen of nuanceren.

  1. Minimale materiële vereisten in verband met uitrusting en didactisch materiaal

De doelstellingen van Plastische opvoeding kunnen maar worden gerealiseerd mits er een lokaal beschikbaar is met een minimum aan uitrusting en accommodatie. In een eigen vaklokaal verlopen de lessen vlotter, wordt tijd en moeite gespaard en bovendien geeft een sfeervol lokaal extra motivatie.

    1. Noodzakelijke infrastructuur

  • een ruim en voldoende verlicht vaklokaal

  • grote onderhoudsvriendelijke tafels

  • een ruim bord met een wit gedeelte voor projecties en het presenteren van beeldmateriaal

  • een ruime spoelbak met kraan

  • voldoende aangrenzende bergruimte met:

    • kasten voor het opbergen van aanvullend materiaal van de school

    • open rekken om onafgewerkte werkstukken te bewaren

    • schuiven voor het opbergen van groot tekenpapier

  • een pc met internetaansluiting en projectiemogelijkheden

  • afvalbakken om te sorteren voor papier, PMD, plastieken restafval

  • een klasbibliotheek met een minimum aan vakliteratuur, cd-roms, dvd’s, kunstreproducties en andere

  • binnen en buiten het klaslokaal ruimte en materiaal zoals prikwanden, kaders, sokkels om werken van leerlingen tentoon te stellen


    1. Aanvullend (wenselijk) materiaal

  • kasten voor het wegbergen van leerlingenmateriaal

  • verplaatsbare klemspots indien het klaslokaal te weinig verlicht is

  • een pc met software programma’s voor beeldbewerking met projectiemogelijkheden

  • multimediamateriaal ter beschikking op de school

  • de beschikbaarheid over digitale camera, scanner en printer (mits zuinig gebruik)



  1. Bibliografie

Boeken over het didactisch proces van de beeldtaal

  • Boermans, B., Oudsen, H., Kijk op ruimte, Lambo, 978.90.74119.63.4, (deel 1 en 2), 2007

  • Boermans, B., De Graaf, J., Plat vorm, Lambo, 978.90.77318.27.5, 2006

  • Boermans, B., Beeldende begrippen, Lambo, ISBN: 90.77318.16.X (incl. cdrom), 2004

  • den Hertog, M., Van Doorn, M., Kunst/actief, Lambo, ISBN: 978.90.74119.44.3, 2007

  • Tekenen in zicht, ISBN: 978.90.74.119.580, Lambo

  • Ephameron, Love/pain, Bries – Antwerpen, ISBN 90-76708-39-8, 2006 (ondersteuning grafische beeldtaal)

  • Hutton-Jamieson, I., Kleurpotloden, Gaade – Veenendaal, ISBN 90 6017 638 3, 1987 (adviezen voor materiaal en techniek)

  • Rodwell, J., Aquarel in al zijn aspecten, Cantecleer, ISBN 90 213 0387 6, 1989

  • Labrusse, R., de Chassey, E., Henri Matisse /Ellsworty Kelly, Gallimard Centre Pompidou, ISBN 2 07 011715 4, 2002 (tekeningen over planten)

  • Couprie, K., Louchard, A., In de tuin, Lannoo, ISBN 90 209 5581 0, 2004

  • Couprie, K., Louchard, A., Tout un monde, Lannoo, ISBN 2-84420-063-X, 2001

  • Cornelis, E., Max op visite, Davindsfons/infodok, ISBN: 978 90 5908 234 2, 2007 (leren tekenen met kunstenaars)

  • Todd Beam Marie, Grenzeloos creatief, Cantecleer, ISBN: 90 213 33309

  • Fraser, T., Banks, A., Kleurenleer, Librero, ISBN: 90.5764.583.1, 2004

  • Vorm in de schilderkunst, ISBN:90-213-3515-8, Cantecleer

  • Kleur in de schilderkunst, ISBN: 90-213-3631, Cantecleer

  • Perspectief en ruimte, ISBN: 90-213-3668-5, Cantecleer

  • Eger O Arther, Tekst in beeld, Cantecleer, ISBN:90 213 04155

Inspiratiebronnen/kunstboeken

  • Ehmann S. , Klanten R., Meyer B., Design and Art with Paper , Papercraft, 2009, ISBN: 978-3-89955-251-5 (incl. dvd)

  • Graham – Dixon, A., Kunst, Meer dan 2500 werken van de prehistorie tot nu, Davidsfonds, ISBN: 978 90 77363 225, 2010.

  • Couprie K., Louchard A., In het museum: ik zie, ik zie wat jij niet ziet, Lannoo, ISNB 90 209 6611 1, 2006

  • Grosenick, U., Burckhard, R., Art Now, Taschen, ISBN: 3-8228-4093-9, 2005

  • Elias, W., Aspecten van de beeldende kunst na 45, Snoeck, ISBN: 90-5349-581-9, 2005

  • Van Beek, De Bont, Oversteyns, Uit de kunst 1 en 2 (CD’s), Wolters Plantyn, ISBN 90 301 8602 X , 2005

  • Van Haesebrouck, Mullens, Pagnaer, De taal van de kunst ( CD), de Boeck, ISDN:90 455 1162 2, 2004

  • De Deygere, Ducheyne, Van Damme, Kunst & CO, Pelckmans, ISBN: 90 289 30841, 2004

Tijdschriften

  • FLOW Sanoma Uitgevers, Redactieadres Flow, Postbus 41034, 2130 MP Hoofddorp, redactie-flow@sanoma-uitgevers.nl

  • Bij de hand, vakblad voor onderwijs in beeldende technieken, Initialedia BV, Postbus 21040, 3001 AA Rotterdam



  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina