Preek over 1 Thess. 5, 24



Dovnload 48.58 Kb.
Datum26.07.2016
Grootte48.58 Kb.

Preek over 1 Thess. 5, 24


(afscheid Wageningen: 17-09-1978)
Orde van dienst
1. Votum en groet

2. Psalm: 138:1 en 4

3. Wet des Heeren / Apost. Geloofsbelijdenis

4. Psalm: 79:4 / 59:10



  1. Schriftlezing: 1 Thess. 5:12-28

  2. Gebed

  3. Tekst: Hij, Die u roept, is getrouw, Die het ook doen zal. (1 Thess.5, 24)

Thema: De onvergankelijke trouw van onze God

Puntenverdeling van de preek:

1.God Die roept is getrouw

2.Hij zal het doen


  1. Inzameling der gaven

  2. Psalm 33:5, 6 en 9

  3. Prediking

  4. Psalm: 111:5

  5. Dankgebed

  6. Psalm: 84:6

  7. Zegenbede.

* * *
Thema: De onvergankelijke trouw van onze God
In het heden ligt ’t verleden,

in het nu wat komen zal.


Dit is een oude regel, gemeente waarin ons gezegd wordt, dat er door de geschiedenis van de mensheid op de aarde een lijn loopt. In het verleden liggen rijke lessen voor het heden en in het heden worden wij door allerlei gebeurtenissen vaak bemoedigd voor de toekomst. En voor iemand die in Christus gelooft mag dat betekenen, dat hij zich omringd weet door de onvergankelijke trouw van zijn God.
Laat ik dat proberen toe te lichten door twee gedenkwaardige gebeurtenissen uit het verleden van onze stad.
Op 14 september was het precies 400 jaar geleden, dat Wageningen zijn eerste predikant kreeg (14 september 1578). Zijn naam is: Wilhelmus Varicius. Hij was reeds ouder dan 60 jaar, woonde aanvanke-lijk in een herberg en leed armoede. Maar hij zag er tegelijk ondanks zijn hoge leeftijd niet tegenop om in Leiden theologie te gaan studeren en daardoor omgeschoold te worden van priester tot reformatorisch herder en leraar. Hij was het die het werk van de Reformatie van Wageningen ter hand nam. En zo klonk de boodschap van vrije genade voor mensen zonder verdiensten voor het eerst in deze stad; vier jaar later (1582) ook in het kerkgebouw waar wij vanmorgen samenzijn.1

Een onuitsprekelijke genade, aan ons voorgeslacht en aan ons bewezen. Onvergankelijke trouw van God.


Het andere feit dat ik in uw herinnering wil wakker roepen is iets heel anders. ‘Op tien mei 1940 brak de Tweede Wereldoorlog uit…Vanaf de Grebbeberg werd in minder dan geen tijd een flink stuk van het hart van de stad Wageningen in puin geschoten. 112 huizen werden in de as gelegd. De Grote Kerk veranderde daarbij in een ruïne. Alleen de muren en een gedeelte van de toren stonden nog overeind. Alles lag bedolven onder het puin‘….
‘Op 7 april 1945 bliezen de Duitsers nog even gauw voor hun vertrek de toren van de Grote Kerk op. Daarbij ging een deel van het pas gerestaureerde en herbouwde kerkgebouw opnieuw verloren….’ ‘Het zou tot de zomer van 1954 duren voordat de geheel gerestaureerde kerk weer in gebruik zou worden genomen’ 2 Ik vraag u, of het niet een onuitsprekelijke genade van God is, dat wij in dit uit het puin verrezen kerkgebouw vanmorgen mogen samen zijn gekomen om Gods Woord te horen.


  1. God Die roept, is getrouw

De twee genoemde feiten mag ik met u waarderen als een dubbele onderstreping van onze tekst: Hij, Die U roept, is getrouw, Die het ook doen zal. Dat woord staat als een paal boven water. Het is niet uit de lucht gegrepen. De waarheid ervan is met handen te tasten in onze eigen geschiedenis.

Het heeft zijn kracht bewezen in het verleden. En het is van kracht ook vandaag. De roepende God is de Getrouwe. Geslachten vielen weg, ook dienaren van het Woord. Maar God ging door. Hij riep. Ook u en mij.
Hij, Die u roept, is getrouw, Die het ook doen zal. Het is een van de zinnen waarmee de apostel Paulus zijn oudste eerste brief (aan Thessalonica) besluit.’Ga rustig voort’, voegt Paulus de jonge christengemeente van Thessalonica toe. Christus komt spoedig terug. Verwacht Hem. Maar ga niet op een stoel zitten afwachten. Doe inmiddels trouw uw werk. Wees kinderen van het licht, nuchter en waakzaam. In alles de Heere toegewijd: innerlijk, lichamelijk. Dan zult u straks als een smetteloze bruid voor Jezus staan, als Hij terugkomt.
En als u dat heel moeilijk vindt (het is het ook), houdt dan maar vast, dat er een roepende God is. Die zal het ook doen.3
Ik wil u graag vanuit onze tekst twee dingen meegeven.
In de eerste plaats gaat het hier over de roepende God. Op Hem valt al het licht. Er kan geen sprake zijn van een gemeente, niet te Thessalonica of waar dan ook ter wereld, buiten de roepende God om. Hij roept. Een gemeente constitueert zichzelf niet. Het is geen gemeenschap van mensen die elkaar gevonden hebben in gelijkgezinde belangen, in het najagen van dezelfde doelstellingen (in een sport, in een vakvereniging, enz.). Het is God Die de gemeente institueert en samenroept. De gemeente is vrucht van een Godsdaad. Dat is een groot wonder. Het is een groot wonder, dat God aan ons nog één woord wil besteden.
Laten we eerst maar eens zien, hoe die gemeente van Thessalonica is ontstaan. De mensen daar waren eertijds zonder God en zonder hoop in de wereld. Zij leefden bij eigen licht. Men deed wat goed was in eigen ogen. Zij waren blind als de mollen. Ze dienden de afgoden.

Maar toen kwam de apostel Paulus. Hij legde hun de Schriften uit. Hij verkondigde hun, dat zij verloren waren buiten de enige Zaligmaker Jezus Christus om. En Gods Geest werkte krachtig en onweerstaanbaar mee, zodat de Thessalonicenzen getrokken werden als met koorden van goedertierenheid.


God riep weg uit de zondedienst. De mensen werden ingeleid in de heerlijke gemeenschap met de Heere Christus. Ze werden geactiveerd tot een nieuw leven. Ze werden kinderen van het licht. En ze kregen hoop in hun harten op Gods eeuwige heerlijkheid. Vgl. 1 Thess.2:12.
God roept. Zo is het altijd geweest. God riep een man die de god Sin (een maangod) diende en er helemaal niet aan dacht om uit Ur der Chaldeeën weg te gaan: Abram. God riep hem: ‘Ga uit uw land’…En Abram ging, niet wetend waar hij komen zou. Zo ging het ook met het volk dat uit Abram was voortgekomen, Israël. Het had eeuwenlang gezucht in Egypte onder de zweepslagen van hun drijvers. Maar God riep: ‘Laat Mijn volk gaan’…En Farao liet het volk tenslotte gaan. God had Abram geroepen: een Vader riep Zijn kind. En God riep Israël als een Herder. En Israël werd Zijn kudde.
Als God roept, doet Hij dat als een Vader en een Herder. Zo is het nog steeds. God roept u en mij, elke zondag, als wij samenkomen onder het Woord in Zijn huis. Met klem en welgemeend. Iemand zou kunnen denken: Waar begint God aan?! Want u en ik, wij zijn zover bij God vandaan van nature. Niet te beroepen. Blind, zonder God en hoop. Helemaal ingesteld op en gericht op onszelf. In de knoop met onszelf.
En toch ging de Heere maar door met roepen.4 Hij meende het, toen Hij u in de ogen en in het hart keek. Weet u het nog, wat dat voor u betekende, toen het menens werd tussen de Heere en u? Ach ja, wat doet een mens van nature met die roepstem van God? Die jongen die zich liever nog een paar keer omdraait in zijn warme bed, als zijn moeder op zondagmorgen zegt: ‘Jan, kom je eruit?; we gaan naar de kerk.’ Die vrouw die liever naar de lokstem van haar minnaar luistert en haar wettige echtgenoot ontrouw wordt.
Ik verzeker die jongen en die vrouw, dat het eenmaal tegen hen zal getuigen, als ze de Heere maar hebben laten roepen, zonder op die roepstem in te gaan. Of zoals iemand bij mijn afscheid in een vorige gemeente, tegen mij zei: ‘Wij hebben u eigenlijk maar laten praten’. Nog een keer: Zal dat niet eeuwig tegen ons getuigen, als wij op Gods herhaalde roepstem niet een keer instemmend hebben gereageerd.
God roept. En Hij doet dat als een Vader. Iemand denkt misschien, dat het aan zijn goedwilligheid te danken is, dat hij aan Gods roepstem gehoorzaam is geworden. Maar dat is een grote misvatting. Want als God roept zoals in de tekst van deze morgen, doet Hij dat zo, dat een mens er wel acht op móet slaan. Ook het gehoorzamen aan Gods roepstem is een vrucht van Gods roeping. We noemen dat: Gods krachtdadig roepen. 5Dan paart God de Heere Zijn Geest aan het Woord dat verkondigd wordt. En dat houdt in, dat ons hart wordt geopend. Het is niet te weerstaan. Dat krachtdadig roepen van God werkt wat uit. Er breekt wat bij u van binnen. U schopt er niet meer tegenaan, zoals tevoren, toen u nog een vijand was van de leer van vrije genade. Uw gebalde vuisten werden geopende bedelaarshanden. U kreeg een walg van uzelf. U moest van de troon. U liet uw geliefkoosde zonden los. U kroop in de stilte van uw bidvertrek voor God over de grond. Net zolang, totdat u capituleerde en tot de overgave van heel uw verloren leven kwam. ’God is getrouw, door Welke gij geroepen zijt tot de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onze Heere’ (1Kor. 1:9).6
Het gaat hier net als met een klein kind dat in een groot winkelmagazijn opeens de hand van zijn vader heeft losgelaten, geboeid door alles wat het ziet. Het voelt zich verloren. En dan klinkt het als muziek in de oren, als dat kind opeens zijn naam hoort noemen: ‘Jan, waar ben je…?’
Zo door God geroepen, opgezocht en gevonden te zijn midden in uw verblinding en verlorenheid, dat is een groot wonder. Mag u het kennen? Dan zegt u: ‘Dat kan ik nooit klein krijgen, dat de Heere het op mij gemunt heeft. Hij nam redenen uit zichzelf. Ik zou nooit naar Hem gevraagd en tot Hem geroepen hebben.’ Weet u ervan? De Heere ‘roept tot Zijn Koninkrijk en heerlijkheid’ (1 Thess.2:12). Dank er de Heere dan voor. God gebruikte wellicht deze of gene dienaar van het Woord om u naar Zich toe te halen. Maar die was slechts middel. Meer niet.
God roept als een Vader. En Hij doet het ook als een Herder. U weet wat dat inhoudt. Een herder behoeft maar even zijn mond open te doen en het schaap heft zijn hoofd op. Het herkent de stem van de herder. Als God u als een herder roept, moet u uw zelfgekozen wegen verlaten en krijgt u Gods geboden lief. U moet elke dag vragen: Heere, mag ik U volgen, waar U ook heengaat. En dan wilt u ook graag bij de kudde zijn. Daarom waren er kerkdiensten, catechisaties….Daar heeft uw dienaar u, jullie mogen vertellen, hoe rijk een mens is, als hij zich radicaal en helemaal aan de Heere Jezus in handen geeft.
Paulus zal dat zeker ook op het oog hebben gehad, toen hij de woorden van onze tekst neerschreef. God roept als de Goede Herder. Jezus zei: ‘Die Mijn geboden heeft, en ze bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en die Mij liefheeft, zal van Mijn Vader geliefd worden; en Ik zal hem liefhebben, en Ik zal Mijzelf aan hem openbaren’ (Joh.14:21). Als de Heere (Jezus) roept, roept Hij tot navolging. Een verklaarder van ons tekstgedeelte schrijft, dat God de ongelovige roept tot geloof en de gelovige tot heiligheid.7 Daarom gaan aan onze tekst ook vele vermaningen vooraf (lees 1 Thess.5:6vv). Wij zijn geroepen om onberispelijk te zijn. ‘Want God heeft ons niet geroepen tot onreinigheid, maar tot heiligmaking’ (1 Thess. 4:7). Wees geen slaapdronken mens die voor zijn hartstochten leeft en voorts zijn roes in de wereld uitslaapt. Vecht niet voor eigen rechten. Leef niet als kat en hond met elkaar in uw gezin.
God roept ons tot een geweldige taak in de wereld: profeet, priester en koning zijn. Een profeet die getuigt tegen de leugenachtigheid van het leven om u heen. Een priester die zijn leven opoffert in de dienst van de medemensen in een ontwikkelingsland; ook al wordt het u niet in dank afgenomen. Een koning die onder de banier van Jezus strijdt tegen de machten van godloos atheïsme, van goddeloos seksualisme en materialisme.

2.Hij zal het doen
Maar u zit wellicht, na wat ik tot nu toe zei, met een vraag. Is dit alles niet een al te hoog gegrepen ideaal? Wie is tot deze dingen bekwaam? Wie kan de genade die God hem/ haar bewees, zelf vasthouden? Zijn wij niet al te snel een dwalend schaap dat onbedacht zijn herder verliest? Moeten wij er niet heel vaak onszelf van beschuldigen, dat wij zo ontrouw zijn. Kortom, wij staan op de tocht in veel opzichten. Als u en ik de christennaam niet voor niets dragen, worden wij er dagelijks om lastig gevallen.
Maar laten wij dan nu het vervolg van de tekst voor de preek goed lezen. Wij worden hier immers niet opgezweept tot een prestatiegericht leven. Integendeel, in dit alles worden wij teruggeworpen op God Zelf. Hij, Die u roept, is getrouw, Die het ook doen zal (vs. 24). Deze getrouwe God ‘Die in u een goed werk begonnen heeft, zal dat voleindigen tot op de dag van Jezus Christus' (Ef. 3:20; Fil.1:6). De Heere doet geen half werk. 8
De Heer' is zo getrouw als sterk,

Hij zal Zijn werk voor mij volenden.

(Ps.138:4 ber.)
God is getrouw, een God Die nooit laat varen het werk van Zijn handen. Vgl. 1 Kor.1:8v; 10:13; 2 Kor.1:18; 2 Thess.3:3; 2 Tim. 2:13; Hebr.10:23; 11:11.
Pas dat maar op uzelf toe. Als God krachtdadig roept tot Zijn gemeenschap, doet Hij dat dan maar één keer? Met andere woorden; moeten zij het dan zelf verder maar waar zien te maken?
Nee. God roept aanhoudend. Het is rijk, als u weet hebt van een krachtdadige omzetting van uw leven, eens voor ’t eerst. Maar blijf dan ook maar uw leven lang op die roepende God aangewezen.9 Word niet de man of vrouw met uw eenmalige bekering. Heb er uzelf niet mee op het oog. Want God kan er – met eerbied gezegd – niet tegen, dat u Hem van Zijn eer berooft. ‘Wat hebt u dat u niet hebt ontvangen? En zo u het ook ontvangen hebt, wat roemt u, alsof u het niet ontvangen had’ (1 Kor. 4:7). Weet wel, dat u nog dagelijks geroepen moet worden. Hij Die u roept…Het staat er in de tegenwoordige tijd. Dus dat gaat altijd door. Voor hoeveel dwaasheden moeten wij dagelijks bewaard worden, ook na de ontvangst van Gods genade. Aan hoeveel zonden moeten wij steeds ontdekt worden?
Wellicht vreest u, dat het alles geen waarheid in uw binnenste is geworden en dat u zo vaak uzelf op het oog hebt. Wel, zeg dan maar tegen de Heere: ‘Heere God, als ik het begin van U met mij niet meer bekijken kan, begin dan a.u.b. met mij opnieuw.’ Alle mensen zijn leugenachtig. Maar met de Heere valt geen sterveling ooit om. Met onze beste vrienden kunnen we omvallen. Maar de God en Vader van onze Heere Jezus Christus valt eeuwig mee. ‘Gods armen reiken dieper dan onze diepste diepten’ (H. F. Kohlbrugge).
De Roepende is ook de Getrouwe. Ofte wel: de God van mijn betrouwen. Heel persoonlijk en innig. U weet er wellicht van, dat u persoonlijk geroepen bent. Maar u twijfelt er wel eens aan, of Christus uw Borg is. Dus wel geroepen, maar niet gerechtvaardigd? Ik vraag u niettemin: Kan dat wel? Zegt de Schrift niet: ‘En die hij te voren verordineerd heeft, deze heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, deze heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft Hij ook verheerlijkt’ (Rom. 8:30).
Kan het ook zijn, dat u nog denkt, dat het met u eerst wat beter moet worden, alvorens u voor God acceptabel bent? Laat ik u dan zeggen, dat God roept om u te rechtvaardigen. Hij spreekt goddelozen vrij. Eerst als u dat voor uzelf mag geloven, mag u ook zeker zijn van uw eeuwige verkiezing. De roepende God is de Getrouwe.
En dan zegt onze tekst tenslotte: Hij zal het ook doen. Het is niet uit de werken, maar uit de Roepende. Vgl. Ef.2:9. Als ik het moest doen, zou het knoeiwerk zijn en blijven. Maar als ik de Heere door Zijn Geest in mij laat werken, wordt het in mij en ook door mij gedaan.

Hij zal het doen. Er staat niet bij, wat Hij zal doen. Vul maar in. Hij zal het allemaal doen. Meer dan u denkt en boven bidden. Heel het werk van de heiliging. Ik lig daarin o zo vaak overhoop met mijzelf. Maar als de Heere het van mij overneemt, gaat het als vanzelf.


Hij zal het doen. Hij zal door Zijn Geest mij de woorden in de mond leggen, die ik spreken moet, als ik verantwoording heb af te leggen voor valse getuigen. Hij zal het doen. Ook als het uur van sterven komt. Van Maarten Luther wordt verteld, dat hij tot op zijn sterfbed is aangevochten en als een groot kind snikkend in slaap viel, toen hij stierf. Wat een troost dan, als het ook voor ons mag gelden: ‘Opdat ook ik zijn mag waar Hij is’ (Joh.14:3 slot).
Weet u wanneer u de woorden van onze tekst met grote stelligheid mag overnemen? Als uw ogen ervoor zijn open gegaan, dat Hij het niet alleen zal doen, maar ook gedaan heeft. Dat Jezus Christus in Zijn kruisdood uw oude mens heeft meegenomen naar Zijn graf. Toen Hij riep: ‘Het is volbracht’. ‘Jezus, Uw verzoenend sterven: het rustpunt van mijn hart’.
Daar is uiteindelijk alles mee gezegd. Val levenslang, gemeente, in Zijn doorboorde handen. Vaarwel.
Amen.

Excurs (uit: C.den Boer, 1 Thessalonicenzen. Kampen 2000; blz.12vv)



De komst van het Evangelie in Thessalonika

‘Lukas verhaalt ons in Hand.17:1-10, hoe in de stad Thessalo­nika de christengemeente is ontstaan. Het is tijdens Paulus’ zogenaamde tweede zendingsreis (zie kaart boven).


Paulus en Silas (= Silvánus; vanaf Hand.15:40), mede vergezegeld door Timótheüs (vanaf Hand.16:3) en Lukas (vanaf Hand.16:10vv) maken de overtocht van Klein-Azië naar Macedonië. Een Macedonisch man had hen in een gezicht geroepen: 'Kom over en help ons'. En dan wordt de banier van het Evangelie ook in Europa geplant…..Eerst in Filippi, waar Paulus en Silas in de gevangenis belanden als verstoorders van de goede Romeinse zeden….. Daarna in Thessalonica.
Naar gewoonte gaat de apostel Paulus in Thessalonika eerst naar de Joodse synagoge. Daar verkondigt hij drie sabbatten lang de gekruisigde en opge­stane Christus. Blijkbaar is het aantal Joden in Thessalonika groot. Zij horen Paulus geruime tijd aan. Bovendien zijn daar in de synagoge ook nog al wat heidenen die grote belangstelling tonen voor de Joodse godsdienst (de zgn. godvrezenden)…. Ook komen zij in het huis van een zekere Jason (wellicht ten­tenmaker net als Paulus) en dat wordt een goede plaats van samenkomst voor de gemeente, waar Paulus nader onderricht kan geven aan de gelovigen.
En... het Woord der verkondiging maakt goede opgang. Met klem betuigt Paulus vanuit de Schriften, dat de langbeloofde Messias - geheel tegen verwachtingen in - een Messi­as is, Die moet lijden en opstaan en dat Jezus Chris­tus die Messias is.En die boodschap vindt gehoor. Niet direct onder de Joden. Wel onder de vele godvre­zenden in de synagoge; heidenen die hun afgodische leven moe zijn en met belangstelling het onderricht in de Thora volgen. En vooral ook onder vele vooraanstaande heidense vrou­wen (een 'upperten'). Zij geven zich over aan de boodschap van het Evangelie; vgl. Hand.17:4. Zij ontvangen Paulus' woord als Gods Woord (1 Thess.2:13).
Maar wat gebeurt er dan? Het klikt kennelijk niet langer tussen de Joden en de heidenen binnen de synagogale gemeen­schap. Hebben de Joodse leiders het wellicht met lede ogen aange­zien, dat zo velen de prediking van Paulus gehoor geven? Af­gunst, nijd brengt hen ertoe om de straat op te gaan en de zaak op te jutten.Zij recruteren een aantal marktboeven (vrienden van de markt). Zij slepen Jason en enige broeders voor de stadsmagistraat en beschuldigen er hen van, dat zij de wereld in opschud­ding hebben gebracht en tegen de decreten van de keizer gehan­deld hebben, door te beweren, dat Jezus koning is….
Het lijkt laag af te lopen met de zaak van het Evangelie. En toch....Jason en de zijnen zien kans om de aristocraten te verze­keren, dat zij verder geen problemen zullen maken. Maar voor Paulus en Silas lijkt het maar het beste om spoedig te vertrekken. Onder geleide van de broeders gaan zij 's nachts uit Thessalonika weg.
Intussen is de banier van het Evangelie geplant. God zal over de arbeid van Zijn knechten waken, ook als zij na een kort verblijf (reeds na een maand?) in die plaats met problemen weg moeten….
Paulus en de zijnen gaan dan naar Berea…Maar de Joden van Thessalonika brengen ook daar de zaak in rep en roer…En dan vertrekt Paulus ook hier…Silas en Timotheüs blijven er achter en Paulus reist onder goede geleide naar Arhene.
Aanleiding tot het schrijven van de eerste brief aan Thessalonika.
Het gezantschap dat Paulus begeleid heeft, gaat weldra terug met de boodschap, dat Timótheüs en Silas spoedig bij Paulus moeten komen. Dat geschiedt. En dan zendt Paulus Timótheüs meteen weer terug naar Thessalonika om zich op de hoogte te stellen van de stand van zaken aldaar en aan hem verslag uit te brengen van zijn visitatie.
De apostel zit kennelijk in grote zorg over de gemeente van Thessa-lonika. Hij is er maar zo kort geweest. Hoe zou het toch de Griekse mannen binnen de synagogale gemeenschap die tot geloof in Christus Jezus waren gekomen, zijn vergaan? Wat zouden zij wellicht niet van de kant van de Joden te verduren hebben gekregen? Wellicht in de handel, op de markt voorbijgelopen en benadeeld in hun broodwinning?!
En dan die vooraanstaande vrouwen voor wie de Heere Christus alles was geworden, maar die intussen wel van alles over zich heen kregen in het culturele/ religieuze leven van alledag en wellicht vooral ook thuis in huwelijk en gezin van de kant van haar onbekeerde huisgenoten?
En hoe zou het met Jason zijn, het mikpunt van haat van de kant van zijn stadsgenoten? En Aristarchus en Secundus, twee andere gemeenteleden van Thessalonika (Hand.20:4)?Wellicht zouden zij in het maatschappelijke leven zijn uitgerangeerd, hun baan zijn kwijtgeraakt en tot armoede vervallen.
Kortom, zouden de gelovigen intussen misschien weer zijn terugge-vallen in hun vroegere heidense leven? Aan welk een verzet van de kant van de Joden en aan welke verachting en kwaadwillige behandeling van de kant van hun heidense stadgenoten zouden ze wellicht zijn blootgesteld?
Over al deze dingen moet Paulus in grote zorg zijn geweest (vgl.2 Kor.11:28).Intussen is Paulus van Athene naar Korinthe gereisd. En daar komen dan tenslotte de broeders (Timótheüs en Silas) weer bij hem terug. Vgl. Hand.18:5; 1 Thess.3:6vv. En hoe hartelijk verblijd is dan de apostel, als hij van Timótheüs hoort, dat de gemeente van Thessalonika het in alle opzichten goed maakt. God heeft gewaakt over Zijn eigen werk.
Wie begrijpt niet, dat Paulus er onmiddellijk behoefte aan heeft om de gemeente een brief te schrijven. Om de gelovigen te bemoedigen, zodat zij stand kunnen houden in de hitte van vervolgingen. Om hen nader te onderwijzen inzake de dingen van het geloof en hen op te wekken zich in alles te richten op de toekomst van de wederkomende Christus.



1 De Gereformeerde Gemeente te Wageningen (de latere Nederlands Hervormde Gemeente) kan geacht worden haar bestaan te hebben aangevangen in 1578. Op 14 september van dat jaar trad Wilhelm van Varick (ook wel à Varick en Varicius genoemd), daartoe geroepen door de stadhouder van Gelderland Jan van Nassau, als eerste predikant in dienst van de Wageningse gemeente. Hij diende de gemeente van 1578-1587. Zijn optreden werd gekenmerkt door vele moeilijkheden met de magistraat en de laatste pastoor van de oude kerk, Jacob van Westendorp. In 1579 werd door de Gelderse Synode de Arnhemse predikant Fontanus aan Van Varick toegevoegd om de Wageningse gemeente te organiseren.Dit had de gewenste uitwerking. In 1580 was er een kerkenraad en kan men het ervoor houden dat de gemeente geconsolideerd was. Aldus De inventaris van het Archief der NH Gemeente Wageningen (Kerkenraad en Diaconie; 1635-1939); red. H.L.Driessen.

2 Uit: Kleine geschiedenis van het Flentrop-orgel in de Grote Kerk van Wageningen; 1955-2005; Q. J. Munters 2005; blz.7, 18, 20.

3 Zie de Excurs aan het eind van deze preek.

4 De afbeelding is de kerk van de Vredehorst in Wageningen , waar de gemeente op zondagmorgens samenkwam en waar het God behaagde harten van mensen door Zijn Woord en Geest te openen.


5 J. Calvijn schrijft in dit verband: ‘Voorts, Paulus spreekt tot de gelovigen, die niet alleen door de uiterlijke prediking geroepen waren, maar ook krachtig van Christus tot de Vader waren geleid, om in het getal der kinderen te zijn.’ Zo J. Calvijn, Uitlegging op de eerste en tweede zendbrief van Paulus aan de Thessalonicenzen; naar de uitgaven der Oude Hollandse overzetting van J. D. in de tegenwoordige spelling, door A. M. Donner; 3e druk. Goudriaan 1979; blz.48.

6 ‘Ik ben soms geschokt geweest door de brute manier waarop sommigen meenden te moeten reageren op de boodschap die ik hun bracht. Onze stad met de hoogste i.q van heel Nederland, munt niet uit door ontzag voor de heilige wet van God en bepaald ook niet altijd door innerlijke beschaving. Maar ik weet, dat God, ondanks dit alles, Zijn werk heeft gedaan.Wij hebben elkaar liefgehad…’Citaat uit de toespraak tot de gemeente, na de preek.

7 Zo David J. Williams, 1 and 2 Thessalonians (New International Biblical Commentary; 12); Peabody/ Massachusetts; Carlisle; 1992; blz 103.

8 Zie verder: 1 Thess.2:12; 4:7; 2 Thess.2:14.

9 J. Calvijn schrijft ter verklaring van onze tekst: ‘Met deze woorden geeft Paulus te kennen, dat men moet hopen dat de genade zal duren en blijven, van dat de Heere ons eenmaal Zich tot kinderen aangenomen heeft. Want Hij belooft niet, dat Hij één dag onze Vader zal zijn, maar Hij neemt ons aan met de conditie, dat Hij ons altijd zal onderhouden. Zo dan, de roeping moet ons een getuigenis der eeuwige genade zijn. Want Hij wil het werk Zijner handen niet onvolmaakt laten.’ J. Calvijn, a.w., blz.48. Johann Albrecht Bengel schrijft, dat ‘dit korte versje de ‘summa’ (samenvatting) van alle troost bevat’. Zo Johann Albrecht Bengel, Gnomon; Auslegung des Neuen Testamentes in fortlaufenden Anmerkungen; Band II, Stuttgart 1970; 8e Auflage; blz. 433.







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina