Preek over 1 Kon. 20: 28



Dovnload 43.15 Kb.
Datum30.09.2016
Grootte43.15 Kb.
Preek over 1 Kon. 20:28
Orde van dienst
1. Votum en groet

2. Psalm: 84:1

3. Wet des Heeren/ Apost.Gel.

4. Psalm: 51:5 / 100:1

5. Schriftlezing: 1 Kon.20:22-43

6. Gebed


7. Tekst: 1 Kon.20:28: En de man Gods trad toe, en sprak tot de koning van Israël, en zeide: Zo zegt de Heere: Daarom dat de Syriërs gezegd hebben: De Heere is een God der bergen, en Hij is niet een God der laagten; zo zal Ik deze grote menigte in uw hand geven, opdat gijlieden weet, dat Ik de Heere ben.

8. Inzameling der gaven

9. Psalm: 68:1, 2

10. Prediking

11. Psalm: 139:4, 14

12. Dankgebed

13. Psalm: 116:2, 3

1­4­. ­Z­e­g­e­n­b­e­de.

* * * *

‘Zijn Naam is Heer’ der heren’. Deze machtige Psalm die we zojuist zongen, gemeente, stamt uit het hart van een gelovige dichter die door het geloof zicht kreeg op Zijn God: een zegevierende Held Die overwinningen op Zijn Naam heeft staan. De God van Israël is overal in Zijn schepping thuis, op bergen en in dalen. En zo is Hij een God om op te bouwen in alle omstandigheden.


Bereidt de weg, in Hem verblijd,

Die door de vlakke velden rijdt:

Zijn Naam is: Heer’ der heren.

(Ps.68:2 slot ber.)

Dit Godsgeloof, gemeente staat wel in schrille tegenstelling tot wat de Syriërs (ook wel Arameërs genoemd) ervan maken. In het hoofdstuk waaruit onze tekst is gekozen, horen we immers herhaaldelijk, dat de Syriërs van de God van Israël zeggen, dat Hij een God van de bergen en niet van de vlakke velden is. Deze godsdienstige voorstelling van zaken door de Syriërs is compleet een inbeelding van heidenen die oordelen over Israëls God. Maar het volk van God weet beter.
Wat is het geval? De koning van de Syriërs, Benhadad II heeft weer eens een oorlog ontketend tegen Israël. Kort geleden (858/ 857 v.Chr.) heeft hij nog een verpletterende nederlaag geleden voor de poorten van Samaria. Daar is hij in de pan gehakt met 32 koningen van zijn coalitie (stadhouders?) door de koning van Israël Achab.1

Die bluffer had van Achab geëist, dat hij hem zijn zilver en goud (zijn staatskas), zijn vrouwen en kinderen (zijn harem) zou geven, ja heel Samaria met alles wat in hun ogen begeerlijk was. En hij had uitgeroepen, dat er weldra, als Samaria vermorzeld zou zijn, stof te weinig zou zijn voor elke soldaat, die een handjevol ervan wilde meenemen als aandenken’ (vs. 10).


Maar aangemoedigd door een profeet had Achab met slechts zevenduizend man heel de dronkemansbende 2 van de Syriërs vernietigd. ‘Die zich aangordt, beroeme zich niet als die zich losmaakt’ (1 Kon.20:11). 3 Benhadad II was ter nauwernood op een paard met enkele ruiters ontkomen (1 Kon.20:1-21).

Ziezo, die komt voorlopig niet weer terug. Daar zijn we vooreerst vanaf. Ja, dat had men in Israël gedacht.


Maar een godsman/ profeet had het anders gezegd. Hij had Achab gewaarschuwd om niet op zijn lauweren te gaan rusten. De Syriërs zouden binnen een jaar weer voor de deur staan. 4
Thans is het dan zover. Na een danige reorganisatie van zijn bewind en zijn leger komt Benhadad weer aanzetten om te strijden tegen Israël.

In de buurt van Afek legert hij zich. In de vlakte van Jizreël? Want, zo wordt er bij de Syriërs geredeneerd, daar kunnen de Israëlieten zich niet verweren. Op de bergen, daar is dit volk goed thuis. Maar als het zich waagt in open gebied, dan zullen zij - de Syriërs - die met hun strijdwagens in berglandschap weinig of niets kunnen uitrichten, hen in de vlakke velden binnen de kortst mogelijke tijd verpletterend verslaan .5


Wat er achter deze ideologie schuilgaat? Wel, men redeneert op een heidense manier over de God van Israël. Goden van heidenen hebben altijd maar een beperkt machtsgebied. Goden die goed thuis zijn op bergen waar hun heiligdommen staan, behoeft men in de dalen niet te vrezen. Nu, de God van Israël is een berggod en niet een god van de laagten. Daar kan men het volk dat onder bescherming van die god staat, dus overmeesteren.


Wat een onzin! Ja, zo gaan heidenen nu eenmaal met goden om. Voor hen is het een gewone gedachte, dat een berggod geen god van dalen en vlakke velden is. Op een bepaald terrein kan een lokale god bewonderenswaardig veel uitrichten. Maar zeker niet overal. ‘Zo verijdeld zijn de heidenen in hun overleggingen ten aanzien van God, zozeer is hun onverstandig hart verduisterd, en zijn zij, zich uitgevende voor wijzen, dwaas geworden’ (aldus de Kanttekeningen van de Statenvertaling). Zie Rom. 1:21v. 6


In Syrië zingt geen sterveling het loflied op Israëls God:
Op bergen en in dalen,

ja overal is God


Stel u voor: een god die op hoge bergen alles kan, maar een volk dat afdaalt naar de dalen, halverwege in de steek moet laten. Arme god, arm volk. Daarmee echter menen de Syriërs de geheimzinnige formule gevonden te hebben, waarmee men de Heere, de God van Israël buiten spel en buiten werking kan zetten. En daarmee seculariseren zij in feite grote gebieden van het beloofde land; verklaren die voor ‘wereld’. Daar moet de Heere dus Zijn handen van afhouden.
Met deze illusie gaan de Syriërs de oorlog met Israël in. Vlakbij Afek. Het is bar en boos, als mensen hun eigen gedachten over de enige levende God, de God van Israël geloven. Wat een vergissing. Intussen heeft de duivel het gemunt op Gods volk, op Gods beloften aan Israël. Dit volk moet van de aardbodem worden weggevaagd. Het heidendom gunt Israël geen vierkante meter land en levensruimte. De satan duldt geen Messias Die uit dit volk geboren wordt en het heil der wereld is. Weg met dat plan van God. Hoog spel. IJdel streven. Blind ongeloof. Brute vijandschap.
Volgen wij nog een ogenblik de geschiedenis van 1 Koningen 20 op de voet. Kijk, daar ligt het schamel legertje van de Israëlieten (twee blote geitenkudden; vs.27) 7 tegenover het oppermachtige leger van de Syriërs. ‘De Syriërs waarschijnlijk roemende en de Israëlieten sidderende’ (aldus M.Henry). De Arameërs in de vlakte van Jizreël met de Thabor in de rug. Zeven dagen lang. Men aarzelt allerwege.

En dan is daar opeens een man Gods die de koning van Israël een hart onder de riem steekt met de boodschap: Zo zegt de Heere: Daarom dat de Syriërs gezegd hebben: de Heere is een god der bergen en Hij is niet een god der laagten, zo zal Ik al deze grote menigte in uw hand geven, opdat gij weet, dat Ik de Heere ben.


En hoe is dan de afloop van de strijd? Bij Afek (niet op bergen, maar in de vlakte) worden ze opnieuw verslagen: 100.000 man voetvolk van de Syriërs vindt op één dag de dood. Bovendien valt er in Afek waarheen de Syriërs zijn weggevlucht, ook nog eens de stadsmuur om, die zij in paniek beklimmen en doodt 27.000 mannen.
‘Als katten klauteren de ongeduldige mannen tegen de wallen of muren op. Zij, wie ’t gelukt er boven op te komen, blijven daar hijgende staan, totdat de nieuwe drommen hen dwingen om naar de binnenkant zich eraf te slingeren. En onder dit bombardement van levend geschut bezwijkt in ’t eind de muur. Aan alle kanten storten de wallen in, en bedelven de Aramese soldaten. Zo vinden de laatste 27 van Benhadads duizendtallen hun einde.’ Zo Dr. C.van Gelderen, De boeken der Koningen, opnieuw uit de grondtekst vertaald en verklaard (serie ‘Korte Verklaring der Heilige Schrift’). Tweede deel (1 Koningen 12-22 en 2 Koningen 1-4); tweede dr.; Kampen 1956; blz. 253.

En Benhadad? De stad Afek is door het instorten van de muur een open stad geworden, waar iedereen in- en uit kan gaan. Er zit dus niets andere voor Benhadad op dan zich te verstoppen in een huis. Hij vlucht van de ene kamer in de andere. 8 Maar omdat hij in feite als een rat in de val is gelopen, volgt hij tenslotte de raad van zijn hovelingen op. Hij en zijn volksgenoten trekken rouwkleren aan 9 en hangen koorden om hun hoofd. En zo gaan ze als arme smekelingen, gekleed in het boetekleed naar koning Achab. Of hij hen wil sparen a.u.b.. Israëls koningen staan er immers om bekend minder wreed te zijn dan andere koningen.


Nu, Achab vindt het allemaal zo prachtig, dat hij Benhadad tenslotte zelfs zijn broeder noemt. En met een mooie belofte (namelijk om alles terug te geven wat zijn vader heeft geroofd van Israël) mag Benhadad dan weer naar huis. Achab krijgt van hem zelfs de toezegging, dat men in Damaskus Samaritaanse winkelstraten mag gaan aanleggen (met bazaars, goed voor de verkoop van Israëlische artikelen). 10
Waarom hij hen niet gedood heeft? Ja, dat is het verwijt van de profeet aan het adres van Achab. We laten nu maar even de verzen 35-41 terzijde. Die vragen om een aparte uitleg. Achab had definitief met zijn en Gods vijand moeten afrekenen. Dat is Gods boodschap. 11
Kortom, Israël heeft het ondervonden, dat zijn God een God van bergen en dalen is. En ook de Syriërs zijn het aan de weet gekomen, dat die God niet te verslaan is; God is een God, ook van de laagten.

Door dit Godsgeloof is Israël gedragen, de eeuwen door. En Hij, de Schepper van hemel en aarde heeft Zijn volk altijd als op arendsvleugelen gedragen. De vrome dichter van Psalm 139 die de kennis van de levende God in zich had, getuigt van de genade van deze God. Niet maar als van een God die ‘op bergen en in dalen’ is. Maar van een God Die ons altijd omringt met Zijn liefde en genade.


‘Heere, gij doorgrondt en kent mij. Gij weet mijn zitten en mijn opstaan; Gij verstaat van verre mijn gedachten. Gij omringt mijn gaan en mijn liggen; en Gij zijt al mijn wegen gewend….Waar zou ik heengaan voor Uw Geest en waar zou ik heenvlieden voor Uw aangezicht? Zo ik opvoer ten hemel, Gij zijt daar; of bedde ik mij in de hel, zie Gij zijt daar’ (Ps. 139:1-8).
Dat is een andere theologie dan de ‘natuurlijke theologie’ van de Syriërs. Zelfs in de diepte van het dodenrijk is de Heere er. Dat is de geloofstaal van een mens die zich ontdekt/ gevonden weet door de alziende trouwe ogen van God. Wat een God! Zo is er maar Een. Hij slaat de ongerechtigheden gade en straft ze. Maar hij is ook een God die goedertieren is. Daar hadden zelfs de Syriërs enig besef van. Lees vers 31 van 1 Koningen 20.

Israëls God is een God die Zijn majesteitelijke voetstap zet op elk plekje van de wereld, en in het bijzonder op elke vierkante meter van het door Hem aan Israël beloofde land. Daar roept Hij het uit: ‘Van Mij; blijf af’. Nu, de Syriërs hebben zich dus grondig vergist. Een heiden en natuurlijk mens vertekent God en misleidt zichzelf. Dat is bij Afek bewezen.


In zekere zin hadden de Syriërs wel gelijk. Inderdaad, God is de God van de bergen. God is de God van de berg Sinaï waar Hij Zijn heilige wet aan Israël gaf. En Hij is de God van Golgotha waar Hij Zijn lieve Zoon in de dood van het kruis overgaf tot verzoening van onze zonden.
Maar God is ook een God van de laagten. Daar wilden de Syriërs niet van weten. Maar waar heeft die God dat klaarder bewezen dan in de zending van Zijn lieve Zoon, de Heere Jezus? Hij genas de zieken, wekte zelfs doden op. Hij vernederde Zich tot in de allerdiepste versmaadheid en angst van de hel aan het vloekhout.
Daar heeft God bewezen, hoe nauw Hij verbonden was en is met het lot van Zijn volk. Jezus Christus is afgedaald tot in de angsten der hel, toen Hij riep: ‘Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’ (Matth. 27:46). Wat dat betekende, daar heeft de dichter van Psalm 116 iets van ondervonden, toen hij riep:
Ik lag ‘gekneld lag, in banden van de dood,

daar d’ angst der hel mij alle troost deed missen…’.

(Ps.116:2a ber.)
Maar God hoorde. Want zo diep kan een mens niet weggezonken zijn, of God kan hem vinden.
Nogmaals, daar hebben de Syriërs geen weet van gehad. Anders waren ze niet op het dwaze idee gekomen om te denken, dat de God van Israël in de diepte/ laagten niet uit de voeten kan.

Maar mag ik u vanmorgen dan wel vragen, of u het ook weet wat het is ontdekt en opgezocht te zijn in uw ellende door Christus Jezus? Het is zeker troostrijk voor ons te weten, dat God alomtegenwoordig is. Nooit ontgaat Hem iets. Nooit bent u buiten Zijn blikveld. Dat op zich al mag voor ons betekenen, dat er geen zorg en geen nood is, die wij niet aan Hem kwijt kunnen. Hij weet er niet alleen van. Maar Hij kan ook heerlijk voorzien in alles wat ons drukt en bedroeft.


Maar in het oprechte geloof mag u nog meer van deze alomtegenwoordige God ondervinden.

Hebt u het ooit geleerd wat het is zondaar voor God te zijn? Verstaat u het wat het betekent onder Gods oordeel te verkeren en in alles vloekwaardig te zijn? De Syriërs op de vlucht voor koning Benhadad, deden zakken om hun lenden en touwen om hun hoofden. En zo wendden zij zich tot de koning van Israël. Zij wisten, dat de koningen van Israël goedertieren koningen waren. Koning Achab zou hen dan ook wellicht sparen.


Nu, een zondaar, u en ik, die er weet van hebben, dat zij hun weg bedorven hebben, hebben meer reden om in zak en as te zitten en om met de strop om de hals rond te lopen dan de Syriërs. Want zij gingen zo tot Achab, een koning die zelf ook goddeloos leefde en hoopten er het leven af te brengen, wanneer zij zich slechts zouden aanstellen als mensen die de dood verdiend hadden. En wij hebben het er niet beter afgebracht dan die Syriërs. Dat moet een mens willen weten. Des doods schuldig te zijn. Dan zinkt hij weg in al zijn ellende. Dan schiet er niets anders over dan zich op genade of ongenade uit te leveren aan de God van Israël. Hij staat erom bekend goedertieren te zijn.
En daar wordt het dan kennelijk ondervonden wat het is, dat God een God van de laagten in. Ik denk in dit verband aan een passage uit het boek Ezechiël waarin beschreven wordt, hoe de Heere Zijn volk uit Egypte heeft verlost. Het was als een pasgeboren baby, waaraan nog geen zorg was besteed; niemand had er medelijden mee. Het lag daar geworpen op het vlakke des velds…Maar hoor dan wat de Heere ervan zegt: Als Ik bij u voorbijging, zo zag Ik u, vertreden zijnde in uw bloed, en Ik zeide tot u in uw bloed: Leef, ja Ik zeide tot u in uw bloed: leef!…(Ezech.16:4-7).

En zo kwam de Heere met dit volk in een verbond. Hij bekleedde het met een feestgewaad en versierde het met sieraden; een kroon op het hoofd. Een volk tenslotte ‘in volmaakte schoonheid’. ‘Want die was volmaakt door Mijn heerlijkheid, die Ik op u gelegd had…’ (Ezech.16:8-14).


Wie zich zo opgeraapt weet in al zijn naaktheid en nood, veroorlooft zich nooit meer de taal van de heidense Syriërs, dat Israëls God geen God van de laagten is. Om met Kohlbrugge te spreken: Zijn armen reiken dieper dan onze diepste diepten. Als de Heere mij bekleedt met het kleed van Christus’ gerechtigheid en daardoor Zijn heerlijkheid op mij legt, ben ik zielsgelukkig en in deze Zaligmaker ook onoverwinnelijk.

Weet u wie dat ook zo heeft mogen ondervinden? De apostel Paulus. Dat was nabij Damaskus (de hoofdstad van de Syriërs). Daar behaagde het God Zijn Zoon in Hem te openbaren (Gal. 1:15v). Daar leerde hij ‘alles schade en drek achten om de uitnemendheid van de kennis van Christus’ (Fil. 3:7v).


En als de Heere nu in die nood naar mij heeft omgezien, houdt dat niet in, dat ik nooit meer door dalen ga in het leven. Het is veeleer zo, dat de Heere Zijn volk beproeft op weg naar het Vaderhuis. Dagelijks moeten wij het leren om alles uit handen te geven en Hem te laten besturen en waken. En maakt Hij het dan ook niet altijd waar: Hij redt mij keer op keer?! O nee, het valt ons niet altijd gemakkelijk om in laagten, in onherbergzame oorden, in de woestijnen van het leven op de Heere te vertrouwen. Bovendien word ik vaak van binnenuit aangevallen. De dichter van Psalm 56:3 drukt het zo uit: ‘Ik heb veel bestrijders, o Allerhoogste!’. Maar hij mag eraan toevoegen: ‘Ten dage, als ik zal vrezen, zal ik op U vertrouwen’ (vs. 4). Want – ziet u – Gods macht om u te redden houdt niet op aan de voet van de bergen. Hij gaat met u mee, door alle diepten heen.
U moet dus de God van Israël Die Zich in Zijn geliefde Zoon Jezus Christus zo heerlijk heeft geopenbaard, er niet van verdenken, dat Hij u in al uw noden niet helpt. Beledig Hem niet, zoals de Syriërs dat deden. Dat heeft die God aan u toch niet verdiend?

Maar nu wil ik tenslotte u nog een andere kant van onze tekst laten zien. Gods alomtegenwoordigheid en alziendheid brengt ook met zich mee, dat u en ik altijd onder Zijn toezicht staan. Hij kijkt naar ons om, maar ziet ook al ons doen en laten. Niets is voor Hem verborgen. Hij weet ons ook te vinden in onze zonden. Daarom roep ik u op om Hem te kennen in al uw wegen. Begin uw dag met Hem te vragen, of Hij u van uur tot uur de weg wil wijzen. En beëindig uw dag met Hem te danken voor Zijn leiding.


Vergeet nooit – ik zeg dat ook tegen onze jongeren – dat de Heere je altijd ziet. En vraag je steeds af: Kan ik hier en daar God onder ogen komen? De alomtegenwoordige God weet het, als je tijdens een kerkdienst liever in de bossen wandelt dan van genade te horen in Zijn huis.
En verder: hoe is het gesteld in uw gezin? Merken onze kinderen het aan ons, dat we ons leven besteden in Gods dienst? Of hebben de moderne media het voor het zeggen op de slaapkamers van onze kinderen? Met alle verleiding en verloedering van dien. Denk niet, dat het altijd onschuldige computerspelletjes zijn die jullie in handen worden gestopt door je vrienden en vriendinnen, beste jongeren. En dan dat ‘hoogst actuele’ online-spel ‘Second Life’ (SL) , een digitaal computerprogramma van de laatste tijd.
Een tweede leven in een computerprogramma op internet beginnen (contacten opbouwen, zgn. waardevolle vriendschappen, zaken doen, musea bezoeken, dansen, overspel plegen; ‘s avonds op stap gaan met een dame; kinderporno?). Er zijn 5.000 actieve spelers waaronder mensen met diepe geloofsvragen. Men kan een kerkdienst in het Jesus House meemaken op zondag en een bidstond op dinsdagavond. Mensen komen er – aldus een reportage – tot geloof. Maar ook plaatsen waar het draait om seks, gokken of occulte praktijken zijn erg populair. ‘Een mogelijke uitvalbasis voor wie ontevreden is met zijn echte leven.’[Visie, EO gids 31 maart t/m 6 april 2007; nr.13.
Zijn wij misschien, zonder het zelf te beseffen, geïnfecteerd met de ideologie van de Syriërs. Die hadden best achting voor Israëls God. Maar ze ontzeiden Hem grote gebieden van het gewone leven, het leven in de vlakke velden. Zo lopen er ook wel mensen onder ons rond, die God gelokaliseerd hebben. Hun godsdienst is een godsdienst van de zondag. Maar op maandag en woensdag zijn ze eigen baas in huis en veroorloven zij zich occulte praktijken.

En zo seculariseert tenslotte alles. Wij gedragen ons naar wetten die we zelf maakten. In de handel, in de politiek..


Neem dan van mij aan, gemeente, dat God niet slechts te maken heeft met uw bidvertrek en met uw zondagse kerkgang. De Heere heeft er recht op, dat u Hem eert en dient, elk uur van elke dag. De duivel is voorlopig wel tevreden met een stukje van uw hart. Maar de Heere wil niet verheerlijkt zijn door een verdeeld hart.
Er is geen plaats op aarde noch in de diepte van de zee, noch ook in het grote heelal, of de Heere is daar Heer’ en Meester en wil daar gekend en erkend zijn als uw Schepper en Zaligmaker. Daarom mag het elke dag wel zijn:
Doorgrond m’ en ken mijn hart, o Heer’!

Is ’t geen ik denk niet tot uw eer?

Beproef m’, en zie of mijn gemoed

iets kwaads, iets onbehoorlijks voedt,

en doe mij toch met vaste schreden

de weg ter zaligheid betreden.

(Ps. 139:14 ber.)
En dan nog één ding: de Heere is niet alleen een God van de laagten, maar ook van de bergen. Ik keer het nu maar even om. Want niet alleen in de moeiten van alledag is Hij het, Die redt en helpt. Maar ook als u op de toppen van bergen staat, met uitzicht op een glansrijke toekomst (een huwelijk, een nieuwe baan) wil de Heere gekend zijn en verheerlijkt. Soli Deo Gloria: God alleen de eer.
Amen.

EXCURS (mogelijke ligging van Afek; 1 Kon.20)





  1. Het meest waarschijnlijk is: in de vlakte van Jizreël. Ten oosten van Sunem (1 Sam.28:4; 1 Sam.29:1). Afek lag volgens Eusebius in de buurt (ten N) van Endor. Zo in de verklaring van dr. C. van Gelderen (zie boven)

  2. Ten Oosten van het Meer van Gennesareth. Zo op bovenstaand kaartje)

  3. Afek of Afik, dat aan de stam van Aser toegekend werd, maar niet door de Israëlieten veroverd werd {Joz 13:4 19:30 Richt.1:31}, het tegenwoordige Afka.

  4. Afek in de buurt van Mizpa (1 Sam.4:1; 7:12; vgl. Joz.12:18).

  5. Afek in de buurt van Joppe.



1 Achab regeerde van 875-854 v.Chr.. Hij had veel te stellen met de Syriërs en hun koning Benhadad II. Hij was voorspoedig in het heroveren van vele grenssteden. Zie hierover Samuël Terrien, Länder der Bibel; München/ Zürich 1958; blz. 46.

2 Tot tweemaal toe wordt er melding gemaakt van dronkenschap van Benhadad II (vs.12a, 16). In Samaria waar veel wijn verbouwd werd, kon men zich in hutten, als dranklokalen ingericht, rijkelijk te goed doen aan de sterke drank.

3 ‘Men moet geen triomflied zingen vóór de victorie’ (een latijns spreekwoord), aldus de uitleg van de Kanttekeningen van de Statenvertaling. Wij zouden zeggen: Men moet de huid niet verkopen, voordat de beer geschoten is.’ Dr. C.van Gelderen (a.w., blz.235) voegt daar nog het Engelse gezegde aan toe:’Tel je kuikens niet, voordat ze uitgebroed zijn’.

4 De Kanttekeningen van de Statenvertaling leggen dit a.v. uit: ‘Dat is, met de aankomst van den zomer, als de legers, om de bekwaamheid van den leeftocht en voeder te genieten, plegen te velde te komen. Alzo onder, 1 Kon. 20:26. Vergelijk 2 Sam. 11:1; 1 Kron. 20:1; 2 Kron. 36:10.

5 Zie de Excurs aan het eind van de preek (over de mogelijke ligging van Afek).

6 De afbeelding toon ons een strijdwagen uit die tijd.


7 De Kanttekeningen van de Statenvertaling leggen dit a.v.uit: ‘Hierbij wordt het heir der Israëlieten, hetwelk in tweeën gedeeld was, vergeleken; om te kennen te geven, niet alleen dat zij weinig in getal, maar ook zwak in krijgsrusting en wapenen, ten aanzien van de Syriërs waren.’ M.Henry schrijft, dat de twee bajaljons van de Israëlieten ‘het aanzien hadden van twee kleine geitenkudden, hun aantal klein, hun uitrusting armoedig en hun voorkomen verachtelijk.’


8 Vergelijk voor de uitdrukking ‘van de ene kamer in de andere’: 1 Kon.22:25; 2 Kon.9:2; 2 Kron.18:24.

9 J. van Gelderen (a.w.,blz.254) schrijft, dat het Hebreeuwse woord ‘sak’ niet met ‘zak’, maar met rouwgewaad te vertalen is.

10 Dr. J. van Gelderen (a.w., blz.257) vertaalt het tweede deel van vs.34 a.v.: ‘En wat mij persoonlijk betreft, moge ik onder verdrag afscheid van u nemen’.Dan is hier dus niet Achab (zo de Statenvertaling), maar Benhadad aan het woord.

11 ‘Terwijl de Heere Benhadad in de hand van Achab had gegeven, heeft Achab hem zo maar losgelaten “uit de hand”, - uit Achabs eigen hand, en (voorzover het aan hem lag) ook uit Gods hand. Nu zal het met Achab gaan gelijk met de soldaat in het verhaal, die ook de hem toevertrouwde krijgsgevangene heeft laten ontsnappen.‘ Aldus Dr. J. van Gelderen, a.w., blz.263.








De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina