Preek over 2 Koningen 6: 16



Dovnload 34.36 Kb.
Datum16.08.2016
Grootte34.36 Kb.
Preek over 2 Koningen 6:16



Orde van dienst
1. Votum en groet

2. Psalm: 79:1 en 4

3. Wet des Heeren / Apost.Geloofsbelijdenis

4. Psalm: 143:2 / 29:6



  1. Schriftlezing: 2 Koningen 6:8-23

  2. Gebed

  3. Tekst: Toen zeide hij: ‘Vrees niet; want die bij ons zijn, zijn meer dan die bij hen zijn’. 2 Koningen 6:16

8. Inzameling der gaven

  1. Psalm: 34:3, 4 en 9

10. Prediking

11.Psalm: 32: 5

12.Dankgebed

13.Psalm: 138:4

14.Zegenbede

Als een gekooide vogel zit Eliza opgesloten in de stad Dothan. Er is geen ontvluchten mogelijk. Een opluchting voor de koning van Syrië die naar Israel is gekomen om een eind te maken aan de boycot door deze profeet.


Elke keer dat het leger van de Syriërs ergens het land Israel was binnengevallen, was het uitgerekend daar opge-wacht door de soldaten van Israel. Het was in de jaren 894-892 vChr.

Blijkbaar hadden spion- nen de plannen van de vijand aan de koning van Israel verraden. Of was er in Israel wellicht een profeet die afluisterde wat er in de binnenste slaapkamer van koning Benhadad werd verhandeld? Ja zeker, Eliza was de man die de zaak van de Syriërs had geboycot. Hij was Israels sterke man. Als er iemand in Syrië was die daarvan afwist, dan was het Naäman de Syriër van wie 2 Koningen 5 : 1vv ons vertelt.


Daarom zijn de Syriërs dan nu het land van Israel binnengevallen om Eliza op het spoor te komen en uit te schakelen. In de nacht hebben zij het beleg geslagen rondom de stad Dothan waar Eliza zich op dat moment bevindt. Morgen zal hij een gewisse prooi zijn van de Syriërs. Ze zijn hem nu een keer te vlug af geweest. Eliza gaat zijn laatste nacht tegemoet. Was dat soms een beloning voor de weldaad die bewezen was aan de krijgsoverste Naäman?


  • Dothan of Dothaim. Deze naam betekent ‘Twee bronnen’.De plaats lag niet ver van Sichem en van Samaria. Nabij de uitgestrekte en vruchtbare vlakte van Jizreël. Hier vond Jozef zijn broers {Gen 37 : 17}. Dwars door deze vlakte loopt de weg van Syrië naar Egypte. Komend van Damascus loopt hij langs het gebergte Gilboa naar het Westjordaanse gebied.

En dan breekt de nieuwe dag aan. Het zonlicht klimt over de heuveltoppen heen. De Syriërs ontwaken in hun legertenten ginds in het dal om de stad heen. Eliza is de nieuwe dag al voor. Voor dag en dauw is hij opgestaan en maakt met zijn knecht een morgenwandeling. Is hij deze keer soms niet op de hoogte van wat de Syriërs in hun schild voeren? Heeft de Heere het voor hem verborgen, opdat Hij Zijn majesteit straks des te heerlijker zou openbaren?


‘Kijk daar eens!.’ Opeens wijst de knecht van Eliza – de opvolger van Gehazi – op iets dat hem de schrik op het lijf jaagt. ‘Kijk eens, ziet u dat dan niet?’ Honderden strijdwagens. Strijdlustige paarden die ervoor worden gespannen. Een geweldige legermacht om de stad heen. We zijn in de val gelopen, man van God. Er is geen ontkomen aan. Ach, mijn heer, hoe zullen wij doen?’

Maar Eliza is er blijkbaar niet van onder de indruk. Hij heeft geen lijfwacht om zich heen om hem te beschermen. Hij heeft geen pijl en boog bij zich. Rustig zegt hij tegen zijn knecht, dat hij niet bang moet zijn: ‘Vrees niet, want die bij ons zijn, zijn meer dan die bij hen zijn.’ (2 Kon. 6 : 16). Is Eliza dan soms niet goed uitgeslapen? Weet Eliza dan niet, dat dat handjevol inwoners van Dothan tegen zo’n geweldige overmacht van vijanden niet is opgewassen?


Ja, maar toch verkijkt Eliza zich niet op de situatie. Geheel kwetsbaar, onbeschermd gaat hij de vijand tegemoet. Deze profeet is geborgen in de hoede van Hem die ooit heeft gezegd: ‘Tast Mijn gezalfden niet aan en doet Mijn profeten geen kwaad’ (1 Kron.16 : 22; Ps. 105 : 15). Stil bidt Eliza, of de Heere de ogen van zijn knecht wil openen. En wat ziet die jongen dan? Hij kan zijn ogen haast niet geloven. In een engere kring om de stad heen, bevindt zich een ander leger dan dat van de Syriërs. De berg waarop Dothan gebouwd ligt, is vol vurige paarden en wagens. Als de Heere op het gebed van de man van God de ogen van de jongen heeft geopend, ziet hij het.Een hemelse legerschare van engelen. God in de hemel komt de Zijnen in nood te hulp.
Des Heeren engel schaart

een onverwinb’re hemelwacht

rondom hem die Gods wil betracht:

Dus is hij wèl bewaard. (Ps.34 : 4a ber.)


In die blijde zekerheid gaan Eliza en zijn knecht de stadspoort uit, de Syriërs tegemoet. Kijk, daar komen de eerste ruiters hen al tegemoet. Denken die wellicht met een boer en zijn knecht te maken te hebben? Op Eliza’s gebed zijn ze in elk geval met verblindheden geslagen. Eliza’s knecht zijn de ogen geopend, de ogen van de Syriërs worden verblind. ‘Mensen, jullie zijn op de verkeerde weg; je moet in een andere stad zijn’, zegt Eliza. En dan gaat heel de legermacht van de Syriërs als stomme honden achter Eliza, hun gehate spion aan. Richting Samaria, het hol van de leeuw. Daar woont Isrels koning. En die willen de vijanden toch immers graag uitgeschakeld hebben?
Intussen is de koning op het appèl verschenen. Kijk eens goed, Syriërs. Ja, dat doen ze. De Heere heeft hun ogen op Eliza’s gebed weer geopend. En dan komen ze tot de ontdekking, dat ze om de tuin zijn geleid. Ze zijn totaal in verwarring gebracht. Wat staat hun anders te wachten, dan dat ze kort en klein worden geslagen. Koning Joram wil dan ook maar meteen de daad bij het woord voegen. Nederig vraagt hij aan de man Gods: ‘Zal ik hen slaan, zal ik hen slaan, mijn vader?’ Maar Eliza heeft een beter plan.Zijn krijgsgevangenen moeten niet met zwaard en boog van koning Joram worden afgemaakt. Er wordt een grote maaltijd gereed gemaakt. De Syriërs krijgen – heel gastvrij - brood en water voorgezet. En nadat zij zich aan deze ‘gevangeniskost’ te goed hebben gedaan, kunnen ze vertrekken. Wat een vernedering! Een voor een druipen ze af. En vooreerst komen de benden der Syriërs niet meer in het land van Israel. Daar waren ze trouwens genoeg keren geweest; reeds onder koning Achab.
‘Die bij ons zijn, zijn meer dan die bij hen zijn.’ Dat is taal van geloof. En met die geloofstaal viert de kerk des Heeren zijn triomfen in de wereld. De Syriërs zijn als geslagen honden naar Damaskus teruggekeerd. Iemand schreef: ‘God kan de snoodste plannen van Zijn vijanden verijdelen.’ Maar even later zijn ze toch weer op het toneel verschenen. Lees vers 23 van 2 Koningen 6; zie ook 2 Koningen 8 : 10vv en 2 Koningen 9 : 14. Israel heeft steeds een aangevochten bestaan geleid te midden van de volkeren rondom. De oorlog tussen Israel en Syrië is tot op de dag van vandaag niet beëindigd. Niet alleen de Golan, maar we kunnen wel zeggen: heel het land der belofte, is twistappel gebleven. Wat God heeft uitverkoren, is mikpunt van de vorst der duisternis. Dat is nooit anders geweest.
Zo is het ook met allen die zich door het geloof met de God van Israel en met Zijn Messias verbonden weten. Ze worden niet met rust gelaten. Ze moeten haat en smaad verduren. Ze worden vaak voor kwalijke lastposten versleten. Het Joods-christelijk erfgoed is ook in Europa een aangevochten zaak.
Niet voor niets worden wij opgeroepen om de gehele wapenrusting Gods aan te doen (Ef. 6 : 11vv). Want ‘wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht.’ (Ef. 6 : 12). Wat aan de God van Israel en aan Zijn Gezalfde herinnert, moet van de aardbodem worden weggevaagd. Overal in de wereld is dat merkbaar. In Noord Korea waar christenen op straffe van jarenlange gevangenisstraf naar de hemel kijken. In Soedan waar de jonge christenheid het ontgelden moet tegenover een overmacht van Arabisch-moslim geweld. In Irak waar ruim 800.000 christenen (3 % van de bevolking) vanwege het internationaal terroristisch netwerk (Bin Laden en zijn Al Qaida strijders) hun kerkgebouwen in niets ontziend geweld in vlammen zien opgaan. Ook in Europa kan elk ogenblik het alarm dat melding maakt van een aanslag, afgaan. Wij kunnen er zeker van zijn, dat hier twee eeuwenoude culturen met elkaar in botsing komen. Maar al evenzeer is het waar – ook al is elke Moslim nog geen fundamentalist en terrorist – dat ook het Jodendom en de christelijke kerk in de eindtijd die wij thans beleven het voorwerp zijn van al dat geweld.
De vraag is, of wij werkelijk toegerust zijn met de geestelijke wapenrusting van Efeze 6. Is de God van Israel, is Zijn Messias de hoop van ons hart geworden? Mogen wij ons geborgen weten in die God, ook als wij net als Eliza en de zijnen in Dothan door de vijanden omsingeld zijn?

Een paar vragen aan ouderen en jongeren. Worden jullie er wel eens over aangesproken, dat je elke zondag naar de kerk gaat? En hebben jullie dan een antwoord op de vraag, wat je daar zoekt en wie de Heere Jezus voor je is geworden? En u, vaders en moeders, weten uw kinderen ervan, dat u door Gods genade losgeweekt bent uit het zondebestaan en dat u door Gods genade een rijk mens bent geworden? Is het daarom ook, dat u het kwade in het leven van uw kinderen niet verdragen kunt?


Let erop, dat het in het verhaal van 2 Koningen 6 in feite om één man gaat, om Eliza. De duivel brengt soms een heel leger op de been om één mens te vangen. Het gaat hem – ook vandaag – om de Eliza’s, de mannen die de Naam van Israels God publiek hooghouden. Daarom moeten de ambtsdragers onder ons bijzonder op hun hoede zijn. Als de duivel er één van u in zijn vingers krijgt, sleept hij meteen ook anderen om u heen mee in uw val. Dat geldt ook van u, vader en moeders. De satan mikt vooral op u om met u ook uw kinderen mee te slepen naar het verderf. Nog eens, als de duivel een enkeling die een sleutelpositie heeft, in zijn macht krijgt, legt hij daarmee meestal tegelijk op vele anderen beslag.
Terug nu echter naar het woord van onze tekst. ‘Vrees niet; want die bij ons zijn, zijn meer dan die bij hen zijn’ (1 Kon. 6 : 16). Dat is de geloofstaal van Eliza. Hij zit als een rat in de val. Hij wordt omsingeld door vijanden. Maar intussen weet hij zich opgenomen in de kring van een engelenwacht om hem heen.

We trekken de lijn door naar het Nieuwe Testament. Hoor, hoe Jezus tot Nathanaël zegt: ‘Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden; Van nu aan zult gij de hemel zien geopend en de engelen Gods opklimmende en nederdalende op de Zoon des mensen’ (Joh. 1 : 52). Vgl. ook Gen. 32 : 2. In Christus is de brug geslagen tussen de hemel en de aarde. Wie in Christus geborgen is, mag verzekerd zijn van Zijn trouwe hulp van boven. Hoor, hoe de Heere Jezus de Zijnen bemoedigt: ‘In de wereld zult gij verdrukking hebben; maar heb goede moed, Ik heb de wereld overwonnen’ (Joh. 16 : 33b). Dat troostwoord geeft Hij u en mij ook vanmorgen mee. Als Hij aan onze zijde is, kunnen al onze tegenstanders niets uitrichten.


En hoe heeft de Heere Christus dan de wereld overwonnen? Dat heeft Hij gedaan door aan die wereld als geen ander te gronde te gaan. Satan en zijn trawanten hebben hun vuile haat geloosd op Hem.
Een stierenheir uit Basan, sterk van krachten.

en fel verwoed

omringd’ Hem aan alle zijden. (Ps. 22 : 6 ber.)

Zo was het, toen Hij in het Dothan van Golgotha aan het vloekhout werd geslagen. Hij moest uit de weg worden geruimd. Dat was het toppunt van vijandschap tegen God van de kant van Jood en heiden. Maar juist zo bracht Christus die Gode vijandige wereldmacht, de genadeslag toe. Hij ving al de slagen van satan die voor u en voor mij bedoeld waren, in onze plaats op. Hij won voor de Zijnen een plaats terug bij de Vader. Hij verzoende hun schuld. Hij ging met hen door dood, graf en hel heen naar het Vaderhuis boven. Wel, zo zullen de poorten van de hel Zijn gemeente dan ook nooit overweldigen. Satan heeft niets in te brengen tegen die van Christus zijn. Want Christus is hun Borg. De wereld kan alleen nog het lichaam doden. De ziel kan zij niet doden. Vanuit Zijn hoge hemel kijkt dan nu Jezus de Triomfator met duizend ogen naar de Zijnen om en redt hen uit al hun benauwdheden. Straks zullen al Zijn vijanden zich geveinsd aan Hem onderwerpen. ‘Alle knie zal zich voor Hem buigen en alle tong zal Hem belijden’ (Fil. 2 : 10v).


Al zie ik zelfs een leger mij omringen,

nog vrees ik niet, ‘k verlaat mij op de Heer’.

Al wil men mij door ene oorlog dwingen,

‘k leg mij gerust hierop vertrouwend neer.

(Ps. 27 : 2 a ber.)
In Christus geldt dan nu ook vandaag voor allen die in Hem geborgen zijn: die bij ons zijn, zijn meer dan die bij hen zijn. Wanneer de Heere ons geweten gezuiverd heeft van zondesmet, mogen wij dan niet vrolijk opzien naar de hemel, als mensen het ons moeilijk maken? Want heeft Hij ons immers niet voor Zijn hemelse rekening genomen? En als dan nog de vorst der duisternis ons benauwt, verwijzen we hem naar Koning Jezus. Wij zeggen met Eliza (tegen de Syriërs): ‘U bent bij mij aan het verkeerde adres; kom mee naar Golgotha; daar hangt mijn Meester Die u de genadeslag heeft gegeven.’ ‘Ik zal niet vrezen voor tienduizenden des volks, die zich rondom tegen mij zetten’ (Ps. 3 : 7).
In Christus geldt ook vandaag voor allen die in Hem geborgen zijn: die bij ons zijn, zijn meer dan die bij hen zijn. Wanneer wij naar lichaam en ziel, in leven en in sterven, het eigendom van Christus Jezus zijn geworden, mogen wij dan niet alle vrees voor de dood als de koning der verschrikking afleggen? Wij zeggen met Eliza (tegen zijn knecht): de dood heeft zijn prikkel in Christus verloren; zij kan mij geen kwaad meer doen.
In Christus geldt voor allen die in Hem geborgen zijn: die bij ons zijn, zijn meer dan die bij hen zijn. De hemelse Christus immers ‘geeft Zijn engelen bevelen, zodat zij ons bewaren op al onze wegen. Zij zullen u op de handen dragen, opdat gij uw voet aan geen steen stoot’ (Ps. 91 : 11v). Jezus heeft ‘meer dan 12 legioenen engelen’ die Hem ten dienste staan, bevel kunnen geven om Hem bij te staan, toen Zijn vijanden Hem gevangen namen in Gethsemané (Matth. 26 : 53). Maar in Zijn bitter lijden was er toch slechts ‘één engel die Hem versterkte’ (Lukas 22 : 43). Met andere woorden: Jezus heeft Zich vrijwillig onthouden van een beroep op een grote hemelse legermacht; Hij wilde de strijd alleen strijden. Maar daarmee heeft Hij dan tevens de weg vrijgemaakt voor Zijn gedienstige geesten (de engelen) om hen die door Jezus’ bloed zijn vrijgekocht, te beschermen. Zo goed als de hemelse legermacht op Gods bevel op de been is gebracht, toen Eliza in Dothan zat, zo goed zendt de Heere ook vandaag Zijn engelen uit tot bescherming van de Zijnen in ‘doodsangst’. Sprak Jezus ook niet over de ‘kleinen’ wier engelen altijd zien het Aangezicht van Zijn Vader Die in de hemelen is? (Matth. 18 : 10). Daarmee is niet gezegd, dat elke (zwakke) gelovige zijn beschermengel heeft. Maar dat betekent wel, dat de engelen als het ware aan de ogen van de hemelse Vader kunnen aflezen, waar hun hulp en bijstand op de aarde het meest nodig is en dat zij op Gods bevel dan ook altijd rondom de gelovigen zijn om hen te bewaren in gevaren. Over die taak van de engelen lezen we in Hebreeën 1 : 14: ‘Zijn zij niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden, om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen?’ Vgl. ook Hand. 12 : 15.

Het is dan ook de ervaring van Gods kinderen, dat zij zich in uiterst moeilijke omstandigheden beschermd weten door onzichtbare engelen-handen. Als onze ogen net als bij de knecht van Eliza nog gesloten zijn voor wat er zich in de geestelijke wereld om ons heen afspeelt, zien wij ook niets van engelen om ons heen. Maar als de Heere onze ogen geopend heeft voor Hem Die in al onze noden is afgedaald, mogen wij ook geloven, dat Zijn gedienstige geesten ons in onze uiterste noden bewaren op al onze wegen.


Hier is wel een waarschuwing op zijn plaats. Wij leven niet meer in een tijd waarin God Zich direct (bijvoorbeeld in een droom of door een engel) aan ons openbaart. Ons behoud ligt verankerd in Jezus Christus en Zijn verzoeningswerk. Een hoog bejaarde mevrouw vertelde me eens, dat zij vast geloofde, dat het goed was tussen haar en de Heere, omdat zij eens een engel op bezoek had gekregen. Maar onze zaligheid kan niet gebouwd worden op een engelverschijning. Engelen zijn in de Bijbel slechts randverschijnselen. De Heere Zebaoth, de God van de engelenmachten, Hij alleen is alle aanbidding waard. Wel mogen wij, in het geloof verbonden met de Heere in de hemel, vast vertrouwen, dat wij, als God het nodig oordeelt, delen in de bescherming van Zijn engelen, onze gidsen op onze levensweg.
Die bij ons zijn, zijn meer dan die bij hen zijn. Mag ik u vragen: Kent u ook die roemtaal van het geloof? Om het te zeggen met de woorden van de apostel Paulus: ‘Wat zullen wij dan tot deze dingen zeggen? Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken? Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het Die rechtvaardig maakt. Wie is het Die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opwekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt…Want ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, nog enig ander schepsel, ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Heere (Rom. 8 : 31 - 34; 38, 39).
Wie deze Christus aan zijn zijde heeft, kan met Eliza zeggen: ‘Die bij ons zijn, zijn meer dan die bij hen zijn’. Want het geloof mag rekenen met de almacht van Christus. Toen Hij van de aarde heenging, heeft Hij gezegd: ‘Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde’ (Matth. 28 : 18b). Daarom is Hij een Zaligmaker in Wiens handen u gerust al uw zaken kunt overgeven. In de wereld draait alles om het getal, om de meerderheid van stemmen. En de meeste mensen doen dan ook wat de meerderheid van de mensen doet. Maar bij de gelovige ligt dat anders. Zelfs als hij er gans en al alleen voor komt te staan, ook als er van buiten strijd en van binnen vrees is, mag hij diep in zijn hart weten:
De Heere is met mij, ‘k zal niet vrezen.

De Heer’ zal mij getrouw behoên.

Daar God mijn schild en hulp wil wezen,

wat zal een nietig mens mij doen?

(Ps. 118 : 3 b ber.).
Nog twee dingen moet ik toevoegen aan wat ik u tot nu toe heb gezegd. Jezus heeft eens gezegd: ‘Ik ben tot een oordeel in deze wereld gekomen, opdat degenen die niet zien, zien mogen en die zien blind worden’ (Joh. 9 : 39). Zo is het ook in de geschiedenis van Eliza in Dothan. In de eerste plaats wil ik met u nog een ogenblik letten op Eliza’s knecht. Die zag aanvankelijk helemaal niets van wat Eliza zag. ‘Ach, mijn heer’, zei hij, ’hoe zullen wij doen?’ Dat is de taal van het ongeloof. Voor het besef van Eliza’s knecht was het een verloren zaak.

Wellicht zijn er onder u die ook nooit verder gekomen zijn dan deze jongen. Altijd zien ze op de omstandigheden die het hen moeilijk maken en zitten moedeloos bij de pakken neer. Ze verwachten het in feite van eigen kunnen en kennen. En als die hen in de steek laten, dan is er voor hun gevoel geen redden meer aan. Als alles hun bij de handen wordt afgebroken, geven ze de moed op. Pessimisme en neerslachtigheid hebben de overhand in hun karakter. En die twee zijn een grote vriend van ongeloof. ‘Duizend zorgen, duizend doden kwellen hun angstvallig hart.’ En hoewel de Heere hen al zo vaak heeft uitgered, denken ze, dat Hij hen tenslotte toch alleen laat voorttobben.


Wel, laat ik u dan mogen zeggen, dat u zich niet behoeft te laten benauwen door een veelheid van dingen en mensen die u tegen zijn. Weet u wat er voor u nodig is? Dat de Heere u de ogen opent. Bid daarom. ‘Heere, laat mij het ook eens zien, dat U alle machten de baas bent.’ Bid, of de Heere ook uw kind dat nog zo zorgeloos leeft, ogen en een hart wil geven voor de dienenswaardigheid van Koning Jezus. Dat is ook mijn gebed voor u, gemeente. ‘Heere, wilt u a.u.b. de ogen openen van de mensen die hier vanmorgen in de kerk zijn. Velen van hen zijn misschien ten einde raad. Velen zullen met mensenvrees zijn bezet; zij durven niet voor Uw naam uit te komen tegenover collega’s op hun werk. Velen zijn met vrees voor de dood bevangen. Maar Heere, laat hen dan toch zien, dat U opgewassen bent tegen elke macht die ons verhindert om op U te vertrouwen. Heere, geef dat op dit moment velen van hen die mij horen, zoveel fiducie krijgen in de almacht en liefde van de Heere Jezus, dat zij het niet laten kunnen zich met alles wat zij hebben en zijn aan U toe te vertrouwen. Toon hen de alles overwinnende glorie van Christus.
Dat geloof, gemeente, maakt een mens manmoedig. Kijk nog eens goed naar Eliza en zijn knecht. Zij stapten onbevreesd op de Syriërs af. Ze hadden hen in dat geloof zelfs geheel in hun macht. Ze brachten hen in het hartje van Samaria. En daar behandelden ze hen met de grootste edelmoedigheid. Ze zetten hun eten en drinken voor en stuurden hen zo naar huis. Dat zullen die Syriërs niet licht zijn vergeten. Zij waren gekomen om Gods profeet te vangen. Ze wisten dan van nu voortaan, dat de Heere een profeet in Israel had en hoe deze in Gods Naam met vijanden omging.
Het geloof, gemeente maakt manmoedig en edelmoedig. Hoe vaak hebben we dat nu al niet gelezen van gelovigen die door hun vijanden zijn opgesloten in ellendige gevangenissen. Zij hadden alle reden om de vuist te ballen. Maar ze waren vrolijk in al hun verdrukkingen. Zij streden met open vizier. Zij sloegen hun haters niet met Bijbelteksten om de oren. Zij betoonden weldadigheid jegens hen. Zij hadden hun vijanden lief en behandelden hen met de grootste welwillendheid. Zo stapelden zij kolen vuurs op hun hoofd. En hoe vaak was juist dat niet het middel van de bekering van hun vijanden. Vgl. Ex. 23 : 4v ; Spr. 25 : 21v; Matth. 5 : 39, 43v.
En dan nu tenslotte nog het andere. Let ook op wat de Syriërs overkwam. Eliza bad een gebed en de Heere sloeg die vijanden van Israel met verblindheden. Toen konden zij geen kant meer uit. Ze werden op sleeptouw genomen. Ze zouden allemaal in de pan zijn gehakt door koning Joram. Maar dat gebeurde niet. Met schaamte en schande keerden zij naar Damaskus terug.

De Heere kan met een enkel bevel van zijn mond een blinde ziende maken. Maar Hij kan omgekeerd ook een mens, een volk met blindheid slaan. Dan hollen zij als een paard met oogkleppen op het verderf tegemoet. Ik bid voor u, dat u zo iets niet overkomt, gemeente. Hoe vreselijk zal het zijn, als u overkomt wat de Syriërs overkwam. U hebt eten en drinken in overvloed. Het leven is voor u best aangenaam. Een wijntje en een trijntje. Hoger dan wat u met uw ogen kunt zien en met uw handen kunt tasten, gaan uw gedachten niet. En bovendien meent u wellicht dan ook nog, dat u God aan uw zijde hebt. ‘God met ons’ stond er vroeger op de rand van de Hollandse gulden. Maar het bezit van een grote hoeveelheid guldens of Euro’s is geen bewijs, dat u de Heere mee hebt.

U kunt met dit alles hoe langer hoe meer op een hellend vlak terechtkomen om straks als een wanhopig en diep teleurgesteld mens uw leven te beëindigen. Blindelings het eeuwige verderf tegemoet gaan, eeuwig onder Gods toorn wegsterven. Hoe vreselijk is dat.
Keer dan tot uzelf in. Sta stil op uw dwaze weg. U bent er – net als de Syiërs – dit keer nog genadig afgekomen. U bent alsnog in het heden van de genade. Daarom roepen we elkaar toe.
Wil toch niet stug gelijk een paard weerstreven,

of als een muil, door domheid voortgedreven.

Gebit en toom, door ’s mensen hand bestierd,

beteug’len ’t woest en redeloos gediert’.

Laat zulk een dwang voor u niet nodig wezen.

Wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen.

Maar wie op Hem vertrouwt, op Hem alleen,

ziet zich omringd met Zijn weldadigheên



(Ps. 32 : 5 ber).
Amen







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina