Preek over Amos 7: 7-9



Dovnload 42.32 Kb.
Datum20.08.2016
Grootte42.32 Kb.

Preek over Amos 7:7-9




Orde van dienst

1. Votum


2. Groet

3. Psalm: 122:1

4. Wet des Heeren / Apost.gel.

5. Psalm: 6:2 / 93:4

6. Schriftlezing: Amos 7:7-9

7. Gebed


8. Tekst( thema):
Nog deed Hij mij aldus zien; en ziet, de Heere stond op een muur, die naar het paslood gemaakt was, en een paslood was in Zijn hand. En de Heere zei tot mij: Wat ziet gij, Amos? En ik zei: Een paslood. Toen zei de Heere: Zie, Ik zal het paslood stellen in het midden van Mijn volk Israël; Ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan. Maar Izaks hoogten zullen verwoest, en Israëls heiligdommen zullen verstoord worden; en Ik zal tegen Jerobeams huis opstaan met het zwaard. Amos 7: 7-9.
9. Inzameling der gaven

10. Psalm: 119:60, 69

11. Prediking

12 .Psalm: 130:2

13. Dankgebed

14. Psalm: 95:4

l5. Zegenbede


* * *

Ik herinner me nog goed de eerste keer dat ik over het tekstgedeelte uit Amos 7 over het paslood preekte. Dat was in mijn eerste gemeente Veen In de week erna ontmoette ik een metselaar, die tegen me zei: ‘U hebt zich zondag laatstleden wel lelijk vergist, dominee’. ‘Waarom’, vroeg ik. ‘Wel’, zei hij, ‘u hebt over het paslood gepreekt alsof dat hetzelfde is als een waterpas. Maar daar is nog wel enig verschil tussen. Een waterpas is een instrument waarmee een timmerman of metselaar kan aflezen, of een muur horizontaal recht is. Als het luchtbelletje in die waterpas precies in het midden zit, loopt die muur horizontaal niet scheef af.


Maar een paslood of schietlood is een instrument dat door een timmerman of metselaar kan worden gebruikt om te zien, of een muur verticaal niet uit het lood staat, met andere woorden loodrecht overeind staat.1
U begrijpt, dat ik me diep schaamde. Had ik die metselaar nu maar vóór de zondag geraadpleegd. Dan had ik die fout niet gemaakt. Ik meen, dat ik in de preek die u thans bezig bent te lezen die fout niet opnieuw maak.

De profeet Amos, gemeente gebruikt het beeld van het paslood 2in zijn profetieën om ermee aan te duiden, hoe het geestelijk gesteld is met het volk Israël.


In ons teksthoofdstuk worden in dit verband drie profetische gezichten weergegeven: dat van de sprinkhanen, van het vuur en dat van het paslood.
In hoofdstuk 8 is daar ook nog het gezicht van de korf met vruchten. De betekenis van deze gezichten is voor Amos en ons onmiddellijk duidelijk. Maar wat met het symbool van het paslood wordt bedoeld, dat is Amos en ook ons wellicht niet meteen zonneklaar.
Wie was deze profeet Amos? Hij is wel vergeleken bij een stormvogel die in allerijl voor een naderend onweer uit, komt aangevlogen.
Aan zo’ n vogel kan men dus zien, dat er zwaar weer op komst is.3

In het kleine boekje waarin Amos’ profetieën bewaard zijn, gaat het voortdurend over dat naderend onweer, het gericht van God over de onbekeerlijkheid van Israël. Amos leefde in een tijd waarin er voor het oog geen vuiltje aan de lucht was. Het was in de dagen van Uzzia, koning van Juda en van Jeróbeam de tweede, koning van Israël (Noordelijk rijk; vgl. 2 Kon.14:25). 4 Iedereen kon genieten van een overdadige welvaart. Het volk baadde zich in de weelde. Aan oordeel en gericht dacht welhaast niemand.


Men moet er in het Noordelijk rijk (het terrein van Amos’ profetische werkzaamheid) warmpjes ingezeten hebben. Amos heeft het over: het winterhuis en het zomerhuis. De mensen beschikten wellicht over twee huizen. Amos spreekt ook over de elpenbenen huizen (Amos 3:15). 5
Intussen deed men zich tegoed aan dingen die niet bevredigen kunnen. Amos waarschuwt: ‘Wee de gerusten te Sion en de zekeren op de berg van Samaria (Amos 6:1); zij ‘liggen op elpenbenen besteden, en zijn weelderig op hun koetsen, en eten de lammeren van de kudde, en de kalveren uit het midden van de meststal; die op het geklank der luit kwinkeleren, en bedenken zichzelf instrumenten der muziek, gelijk David; die wijn uit schalen drinken, en zich zalven met de voortreffelijkste olie, maar bekommeren zich niet over de verbreking van Jozef’ (Amos 6:4-6).

Welvaart en weelde in overvloed dus. Maar, zoals gebruikelijk, daarmee ging valse gerustheid gepaard. Men vergat de God van de zegeningen. Men bekommerde zich niet om hun zonden waarmee men de God van Israël tergde. Geen strijd tegen die zonden en geen vragen om vergeving, geen hartelijk dienen van de God van alle genade.


En dit alles meende men met een gerust geweten te kunnen combineren met een eigenwillige godsdienst van het natuurlijk hart. De altaren in Bethel, Dan en Gilgal en waar al niet, rookten er niet minder om. En daarbij kwam, dat er geen sociale gerechtigheid onder Israël was. Vgl. Amos 2:6vv; 4:1; 5:10, 12; 6:12. Daar attendeert de profeet Amos vooral op. Het recht van de armen werd verkracht door een stel pochende rijken. De rechters deden er braaf aan mee. En voorname vrouwen waren hun vriendinnen die van dit alles de vruchten plukten.6
En dan is daar opeens Amos. Hij wordt door de Heere tot profeet geroepen van achter het vee. Hij is een veeboer/ veehandelaar die met zijn kudde rondzwerft over de velden en wilde vijgen eet (Amos 7:14). Hij woont in Thekóa, een uur of vier lopen ten zuiden van Jeruzalem. En hij profeteert in het land van het Noordelijk rijk. Zie Amos 7:15. En wat snauwt Amazia, de priester van Bethel, bedreigd in zijn broodwinning, Amos dan toe: ‘Gij ziener, ga weg, vlied in het land van Juda en eet aldaar brood en profeteer aldaar, maar in Bethel zult u voortaan niet meer profeteren; want dat is des konings heiligdom, en dat is het huis van het koninkrijk’ (Amos 7:12). 7


Maar Amos weet van geen wijken. Bij zijn koeien en schapen kon hij een rustiger leven leiden. Maar hij moet profeteren. God roept hem. Hij ziet sprinkhanen aankomen. Die eten het gewas van het veld op. En alleen als Amos voorbede doet voor zijn volk, komt de Heere op zijn dreiging van totale vernietiging van het volk terug en zegt: ‘Het zal niet geschieden’.


Amos ziet ook een vuur branden. Het verteert grote gebieden. En toch dooft het. Want God die berouw krijgt, roept de oordelen een halt toe. Welk een ontzaglijk wonder: de Heere die altijd trouw blijft aan Zichzelf, komt terug op Zijn eenmaal gesproken woord van oordeel. En dan krijgt Amos in de derde plaats nog iets anders te zien. En dat is dan het visioen van het paslood.
Op een muur staat iemand (God Zelf) met een paslood in de hand. De muur is loodrecht gemaakt. Vgl. Ps.122:3; Jes. 28:17. De Persoon met het paslood heeft een stuk touw in de hand met onderaan een loden gewicht En wat ziet Amos dan? De muur staat niet meer loodrecht, maar is ver uit het lood en is goed voor de afbraak.8
Als Amos dat ziet, moet hij om opheldering vragen. Het gebouw van Israëls godsdienstig en zedelijk leven helt voorover. Het is toe aan afbraak. Idem de koninklijke paleizen: geschikt voor de sloop; rijp voor het oordeel. De Heere zal Israël niet meer sparend voorbijgaan. Godshuis en koningshuis, twee pijlers van Israëls volksbestaan staan op instorten. Izaks hoogten worden weldra verwoest en Israëls heiligdommen vernield. En tegen Jerobeams huis treedt de Heere op met het zwaard. 9
Een uitlegger van deze woorden schrijft, dat ze klinken als het doffe rollen van een opkomend onweer. Ook al kent u geen Hebreeuws wellicht, als ik de bedoelde woorden in het Hebreeuws voor u opsom, hoort u dat naderend onweer (in de donkere oo-tonen): loo’ osie’f – ‘ood ‘eboor loo. God kan het niet hebben, dat Zijn recht niet wordt geëerbiedigd. 10

* * *
En nu komt tot ons de vraag, gemeente, wat we met dit alles aan moeten. Het wordt tijd, dat ook wij het paslood aanleggen. En moeten wij dan niet constateren, dat alle muren uit het lood staan?


Wij hebben dagen van hoogconjunctuur, welvaart en weelde achter de rug. Hoelang is ons volk en zijn de volkeren van Europa niet met overvloed door God begunstigd. Maar hoe zijn we ermee omgegaan? Het weelderige en wellustige leven van het mensdom kon niet stuk, zo leek het.
Wordt het geen tijd, dat we ons verootmoedigen over onze afgoderij met geld en goed? Het kon allemaal niet op. We wonen in huizen van 1 miljoen of meer. Onze klerenkasten puilen uit. En nu zijn we dan beland in een situatie van economische recessie. Wat niemand ook maar kon dromen, is gebeurd. De muur van financiële topsalarissen en bonussen hangt voorover. Inmiddels maken rijke bankiers de balans op en werpen de beschuldiging als waren zij de geldverslinders en dus de oorzaak van alles, verre van zich. We leven in een tijd van crisis en zoeken driftig naar de oorzaken.
Een feit is wel, dat de rijken steeds rijker zijn geworden en de armen steeds armer. Niet alleen in de USA en in het Afrika-continent. Ook in Europa, ook in Nederland. En ondanks alle goede sociale voorzieningen wordt er ook hier armoede geleden.
En dan is daar de chaos, ook op internationaal niveau. Het geweld tegen hulpverleners, tegen politie en beschermers van de veiligheid neemt hand over hand toe. Intussen gaat de strijd om de eerste te zijn in heelalverkenning toe. De aarde als het door God toegewezen woongebied van de volkeren, wordt verscheurd door rivaliteiten en oorlogen. In het Midden-Oosten waar Israël van de erfenis van het beloofde land steeds meer lijkt te moeten inleveren om nog enigszins veilig te zijn tegen de overmacht van het oprukkend Moslimterrorisme.
Maar er zijn grotere problemen dan de genoemde. Problemen waarvoor de grootmachten van de wereld geen of weinig aandacht hebben. Wat denkt u van het geestelijke en morele vacuüm waarin wij terecht zijn komen? Waarden en normen die altijd golden, worden ingewisseld voor het uitgangspunt van de ‘humaniteit’, van wat het geluk van de mens moet bevorderen.

Toen God de mens schiep, was het Zijn wil en wet die het leefpatroon en levenselement van de mens bepaalden. Liefde van en tot God. Liefde voor elkaar. Zelfverloochenende liefde. Daarbuiten was het mijnenveld van dood en satan. Maar in onze tijd is in de wetenschap (de psychologie als eerste) de mens en wat hem plezier de maatstaf geworden, waarnaar de dingen afgemeten worden. ‘The greatest happiness for the greatest number.’


Als het niet klikt tussen u en uw levenspartner, aan wie u zich voor Gods aangezicht hebt verbonden, schakelt u over op een ander, die u meer geluk lijkt te beloven. Als een vrouw in verwachting raakt en haar kind niet wenst te ontvangen (het doorkruist wellicht vakantieplannen), kunt u zich immers toch ontdoen van dat ongewenste leventje in uw schoot?

Om nog maar te zwijgen over de zogenaamde alternatieven van homorelaties, al of niet kerkelijk ingezegend.


Ik verzeker u, gemeente, dat Amos, als hij in onze tijd zou leven, niet minder, maar nog veel meer oordeelsprofeet zou zijn. Maar wat baat het ons, als we al die dingen alleen maar constateren en niet tegelijk ook bereid zijn om het paslood aan te leggen aan ons eigen leven? In welke mate zijn wij wereldgelijkvormig geworden en is er tussen u en uw buurman geen verschil meer in levensstijl, in omgang met elkaar, in kleding. Wij worden allemaal door de moderne media ingepalmd, zonder dat we er erg in hebben.
Ik vraag u in Gods Naam: beantwoordt uw leven aan het paslood van Gods heilige wet? Of is alles wellicht in uw hart en dagelijkse leven uit het lood geslagen? Gelooft u het nog, dat de muur van uw leven op instorten staat en dat u goed bent voor de afbraak? En denkt u zich wel eens in, wat dat betekent, als de Heere u gaat oordelen? Gelooft u het nog, dat u zich over een en ander hebt te verantwoorden voor de hoge God? Gelooft u het nog, dat er een hel is, een eeuwige dood voor hen die de hand hebben gelicht met Gods heilzame geboden?
Iemand van u zegt: ‘Dit is nu echt een hel- en verdoemenispreek’. U hebt gelijk. Dat is het. Maar ik vraag u op de man af: Is dit soms niet beter dan de hel en de verdoemenis zelf?

Amos’ prediking is geen loos gerucht geweest. In 722 voor Christus is het Noordelijk rijk, het volk waaronder Amos’ prediking gehoord werd, door de Assyriërs weggevoerd.


Maar is er dan voor u en mij geen hoop meer? Laat ik op die vraag proberen te antwoorden. Leest u nog maar eens de slotwoorden van het visioen van de sprinkhanen (vs. 3) en van het vuur (vs. 6): ‘Toen berouwde zulks de Heere; het (ook dit) zal niet geschieden, zei de Heere’.
Er is hoop voor u die onder Gods oordelen hebt leren buigen en de vraag hebt leren stellen: ‘Is er enig middel, waardoor wij aan de straf kunnen ontgaan en wederom tot genade komen?’ (Heid. Cat., Zondag 5, vraag 12). Is er redding voor hen die het erkennen, dat zij door de zonde een bouwval zijn geworden? Hoe lang, gemeente, houden wij onszelf op de been met een streven om heilig voor God te leven, terwijl we onze schuld nog dagelijks meerder maken? Maar als u de moed om God aangenaam te worden met alles wat u hebt en bent, hebt opgegeven en u uitlevert aan God, dan is er hoop voor u. Hoor, hoe Jesaja dat onder woorden brengt (Jes.66:2): ‘Maar op dezen zal Ik zien, op de arme en verslagene van geest, en die voor Mijn Woord beeft’.
Wat Amos nog niet voluit kon doen, dat mag ik doen. Ik mag u zeggen, dat de Heere u niet voor de ondergang over heeft. Hij biedt u vanavond een redmiddel aan: Zijn lieve Zoon. In de volheid van de tijd is Hij op aarde gekomen. Hij is op Golgotha een gruwelijke kruisdood gestorven in uw en mijn plaats. En nu kan Hij volkomen zalig maken die door Hem tot God gaan. Hij is, zoals Hij aan het vloekhout van Golgotha hangt, Gods paslood. De Heere bestemde Hem voor de afbraak. En nooit is een mens dieper onder Gods oordeel gekomen dan Hij. Hij liet Zich vrijwillig afbreken als een muur die gans en al uit het lood stond.

En nu is de Heere bereid om uw leven te beoordelen naar de maatstaf van het geloof in deze Zaligmaker. Hij legt het paslood van het geloof in Christus aan. Wie zich met alles wat hij heeft en is, aan Hem uit handen geeft, mag in Christus zijn als een muur die loodrecht staat. ‘Want indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid’ (1 Joh.1:9).


Welk een vrijmachtige en heerlijke vrijspraak is dat. U hebt – denk ik – uit wat ik u gezegd heb over de prediking van Amos, de indruk gekregen, dat hij een profeet was, in wiens boodschap er geen plaats was voor genade. Maar als u dat denkt, hebt u het toch mis.
Lees nog maar eens het slot van Amos’ kleine boekje. Daar (Amos 9:14) verkondigt Amos onomwonden, dat de Heere barmhartig en genadig is voor het huis van Israël. Want er komt een tijd (‘te dien dage), dat Ik de vervallen hut van David weer oprichten en haar reten vertuinen zal (haar bressen dichtmetselen) en wat aan haar is afgebroken, weer oprichten en dat Ik hen zal bouwen als in de dagen van ouds.’ En even verderop: ‘En Ik zal de gevangenis van Mijn volk Israël wenden, en zij zullen de verwoeste steden herbouwen en bewonen, en wijngaarden planten, en derzelver wijn drinken; en zij zullen hoven maken, en derzelver vrucht eten. En Ik zal ze in hun land planten; en zij zullen niet meer worden uitgerukt uit hun land, dat ik hun gegeven heb, zegt de Heere, uw God’ (Amos 9:14v).
Als we deze woorden van toepassing laten zijn op het volk van Israël (Het Noordelijk rijk), heeft dit volk nog veel te goed. Want in onze tijd zijn deze profetische woorden zeker nog niet in al hun diepte, hoogte en breedte vervuld. Wel is daar de voorbode van alles in het beloofde land dat Israël sinds 1948 weer mag bewonen. Maar ook ieder die door het geloof in Christus in Israël is ingelijfd, mag uit deze woorden troost putten. Er komt een einde aan Gods geduld met zondaars. Maar het is tegelijk ook waar, dat Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid. Hebt u zich dat ingeleefd, gemeente? Zou u nu maar niet alles uit handen geven en deze God van Israël, genadig en barmhartig als Hij is, voor u laten zorgen?
Weet u, wat dat uitwerkt? Dat uw leven niet langer meer uit het lood geslagen is en dat u een muur mag zijn, die recht overeind staat. Geen mens die onevenwichtig leeft. Dat houdt ook in, dat u in uw dagelijkse handel en wandel zoekt te leven naar Gods heilzame geboden. Want als wij door Gods Geest wederom geboren worden, is het onze bede van dag tot dag: ‘Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal?’ (Hand. 9:6a). Het wordt dan onze hoogste vreugde om God welbehaaglijk en onze naaste tot zegen te leven. Dat kan er in dit leven nog slechts in gebrokenheid zijn. Maar straks mag het er volmaakt zijn. Vraag er maar veel om, gemeente. Want de Heere wordt er niet armer van om u te geven wat u nodig hebt om zinvol en doelbewust te leven. En u zult er voor altijd blij mee zijn.
Amen.


1 Een paslood is een massieve messing cilinder (het lood), aan een koord bevestigd. Aan het andere eind van het koord een iets dikker klosje. Door nu dit klosje tegen het te stellen voorwerp te houden en de afwijking van het lood te bekijken, kan men zien, of iets ‘in het lood’, ’te lood’ ofte wel loodrecht staat. Het lood moet net vrijhangen en het te stellen voorwerp niet raken of er te ver vandaan hangen. Het verschil moet precies het dikteverschil zijn tussen het klosje en het lood. De richting van het koord wordt loodrecht of verticaal genoemd = haaks op de horizon. Aldus Wikipedia onder paslood.



2 Hebr. chomah = muur (van staal; zie Jer.1:18). Hebr. ‘anaac = (alleen hier in OT) paslood . Dus een verticale, naar het paslood gemaakte muur. De LXX heeft adamas = lood. In 2 Kon.21:13; Jez.28:17 wordt het Hebr.woord misjkèlèt gebruikt voor paslood; in Jes.34:11 het Hebr.woord èbèn.M.i. ten onrechte vertaalt de Nieuwe Bijbelvertaling: En de HEER vroeg mij: ‘Wat zie je, Amos?’ Ik antwoordde: ‘Lood.’ Toen zei de Heer: ‘Een loden last zal ik mijn volk Israël opleggen.

3 Zie vooral Amos 1:1. verder hebben we geen informatie uit de Bijbel over deze profeet. Hij is schapenfokker te Tekoa (20 km ten ZO van Betlehem). Ook kweekte hij sycomoren (moerbeivijgen; 7:14v); zie ook 1 Kon.10:27. Vgl. Zach14:5 (over de aardbeving). Dr. C.van Gelderen schrijft, dat Amos ‘een onafhankelijke man moet zijn geweest met verschillende bronnen van inkomsten; maar dan toch een man van bescheiden middelen en eenvoudige levenswijze, opgegroeid in kringen, die vrij waren van het bederf, dat uit bovenmatigen rijkdom en vergedreven weelde zo licht voortkomt.’ Zo Dr. C. van Gelderen, Het boek Amos (Commentaar op de kleine profeten; eerste stuk). Kampen 1933; blz. 2.

4 Dr. C. van Gelderen schrijft, dat Amos waarschijnlijk tussen 760 en 750 v. Chr. optrad (a.w., blz.4). Van Jerobeam II schrijft hij, dat deze, ‘de meest voorspoedige heerser uit Jehu’s dynastie, zijn voornaamste plicht heeft vergeten: de handhaving van recht en gerechtigheid in Israël’ (a.w., 210). ‘De gezichten in cap.7-9 hebben betrekking op het Noordelijk rijk’ (a.w,.blz. 3). ‘We kunnen ons voorstellen, dat Amos in Juni het paslood aanschouwde (7:7), en dat hij in dezelfde maand zijn eerste zendingsreis naar het Noordelijk rijk heeft ondernomen’ (a.w., blz. 6).

5 Elpenbenen huizen = paleizen, waar de wanden en voorts de posten van deuren en vensters met elpenbeen waren ingelegd.’ Aldus Dr. J. Ridderbos, De kleine profeten (eerste deel: Hosea, Joël, Amos); (Korte verklaring der heilige Schrift); 2e druk; Kampen 1952; blz.198v. Vgl. Ps.45:9; Hoogl.7:5. De afbeelding toont Amos naar een aquarel van James Tissot (1888).

6 Het is volkomen onterecht om Amos de Karl Marx onder de kleine profeten te noemen.

7 De afbeelding toont een moerbeivijgenboom (ficus sycomore)


8 We denken aan uitdrukkingen als: die muur staat niet in het lood; een muur in het lood brengen; uit (zijn) lood geslagen zijn = onthutst/ verlegen/ uit zijn evenwicht zijn. J. Calvijn schrijft in zijn verklaring van onze perikoop (daarbij andere spitsvondigheden afwijzend): ‘Als ik deze plaats aannemelijk zou willen verklaren, zou ik zeggen, dat het paslood de Wet van God is, want daarin heeft Hij een gepaste leefwijze voor zijn volk verordend, die is te vergelijken met een paslood, want alle dingen waren volgens de beste maatstaf geregeld’. Zo Calvijn Archief 1.0.

9De cultusplaatsen in Noord-Israël (zie Amos 5:5) zijn: Bethel, Gilgal, Dan en in het verre Zuiden: Bersjeba. Izak kan opgevat worden als synoniem van Israël; wellicht gebruikt Amos deze naam Izak, omdat Israël dacht zich met de afgodendienst van de ‘hoogten’ op deze aartsvader te kunnen beroepen.

10 ‘Al wat in Israël gevonden wordt (vs. 9 spreekt van de ‘hoogten’, de heiligdommen van het koninklijk huis) zal aan de Goddelijke keur worden onderworpen. En die keur geschiedt met het paslood, dus naar de regel van het strengste recht:; al wat daaraan niet beantwoordt, vervalt aan het gericht.’ Aldus Dr. J. Ridderbos, a.w., blz. 237. Josephus maakt melding van een aardbeving (Antiq. 9: 11)(wellicht in deze tijd) en zegt: "een halve berg werd er door losgescheurd en achthonderd meter ver in de vlakte verplaatst; de tuin van koning werd er door verwoest.’ Zie ook Amos 1:1; Zach.14:5.







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina