Pontine Region Project (It.) fase 2



Dovnload 15.28 Kb.
Datum17.08.2016
Grootte15.28 Kb.
Pontine Region Project (It.) - fase 2

Het Pontine Region Project fase 2: de Romeinse kolonisatie ten zuiden van Rome, een vergelijkende survey van drie vroeg geromaniseerde landschappen


Met het door de KNAW gesubsidieerde project "Romeinse kolonisatie ten zuiden van Rome, een vergelijkende survey van drie vroeg geromaniseerde landschappen" is de chronologie en aard van de vroege Romeinse kolonisatie met behulp van landschappelijke en archeologische methoden onderzocht in een drietal landschappen in de landstreek Latium ten zuiden van Rome, zoals deze volgens de historische bronnen vanaf circa 500 v. Chr. daar zijn beslag kreeg. In het onderzoek werd nagegaan wat de gevolgen waren voor de inheemse nederzettingsstructuren en vormen van landgebruik. Doelstelling was het beschrijven van de Romeinse kolonisatie van het Latiale gebied vanuit het pre-koloniale perspectief, zulks in het licht van de lange-termijn ontwikkelingen in nederzettingsgedrag en gebruik van ruimte in deze regio. Als werkhypothese waren voor het onderzoeksgebied drie kolonisatiemodellen opgesteld welke van invloed werden geacht op de pre-Romeinse nederzetting- en landgebruikstructuren. Deze modellen waren opgesteld op grond van eerder onderzoek en gebaseerd op verschillen in geografische ligging en historische achtergrond (Attema 1993). Het ging om een militair/strategisch model, een agrarisch model en een suburbaan model, die in het veld en aan de hand van voorhanden literatuur en lokale museumcollecties getest werden. Veldwerk omvatte zowel archeologisch als landschappelijk veldonderzoek waarbij de archeologie zich richtte op systematische survey en aardewerkonderzoek en het landschappelijk onderzoek zich richtte op geomorfologisch, sedimentologisch en palynologisch onderzoek. Het aardewerk dat tijdens de surveys werd aangetroffen vormt de basis voor een aardewerkindeling op bakseltype (fabric). De typologie gaat uit van een analyse van de fabricage van het aardewerk (de gebruikte klei en bereiding ervan en de maakwijze van het product) waardoor het veelal vormloze aardewerk uit surveycontext steeds nauwkeuriger tot een periode te herleiden valt.

Gedurende de periode van onderzoek (1 juli 1994 - 30 juni 1997) werd onderzoek gedaan in drie aan de modellen gerelateerde landschappen met als overeenkomst dat deze in de vroeg-Romeinse periode zouden zijn gekoloniseerd c.q geromaniseerd (periode 500 -350 v. Chr). Het gaat hierbij om de gebieden rondom de Romeinse steden Signium (Segni), Setia (Sezze) en Lanmuvium (Lanuvio). Het wetenschappelijk belang van de behaalde resultaten ligt in het feit dat we nu beschikken over een beginnende theorie, een doeltreffende archeologische methode en een gerichte database waarmee kennis kan worden gegenereerd over de vroege Romeinse kolonisatievormen (waarover slechts weinig betrouwbare archeologische en historische gegevens bestaan). Een overzicht van de resultaten en interpretaties is gepubliceerd in Attema en Van Leusen (2004).

De Segni survey
Voor de kolonie Signium (het huidige Segni) was het militair-strategische model opgesteld, dat geografisch gekarakteriseerd wordt door het stichten van een nieuwe centrale nederzetting op een zowel in regionaal als lokaal opzicht strategische plek. Historisch gaat het hier om een vroeg model (rond 500 v. Chr.). In het veld werd nagegaan of er al of geen vroege ontwikkeling plaats had gevonden van een aan de centrale koloniale nederzetting gerelateerd plattelandspatroon. Op grond van het aan de oppervlakte aangetroffen materiaal en de documentatie in het lokale museum kan worden gesteld dat zich rond de kolonie Signium vanaf de 5de eeuw v. Chr. een dicht plattelandspatroon ontwikkelde. Aanvankelijk, in de 5de/4de eeuw v. Chr., lijkt het vooral om bescheiden boerderijen te gaan welke we vooral op de tufheuvels hebben aangetroffen. Aardewerkverspreidingen die duiden op plattelandsbewoning in de voorgaande periode van de 6de eeuw v. Chr. en vroeger, werden sporadisch aangetroffen. Afgaande op de locatie en de aard van de grotere door Italiaanse archeologen onderzochte archaïsche nederzettingen in de Ager Signinus en het aanpalende gebied, is de voorlopige conclusie dat het pre-Romeinse nederzettingssysteem vooral gericht was op de vlakte en de rivier, en maar een matig ontwikkelde plattelandsbewoning kende. Verondersteld kan worden dat Rome als onderdeel van haar koloniale strategie de centrale kolonie Signium op een heuveltop van het kalksteengebergte van de Monti Lepini implanteerde om vanuit deze dominante positie het archaïsche nederzettingssysteem in de vlakte te kunnen controleren, waarna de ontwikkeling van het platteland volgde. De ontwikkeling van de plattelandspatronen in samenhang met de tempelterracotta's uit het eerste decennium van de 5de eeuw v. Chr. erop wijzen dat de kolonie inderdaad, zoals de bronnen willen, rond 500 v. Chr. werd gesticht als onderdeel van de vroeg-Romeinse expansiepolitiek. Daarna ontwikkelde het platteland zich als gevolg van een weloverwogen (tweede) kolonisatiebeweging die pas goed op gang kwam na veiligstelling van het te koloniseren areaal in de 4de eeuw v. Chr.

De Sezze survey


Het voor de kolonie Setia geformuleerde agrarische model wordt gekarakteriseerd door het stichten van een nieuwe centrale nederzetting met als doel een snelle agrarische exploitatie van het omliggende landschap. Historisch gezien gaat het hierbij om kolonies gesticht in de 4de eeuw v. Chr. Surveys en booronderzoek vonden plaats in het vlakke landschap van de Romeinse kolonie Setia (het huidige Sezze) dat, als Segni, in dominante positie is gelegen op een heuveltop. Daarnaast werden korte surveys uitgevoerd in het hoogland (de Selva Forcella survey) en bij een tempelsite (de `tempelsurvey`) Uit deze surveys blijkt dat de Romeinse kolonisatie hier in snel tempo van de marginaal geëxploiteerde (en zoals ons landschappelijk onderzoek heeft uitgewezen op plaatsen zeker nog drassige vlakte) een agrarisch productiegebied maakte. Het pre-Romeinse aardewerk is zo sterk in de minderheid dat we hier van een kolonisatie ex novo kunnen spreken. Met de landbouw kwamen de markten, het vervoer, de wegen en drainagewerken en zo ontstond hier een geheel nieuwe infrastructuur. Het is waarschijnlijk zo dat de nieuw ontgonnen vlakte, naast veehouderij, vooral voor akker- en tuinbouw werd benut en eventueel ook wijnbouw. Naast de kleigronden in de vlakte werden echter ook de gronden langs de voet van de berg bebouwd. We hebben hier een tiental Romeinse villa platforms geïdentificeerd. Het gaat om zwaar terasseringsmuurwerk gebouwd tegen de helling van de voet van de berg waarop dan een Romeins agrarisch bedrijf werd gevestigd. In twee gevallen troffen we onderdelen aan van olijfpersen. Sites als deze zijn in verband te brengen met de specialisatie van agrarische bedrijven in de productie van olijfolie, maar mogelijk vond er ook wijnbouw plaats langs de voet van de berg. Een derde type economie is aan te wijzen op de hooglanden ten westen van Setia, waar de aanwezigheid van Romeinse sites wijst op specialisatie in veeteelt. In het intermontane bekken achter Setia zal, als in de vlakte, het gemengd bedrijf hebben gefloreerd. Het is duidelijk dat gedurende de Romeinse periode in snel tempo alle delen van het landschap rond Setia werden "ingevuld" voor agrarische productie. De koloniestad Setia speelde een belangrijke rol in het kolonisatieproces als centrale plaats in een lokale economie. Op dit moment is het nog niet mogelijk uitspraken te doen over een eventuele synchrone hiërarchie tussen de rurale sites in de vlakte, dat wil zeggen dat exploitatie tezelfdertijd plaatsvond vanuit grote agrarische villae en kleine boerderijen. Wel kunnen we al vaststellen dat de verhoudingen in het grondbezit gedurende de Republikeinse periode snel veranderden. Tegen het einde van de Republikeinse tijd verschijnen er namelijk grotere villae met een luxer karakter dan de primair op productie gerichte bedrijven uit de vroege kolonisatiefase. In de Keizertijd lijkt het gebied niet meer opgewassen tegen de concurrentie uit het vruchtbare Campanië en de overzeese rijksdelen. Er zijn dan naast enkele luxe villae zeer weinig vindplaatsen die in verband kunnen worden gebracht met een economie gebaseerd op het kleine boerenbedrijf.

De Lanuvio survey


Het suburbane model, opgesteld voor archaïsche Latijnse stad en later Romeins municipium Lanuvium, wordt gekarakteriseerd door continuïteit tussen de Latijnse en Romeinse presentie en geografische nabijheid ten opzichte van Rome. De gegevens van de survey laten zien dat een systematische ingebruikname van de lagere zuidelijke hellingen van de Albaanse heuvels in de zogenaamde oriëntaliserende fase van de late IJzertijd begon. Uit deze vroege Latijnse kolonisatiefase ontwikkelde zich in de 6de en 5de eeuw v. Chr. geleidelijk aan een hiërarchische plattelandstructuur met (groepen) boerderijen en rurale heiligdommen die Lanuvium als centrale plaats hadden. Zonder aanwijsbaar hiaat in bewoning en landgebruik vond in de Romeinse tijd, mogelijk vanaf de latere 4de eeuw v. Chr., een vernieuwing plaats in de plattelandsstructuur. In deze periode verschenen er, dominant gelegen op de toppen van de heuvels, wat grotere stenen gebouwen met soms de allure van een villa. Als in de voorgaande periode blijft het omliggende landschap intensief geëxploiteerd. Deze situatie duurde voort tot in de Keizertijd, waarbij aan het einde van de Romeinse Republiek opnieuw een schaalvergroting zijn intrede deed, wat mogelijk hand in hand ging met een extensievere vorm van landgebruik dan voorheen. Het is de periode waarin er rijke suburbane villae verschijnen in het gebied van de Albaanse heuvels.

Een vergelijking van de drie surveys


Vergelijken we nu tot slot de ontwikkelingen in de ommelanden van het antieke Signium, Setia en Lanuvium, dan wordt duidelijk dat we met geheel verschillende vormen van Romeinse kolonisatie te maken hebben. In de eerste twee gevallen is er sprake van pionierskolonisatie. Daarbij lijkt het waarschijnlijk dat het militair/strategische en het agrarische model elkaar deels overlappen. Zowel Signium als Setia zijn strategisch gelegen kolonies in wier ommelanden zich een plattelandseconomie ontwikkelde. Verschil is dat in het geval van Signium een ontwikkelde bestaande nederzettingsstructuur op dominante wijze werd overgenomen door de even simpele als doeltreffende implantatie van een centrale kolonie. De kolonie controleerde bovendien de cruciale noord- zuid verbinding van Rome met het zuiden welke door het Saccodal loopt. De aangetoonde agrarische kolonisatie in de ager Signinum volgde waarschijnlijk een militair/strategische operatie. In het geval Setia lag de nadruk naar het zich laat aanzien meer op het economisch tot ontwikkeling brengen van een marginaal landschap waarbij de kolonisten zich erop toelegden een geheel nieuw ruraal exploitatiemodel over het landschap te leggen. De kolonisatie van dit deel van de Agro Pontino had echter ook een duidelijke strategische kant, gezien de ligging van de Ager Setina nabij de doorgang door de Monti Lepini naar het Sacco-dal via de vallei van de Amaseno. In het geval Lanuvium is duidelijk geworden dat het hier eerder om een romanisering van de voorgaande Latijnse rurale infrastructuur gaat. In de Albaanse heuvels veranderde het Latijnse landschap langzaam in een klassiek Romeins landschap geënt op een archaïsche infrastructuur die goeddeels intact bleef. In de Keizertijd kreeg dit landschap steeds sterkere suburbane trekken als onderdeel van het verstedelijkte platteland rond Rome.

Literatuur


Attema, P.A.J., 1993 An Archaeological Survey in the Pontine Region, a Contribution to the Early Settlement History of South Lazio, Groningen.
Attema, P.A.J. & P.M. van Leusen, 2004 The Early Roman Colonization of South Lazio; a Survey of Three Landscapes. In: Centralization, Early Urbanization and Colonization in First Millennium BC Italy and Greece, part I, Italy (red. P.A.J. Attema ), Babesch Supplement 9, Peeters, Leuven, pp. 157 - 195.




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina