Politiek en menselijke waardigheid ontmoetingsavond te antwerpen



Dovnload 98.88 Kb.
Pagina1/3
Datum27.08.2016
Grootte98.88 Kb.
  1   2   3



POLITIEK EN MENSELIJKE WAARDIGHEID


ONTMOETINGSAVOND TE ANTWERPEN

OP 2 OKTOBER 2007


GEORGANISEERD DOOR

vzw Rudolf Steineracademie


&
vzw Antroposofische Vereniging in België, Ledengroep Antwerpen

paper uitgegeven door vzw Rudolf Steineracademie – wettelijk depot D 2007/8624/3


INHOUD

Inleiding 2

Macht corrumpeert, absolute macht corrumpeert absoluut 4

Michaël Bauwens

Politieke partijen en partijpolitiek. De geëmancipeerde burger en zijn politieke wanhoop 7



Werner Govaerts

De interculturele dialoog. De veelkleurige samenleving en het ondeelbare individu 11



Christine Gruwez

België: hoe dierbaar kan het zijn? 16


Luc Vandecasteele

Organisatie 20

Inleiding
Deze paper dient ter voorbereiding op de ontmoetingsavond van 2 oktober 2007, die doorgaat in de zaal van de Hiberniaschool, Volkstraat 40, 2000 Antwerpen.
Het schema van de avond ziet er als volgt uit:

20.00 stipt begin, met een inleidend woordje door de moderator Chris Maryns

20.05 de auteurs hebben elk vijf minuten om hun stellingen nog aan te vullen met een

beeld, of met een ervaring uit de actualiteit

20.25 geleid gesprek met de aanwezigen

21.45 einde gesprek – napraten bij een drankje

22.30 deuren sluiten
De organisatoren vragen dat iedereen tijdig zou komen, gezien de krappe tijdsbemeting. Voor en na is er trouwens de gelegenheid om via de boekentafel kennis te maken met de boeken van de auteurs.

Macht corrumpeert, en absolute macht corrumpeert absoluut


naar Lord Acton: “Power corrupts, and absolute power corrupts absolutely.”

In de vermaledijde ‘Europese Grondwet’ was het Europees Burger Initiatief (European Citizens Initiative – ECI) opgenomen. Voor veel voorstanders van meer politieke burgerparticipatie in het algemeen, en instrumenten van directe democratie in het bijzonder, was daarmee een belangrijke overwinning geboekt — en terecht — zeker nu er indicaties zijn dat dat ECI ook behouden zou worden in het toekomstige verdrag dat als ersatz-grondwet zal fungeren. Het ECI is natuurlijk maar een kleine stap, een zéér kleine stap, op weg naar democratie. En zonder de mensen ‘in het veld’ te willen ontmoedigen, denk ik dat het nuttig is om even terug te keren naar de fundamenten van wat wij democratie noemen, en de redenen waarom wij überhaupt democratie zouden eisen of verlangen. In het licht daarvan kan het ECI een nog veel kleinere stap lijken dan eerst gedacht, maar dat kan ons dan tegelijkertijd ook extra inzicht en vastberadenheid schenken om de weg verder af te leggen die nog voor ons ligt.


Het ECI komt erop neer dat één miljoen handtekeningen uit “een significant aantal lidstaten” een verzoek aan de Europese Commissie kunnen richten om wetgevende actie te ondernemen. Het gaat dus wel degelijk slechts om een ‘verzoek’, een beleefd vragen — met één miljoen tegelijk welteverstaan — of ‘ze’ (de Europese Commissie) misschien eens naar de betreffende kwestie zou willen kijken. In feite is het ECI dus slechts een veredelde petitie, en de naamgeving is dan ook bijzonder verwarrend aangezien het ‘initiatiefrecht’, het ‘burgerinitiatief’ of kortweg het ‘ini­tia­tief’ voor mensen die met de direct-democratische terminologie en praktijk vertrouwd zijn, duidt op de mogelijkheid van burgers om rechtstreeks zelf wetgeving voor te stellen en er ook per referendum over te beslissen. Het ECI is zelfs nog minder dan het ‘agenda-recht’ waarbij burgers de mogelijkheid hebben om wetsvoorstellen in te dienen bij het parlement, maar zonder de mogelijkheid om bij een negatieve uitslag een referendum te organiseren. Het ECI is dus niet meer of niet minder dan een veredelde vorm van het petitierecht, het recht om ‘petities’ (letterlijk ‘verzoekschriften’) in te dienen bij hen die het voor het zeggen hebben. Dat recht bestaat al hon­der­den jaren, en werd ook in artikel 28 van de Belgische Grondwet opgenomen: “Ieder heeft het recht verzoekschriften, door een of meer personen ondertekend, bij de openbare overheden in te dienen.” Het verschil met het ECI is dus dat het ECI een precies aantal vereiste handtekeningen bepaalt, en verwacht kan dus worden dat er, eenmaal die drempel gehaald, ook (iets) meer aan­dacht aan die petitie geschonken zal worden. Maar daarmee is dan ook alles gezegd, en gelet op het leeftijdsverschil tussen de Belgische Grondwet en de ‘Europese Grondwet’ — meer dan 175 jaar —is dat zonder twijfel tekenend voor de democratische vooruitgang die we sindsdien geboekt hebben.
De Europese Unie blijft dus goed op weg om meer en meer de gevreesde superstaat te worden wiens wetten en besluiten boven die van de individuele lidstaten staan, en waarbij de belangrijkste wetgevende macht bij de compleet oncontroleerbare en onverkozen Commissie ligt, en bij de slechts onrechtstreeks democratisch gelegitimeerde uitvoerende macht van de lidstaten. Dat is geen prettig vooruitzicht, maar de geschiedenis — en Lord Acton — leert ons dat macht corrumpeert, en de organisatie die wij ‘staat’ noemen, heeft de haast onmetelijke macht om te oor­delen over recht en onrecht (de ‘onafhankelijke derde macht’ kan en mag niet anders dan de wetten die zijn opgesteld door politici te gehoorzamen), over leven en dood (de mogelijkheid om de doodstraf terug in te voeren, en op betogende burgers te schieten zijn opgenomen in de Europese Grondwet), over rijkdom en armoede (onder de noemers belastingen en subsidies mag de staat van de ene afnemen en aan de andere geven), over waarheid en leugen (men is druk bezig meer en meer gedachten als ‘verboden’ te bestempelen, waarbij tegelijkertijd de ‘juiste ideeën’ via het staatsonderwijs en de staatsmedia worden verspreid), etc.
Wie een organisatie met die macht toerust, moet niet verwachten dat ze bevolkt zal worden, laat staan bevolkt zal blijven, door universeel wijze en integere mensen met een kreukelloze morele standaard. Bovendien worden zij die die eigenschappen in meer of mindere mate nog wél bezitten er al snel uitgewied, of grondig getransformeerd. De staat is in wezen geweld en brute macht, en we doen er goed aan om dat ten allen tijde in ons achterhoofd te houden. Belastingen worden betaald onder dreiging van een willens nillens leegplunderen van de bankrekening, wetten worden gehoorzaamd onder dreiging van boetes of opsluiting. Op het einde van de ‘arm der wet’ bevindt zich steeds een gewapende hand, de fiscus heeft steeds een flinke niet–spreekwoordelijke stok achter de deur. Democratie werd dan ook ontworpen om juist die macht onder controle te houden, en ze ‘ten goede’ aan te wenden. Immers, als alle burgers een gelijk aandeel hebben in de besluitvorming die wetten en beslissingen voorafgaat, dan hebben we de garantie dat enkel en alleen beslissingen die door minstens een meerderheid van de burgers als voordelig worden aan­gezien er door komen. In principe gebeurt zelfs meer dan dat, want aangezien aan die beslissin­gen publiek debat voorafgaat, is er ook een sterke sociale druk om met argumenten voor een bepaalde beslissing af te komen die aanspraak kunnen maken op universele principes die het werkelijke algemeen belang nastreven, en niet zozeer het particulier belang van ‘een meerder­heid’. Op die manier wordt de macht en het geweld van de staat ‘opgeheven’ omdat ze door ‘de mensen’ zelf wordt gewild en goedgekeurd, en aangezien een handeling die je jezelf aandoet geen geweld kan zijn, dat immers per definitie door iemand anders moet worden aangedaan, is democratisch gelegitimeerde macht eigenlijk geen vorm van dwang en geweld, maar gewoon iets dat we zelf willen en (ons) zelf (aan) doen.
De politieke constructie die we vandaag de dag in de meeste Europese landen kennen, is echter al ver verwijderd van dat basisprincipe. De Zwitserse uitzondering niet te na gelaten bezitten alle landen een systeem waarin de bevolking niet via wetten en belastingen ‘dwang’ uitoefent over zich­zelf (dwang-die-dus-eigenlijk-geen-dwang-is), maar waarin ze een bepaalde groep mensen uit­kiest om in hun haar naam die dwang uit te oefenen. Daarmee maken we echter een niet onbelangrijke omweg, want in plaats van de bevolking die wetten en besluiten kiest die met geweld mogen worden afgedwongen, kiest ze nu machthebbers die — de naam zegt het zelf — de macht hebben om in plaats van, en in naam van, de bevolking de wetten van het land te maken. Daarmee zitten we bij machthebbers die-eigenlijk-geen-machthebbers-zijn aangezien ze door de bevolking zelf gekozen zijn. En als je er zelf voor kiest om iemand een bepaalde mate (in dit geval ongelimiteerde) macht over jezelf te geven, dan is dat toch eigenlijk geen machthebber, maar gewoon iemand waar je veel vertrouwen in hebt en die je graag gehoorzaamt, nietwaar?
Het systeem van de Europese Unie vormt een nog verdere variatie op dit thema. Zoals hierboven al opgemerkt wordt de belangrijkste macht in de EU gevormd door de Europese Commissie enerzijds en de ministers van de lidstaten anderzijds. Wie minister wordt, is geen beslissing van de bevolking, maar van partijhoofdkwartieren, en de macht van die partijen wordt goeddeels be­paald door het aantal zetels dat ze halen in het parlement, en het zijn dus de parlementsleden die de eigenlijke machthebbers-die-geen-machthebbers-zijn zijn waarvan hierboven sprake was. En precies die parlementsleden zijn over het algemeen vrij onbelangrijke figuren in het politieke spel. De samenstelling van de Europese Commissie is dan nog eens een verdere ‘omweg’. Ze wordt immers samengesteld als gevolg van een extreem duister besluitvormingssysteem binnen de Europese politieke top-elite, waarbij we uiteraard over de uitvoerende macht spreken.

Kortom, wie nog gelooft dat men op die manier de gebruikte macht en dwang kan verantwoorden door te stellen dat het eigenlijk ‘de burgers zelf’ zijn die de wetten, besluiten, verordeningen, taksen, toeslagen en reglementen gewild hebben, lijdt ofwel aan een sterke vorm van intellectuele myopie, of is gewoon goedgelovig. De kans is echter reëel dat de voorstanders van dat systeem best wel tevreden zijn met een zelfverklaarde elite die een ruime mate van autonomie bezit tegenover de mensen in wiens namen ze beweren die macht uit te oefenen, omdat ze die elite in heel wat opzichten dermate superieur achten aan de massa die ze ‘besturen’ dat een paterna­listi­sche harde hand nodig en zelfs wenselijk is. Dat zou ons echter tot een heel ander soort discussie leiden.


De enige remedie tegen het hierboven vermelde risico is de invoering van directe democratie waarmee de burger rechtstreeks en effectief het laatste woord kan hebben, op gelijk welk niveau, over gelijk welk onderwerp. Ingewikkelde getrapte systemen van vertegenwoordiging kunnen dan al noodzakelijk zijn in een grote, moderne staatsstructuur, het referendum als veiligheidspal blijft mogelijk, en vooral noodzakelijk, om op dergelijke systemen nog het felbegeerde etiket ‘democratie’ te kunnen kleven. Verkiezingen voor vertegenwoordigende organen zijn immers ruim ontoereikend als het aankomt op het indijken van het gevaar waar Lord Acton op wees. Niet alleen is de tijdsspanne tussen twee verkiezingen veel te kort waardoor ondemocratische maatregelen die eertijds genomen zijn, gemakkelijk verzinken tussen honderden andere besluiten. Bovendien is het mandaat dat een kiezer dan wordt verondersteld te geven simpelweg een blanco cheque, die de politicus veelal zelf kan invullen, zolang hij maar min of meer binnen de lijntjes van het wazige partijprogramma blijft. Dat partijprogramma zelf is bovendien een vorm van koppelverkoop, waarbij de kiezer slechts ja of nee kan zeggen tegen een volledig pakket zonder enige vorm van nuance te kunnen aanbrengen.
Dat gezegd zijnde is het goed om zelfs onze eigen fundamentele uitgangspunten onder de loep te nemen. Gesteld immers dat we in een democratie leven waarin de bevolking zich per referendum bindend kan uitspreken, en de macht dus inderdaad door ‘de mensen’ zelf over ‘de mensen’ zelf wordt uitgeoefend. Is de legitimering van de macht, waar men door de eeuwen heen zo naarstig naar op zoek is geweest, daarmee opgelost? De ene centrale kwestie waar men per referendum nogal moeilijk een antwoord op kan geven is immers de kwestie wie, of welk stuk grondgebied, al dan niet onder de democratische jurisdictie valt. Het uitoefenen van de democratische macht is immers maar gerechtvaardigd omdat die macht zelf is gewild, of toch door een meerderheid. En zelfs als men bij een bepaald referendum in de minderheid zat, dan nog kan men die jurisdictie vrij­willig aanvaarden, omdat men bijvoorbeeld van mening is dat het systeem gemiddeld geno­men meer voordelen dan nadelen bezit. Wat echter als dat niet zo is? Wat als een groep mensen, of zelfs maar één persoon, die jurisdictie niet aanvaardt? Wat als die ene persoon zegt: “Jullie hebben het recht niet over mijn leven en eigendom te beslissen. Ook al zijn jullie in de overgrote meerderheid, ik heb jullie niets misdaan, tot niets gedwongen, en neem jullie niets af. Waarom besluiten jullie dan om mijn eigendom af te nemen om daarmee te betalen voor jullie behoeften en verlangens? Waarom dwingen jullie mij dan om te gehoorzamen aan jullie wetten en regels? En waarom dreigen jullie met boetes, straffen en opsluiting als ik niet buig voor jullie macht?”
Kan een democratische beslissing rechtskracht hebben over iemand die die democratie zelf, of gelijk welk politiek systeem, niet aanvaardt? Dit lijkt op het eerste zicht misschien op een klas­siek geval van juridische zelf-referentie; bv. het aanpassen van de stemprocedure, door middel van een stemming. In zo’n geval gelden de oude regels totdat de nieuwe aanvaard zijn, en moet de stemming zelf dus nog volgens de oude regels verlopen. Net zo zou men kunnen stellen dat iemand die zich van een democratische staat wenst af te scheuren daar dan maar — waarom niet, per referendum — een meerderheid voor moet vinden. Dat argument gaat echter moeilijker op dan gedacht. In het geval van zelf-referentiële wetgeving blijft het overkoepelende principe van de democratie als dusdanig nog wel overeind, i.e. door alle deelnemers onderschreven. In het voorbeeld dat we hierboven hebben geschetst is dat echter niet het geval. Niemand zou het ‘democratisch’ of ‘rechtvaardig’ vinden als er bijvoorbeeld in Duitsland een referendum georga­ni­seerd zou worden over de vraag of België geannexeerd moet worden, en dat men dan ver­vol­gens, voortgaand op de ‘democratische meerderheid’ binnen de gecombineerde Duits-Belgische bevolking (zelfs met een unaniem “nee” van alle Belgen zouden de Duitsers ons nog gemakkelijk numeriek overmeesteren) die vóór annexatie gewonnen bleek te zijn, die annexatie ook gaat uitvoeren. Democratie kan dus pas rechtsgeldig zijn als de bevolking die democratie aanvaardt. In het geval van een Duitse annexatie van België lijkt dat voor de hand te liggen, maar wat bijvoor­beeld met Beieren? Dat Beieren wél, en België géén deel uitmaakt van Duitsland is louter het gevolg van een historische speling van het lot. Hoewel daarmee een hoop praktische argumenten naar boven komen i.v.m. gemeenschappelijke taal, cultuur en organisatie e.d. is dat geen morele of rechtsfilosofische grond om te stellen dat de inwoners van Beieren de Duitse meerderheid wél moeten aanvaarden, maar de Belgen die Duitse meerderheid niét.
Dat argument kan dan natuurlijk meteen doorgetrokken worden tot elke regio, streek, stad, dorp, en uiteindelijk ieder individu. De macht van de staat is maar gerechtvaardigd indien de beslissingen gedragen worden door democratie, maar die democratie op zich is op zijn beurt maar rechtvaardig als ze door elke individuele inwoner gedragen wordt. Zoniet geldt het principe van de democratische meerderheid niét, om genomen beslissingen af te dwingen tegen mensen die verder in vrede met hun buren leven, maar zich het recht voorbehouden om zelf de ultieme soevereiniteit over hun have en goed te houden. Democraten die rechtvaardigheid hoog in hun vaandel hebben hangen doen er dus goed aan om in één adem ieders recht op secessie te vermelden, zoniet wordt democratie niet meer dan een geïnstitutionaliseerde vorm van het recht van de sterkste.

Michaël Bauwens


Michaël Bauwens is redacteur van het boekje Directe democratie. Een inleiding, uitgegeven door vzw Democratie.nu, ISBN 9078758015.

Politieke partijen en partijpolitiek

De geëmancipeerde burger en zijn politieke wanhoop


Na de verkiezingen van 10 juni is er (uiteraard?!) veel inkt gevloeid over het hoe en waarom van het succes van “(centrum?)-rechts”, van de val van “rood” en van het relatief stabiele resultaat van “liberaal” en “extreemrechts”. We zetten al deze woorden tussen ironiserende dubbele aanhalingstekens, ervan overtuigd zijnde dat ze quasi géén betekenis meer hebben. En laat dat nou precies het drama zijn van onze hedendaagse politiek: de onmogelijkheid om nog ergens betekenis aan te hechten.
Ik denk niet dat er nu beduidend minder mensen zijn dan vroeger die in de tijd vóór de ver­kie­zin­gen de programma’s van de verschillende partijen bestuderen. Dat zijn er altijd al verwaar­loos­baar weinig geweest. Dat zet veel politieke analysten ertoe aan dan maar helemaal geen aandacht meer te besteden aan die programma’s en de hele verkiezingsuitslag te willen verklaren vanuit de lange benen van Freya, de underdogpositie van Jean-Marie en de geiten van Yves. Essentieel is het gebruik van voornamen: het geeft kijkers en lezers de indruk te doen te hebben met buren die ze al hun hele leven lang kennen en die ze ook graag eens op de koffie zouden vragen. Een jour­na­list of politoloog die een beetje heeft gestudeerd, “weet” immers dat de grote massa te dom is voor inhoud en mikt bijgevolg op de emotie, de lach en de traan.

Nochtans denk ik dat de partijprogramma’s erg belangrijk zijn om iets te begrijpen van de ma­laise in de huidige (partij)politiek en van de beruchte kloof tussen burger en politiek.


Het belang van partijprogramma’s

Eerst enkele vaststellingen. De partijprogramma’s zijn er de laatste jaren alleen maar uitvoeriger en gedetailleerder op geworden. Dat is vooral om naar mogelijke toekomstige coalitiepartners aan te geven waarover bij de regeringsformatie zal moeten worden onderhandeld. Het maakt het ook mo­ge­lijk dat bij gelijk welke uitkomst van zo’n onderhandelingen de partij haar eigen verkie­zings­programma naast het regeringsprogramma kan leggen en op die manier “aan­tonen” dat zij het grootste aandeel van de te verwezenlijken beleidspunten reeds in haar pro­gram­ma had staan.



Politici gaan er ten onrechte van uit dat burgers dit niet weten. Maar burgers weten dit wél – méér nog: zij worden onwel van die dikke brochures vol uitvoerig toegelichte programmapunten. En dat onwel worden heeft verscheidene oorzaken:

  1. Burgers van nu zijn geëmancipeerde individuele persoonlijkheden. De een wat meer en de ander wat minder, maar globaal genomen véél méér dan pakweg dertig en zeker vijftig jaar geleden. De politiek heeft deze evolutie niet gevolgd. Waar het vroeger ‘normaal’ was dat je als mens van thuis uit een ‘zuil’ meekreeg, en dat je daaraan een leven lang ‘trouw’ bleef (van school tot ziekenhuis, van fanfare tot toneelgezelschap, van zieken­fonds tot vakbond, allemaal van dezelfde ‘zuil’), is het dat niet langer. Dat is geweten. Maar partijen hebben hun programma’s in de tegengestelde richting aangepast: in plaats van minder thema’s en programmapunten te behandelen en zich te beperken tot hun ‘core business’, zijn de programma’s gegroeid tot eindeloze lijsten van thema’s en subthema’s, alle­maal uitgeschreven en uitgedacht in de partijcenakels. En hoewel burgers zich nog altijd kunnen herkennen in bijvoorbeeld de ‘core business’ van een partij – zeg maar: min­der belastingen voor de liberalen, meer bescherming van werknemers voor de so­cia­listen enz. – kunnen zij in het huidige bestel niet anders dan een heel aantal ‘onge­wenste’ programmapunten er op de koop toe bij nemen.

  2. Bovendien is er door de onzalige invoering van een kiesdrempel een tendens tot kartel­vorming tot stand gekomen, waardoor socialisten zich verplicht zien halfzachte spiritisten het licht in de ogen te gunnen, waardoor donkerblauwe liberalen vivantische standpunten als directe democratie en basisinkomen in hun maag gesplitst krijgen en waar­door recht­geaarde katholieken plotseling ook nationalisten moeten worden. Omgekeerd geldt na­tuur­lijk ook: doordat hun kopstukken omwille van strategische redenen aanslui­ting zoe­ken bij een grotere partij moeten de leden en militanten van de kleinere partijen heel de ‘ver­foeilijke’ ideologie van die grote broer een plek geven. Op die manier ontstaat niet al­leen bij de geëmancipeerde burger maar ook in het politieke milieu een men­ta­liteit waar­bij de ideologie er minder en minder toe doet en alle aandacht gaat naar strategie, lees: postjes pakken, of héle oude politiek.

  3. Een derde en niet onbelangrijke reden van het ‘onwel worden’ van de burgers is dat on­evenredig veel politieke handelingen, gesteld door ministers, maar ook goedgekeurd door parle­mentsleden, ofwel niet in het partijprogramma stonden vermeld, ofwel er zelfs mee in strijd zijn. Na het vormen van een regering gaan politici er immers vanuit dat zij na­mens zichzelf mogen spreken en dat zij op die manier automatisch de mening vertol­ken van al degenen die hen verkozen hebben. Dat kan misschien ooit zo geweest zijn – omdat poli­tici tenminste nog handelden in de lijn van hun eigen (partij-)ideologie – maar dat stemt minder en minder overeen met de realiteit, ook al doordat die ideologie zo dunnetjes is geworden dat ‘handelen in de lijn van’ op heel diverse manieren mogelijk is geworden.

  4. Het lijkt dus logisch dat kiezers hun stem vooral aan individuele politici willen toe­vertrouwen, maar dat is nu precies onmogelijk door het kiessysteem dat door de partijen wordt gedomineerd en waarin het de partijbesturen zijn die bepalen wie verkiesbaar is en wie niet. Het systeem van de partijkieslijsten werkt immers zo dat sinds de invoering er­van het aantal politici dat vanop een niet-verkiesbare plaats zo veel voorkeurstemmen haalde dat ze toch in de Kamer belandden, verwaarloosbaar is, en dit gezien over de ge­hele twintigste eeuw. De kloof tussen burgers en politiek komt voor een heel groot stuk hierop neer dat kiezers zich eigenlijk verplicht voelen om voor personen te stemmen, maar dat zij er rekening mee moeten houden dat in 80% van de gevallen (gesteld dat er ongeveer 20% van de kandidaten een verkiesbare plaats hebben) niet de persoon in kwestie, maar wel de partij van hun stem profiteert.

Ook politici shoppen

Een zeer sterke indicator voor de teloorgang van (partij-)ideologie is het overlopen van politici. Daar werd een aantal jaren geleden nog schande van gesproken, tot het bijna een hype werd waaraan je als politicus wel moést meedoen. En vandaag de dag kijkt niemand er nog van op, zo banaal is het geworden dat een Mimount Bousakla de rode en linkse SP.A inruilt voor de popu­lis­tische en rechtse LDD. In Frankrijk was het zelfs nauwelijks nieuws dat de verkozen rechtse president Sarkozy overwoog in de regering ook “rode” ministers van de verslagen PS te installe­ren. Voor politici geldt immers hetzelfde als voor de individuele burgers: zij zijn zo geëmanci­peerd dat zij zich niet langer kunnen identificeren met het gehele programma van één partij. En wanneer in hun leven bepaalde thema’s prioritair worden die het vroeger minder waren, dan kiezen zij voor een andere partij waarin dat thema meer volgens hun inzichten wordt behandeld.

En dan hebben we het alleen nog maar over de inhoudelijke keuzes. Er zijn uiteraard ook de strategische keuzes: de vraag in welke partij men de meeste kansen op een zetel, een uitvoerend ambt, enz. heeft speelt natuurlijk ook een belangrijke rol. In een tijd waarin ook een heel aantal kiezers ofwel uit rechtstreeks eigenbelang ofwel op strategische gronden (welke partij berokkent mij het minst kwaad?) kiest, kan zulk gedrag moeilijk euvel worden geduid.


De toekomst van partijen

Als partijen geen ideologisch houvast meer bieden, noch een groepsvorming door binding van individuele leden, politici maar ook burgers, wat is dan eigenlijk nog hun functie? Die is tweeërlei. Enerzijds heb je de organisatie van de verkiezingen: het is niet goed denkbaar hoe partij­­loze verkiezingen, met tal van individuen die opkomen (met een eigen programma!?) moe­ten worden georganiseerd. Anderzijds heb je ook de macht van de partijvoorzitters en -besturen: zij filteren het politiek personeel van een land, maar zijn ook van doorslaggevend belang bij het vormen van coalities en dus van regeringen. De vraag is nu of partijen die functies op een behoorlijke en democratische manier uitoefenen of dat er misschien alternatieven zijn.

Ik ben het niet eens met degenen die op basis van de machtsconcentratie binnen de partijbesturen pleiten voor het afschaffen van de politieke partijen. Het blijft een onmiskenbaar recht van men­sen om zich op basis van een (politieke) overtuiging, een mensbeeld of een wereldbeeld te ver­eni­gen én om te trachten de maatschappij hiervoor gevoelig te maken en bij te sturen. Wat natuur­lijk wél ongezond is, is de situatie waarin (partij)politici enerzijds klagen over de al te grote macht van multinationals en grote overheidsinstellingen (pensioenfondsen, spoorwegmaatschap­pijen, …) en anderzijds blind zijn voor het ondemocratisch karakter van de invloed van hun eigen par­tij­­besturen. Het is nu eenmaal niet doordat een partijbestuur door leden van die partij de­mo­cra­tisch verkozen is, dat de politieke macht die ervan uitgaat ook democratisch te noemen is. Dat zou en­kel zo zijn indien die macht beperkt bleef tot het intern functioneren van de partijen, wat dui­de­lijk niet het geval is.

De vraag die ik mij stel, is of er geen opsplitsing mogelijk zou zijn tussen de verschillende functies van de politieke partijen. De eerste, oorspronkelijke functie is de ideologische: het ver­eni­gen van mensen op basis van een gezindte en daarmee trachten zoveel mogelijk mensen te be­rei­ken. De tweede is die van het organiseren van het politiek bedrijf, van verkiezingen tot stemmingen in het parlement, het vormen van een regering niet te vergeten. Bij die tweede functie lijkt het mij goed om in ons tijdsgewricht te zoeken naar een andere mogelijkheid: partijen bemoeilijken hier eerder de gang van zaken, dan dat zij die nog vereenvoudigen.

Een voorbeeld: waarom is de kiesdrempel er gekomen? Omdat velen vreesden dat het land “onbe­stuur­baar” zou worden als de politieke versplintering – lees: het ontstaan van steeds nieuwe klei­ne partijen – zich zou doorzetten. Met name Groen! – de partij die er nadien het felst door gestraft is (wie een put graaft voor een ander …) – zag met lede ogen nieuwe partijen met progressieve ideeën (Spirit, Vivant, …) stemmen en zetels van Groen! inpikken. (Het siert Groen! trouwens dat de partij zich nog niet verlaagd heeft tot een kartel, louter om strategische redenen.)

Maar wat bedoelde men eigenlijk juist met “onbestuurbaar”? Het is in dit land inderdaad de gewoonte dat twee grote partijen samen een meerderheid vormen, dat deze partijen vervolgens de ministers leveren die de regering vormen en dat er dan tijdens de hele regeerperiode een kramp­achtige partijtucht heerst, waarbij de verkozenen – zowel van de meerderheid als van de oppositie – gereduceerd worden tot stemmachines die de voorstellen van de meerderheid moeten goedkeuren resp. afkeuren. Erger nog: als er binnen een meerderheid of binnen een partij een redetwist of een geschil ontstaat – zie het stemrecht voor migranten – dan wordt daarover in de pers schande gesproken. Alsof het decadent zou zijn om over geschillen en opinies te rede­twisten! Alsof men niet goed weet dat elke vooruitgang van betekenis op elk terrein van betekenis op die manier tot stand gekomen is …

Terug tot de partijen: is het niet eerder zo dat de huidige situatie – kartelvorming, bestrijding van kleine partijen, partijtucht in het parlement – leidt tot “onbestuurbaarheid” van het land? Zou het niet veel eenvoudiger geweest zijn een regering samen te stellen indien de resultaten van N-VA, Spirit en Vivant niet bij hun grote kartelbroeders opgeteld waren geweest? Men zou misschien – héél misschien – op de idee gekomen zijn dat men het land geen vier jaar lang hoeft te regeren met eenzelfde meerderheid. Die heeft men strictu senso eigenlijk alleen nodig voor het beheer van de lopende zaken. Elk groter maatschappelijk debat, elk thema dat de voorpagina’s van de kran­ten haalt, zou veel democratischer behandeld worden indien het debat errond een ernstige kans kreeg in de instellingen die daar speciaal voor bedoeld zijn. Met verkozenen die veronder­steld worden precies dat debat te voeren.

En dat men nu niet doet alsof dit godsonmogelijk is. In een aantal democratische buurlanden – Dene­marken bijvoorbeeld – is het een doordeweekse zaak dat wetsvoorstellen bij wisselmeerder­heid worden goed- of afgekeurd. In staten als Italië en België doet men in dat geval alsof de regering verplicht is haar ontslag in te dienen: de premier kan dan wat gaan uithuilen bij de koning, die een sussende, vaderlijke functie wordt toegedicht, waarna de bevolking wordt ‘ge­straft’ voor het onvermogen van de parlementaire meerderheid om allemaal tezamen om hetzelfde stem­knopje te drukken. Zulke verkiezingen leiden meestal alleen tot knopen die nog onontwar­baarder zijn dan de vorige, die ze verondersteld werden op te lossen.

Zou het dus niet veel ‘volwassener’ zijn als onze regeringen ook eens met mislukkingen leerden leven, met goedbedoelde initiatieven waarin ze rotsvast geloven, maar die nadien toch niet door het parlement geraken (mede door toedoen van een aantal van hun eigen partijgenoten)? Is dat niet het soort van realiteiten waar wij allemaal dagdagelijks mee te maken hebben, beginnende in het eigen gezin?
Een beeld voor de toekomst

Wat hier volgt, gaat door in de stijl van de vorige paragraaf: suggestieve vragen, zonder antwoor­den, maar met de bedoeling starre denkbeelden uit hun harnassen te verjagen en bespreekbaar te maken wat het schijnbaar niet is.

Er gaan de laatste jaren weer meer stemmen op om burgemeesters, eersteministers en andere leden van de uitvoerende macht rechtstreeks te laten verkiezen. Binnen het huidige partijdenken zou dat natuurlijk rampzalig zijn. Je krijgt dan onvermijdelijk populaire bewindslieden die een stad of land moeten besturen met een ploeg of een parlement dat tot een andere politieke familie behoort. Van onbestuurbaarheid gesproken …

Als je echter – zoals Luc Vandecasteele in zijn bijdrage bepleit voor de Gemeenschappen – nadenkt over andere vormen van samenstelling van de parlement, dan krijgt die rechtstreekse verkiezing van de uitvoerende macht ineens weer wél een zekere aantrekkelijkheid. Stel je voor dat zo’n cultuurparlementen worden samengesteld door cultuurmensen – kunstenaars, weten­schappers, onderwijzers, … – en dat in dit parlement het element ‘politieke’ partij geen domi­nante rol meer speelt. In zulk parlement zou hevig en fundamenteel gedebatteerd kunnen worden tussen de door het volk verkozen (en partijgebonden, waarom niet?) ministers en de vertegen­woordi­gers van het werkveld zelf, die het dictaat (in de vorige Vlaamse regering heette dit het ‘primaat’) van de politiek niet hoeven te slikken, maar in dialoog met de politiek de wettelijke regelingen aan de eisen van de tijd en de realiteit kunnen aanpassen. (In plaats van het volun­ta­risme waarmee te­gen­woordig de politiek de realiteit aan de door hen opgelegde wetten wil con­for­meren.)

Voor de nationale regering en voor de Gewesten zou dit nog anders moeten. Een voorbeeldje: scheid de politici die een uitvoerend mandaat beogen van diegenen die een vertegenwoordigende functie ambiëren. En organiseer twee verkiezingen tegelijk: een voor de regering en een voor het parlement. Het democratisch gehalte van onze samenleving zou er met sprongen op vooruit gaan, al was het maar doordat er een onvermijdelijke dialoog wordt geïnstalleerd tussen regering en parlement!

De hier beschreven voorbeelden zijn denkoefeningen – geen concreet uitgewerkte voorstellen. De dialoog tussen politiek geïnteresseerde burgers zal ongetwijfeld tot betere en werkbaardere ideeën leiden.




  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina