Preek over Gal. 4: 6b 1



Dovnload 54.42 Kb.
Datum18.08.2016
Grootte54.42 Kb.

Preek over Gal. 4:6b 1





  1. Votum en groet

  2. Psalm 103:3 en 7

  3. Apost.gel.

  4. Psalm 33:11

  5. Schriftlezing: Gal.3:24-29; 4:1-9

  6. Gebed

Tekst : En overmits g ij kinderen zijt, zo heeft God de Geest Zijns Zoons uitgezonden in u harten, Die roept: ‘Abba, Vader’. Gal.4:6.


Verdeling van de preek:

  1. Een hemelsbreed verschil en toch…

  2. Aan de pedagogie van de wet kwam een einde

  3. Zet de klok niet terug

  4. De Heilige Geest, uitgestort in uw harten

5. ‘Abba, Vader’


  1. Inzameling der gaven

10. Psalm 87:3, 3 en 5

11. Preek

12. Gebed des Heeren: 1, 10

13.Dankgebed

14. Psalm 19:86

15. Zegenbede.


* * *

Slavernij. Wat dat woord betekent, gemeente weten wij niet meer uit ondervinding. De slavernij is in onze westerse wereld afgeschaft. Gelukkig, want slavernij is iets mensonwaardigs.


1. Een hemelsbreed verschil en toch…
Toch moet ik u dat woord in de herinnering roepen om u duidelijk te kunnen maken wat de apostel Paulus bedoelt in zijn brief aan de Galaten. In zijn dagen wist iedereen wat een slaaf was: een mensenkind dat niet over zichzelf beschikken kan. Een slaaf is een onvrij mens, als een stuk vee verkocht door een eigenaar en gekocht door een nieuwe eigenaar. Van de vroege morgen tot de late avond moet hij voor zijn heer klaarstaan en diens bevelen uitvoeren, tegen wil en dank. En als hij dat doet, ontvangt hij daarvoor geen cent als beloning. Hij moet arbeidskracht produceren om te doen wat hem is opgedragen. En wee hem, als hij ongehoorzaam is. Dan zit er voor hem wat op.
In één woord: slavernij is het symbool van onvrijheid, dwang en vrees. Een slaaf doet iets, omdat het moet. Met zijn baas heeft hij geen vertrouwensvolle relatie.
En zet daar dan nu eens een kind naast. Dat woord ‘kind’ roept heel andere gedachten bij ons op. Een heer zou oudtijds zijn eigen zoon toch niet dezelfde behandeling geven als één van zijn slaven. Een zoon heeft een intieme relatie met zijn vader. Een zoon is ten diepste een vrij man. Een kind kan zeggen: Alles wat van mijn vader is, is (later) ook van mij. Hij blijft niet arm als de slaaf. Hij is de erfgenaam van wat zijn vader toebehoort. Hij moet ook wel iets, maar hij mag het vooral. Hij hoeft niet schuw en bang te zijn. Hij mag ook blij zijn. Zo is het althans met een kind, een zoon die mondig is geworden en zijn verant-woordelijkheden, maar vooral ook het erfrecht van vader kent. Kortom, tussen een slaaf en een kind is een hemels breed verschil.
Ja en toch kunnen die twee heel erg op elkaar lijken. Vooral als het kind, de erfgenaam, nog heel jong en klein is. Dan moet dat kind nog worden opgevoed. En daar moet ook wel eens een harde hand aan te pas komen. Dan moet dat kind zich leren voegen naar de wil van zijn vader. Dan is het ook wel eens bang voor straf. In de Grieks - Romeinse wereld was het zelfs zo, dat een slaaf vaak werd uitgekozen om de zoon des huizes op te voeden. Die slaaf heette dan pedagoog. En daar kwam ook nog wel eens de zweep aan te pas. In zo’n geval was er geen verschil tussen dat kind en een slaaf. Een kind, nog niet opgevoed en mondig, was een kind in slaafse gestalte.
De apostel Paulus nu gebruikt dat beeld in zijn brief aan de Galaten om duidelijk te maken, hoe het met die Galaten gesteld was en is. Eertijds, schrijft hij, was u een kind in slaafse gestalte. Eertijds, dat is: voor de komst van de Zoon van God, Jezus Christus in het vlees. In dat eertijds (de zgn. oude bedeling) stond u (volk der Joden) onder de pressie van de wet: Doet dat en gij zult leven. U moest besneden zijn op de achtste dag. U moest stipt de hele wet van God houden. U moest het opstandige vlees in bedwang zien te houden. Het moest, het moest zo allemaal. Wee, als u dat niet deed. De wet sloeg u om de oren. De wet geselde u als een echte slavendrijver. De wet vloekte en verdoemde u. Terecht, want Gods wet is immers heilig en goed. U moest worden opgevoed naar deze heilige regels. Maar vanwege de rebelse aard van het kind, kwam het erop neer, dat u onder de wet altijd liep te zuchten, gebonden en onvrij, bang en schuw. Zo was het met u, het volk Israël voor de komst van Christus: een onmondig kind, een kind in slaafse gedaante.
De apostel Paulus heeft met dit alles de Joodse christenen in de Galatische gemeenten op het oog. Maar vermoedelijk niet alleen hen. Wellicht ook die leden van de gemeenten die van oorsprong heiden waren. Ook zij waren, voor de komst van de volheid des tijds, dienstbaar aan de eerste beginselen der wereld (vs.3). Ook heidenen kennen immers hun leefregels. Ook heidenen hebben vaak een godsdienst van: Raak niet en smaak niet en roer niet aan. Door ascese probeerde men de kwade machten (van goden) op afstand te houden. Men wrong zich in duizend bochten. Want die machten waren immers naar men dacht door extra inspanningen wel tevreden te stellen. Zie daar eveneens: een slaafse godsdienst. Wie daarin bezig is, is zich niet bewust, dat hem een schone erfenis wacht. Men moet het allemaal zelf eerst waar maken.
2. Aan de pedagogie van de wet kwam een einde
Maar, aldus Paulus, dat is nu toch niet meer zo, Galaten. Het tijdperk van de onmondigheid is voorbij. Aan de pedagogie van de wet die u slechts opjaagde en uitdreef (naar een Verlosser, naar Christus toe), is een eind gekomen. 2

Wij leven nu in de bedeling van het mondige kindschap. En dat is er niet vanzelf gekomen. Het is er gekomen door een Godswonder. God heeft Zijn Zoon uitgezonden in de volheid des tijds. Geen slaaf, maar het Kind van God met de intiemste verhouding tot Zijn Vader. Volkomen vrij om de Vader te dienen. Hij is de Erfgenaam van hemel en aarde, het Koninkrijk van de Vader.


Als u weten wilt, hoe slavernij kindschap kan worden, dan moet u bij de Heere Jezus Christus zijn. Want Hij, de Eniggeborene van de Vader, heeft dat Kindschap Gods niet voor Zichzelf gereserveerd. Hij kwam om slaven tot erfgenamen te maken, om goddelozen die met God en met Zijn heilige wet overhoop lagen, met de Vader te verzoenen.
Hoe Hij dat gedaan heeft? Door geboren te worden uit een vrouw en daarmee binnen bereik van de vervloekende wet te komen. Want die wet geldt immers voor allen die uit een vrouw geboren zijn.Daarmee kwam Hij delen in de staat en stand van de gevloekte mensheid. Hij werd zelf een slaaf, boog zich onder het strenge recht van Zijn Vader en liet er Zich door verpletteren aan het vloekhout van Golgotha. In heel Zijn leven had Hij bovendien voldaan aan alle eisen van Gods wet. En met dit alles was Hij voor God, Zijn Vader, als enig mensenkind volkomen acceptabel.
Maar zoals gezegd, Christus deed dit alles niet voor Zichzelf. Hij deed het alles als Borg, met het oog op gevloekte slavenkinderen. Hij zei tegen Zijn Vader, toen Hij het alles volbracht had: ‘Vader, hier ben Ik, haal Mij thuis aan Uw Vaderhart. Maar Ik kom niet alleen. Ik draag allen die in Mij leerden geloven in Mijn hart met Mij mee. Adopteer hen. Als U Mij aanvaard, dan ook hen allen. Laat hen delen in de erfenis van uw storeloze
gemeenschap, van Uw eeuwige Koninkrijk. Al het Uwe is het Mijne. En al het Mijne is het hunne.
Welnu, met het oog op dit alles, gemeente, kan de apostel aan de Galaten schrijven, dat zij geen slaafs kind meer zijn. Die tijd is voorbij. In Christus zijn zij kinderen van God die vrijgemaakt zijn van de vloek van de wet en erfgenamen van het eeuwige leven.
Voor die tijd was u als dat kind waar de profeet Ezechiël van zegt, dat het geworpen was op het vlakke des velds, vertreden in zijn bloed, pas geboren, niet gewassen en op sterven na dood. Maar de levende Christus kwam in de boodschap van Gods verkiezende genade aan u voorbij, breidde Zijn vleugels over u uit en zei: ‘Leef, ja leef’ . Vgl. Ez.16:4vv.
Toen kwam er een eind aan al uw krampachtig pogen om met God in het reine te komen door eigen krachtsinspanningen. Toen kwam er ook een eind aan al dat vloeken van de wet en daarmee ook een eind aan uw slaafse, doodsbange bestaan, aan uw onzekerheid, aan uw hopeloze toestand. God nam u zoals u was. Welk een bevrijding: geadopteerd tot kind van God door het geloof in Christus en erfgenaam van het eeuwige leven..
U mag wel juichen:
W’ ontkwamen haast des vogelvangers net,

De loze strik, tot ons bederf gezet:

De strik brak los en wij zijn vrij geraakt.

De Heer’ is ons tot hulp op ons gebed,

Die God, Die aard’ en hemel heeft gemaakt.

(Ps.124:4).


Wilt u van dit alles een teken en zegel? Denk dan terug aan uw doop. Dat is Gods garantieverklaring van het feit, dat u kind van God mag heten. Laat het u niet afnemen door niets en niemand.
3. Zet de klok niet terug
De dwaalleraars die u uitzinnig 3 dreigen te maken, zetten de klok terug. Tot vóór de volheid des tijds. Zij zeggen: ‘U mag wel een kind van God heten, maar dan moet er toch eerst het een en ander uit uw vingers zijn gekomen. U moet besneden zijn, u moet heel stipt feestdagen onderhouden…’

Zou dat waar zijn? Ga er maar eens aan beginnen, mensen. Maar vergeet niet, dat het niet gedaan is met het onderhouden van een paar voorschriften, waarna u tenslotte om het kindschap van God zou kunnen gaan bedelen. Nu, als dat waar zou zijn, draait u de rollen helemaal om en zet u een dikke streep door het werk van Christus. Dan gaat u dus weer helemaal van voren af aan beginnen.

Maar de apostel houdt zijn lezers eraan, dat zij kinderen van God zijn.
Iemand van u zegt wellicht: ‘Dat kan Paulus nu wel zeggen tegen de Galaten, maar dat kan men vandaag toch niet zomaar tegen iedereen zeggen?!’ U hebt gelijk. Maar mag ik dan van u misschien nog even horen, wat er allemaal met u moet gebeuren, wil het ook van u gelden: Overmits gij kinderen zijt’? Mag ik het vragenderwijs zeggen: Wilt u eerst alle plichten en regels van Gods wet onderhouden hebben? Wilt u de boze lusten van uw vlees eerst onder de knie gekregen hebben? Of wilt u eerst uit eigen kracht onder de dwanggodsdienst van het heidendom uit zien te komen?
Ik vraag nog even door: hebt u de gedachte, dat u daarmee een paar passen gevorderd bent op weg naar God en de rust van uw hart? Hebt u enige hoop, dat God op grond van dit alles tegen u zal zeggen: ‘U bent Mijn kind; goed genoeg om zo te heten en om dat ook te zijn?’
Of is alles wat ik opsomde wellicht voor u een ondraaglijke last geworden? Bent u er niet diep door in de put geraakt? En moet u er uzelf niet op betrappen, dat u aan heel die wettische godsdienst in feite een grote hekel hebt?
Ziet u dan nog niet, dat u zo op de verkeerde weg bent? U bent druk bezig om te proberen van een slaaf een kind te worden Mag ik vragen: Is dat niet hoogmoedig en ongelovig? U hebt het kennelijk nog niet ingezien, dat het van uzelf uit volstrekt hopeloos is? Vergeet het echter maar. U wordt van een slaaf nooit een kind. Zet de klok niet terug.
Ik denk, dat u wel eens gehoord hebt, dat Maarten Luther in zijn jonge jaren ook alles in het werk stelde (laat ik het maar eenvoudig zo zeggen): Om fiat van God te krijgen. Hij ging het klooster in en geselde zichzelf tot bloedens toe (zou God dan geen medelijden met hem krijgen?). Hij beklom de Pilatus trap te Rome en bad op elke trede het ‘onze Vader.’ Maar de vrede voor zijn verontruste geweten verkreeg hij niet.
Eren levensbeschrijver zegt van hem: ‘Hij leidde een zeer streng leven en wilde door vasten, waken en kastijding het kwaad in hem bedwingen, want het kloosterleven had hem er niet van bevrijd.

Geen offer was hem te groot, als het hem maar van zijn zonden verloste, zodat hij door God „waardig gekeurd" kon worden. „Ik was echt een vrome monnik. Ik hield mij zeer stipt aan de regels van mijn orde. Als een monnik ooit door zijn eigen goede werken de hemel kon verdienen, zou ik daar ze­ker voor in aanmerking komen..….. Als ik nog langer met mijn zelfkas­tijding was doorgegaan, zou ik er beslist aan bezweken zijn Hij verzwakte door de pijnlijke kastijdingen en viel vaak flauw. Hij is de gevolgen van zijn “zelfdiscipline" eigenlijk nooit helemaal te boven gekomen. Ondanks al zijn inspanningen vond hij geen rust. Op den duur was hij de wanhoop nabij.



 

Toen Luther dacht dat zijn geval hopeloos was, gaf God hem een vriend en helper. De vrome von Staupitz legde hem het Woord van God uit en zei…”Je moet je lichaam niet kastijden omdat je een zondaar bent, maar je moet tot Jezus gaan. Vertrouw op Hem, op zijn gerechtigheid, op de verzoening door zijn dood .…. Luister naar Gods Zoon. Hij werd mens om je de zekerheid van Gods genade te geven". „Heb Hem lief die jou heeft liefgehad". Dit zei de boodschapper die hem Gods genade verkondigde. Zijn woorden maakten diepe indruk op Luther. Na heel veel strijd tegen de dwalingen waar hij al zo lang in geloofde, kreeg hij steeds meer inzicht in de waarheid en kwam er een eind aan zijn verwarring.’


Het gelukt u niet om vrede met God te verkrijgen door prestaties te leveren, door vorderingen te maken op de weg van heiligmaking, door rust te zoeken in bevindingen, in tranen. Helaas, hoe veel wettische gestalten zijn er ook niet in het hart van een kind van God.
Onlangs hoorde ik van een jonge vrouw die onder druk stond van een aantal leeftijdgenoten die meenden de gave (van de Heilige Geest) van het spreken in vreemde talen te kunnen beoefenen. Zij werd daar verdrietig van.Want zij sprak niet in vreemde talen. Ik spreek over het beoefenen van die gave daar nu even geen oordeel uit. Het kan zijn, dat men die gave heeft. Maar het is zeker een wettische zaak, als men van een medegelovige verwacht, dat zij die gave ook moet kunnen beoefenen. Alsof dat een noodzakelijk en beslissend kenmerk is van een kind van God.
Ik vraag u, of dat geen hoogmoed is, voortkomend uit een prestatiegericht leven. Zwoegen, zuchten, tobben om houvast te krijgen aan een belofte uit het Woord van God en ten gevolge daarvan in grote onzekerheid blijven rondlopen. Ja, wij zijn geboren werkezels, doe het zelvers. Maar dat bestaan moet de doodssteek krijgen.
En dan nu het wonder: overmits gij kinderen zijt. Dat is het wonder van het kindschap dat ons onverdiend wordt aangeboden. Het wonder, dat God tegen een kind des toorns, een goddeloze en nietsnut, een vijand zegt: ‘Ik bied u Mijn kind aan. Aan Hem heb ik genoeg om een mens als u bent op grond van Zijn verdiensten voor een rechtvaardige te houden.’
Dat laat God u betuigen, gemeente, in deze preek en dat liet Hij u ook betuigen in uw doop. Want ‘toen u gedoopt werd in de Naam van de Vader, zo betuigde en verzegelde u God de Vader, dat Hij met u een eeuwig verbond der genade oprichtte, om u tot Zijn kinderen en erfgenamen aan te nemen en daarom van alle goed u verzorgen en alle kwaad van u weren, of tot uw bestwil keren wilde’
De deuren van Gods Vaderhuis gingen wagenwijd open. Wel, hoe uitzinnig zijn wij dan, als wij nog steeds een slaafse gevangenschap liever hebben dan de heerlijke vrijheid van het kindschap van God. 4Kom, sta op met de verloren zoon uit de gelijkenis van Jezus en ga tot uw Vader. Zeg: ‘Vader, ik heb gezondigd… en ben niet meer waardig uw kind genaamd te worden.’ En hoor dan het Woord van de Vader: ‘..Laat ons eten en vrolijk zijn; want deze mijn zoon was dood en is weer levend geworden; en hij was verloren en is gevonden.! (Luk.15:23b, 24a)
4.De Heilige Geest, uitgestort in uw harten
Ik ga met u nog even terug naar de tekst voor de preek, naar de eigenlijke hoofdzin.5 Daar schrijft de apostel: Omdat u kinderen bent, heeft God de Geest van Zijn Zoon uitgezonden in uw harten, Die roept: ‘Abba, Vader.’ De Heilige Geest is het, Die het kind van God zijn in u bewerkstelligt en onderhoudt. Die Geest is daar het waarmerk van. Aan Zijn inwoning in uw hart kunt u weten, dat u een kind van God bent.

J. Calvijn schrijft in zijn verklaring van onze tekst: ‘Scholastieken gebieden de gewetens eeuwig te twijfelen…’ Maar Calvijn zelf zegt, ‘dat niemand een christen is, dan die, door de Heilige Geest geleerd, God als zijn vader aanroept’. 6


Welnu, die Geest, schrijft Paulus, is ook uitgezonden in uw harten. De Geest van Gods Zoon, door Hem verworven/ verkregen van de Vader is in de volheid van de tijd uitgestort op het Pinksterfeest. Zoals Christus eenmaal (vs.4) is uitgezonden in de wereld, toen Hij geboren werd, leed, stierf en opstond uit de doden, zo en op grond daarvan is er ook de uitzending van de Geest op Pinksteren als een heilsfeit. En als uitvloeisel daarvan is nu ook de uitzending van de Geest in de harten.
Dat is wonderlijk gebeuren. Het passeert, als een mens de ogen ervoor open gaan, dat hij zich vrijwillig heeft verkocht onder de zonde, maar dat hij juist zo met de verloren zoon uit Jezus’ gelijkenis tot de Vader mag gaan om genade te vinden en geholpen te worden ter bekwamer tijd. Dan gaan de handen omhoog. En worden wij gezet in de ruimte en in de vrijheid van het kindschap Gods. Wij krijgen een hart en oog voor het Vaderlijk mededogen, waarop we biddend pleiten. Ja, wij kunnen het niet langer geloven, dat God niet goed op ons kan zijn. Want als de Geest van de Vader door het geloof komt wonen in ons hart, dan juicht het in ons binnenste:
Gij hebt , o Heer’ in ’t dood’lijkst tijdsgewricht,

Mijn ziel gered, mijn tranen willen drogen.



(Ps.116:5a ber.)
En wat is dan het eerste wat ons over de lippen komt? U kunt het vinden in de preek van deze avond: het kostbare woordje ‘Abba, Vader.’
5. ‘Abba, Vader’
De Heilige Geest brengt vele wonderlijke zegeningen en vruchten mee, als Hij komt inwonen in ons hart: liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid (Gal.5:22). Hij brengt ook vele gaven mee: ‘Het woord der wijsheid, het woord der kennis, het geloof, de gaven der gezondmakingen, werkingen der krachten, profetie, onderscheidingen der geesten; menigerlei talen en uitlegging der talen (1 Kor.12:8-10). Zie ook Rom.12:6-8.
Maar de roep ‘Abba, Vader’ is de uitroep van de Geest bij uitnemendheid. Dit spant de kroon.
Let erop, dat de Heilige Geest die Vadernaam van de Zoon in u oproept. U en ik hebben met dat aanroepen van God met de Vadernaam wellicht problemen. Onze zonden en tekortkomingen remmen ons af. Maar de Geest gaat onweerstaanbaar door.
Wat is dat mooi, als een kind dat tot nu toe geen enkele zin kon uitspreken, opeens ‘papa’ gaat zeggen. Het is dat kind misschien wel twintig keren voorgezegd. De vader zelf spelt die naam en het kind zegt het na. Zo ook als Gods Geest al onze aarzelingen overwint en wij onder de aandrang van die Geest: ‘Abba, Vader’ zeggen. Het is de Geest van de Zoon. En Die Zoon heeft Zijn leven lang (levenslang) nooit anders gedaan dan roepen: ‘Abba, Vader’.
Laat geen slaafse vrees u ooit beletten om met vrijmoedigheid tot God te gaan. Kruip achter Jezus weg, als u te maken hebt met onbegrepen levensraadsels. Hoor Hem roepen in Gethsémané: ‘Abba, Vader! Alle dingen zijn U mogelijk; neem deze drinkbeker van Mij weg; doch niet wat Ik wil, maar wat Gij wilt’ (Mark. 14:36). Bid dit gebed met Hem mee. Laat de Geest van Gods Zoon het aan de diepste roerselen van uw ziel ontlokken, als u voor de Doodsjordaaan staat wat Jezus bad in Zijn hogepriesterlijk gebed: ‘Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt, want Gij hebt Mij liefgehad, vóór de grondlegging der wereld’ (Joh.17:24).
‘Als God de Geest van Zijn Zoon uitzendt in ons hart, dan blijft Hij dat doen. En dan moet toch alle twijfel wijken.Dan overwint de Geest in ons alle barricades en doet ons zuchten en roepen: ‘Abba, Vader’' …De Geest leest het van de lippen van Christus af en spelt het ons voor.. Ik durf dat niet zomaar te zeggen.. Echt niet. Want de Vadernaam past niet op mijn besmeurde lippen. Die past in feite alleen op de lippen van Jezus. Ja, maar als Jezus de Levende tegen mij zegt wat Hij tegen Maria Magdalena bij het open graf zei: ‘Ik waar op tot Mijn Vader en uw Vader...’, dan durf ik het ook te zeggen. Zijn Geest roept het uit in mij..’Mijn Vader’. Eén en al verwondering, aanbidding en exclamatie. `De Geest komt onze zwakheden mede te hulp.'…’Abba, Vader’ is een ‘cri de coeur.’ Een hartenkreet van een mens die tevoren nergens bij kon en overal buiten stond. Maar als de Geest hem in de volle rechten van het kindschap van God stelt, moet elk slaafs vrezen wijken’ (citaat uit mijn boek over Galaten (EO i.s.m.Kok/ Voorhoeve en de Ger.Bond in de NH Kerk; Kampen 1990.; blz.141v).
En als het ‘Abba, Vader’ u moeilijk over de lippen komt, laat dan de Geest van Gods Zoon u in uw zwakheden mede te hulp komen…Hij immers bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen (‘too deep for words’, zegt een Engelse vertaling). Zie Rom. 8:26.
Zo wordt het onderpand van het kindschap in u onderhouden. Dan moet alle slaafse vrees wijken. Er wordt plaats gemaakt voor kinderlijk ontzag. Want de Heere heeft Zich immers aan ons geopenbaard als een Vader Die wel met autoriteit optreedt, maar nooit autoritair.

U gaat de Heere vrijwillig dienen in de praktijk van het dagelijks leven in ware heiligmaking (‘ het goudmerk van het kindschap van God’). Want dat is ook een vrucht van Gods Geest. Ik denk aan wat Maarten Luther schrijft in zijn verklaring van de Galatenbrief:


De uitwendige tekenen van het zijn in de genade, zijn: gaarne van Christus horen, onderwijzen, dankzeggen, Hem prijzen en belijden, zelfs met verlies van goederen en leven. Verder overeenkomstig zijn roeping in het geloof, met vreugde en naar behoren zijn ambt volbrengen, geen vermaak in de zonde scheppen, zich in eens anders roeping niet indringen, maar zijn eigen roeping opvolgen, zijn behoeftige en arme broeder behulpzaam zijn, de treurigen troosten….Door die tekenen zijn wij verzekerd en worden wij achteraf bevestigd, dat wij in de genade zijn.’
Dat alles, gemeente maakt ons tot erfgenamen van het eeuwige leven. Wat wordt er op aarde vaak gevochten om een erfenis. Maar als u verlegen bent geraakt om bezitter te worden van de erfenis die Christus voor u verwierf, krijgt u door de Geest van de Zoon het erfrecht van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
Alles kraakt en scheurt in de wereld waarin wij leven. Alles loopt op een eind. Maar wie in de Zoon gelooft, mag een hoop hebben die niet beschaamt. Dan gaat het voor u altijd de goede kant op. De Geest is het onderpand van de verkregen verlossing. Roep maar. Stamel het de Geest na: ‘Abba, Vader’. In Hem mag u bezitter zijn van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Het heelal is groot genoeg. Denk maar niet, dat er plaatsgebrek is.
Wat zal het groot zijn, gemeente, als u met alle heiligen uit alle tijden mee mag doen in het grootmaken van Gods Naam. Let erop, dat Paulus het woordje ‘Abba’ voorop laat gaan. De Heilige Geest spreekt ook en vooral de heilige taal, de Joodse taal (het Aramees/ Hebreews) . En u mag het ook horen in het Grieks en in het Nederlands…….Welk een kostelijk geheim: de hand te mogen ophouden bij een God, Die van geven nooit moe wordt.
Abba,Vader, U alleen,

behoor ik toe.

U alleen doorgrondt mijn hart,
U behoort het toe.
Amen


Excurs:
‘De Joden zijn altijd uiterst voorzichtig geweest met het uitspreken van de Vadernaam van God. Het 'Abinoe' = `onze Vader' van de synagoge (door Jezus overgenomen in het 'Onze Vader' dat Hij de Zijnen leerde) wordt op Zijn lippen: `Abba' in hoogst persoonlijke en intieme zin (als 'Abi' = Mijn Vader) (vgl. Mark. 14: 36; Joh. 20 : 17). Zo hebben Zijn volgelingen het Hem leren nazeggen: `Abba ho Patèr' _ `Abba, Vader'. Heeft Paulus in zijn contacten met Petrus en de andere apostelen te Jeruzalem Jezus’ volgelingen in hun gebeden 'Abba, Vader' horen zeggen? De `ipsissima vox Jesu' ('de hoogst eigen stem van Jezus') klonk dan door Zijn Geest door op de lippen van de Zijnen. En zo heeft wellicht de apostel het van daar meegenomen naar het zendingsterrein.’ Citaat uit mijn boek over Galaten (a.w.,,blz. 141; noot 18).


1 Zie ook de preek over Gal.4:4v in mijn website.

2 M.Henri schrijft: ‘When the fulness of time had come, the time appointed of the Father, when he would put an end to the legal dispensation, and set up another and a better in the room of it, he sent forth his Son, etc.’

3 Paulus gebruikt in Gal.3:1 het Griekse woord ‘anoètos’ = onverstandig, onwijs. Zie Rom.1:14.

4 ‘Now, under the gospel state, we are no longer under the servitude of the law, but, upon our believing in Christ, become the sons of God; we are thereupon accepted of him, and adopted by him; and, being the sons, we are also heirs of God, and are entitled to the heavenly inheritance (as he also reasons Rom_8:17), and therefore it must needs be the greatest weakness and folly to turn back to the law, and to seek justification by the works of it. From what the apostle says in these verses, we may observe,’ Aldus M.Henri.


5 De Griekse tekst van Gal.4:6 ludt:Οτι δέ ἐστε υἱοί, ἐξαπέστειλεν ὁ Θεὸς τὸ Πνεῦμα τοῦ υἱοῦ αὐτοῦ εἰς τὰς καρδίας ἡμῶν, κρᾶζον· ἀββᾶ ὁ πατήρ.

De King James vertaling luidt: And because ye are sons, God hath sent forth the Spirit of his Son into your hearts, crying, Abba, Father.



6 Zo Johannes Calvijn, Uitlegging op den zendbrief van Paulus aan de Galaten; naar de uitgaven der oude Hollandsche overzetting van J. D. in de tegenwoordige spelling door A.M. Donner; 3e druk; De Groot Goudriaan 1979, blz.74.







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina