Preek over 2 Kron. 7: 16



Dovnload 46.44 Kb.
Datum26.07.2016
Grootte46.44 Kb.
Preek over 2 Kron.7:16

Liturgie
1) Votum

2) Groet


3) Psalm: 68:13

4) Wet den Heeren

5) Psalm: 79:4

6) Sohriftlezing: 2 Kron. 7:12-22

7) Gebed

8) Tekst: 2 Kron.7:16:




Want Ik heb nu dit huis verkoren en geheiligd, opdat Mijn Naam daar zij tot in eeuwigheid en Mijn ogen en Mijn hart zullen daar te allen dage zijn.


9) Inzameling der gaven

10) Psalm: 84:2, 4

11) Prediking over


  1. De tempel ingewijd (plaats van gebedsverhoring)

  2. De tempel van Christus’ lichaam en Zijn gemeente

3 . Gods ogen en Zijn hart

12) Psalm: 65:1

13) Dankgebed

14) Psalm: 36:2

15) Zegenbede.1

Salomo, de vredevorst van Israël, heeft een schitterende tempel gebouwd Eindelijk is het werk klaar gekomen en op een feestelijke wijze is Gods huis ingewijd. Onvergetelijke dagen waren dat geweest. De ark des verbonds was in heilige optocht op haar plaats gebracht in het Heilige der Heiligen. Priesters en levieten hadden hun hart uitgejubeld, prijzende de Heere, dat Hij goed is, dat Zijn weldadigheid is tot in eeuwigheid. Zie ook 1 Koningen 8 en 9:1-9.




Op de plaats waar eenmaal Abraham het dodelijke mes boven zijn zoon Izak gehouden had, op de berg Moria brandden nu de gedurige offers, Gode tot een welriekende reuk.


Koning Salomo had zelf de plechtige inwijding verricht.2 Gezegend dat volk wiens koning zo hartelijk verbonden is met de dienst van God. De Israëlieten hadden daar gestaan in dichte rijen, toen Salomo zijn handen uitgebreid had en in een ontroerend smeekgebed gevraagd had om de tegenwoordigheid van God. Want bij Salomo leefde blijkbaar de overtuiging, dat een tempel, hoe kostelijk ook met goud versierd, op zichzelf geen garantie biedt voor de nabijheid van de Heere.


  1. De tempel ingewijd (plaats van gebedsverhoring)

Salomo had gevraagd, of de Heere vanuit Zijn hoge hemel wilde horen, als Zijn volk met allerlei noden in oprechtheid van het hart tot Zijn tempel zou gaan; noden van land en volk, zondenood bovenal ‘Dat Uw ogen (Heere) open zijn, dag en nacht, over dit huis…’ (2 Kron.6:20a). ‘Hoor dan uit de hemel, de vaste plaats van Uw woning, hun gebed en hun smekingen en voer hun recht uit, en vergeef Uw volk wat zij tegen u gezondigd zullen hebben’ (2 Kron.6:39).


En tot aller ontzag en verwondering had de heilige God Zelf antwoord gegeven op Salomo's smeekgebed: er was vuur van de hemel gedaald, dat het brandoffer en de slachtoffers verteerd had. Zo vol van de heer1ijkheid van God was het huis geweest, dat de priesters niet hadden kunnen ingaan om te dienen. En het volk had zich voor de hoge God gebogen ‘met hun aangezichten ter aarde op de vloer; zij hadden aangebeden en God geloofd, dat Hij goedig is en dat Zijn weldadigheid is tot in eeuwigheid’ (2 Kron.7:3).
God Zelf had het zegel van Zijn goedkeuring gehecht aan het werk van de tempelbouw. Het mocht een bouwwerk zijn, vol van de hoge en verheven God. Wie die dit alles leest, zou deze openingsplechtigheid niet diep in zijn hart hebben willen meemaken?

En nu is het midden in de nacht. De stilte in het heiligdom is teruggekeerd. Alleen het altaarvuur brandt. Salomo slaapt. Zijn hart moet nog vol geweest zijn, toen hij ter ruste ging, vol van de majesteitelijke openbaring van God. En in die nacht gebeurt er nog iets wonderlijks, een nagalm van het grote feest, herhaling in woorden van de Godsdaad in vuur.

God Die Zijn ogen openhoudt dag en nacht over Zijn huis, ook als mensen door de slaap overmand zijn en niet kunnen denken, die God spreekt: ‘Ik heb uw gebed verhoord, en heb Mij deze plaats verkoren tot een offerhuis’ (2 Kron.7:12). En dan volgen er troostrijke woorden die stuk voor stuk gebedsverhoring zijn. De Heere sluit Zich in neerbuigende goedheid aan bij alles wat door Salomo gevraagd is. Ja, Hij is een God Wiens aanbod de vraag van arme zondaren ver overtreft.

‘Want Ik heb nu dit huis verkoren en geheiligd’, zegt God, ‘opdat Mijn Naam daar zij tot in eeuwigheid en Mijn ogen en Mijn hart zullen daar te allen dage zijn‘ (vs.16). 3 Welk een rijke belofte met een zeer wijde


strekking. Want hiermee belooft de Heere niets minder dan Zichzelf en dat voor altijd. Israël zal niet langer behoeven te zwerven van de ene plaats naar de andere om de ark te vinden en te aanbidden voor Gods troon. Het volk mag weten: hier woont God. Hij heeft deze plaats Zelf uitgekozen. Hier komt Gods toorn tot rust in de heilige offeranden. En hier zal ook een ootmoedige en schuldbewuste zondaar vrede vinden en kracht tot vernieuwing van zijn leven.
Het meest kenmerkende van deze tempel wat betreft het volk zal zijn: dat er veel gebeden wordt. En het meest kenmerkende van Gods kant: dat Hij de grote Hoorder der gebeden is. 4

‘Daartoe’, zegt God, ‘heb Ik dit huis geheiligd/ apart gezet/ afgezonderd. Mijn Naam zal daar zijn tot in eeuwigheid.’ Zo ook 1 Kon.9:3. Dat wil zeggen: alles wat Ik van Mijzelf heb geopenbaard, alles wat voor het kennen van Mij nodig is voor een mens, zal Ik daar laten. U kunt het er vinden in de bediening der verzoening. Heel de tempeldienst zal voor een smekeling die daarheen gaat met zijn noden, een prediking zijn: ‘Zie, hier ben Ik, zie, hier ben lk.’


De Heere zegt dus Salomo toe, dat Hij als de verzoende God aanwezig zal zijn in dit huis, zodat er gemeenschap met Hem mogelijk zal zijn. Zo zal het volk Hem kennen als een trouwe en liefhebbende God Die Zijn volk niet in de steek laat. God heeft als het ware in de dienst van de Salomonische tempel de naam ven Christus neergeschreven. Door Zijn Geest leert de Heere die Naam van Christus in de tempeldienst lezen en omhelzen als de lang beloofde Messias.

‘Mijn ogen en Mijn hart zullen daar ten allen dage zijn’, zegt God. Met andere woorden: Een arme smekeling die het oprecht om God te doen is, zal in Gods huis niet onopgemerkt blijven. Lees nog maar eens 2 Kronieken 6:21vv. Integendeel, de Heere zal ernaar uitzien, zoals een Vader naar het kind dat van zijn dwaalweg terugkeert. 5

De ogen van God die de gehele aarde doorlopen, zullen vriendelijk omzien naar allen die Zijn aangezicht zoeken en zich bekeren van hun boze wegen. En dat zal geen 1ijdelijk toezien zijn. God zal er met Zijn hart bij zijn. Hij is in Zijn huis alle dagen present. Hij heeft geen speciale spreekuren.
In de blik van Zijn ogen ligt de liefde van Zijn hart. Hij is helemaal aanwezig om te vergeven, om zalig te maken en te sterken.

Hoeveel vrome Israëlieten in de loop van de eeuwen zullen de waarheid van dat beloftewoord hebben ervaren. Zij gingen verkwikt door Gods liefdevolle nabijheid van de heilige altaren naar hun huizen terug. Zij hadden entree gekregen tot Gods Vaderlijk hart.

Deze rijke troost, gemeente, behoeft ons vandaag niet te ontgaan. 0ok al bestaat de prachtige tempel van Salomo niet meer. Al die rijke beloften waarvan we lezen in ons teksthoofdstuk zijn niet gebonden aan die tempel van Salomo.
De tempel is er geweest als een schaduw van Hem Die komen zou. Alles wees heen naar de Messias die in de volheid van de tijd onder Israël geboren werd. De veelkleurige en bonte priesterdienst van de Oudtestamentische tempel vindt zijn kristallisatie-punt in deze gezegende Hogepriester Jezus Christus met Zijn enig offer.
2. De tempel van Christus’ lichaam en Zijn gemeente
De tempel van Zijn lichaam is door God verkoren en geheiligd, opdat de Vader daarin Zijn Naam tot in alle eeuwigheid zou verheerlijken. Het donkere Golgotha werd de plaats, waar Jezus als Hogepriester de strijd met het recht van God streed en eraan te gronde ging. De Vader nam genoegen met het werk van Zijn Zoon en werd geheel bevredigd. En waar het volbraohte werk van Christus is, daar kan God in vrede samenwonen met een arm zondaarsvolk. Nooit in de geschiedenis van de mensheid is God dichter bij verloren zondaren geweest dan toen, toen Hij Zijn Kind uit het graf haalde en Hem vrijsprak van verdere rechtsvervolging. Er ontsloot zich een weg van het Vaderhart van God regelrecht naar zondaarsharten.
In het zicht van de tempel, vlak bij de plaats waar Abrahams zoon Izak niet getroffen werd door het mes van zijn vader, daar heeft de hemelse Vader in Zijn Zoon het oordeel, de toorn van God, de hel, de dood gebannen, zodat die voortaan geen beslag meer konden leggen op de Zijnen. Daarom kunnen we met de woorden van onze tekst zeggen, dat Gods ogen en Zijn hart in Christus ten allen dage daar zijn. In Hem zal de Vader in gunst op armen en ellendigen neerzien en de blik van Zijn liefde zal hun het hart vertederen. In Christus zal de Vader voluit vertegenwoordigd zijn en het zal het diepe geheim van Zijn kerk zijn, dat Zijn hart, dat is Hijzelf in Zijn diepste genegenheden en barmhartigheden met ons is. Leest u nog maar eens wat er geschreven staat in 2 Kron.6:12vv (het gebed van Salomo). Geen nood, of u mag ermee tot de God van Israël gaan.

Deze heilrijke Christus, gemeente, wordt vandaag naar ons toegebracht door Zijn Woord en Geest in de samenkomst van de gemeente. Het is daar, dat de Heere wil wonen: Zijn huis, het lichaam van Christus. Het is daarin, dat de Heere de belofte van 2 Kronieken 7 vervult.


Uit meerdere plaatsen van het Nieuwe Testament blijkt, dat de christelijke gemeente thans het huis van God is waar de Heere met Zijn volk wil samenwonen. Ik noem u alleen Hebreën 3:6, waar we lezen: ‘Maar Christus als de Zoon over Zijn eigen huis; Wiens huis wij zijn, indien wij maar de vrijmoedigheid en de roem der hoop tot het einde toe vast behouden.’

En Paulus roept het de Korinthiërs toe (in 1 Kor.3:16): ‘Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt en de Geest van God in ulieden woont?’


En zo mag er dan ook vanmorgen blijdschap in ons hart zijn, dat wij hier samen mogen zijn in een nieuw kerkgebouw waar Gods Woord open ligt op de kansel. U vindt hier niet de schoonheid van de Salomonische tempel. Maar u mag ervan overtuigd zijn, dat alle beloften die voor de tempel van het Oude Verbond gelden, in nog dieper en heerlijker zin vervuld worden in het huis van God waar we nu samenzijn.

Want daar immers wil God tegenwoordig zijn, waar Zijn Woord in de samenkomst van de gemeente verkondigd wordt. Dat Woord spreekt van de mogelijkheid om zalig te worden voor mensen die duizend en één keer vrezen, dat het voor hen niet kan. Dat Woord prijst Christus aan als de enige weg om vrede met God te krijgen. En dat Woord roept ons allen op om heilig te leven.

Ziet u de Heere Jezus staan vanmorgen in de preek? Wij prijzen Hem bij u aan. De zomen van Zijn kleed vervullen dit kerkgebouw, zoals eertijds in de tempel van Salomo (vgl. Jes.6:1).6 Weet u wat u moet doen? Doe als die vrouw uit het Evangelie (Matth.9:20vv; Luk.8:43vv) die 12 jaar lang geleden had aan bloedvloeien; zij kwam van achteren tot Jezus, raakte alleen de zoom van Zijn kleed aan en terstond was zij genezen. 7Zij voelde, dat er kracht van Hem uitging. Zo zal het ook u vergaan, als u Hem in al uw noden aanraakt in het Woord van Zijn beloften. En weet dan, dat de Heere tegen u zal zeggen: ‘Wees welgemoed, uw geloof heeft u behouden’ (vs.48).
3. Gods ogen en Zijn hart
Let nog eens op wat er in onze tekst staat. ‘Gods ogen en Zijn hart zullen daar (namelijk in de tempel) te allen dagen zijn.’ Nu, ook van dit kerkgebouw waarin u zich thans bevindt, geldt, dat Gods ogen hier zijn om uit te zien naar een verloren zoon die het ver van de Heere en Zijn genade niet langer houden kan, die tot zichzelf gekomen is en zich haast om thuis te komen bij God. Ook in de preek van deze morgen staat de hemelse Vader op de uitkijk. Verlangt u nog niet naar Hem? Wie van u is gewillig om met het leven in hartstocht en vijandschap tegen God te breken? Wie van u heeft het geleerd om alles schade en drek te achten om de uitnemendheid van Christus? Hebt u nooit de trekkende kracht van die ogen en de hartenklop van de Heere gevoeld? Hij heeft geen lust in uw (eeuwige)dood.
Met deze ogen die naar zondaars omzien, kijkt Hij u vanmorgen aan. Alle bouwkosten die zijn uitgegeven voor de bouw van deze kerk, zijn welbesteed, als hier iemand is die met zijn zondaarsbestaan onder de ogen van God wil komen.

Ik weet wel, gemeente, dat een mens die iets geleerd heeft van de heiligheid en majesteit van God er grote moeite mee kan hebben om te geloven, dat God hem zijn schuld vergeven wil en hem in gunst wil aanzien. De verloren zoon uit Jezus’ gelijkenis wist wel, dat hij alles verzondigd had en wel degelijk rekening moest houden met de mogelijkheid, dat hij bij zijn thuiskomst de deur op slot zou vinden. Toch kon hij niet laten om terug te keren naar zijn vader, al zou hij slechts een plekje moeten accepteren in de hooiberg. Weet u waarom? Omdat hij de blik van zijn vader bij zijn vertrek van huis, niet vergeten kon en omdat de vader met zijn hart bij hem was gebleven, ook toen hij in de vreemde de erfenis verteerde.


Wie is er onder u, die voor het eerst of bij vernieuwing zo tot God komt met zijn verloren bestaan? Echt waar, ook van u zal dan gelden wat van de verloren zoon geschreven staat: ‘als hij nog ver van Hem was, zag hem de Vader’ ( Luk.15:20). Eerder dan u Hem ziet.
Heeft Hij het niet beloofd: ‘Alzo zegt de Heere: De hemel is Mijn troon en de aarde is de voetbank Mijner voeten; waar zou dat huis zijn, dat gijlieden Mij zoudt bouwen, en waar is de plaats Mijner rust? Want Mijn hand heeft al deze dingen gemaakt en al deze dingen zijn geweest, spreekt de Heere; maar op deze zal Ik zien, op de arme en verslagene van geest en die voor Mijn Woord beeft’ (Jes. 66:1v).
Wat zegt onze tekst? Mijn (Gods) ogen zullen daar te allen dage zijn. Als dat zo is, gemeente, ziet de Heere ook u diep in uw hart en Hij ziet van u: al uw worstelen om Hem te kennen, dat vragen naar een Borg, dat strijden met uw onmacht, uw onwil bovenal, maar ook uw intense begeerte om heilig voor God te leven. U leeft immers onder hemels toezicht.
Welnu, geen ding ontgaat de Heere. God zag Jona zelfs in de vis. En wat zei Jona later: ‘Ik zeide: ik ben uitgestoten voor Uw ogen; nochtans zal ik de tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen’ (Jona 2:4).
Zing het dan maar mee met de dichter van Psalm 142:2:
Als mij geen hulp of uitkomst bleek,

wanneer mijn geest in mij bezweek,

en overstelpt was door ellend',

hebt Gij, o Heer', mijn pad gekend.

(Ps.142:2 ber.)
Kom dan zo onder Gods ogen zoals u bent. God heeft deze plaats van de bediening der verzoening aangewezen, uitverkoren en geheiligd, opdat u hierheen zou komen met al uw behoeften en zorgen, met uw zonden en noden. Zo had Salomo het gevraagd (zie 2 Kron.6). Zo heeft God het de eeuwen door waar gemaakt. De grote Hoorder der gebeden heeft steeds Zijn Woord waar gemaakt.
Zelfs vindt de mus een huis, o Heer’!

De zwaluw legt haar jongskens neer

in ’t kunstig nest bij Uw altaren.

Bij U, mijn Koning en mijn God

verwacht mijn ziel een heilrijk lot.

(Ps.84:2a ber.)


Voordat er vanmorgen een mens in de kerk was, was de Heere hier al om u welkom te heten en u genade te bewijzen. ‘Mijn ogen en Mijn hart zullen daar te allen dage zijn.’ Als de Heere dit ook onder ons waarmaakt, wordt dit huis van gebed met Gods heerlijkheid vervuld. En daar bid ik elke dag om. Want als de Heere de verborgen raadslagen van Zijn hart openbaart in de bediening van Zijn Woord, roept elke gelovige: ‘Zet mij als een zegel op Uw hart, als een zegel op Uw arm; want de liefde is sterk als de dood, de ijver is hard als het graf; haar kolen zijn vurige kolen, vlammen des Heeren. Vele wateren zouden deze liefde niet kunnen uitblussen, ja de rivieren zouden ze niet verdrinken; al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, men zou hem ten enenmale verachten’ (Hoogl.8: 6v).
Mijn hart zal daar te allen dage zijn. Daarom mag Gods bruidsgemeente vol verwondering uitroepen: ‘Toen was ik in Zijn ogen als één die vrede vindt' (Hoogl. 8:10).
Wat wilt u meer dan een wakend oog dat op al uw zorgen en noden let en een liefdevol hart dat al deze noden door de liefde verdrijft?
Zo woont de Heere door Zijn Geest in de gemeente, de tempel van de levende God. Zo wordt u, gemeente ‘een woonstede van God in de Geest’ (Ef.2:22). Weet u niet, dat u Gods tempel bent en dat de Geest van God in ulieden woont? Dat mag ons allemaal aansporen om voortaan te gaan leven naar het heilig liefdesgebod van de Heere. Om als een bruid de hemelse Bruidegom naar de ogen te kijken en Hem te behagen. Dat is een kostelijk leven.
En dan heb ik nu nog iets tot slot. Wanneer u blijft die u van nature bent, geen hart hebt voor God en Zijn dienst en vrede hebt met de wereld en haar zondige genoegens, dan wijkt de Heere vroeg of laat van u. Zo is het zelfs Salomo vergaan. Want op zijn oude dag hield hij er vele afgoden op na en had veel vreemde vrouwen lief (1 Kon.11:1vv).

Daar is het gevaar van de wereldgelijkvormigheid, van een gemeente die rijk en verrijkt is en aan geen ding gebrek heeft, van gemeenteleden die verzot zijn op afgoden en vreemde vrouwen.


Weet dan een ding. God laat zich niet vangen in hout en steen. Dat mag ieder zich hier vanmorgen aantrekken. Dat wij ons dan haasten om de levende God te zoeken. Hij gaat nog steeds door met het vergaderen van Zijn gemeente. Maar vreselijk zal het zijn onbekeerd in de handen van de levende God te vallen. God kan Zijn oordelen op allerlei wijzen over ons uitgieten.Eén van de ergste oordelen van God is, dat Hij Zijn Geest intrekt en de geest van de dwaling en van de onwetendheid onder ons laat heersen.
Zijn hart is vol van toorn over allen die in de verharding van hun hart blijven voortleven. Daar moet ik u voor waarschuwen. Er is een plaats waar u nooit meer Gods tegenwoor­digheid zult genieten. Dat is de plaats van uiterste duisternis, waar de worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust.
Ik weet een betere plaats voor u. Heeft Jezus het niet beloofd, dat er voor allen die God vrezen het Vaderhuis is met vele woningen. Daar zullen Gods ogen en zal Gods hart eeuwig over u waken.
God geve, dat we daar steeds weer onder de verkondiging van het Woord, de voorsmaken van proeven. Dan mag dit kerkgebouw een Bethel zijn: niets anders dan een huis van God waar de drieënige God Zichzelf aan u kwijt kan, Hem tot eer en u allen tot zaligheid.
Amen.

1 Over boven genoemde tekst heb ik (CdB) gepreekt in Sliedrecht, in de eerste dienst( 27-09-1961) in de pas gebouwde Hervormde Kapel Oostwijk (1961-1974)

De (Maranathakerk; zie afbeelding) is in 1974 in de plaats gekomen van de Hervormde Kapel Oostwijk.



2 De afbeelding is een schoolplaat over de inwijding van de tempel door Salomo.Dit moet hebben plaats gevonden tussen 1000 en 900 v.Chr.

3 De Hebreeuwse tekst van vs.16 luidt: ועתה בחרתי והקדשׁתי את־הבית הזה להיות־שׁמי שׁם עד־עולם והיו עיני ולבי שׁם כל־הימים׃.

4De vertaling van de LXX luidt: καὶ νῦν ἐξελεξάμην καὶ ἡγίακα τὸν οἶκον τοῦτον τοῦ εἶναι ὄνομά μου ἐκεῖ ἕως αἰῶνος, καὶ ἔσονται οἱ ὀφθαλμοί μου καὶ ἡ καρδία μου ἐκεῖ πάσας τὰς ἡμέρας

 De King James vertaling luidt: For now have I chosen and sanctified this house, that my name may be there for ever: and mine eyes and mine heart shall be there perpetually.


5 M.Henri schrijft ter verklaring van dit Schriftgedeelte: ‘He promised to own this house for a house of sacrifice to Israel and a house of prayer for all people (Isa_56:7): My name shall be there for ever (2Ch_7:12, 2Ch_7:16), that is, “There will I make myself known, and there will I will be called upon.” II. He promised to answer the prayers of his people that should at any time be made in that place, 2Ch_7:13-15. National judgments are here supposed (2Ch_7:13), famine, and pestilence, and perhaps war, for by the locusts devouring the land meant enemies as greedy as locusts, and laying all waste. 2. National repentance, prayer, and reformation, are required, 2Ch_7:14. God expects that his people who are called by his name, if they have dishonoured his name by their iniquity, should honour it by accepting the punishment of their iniquity. They must be humble themselves under his hand, must pray for the removal of the judgment, must seek the face and favour of God; and yet all this will not do unless they turn from their wicked ways, and return to the God from whom they have revolted. 3. National mercy is then promised, that God will forgive their sin, which brought the judgment upon them, and then heal their land, redress all their grievances. Pardoning mercy makes ways for healing mercy, Psa_103:3; Mat_9:2.


6 God heeft een boven al het menselijke verheven aanblik….Hij beloofde vanuit de tempel Zijn volk bij te staan en dat volk kreeg van daaruit antwoord op zijn vragen. Aldus Calvijn in zijn commentaar op Jes.6:1.

7 Aan de zoom van Jezus’ gebedskleed waren kwasten. Die aanraken betekende, dat men in aanraking kwam met Hem als Voorbidder en Helper Die kracht (ter genezing) verleende. Vgl. ook Matth.14:36; Mark.6:56.







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina