Preek Immanuëlkerk 24 augustus 2014 Broeders en zusters, jongens en meisjes



Dovnload 11.79 Kb.
Datum26.08.2016
Grootte11.79 Kb.
Preek Immanuëlkerk 24 augustus 2014

Broeders en zusters, jongens en meisjes,

In Zuid-Afrika, Hill Crest Aids Centre, hoorden we voorbeelden van hoe HIV en Aids met armoede samenhangen. Een jongerenwerker daar sprak een jonge vrouw van 21, besmet met HIV, die al drie kinderen had. Hij vroeg haar hoe dat kon. Ze vertelde dat ze tot haar 14e altijd op de grond had geslapen en leefde van 1 maaltijd per dag. Toen kwam ze die jongen van 19 tegen. Hij was met HIV besmet. Maar bij hem kon ze in een groot bed slapen, voor het eerst in haar leven, en kreeg ze drie maaltijden per dag. Ze voelde zich als een prinses in een sjiek hotel. Natuurlijk raakte ze om het jaar zwanger. En ze raakte ook besmet. Maar ziek worden, dat zou pas na jaren voelbaar worden. Zij had altijd bij de dag geleefd. Als ik vandaag maar te eten heb. En morgen – ach, dat zien we dan wel.
Hieraan moest ik denken bij die uitspraak van Jezus: Wat heeft een mens eraan de hele wereld te winnen als hij zijn ziel schade toebrengt? In de nieuwe vertaling staat er: … als hij het leven erbij inschiet? Dat is hier wel heel letterlijk van toepassing. De korte termijn tegenover de langere termijn. Wat je nu kunt krijgen en wat het je op den duur kost.
Omgekeerd: iets wat je nu veel kost, kan je op de langere termijn nog meer geven. Jezus bereidt zijn leerlingen voor op het offer van zijn leven. Hij vraagt aan zijn leerlingen: Wie zeggen jullie dat Ik ben. Petrus zet Hem meteen bovenaan de lijst: U bent de Messias, de Gezalfde, de Zoon van de levende God. Ja, zegt Jezus, dat zie je goed. Dat heeft God de Vader je geopenbaard. Jij bent de rots waarop ik de kerk zal bouwen. Jezus wordt erkend als Gods Zoon, de Gezalfde. Maar meteen daarna begint Hij over de lijdensweg die hem wacht: tegenwerking, aanklacht, arrestatie, veel lijden en de dood. En na drie dagen zal God Hem opwekken. Dat laatste horen ze al niet meer. Eén blik in de afgrond en ze deinzen achteruit. Dat verhoede God! roept Petrus. Die laat zoiets nooit gebeuren!
De eerste die Hem erkende als Messias, Zoon van God, is de eerste die Hem wil afhouden van zijn weg. Een troon wil hij voor Jezus, erkenning en bejubeling, verheerlijking en glorie, op korte termijn. En tegelijk ook voor zichzelf: meeliften met het succes van zijn Meester. De rots waarop Hij zijn kerk bouwt. Maar bij die hoogste rang past toch geen ontluistering, teloorgang, lijden en dood? Jezus is een winnaar, hoe kan Hij dan de weg gaan van een verliezer? Hij bestraft Hem. De leerling die de Meester de les leest. Felle Petrus, wijsvinger omhoog, tegenover de Messias, de Zoon van God.

Jezus zegt: Ga weg, achter Mij, satan. Precies dezelfde woorden als in de woestijn, toen de duivel Hem op de proef stelde. De satan, de tegenspreker, de onderuithaler – dat is niet dat figuurtje met horens en bokkepoten en een valse grijns. Het kan je beste vriend zijn, die oprecht bezorgd is en je vermaant met de beste bedoelingen. En toch op dat moment een satan. Zo even nog de rots: op jou kan Ik bouwen, Petrus, op jou bouw Ik mijn gemeente. En nu: ga weg, achter Mij, satan.

Geloof en ongeloof liggen vlak naast elkaar. Rots en satan zijn, vaste grond en drijfzand. Beide heb ik als mens in me. Petrus, de latere leider van de kerk, tegen wie Jezus zegt: hoedt mijn schapen, weidt mijn lammeren. Maar eerst heeft hij Hem driemaal verloo­chend en moet Jezus ook driemaal vragen: Heb je Mij lief?
Iemand die doorgaans betrouwbaar is, aan wie ook veel wordt toever­trouwd, wat brengt zo iemand ertoe opeens onbetrouwbaar te worden? Ik denk: angst voor de pijn, de donkere kant van het leven, de afgronden van het bestaan. Daar deins ook ik voor terug, of het nu over mijzelf of over een ander gaat. We gunnen iedereen geluk en liefde, vriendschap en vreugde, waardering en erkenning. Daardoor willen we elkaar soms teveel beschermen tegen moeilijke en pijnlijke ervaringen. Dat nooit! - en we springen ertussen. Iemand die onheil tegemoet gaat willen we tegenhouden. Maar kunnen we elkaar alles besparen?

Er zijn dingen waar ik zelf doorheen moet, die niemand kan overnemen, waar niemand mij tegen kan beschermen. Dingen die ik zelf vreselijk vond, waar ik soms nòg last van heb - als ik een ander zoiets tegemoet zie gaan, dan is de neiging sterk om haar of hem de pas af te snijden: stop, kijk uit, zo niet. Maar doe ik daar altijd goed aan?


Jezus verwijt Petrus dat hij niet bedacht is op de dingen van God, maar op die van mensen. Hij is niet bezig met Jezus, maar met zichzelf. Hij zegt niet: u hebt heel wat voor de boeg, maar ik laat u niet in de steek. Hij roept alleen heel hard nee tegen alle lijden en duisternis en afgrond. Het gaat hem zelf iets kosten als hij Jezus volgt op zijn weg, dat voelt hij goed aan. Wie achter Mij aan wil, zegt de Heer, die moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en Mij volgen. Niet alleen Hij gaat de weg van het kruis, ook wie Hem volgt krijgt een kruis te dragen. Jezus is niet een bezorgde beschermer, die het onheil voorkomt, die ons alle leed bespaart, integen­deel. Een kruis zal het soms zijn. Hij zegt het maar vast, dan weet je tenminste waar je aan begint.

En om dat kruis op je te kunnen nemen, moet je jezelf verloochenen. Wat moeten we dan van onszelf verloo­chenen? Waarmee moeten we breken om Jezus te kunnen volgen?

Misschien moeten we ons grote ego overwinnen, misschien juist een te klein ego. Misschien onze heerszucht, mis­schien juist onderdanigheid. Misschien moeten we onszelf eens goed op onze kop geven, en misschien moeten we juist ophouden onszelf alsmaar op de kop te geven. Misschien minder zelfverzekerd en eigengereid zijn en beter leren luisteren, of misschien moeten we juist eens wat zekerder van onszelf worden: gewoon gaan doen wat we allang weten dat we moeten doen.
Als je liever houdt wat je hebt, het leven dat je leidt precies zo wilt voortzetten - dat kan ook. Uiteinde­lijk heb je dan niets meer. Wie zijn huidige leven angstvallig wil behouden, wie zijn ziel wil redden door zich vast te klampen aan wat hij heeft, die verliest alles. Maar wie dat leventje durft los te laten, durft verliezen om Mij, zegt Jezus, die zal leven vinden. Om Mij. Zijn weg van liefde en opoffering is ons model; zo leven is meer waard dan pas op de plaats en houden wat je hebt. Het brengt je ook veel meer dan het alsmaar moeten winnen dat in onze wereld hoogtij viert. Want, zegt Jezus, al win je de hele wereld, maar je brengt schade toe aan je eigen ziel, aan wie je ten diepste bent voor God, je beschadigt je eigen menselijkheid, je eindigt doodziek, of gevoelloos, afgestompt voor anderen en voor God; wat heb je dan aan al je succes? Je blijft doodalleen achter. Nee, zo dus niet.

Er is een weg te gaan, achter Hem aan. Geen weg, waarop je alles wint. Geen veilige weg, waarop je precies zo blijft als je nu bent. Een onbekende weg waarop je zult veranderen, gaande­weg, met vallen en opstaan. En wat levert het op?


Abraham ging die weg, zegt Jesaja. De meest onveilige weg, een sprong in het duister. Hij is onze vader, en Sara onze moeder, die ons heeft gebaard: daar komen wij vandaan, daar begint de geschiedenis van ons geloof. Abraham als rots en de barende Sara als een bron, de holte van een put. Een rots is symbool van stevigheid - Abraham als fundament, de vader van alle gelovigen - en ook het tegen­gestelde van zachte grond, vruchtbare aarde. Abraham de onvrucht­ba­re, Sara de verstorvene. En toch, al lijkt een rots aan de buitenkant mis­schien keihard en ongeschikt als voedingsbo­dem, ga eens een rotsspe­lonk binnen. Daar is het altijd vochtig, er groeit mos. En soms groeien planten en bomen dwars door de hardste steen, zodat de rots splijt. De donkere natte holte gaat open. De baarmoe­der gaat open, mensen worden geboren, door Gods goedheid en genade. Zie de rots, waaruit jullie gehakt zijn, de putholte waaruit je gegraven bent, zegt God.
Ja, het was hakken en graven voor God, om ons uit de klei te krijgen. Maar die moeite had Hij ervoor over. En kijk eens op de lange termijn, zegt Hij. Abraham en Sara waren alleen toen Ik hen riep, en zie hoe Ik hen heb gezegend en vermenigvul­digd. Zo ga Ik ook met jullie om, tot de voltooiing van mijn schepping. Waar woestijn was zal een tuin ontstaan, waar leegheid was zal volheid en vreugde en dank en lofzang zijn. Tot zolang trek Ik, zegt de Eeuwige, met mensen mee, vol liefde en trouw. Ik steun hen, geef hun mijn kracht, voed hen met geloof en moed. Opdat zij elkaar zullen voeden en steunen op hun levensweg vol risico's, en bovenal elkaar blijven vertellen waar je onderweg steun en voeding kunt vinden - meer dan bij mensen alleen, en meer dan alleen voor dit bestaan op deze aarde. Dat zij elkaar vertellen van de rots van ons behoud, de eeuwige bron van ons heil: de Zoon van de levende God, Christus onze Heer. Dat wij Hem navolgen al onze dagen, en daarna, in de eeuwen der eeuwen. Amen.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina