Preek over Gen. 19 : 23, 26



Dovnload 64.46 Kb.
Datum21.08.2016
Grootte64.46 Kb.






Preek over Gen.19 : 23, 26



Orde van dienst
1. Votum

2. Groet


3. Psalm: 42:1, 5

4. Wet des Heeren / Apost.Gel

5. Psalm: 6: 2 / 100:1

6. Schriftlezing: Gen.19 : 15-29

7. Gebed

8. Tekst/ thema: Gen.19:23, 26


En de zon ging op boven de aarde, toen Lot te Zoar inkwam…En zijn huisvrouw zag om van achter hem; en zij werd een zoutpilaar
Verdeling van de preek:

Thema: Vluchtende onder het hemelvuur



1 De rechtvaardige Lot: van Sódom naar Zoar

2.De vrouw van Lot: een zoutpilaar
9.Inzameling der gaven

10.Psalm: 65:2, 3

11.Prediking

12.Psalm: 66: 6, 9

13.Dankgebed

14.Psalm: 17 : 7, 8

15.Zegenbede

In de dagen van Lot, gemeente, woonde er in Sódom en Gomórra een volk dat tot beestachtige gedragingen was vervallen. We kunnen hun gedrag sodomie noemen. In het leven van de inwoners van die steden was zelfs het fatsoen en de etiquette in de omgang met elkaar – een soort rem van Gods algemene genade - nagenoeg geheel verdwenen. We zijn vanmorgen op bezoek in een van die steden, de stad Sódom waar Lot woont (een van de vijf steden van de zgn. Pentapolis). De Bijbel vertelt ons, dat de mannen van Sódom ‘boos waren en grote zondaars tegen de Heere’.


Waarin die grote zonden precies bestonden, wordt ons niet omstandig uit de doeken gedaan. In elk geval waren het zonden die zelfs in de ogen van de heidenen, gruwelijk waren. De mannen van Sódom zagen er niet tegenop om met mannen van het eigen geslacht schandelijkheid te bedrijven. Homoseksualiteit noemen we dat vandaag. En als u Genesis 19 vanaf vers 30 nog eens leest, komt u daar ook de zonde van incest tegen (een dronken vader die bij twee dochters een kind verwekt).
Dat kwaad heeft in Sódom zo om zich heen gegrepen, dat God in de hemel in die stad geen tien rechtvaardigen vindt (zie Gen.18:32). De Heere Jezus heeft er later van gezegd (en dat zijn woorden die ook op onze tijd van toepassing zijn): ‘Desgelijks ook gelijk het geschiedde in de dag van Lot; zij kochten, zij verkochten; zij plantten, zij bouwden; maar op de dag, op welke Lot van Sódom uitging, regende het vuur en sulfer van de hemel, en verdierf hen allen; even alzo zal het zijn in de dag, op welke de Zoon des mensen geopenbaard zal worden. In diezelve dag, wie op het dak zal zijn, en zijn huisraad in huis; die kome niet af, om hetzelve weg te nemen; en wie op de akker zal zijn, die kere desgelijks niet naar hetgeen achter is. Gedenk aan de vrouw van Lot’ (Luk. 17:28vv).
Ook Petrus heeft in zijn tweede brief over deze verderfelijke stad Sódom geschreven: ‘Maar deze, als onredelijke dieren, die de natuur volgen, en voortbracht zijn om gevangen en gedood te worden, daar zij lasteren, hetgeen zij niet verstaan, zullen in hun verdorvenheid verdorven worden. En zij zullen verkrijgen het loon der ongerechtigheid, als die de dagelijkse weelde hun vermaak achten, zijnde vlekken en smetten, en zijn weelderig in hun bedriegerijen, als zij in de maaltijden met u zijn; hebbende de ogen vol overspel en die niet ophouden van zondigen; verlokkende de onvaste zielen, hebbende het hart geoefend in gierigheid, kinderen der vervloeking’ (2 Petr. 2:12-14).
Zeg het zelf eens. Zou er veel verschil zijn tussen die wereld van Lot en onze wereld?
1. De rechtvaardige Lot: van Sódom naar Zoar
Nu, in zo’n wereld leeft Lot, de neef van Abraham, over wie wij in Genesis 18vv lezen. Hij is opgevoed door zijn oom Abraham, na het wegvallen van zijn eigen vader. En zo heeft hij dan ook al vroeg kennis gemaakt met de Heere en Zijn dienst, die bij Abraham in ere waren. Hoeveel keren zal Lot het niet hebben meegemaakt, dat Abraham zijn God aanriep bij de altaren? Lot heeft stellig leren buigen voor die God. De tweede Petrusbrief noemt hem een rechtvaardige. Kortom een man die geleerd heeft op God te vertrouwen. Het is ook maar goed, dat dit over Lot geschreven staat in Gods Woord. Want als we lezen wat Genesis 19 ons over Lot laat weten, zouden we hem die mooie naam van ‘rechtvaardig’ wellicht niet geven.
Op de bodem van het hart van Lot lag de trekkende liefde van de Vader; sterker dan alle verleidingen tot de zonde in Sódom. Maar laten we nu eerst zien, hoe Lot in Sódom terecht is gekomen. Dat is een droevig verhaal. Aan het begin van het verblijf van Lot en de zijnen ligt een verkeerde keuze. ‘Kies maar’, had Abraham tegen zijn neef gezegd, toen het duidelijk was geworden, dat zij niet langer vlak naast elkaar konden wonen in het beloofde land, omdat er in de onmiddellijke omgeving van hun tentenkamp niet genoeg voedsel te vinden was voor hun uitgebreide kudden vee. Als jij rechts ga, ga ik links en omgekeerd.’
En wat had Lot toen gedaan? Hij had met begerige ogen gekeken neer de vruchtbare vallei waar schitterende steden lagen. In plaats van te zeggen: ‘Oom, kiest u eerst maar; u bent de oudste en het land is tenslotte aan u beloofd’, had Lot die landstreek uitgekozen waar vruchtbare weilanden, welvaart en rijkdom op hem lagen te wachten. Een keuze uit hebzucht geboren.
Maar had Lot er toen dan geen erg in, dat Sódom en Gomórra twee steden waren, waar de zonden van de inwoners hemelhoog opgestapeld waren? Nee, niet bepaald. Dat nam hij kennelijk op de koop toe. Hij werd van een nomade een stadsbewoner. Maar het leven in een stad is gevaarlijk. Het is vaak een leven waar vermakelijkheden en vertier voor het grijpen liggen. En in Sódom was bovendien het leven een en al losbandigheid geworden.
Lot zal evenwel hebben gedacht: Daar hoef ik allemaal niet aan mee te doen. Ik blijf daar verre van. En zijn vrouw en twee dochters dan? Al spoedig kregen die dochters verkering met twee jonge mannen uit Sódom. En toen was het met het geloof in de God van Abraham spoedig gedaan.
Herkent u het? Is er ook in uw leven sprake van een verkeerde keuze? Helaas, hoe blind zijn wij, ook nadat God Zijn genade aan ons verheerlijkte.
Een uur van onbedachtzaamheid,

kan maken, dat men jaren schreit.


De drang naar het kwaad zit ons diep in het hart. Het leven in gehoorzaamheid aan de Heere God lijkt ons van nature verre van aantrekkelijk, vergeleken met een leven waarin wij helemaal onafhankelijk kunnen zijn, onafhankelijk van Gods geboden, onafhankelijk van wat we uit kracht van onze opvoeding meekregen. Helemaal zichzelf zijn, niet geremd door fatsoensnormen, door wat mensen van ons vinden.
Menig kind van God moet zich van geesteloosheid en dorheid in het geloofsleven beschuldigen, omdat hij een verkeerde keuze maakte, misschien wel vijf of tien keer. Want van het een komt niet zelden het ander. Misschien denkt u er ook wel eens aan om te gaan verhuizen naar een plaats waar een betere boterham voor u te verdienen is. Maar hebt u zich in dat geval ook wel afgevraagd, of u daar ook naar de kerk kunt? En weeg het u ook zwaar, of uw kinderen daar een school met de Bijbel kunnen bezoeken en of zij wellicht dagelijks in de verleiding komen om de Heere en Zijn dienst los te laten?
Hoe vaak lezen van de aartsvaders niet, dat zij hun kinderen vermaanden om toch niet te trouwen met de kinderen uit het heidendom. Maar Lots kinderen lieten zich niet waarschuwen: zijn dochters niet en zijn aanstaande schoonzoons, geboren inwoners van Sódom, niet. Het was ook een groot wonder, dat Lots eigen vrouw, wellicht ook uit Sódom afkomstig, zich liet waarschuwen.
Zeker, Lot heeft zich niet met hart en ziel kunnen mengen in het goddeloze gezelschap van Sódom. Als Lot de mensen ziet zondigen, gruwt hij er van binnen van.

We lezen in de tweede Petrusbrief, dat ‘de rechtvaardige Lot, vermoeid van de ontuchtige wandel der gruwelijke mensen…, wonende onder hen, dag op dag zijn rechtvaardige ziel gekweld heeft door het zien en horen van hun ongerechtige werken’ (2 Petr. 2:8). Het was genade van God, dat Lot niet kon opgaan in het zondeleven van Sódom. Het was genade van God, dat hij daar een afkeer van had.


‘t Kan verder weg zijn met een mens. Het kan met ons worden: ‘Schep vreugde in ’t leven, zet de zorgen aan de kant.’ Zien zondigen, doet vaak zondigen. En van de waarschuwingen van ons geweten kan een mens zich ook nog ontdoen, zodat zijn geweten als met een brandijzer wordt dichtgeschroeid. Dan krijgen we de vrije hand om te doen wat iedereen doet. Belust op seksuele bevrediging van allerlei soort.
Nogmaals, de keuze van Lot kwam hem duur te staan. Ook in zijn gezinsleven. Uit wat we lezen over de vrouw van Lot, kunnen we opmaken, dat zij met haar hele hart hing aan alles wat zij in Sódom kon vinden. Daar heeft ze haar hart aan opgehaald. En de dochters van Lot niet minder. Zij gingen trouwen met jonge mannen uit die stad. Heeft Lot hen niet gewaarschuwd? Vast wel. Maar het hielp allemaal niet. Zo ook onze dochters wellicht. Zij komen thuis met een aardige jongen. Hij heeft de kerk van binnen nooit gezien. Maar we hopen, dat hij door het goede voorbeeld van ons en ons gezin, leert wat het is om God te vrezen. Helaas, hoe vaak blijkt dat een ijdele hoop te zijn.
En dan op een dag komen er twee boodschappers van God bij Lot aan de deur. Hemelboden, engelen. Lot ontvangt ze als ware gasten, zoals een oosterse man betaamt. Maar dat krijgen de inwoners van Sódom in de gaten. En wat we dan over hen lezen, zullen we hier maar niet uitvoerig verhalen. Ze dringen bij Lot naar binnen, willen schandelijkheid met Lots gasten bedrijven en zijn niet eens tevreden, als Lot hen zijn twee dochters aanbiedt om seksuele omgang met haar te hebben. 1
Tenslotte, als ze op het punt staan om met geweld bij Lot binnen te komen, wordt Lot door de engelen gered. Die sluiten de deur en slaan de kwaaddoeners buiten met verblinding.
En wat gebeurt er vervolgens? De hemelboodschappers laten Lot weten, dat God de stad gaat verwoesten. En nog snel ook. 2Vertel het uw familieleden maar. Kijk, daar gaat Lot door de straten van Sódom midden in de nacht. Hij klopt bij zijn aanstaande schoonzoons aan (zie vs.14v). Maar die wijzen naar hun hoofd. De man raaskalt. Ze vinden Lots woorden een lachertje.
En dan gaat Lot maar weer. Hij talmt. Komen zijn schoonzoons misschien toch achter hem aan? En…hoe moet het met al zijn bezittingen? Lot had de schepen achter zich bepaald nog niet verbrand. ‘Er is genade nodig, om los te laten, ook wat God ons ontneemt; en waar dit niet geheel vrijwillig geschiedt, moet de mens hiervan losgerukt en gescheurd worden, - vanzelf met pijn. Daarom vermaant de Heilige Schrift ons, ‘de pinnen niet te vast in de aarde te slaan’.’ (zo Ph. J. Hoedemaker, Lessen uit de Heilige Schrift; Abraham en zijn geslacht (eerste reeks Gen. XI-XXV:10). Amsterdam 1903; blz.123).
Maar de engelen dringen aan. Vlug, mensen! Het is de hoogste tijd. De ene engel grijpt de hand van Lot en van zijn vrouw en de andere engel de handen van Lots dochters. Die aarzelen. Maar er is geen tijd te verliezen.
In zijn boek Het Testament vertelt Elie Wiesel ons de volgende legende. Eén van de Rechtvaardigen kwam naar Sódom, vastbesloten om de inwoners van zonde en straf te redden. Dag en nacht liep hij door de straten en op de pleinen en protesteerde tegen hebzucht en diefstal, leugen en apathie. In het begin luisterden de mensen en glimlachten ironisch.

Toen luisterden ze niet meer; ze vonden hem zelfs niet grappig meer. De moordenaars bleven moorden, de wijzen zwegen alsof er geen Rechtvaardige in hun midden was. Op een dag kwam een kind dat medelijden had met de ongelukkige leraar naar hem toe en zei: ‘Arme vreemdeling, je roept, je schreeuwt, zie je dan niet dat het hopeloos is?’ ‘Ja, ik zie het’, antwoordde de Rechtvaardige. ‘Waarom ga je dan door?’ ‘Dat zal ik je zeggen. In het begin dacht ik, dat ik de mensen kon veranderen. Vandaag weet ik, dat ik het niet kan. Ik roep vandaag nog en ik schreeuw, omdat ik de mensen wil verhinderen, dat zij tenslotte míj zullen veranderen’ 3


Daar gaat Lot dan, met zijn vrouw en twee dochters. Alles moeten zij achterlaten. ‘Kijk er niet naar om’, zeggen Lots gidsen. J. Calvijn schrijft:
‘Achterom te zien wordt aan Lot verboden, opdat hij zou beseffen een verpeste stad te ontvluchten. Ten eerste was dit nodig, opdat hij geen heimwee zou krijgen, ten andere, opdat hij te beter zou bedenken, door welk een bijzondere weldaad Gods hij uit de afgrond was opgehaald.’ 4
In allerijl verlaten ze de stad van het verderf. Ze gaan de poort uit. Wel op een heel andere manier dan zoals ze indertijd naar binnen waren gekomen. Maar het is alsnog genadetijd. En op zijn verzoek vluchten Lot en de zijnen dan naar het stadje Zoar 5 in de bergen. 6 De tocht naar de bergen is voor het besef van Lot te ver; het vuur van de hemel zou hen op weg daarheen kunnen treffen. Maar misschien heeft het stadsleven bij Lot toch de voorkeur gehad boven een leven in de bergen. 7
Helaas heeft Lot later toch weer zijn ‘vrijstad’ verlaten om een onderkomen te zoeken in een spelonk in de bergen. Was Zoar misschien voor hem en zijn vrouw en dochters, net zo’n plaats van overspel en hartstocht als Sódom? Het kan zijn. Maar dan heeft Lot wel ondervonden, dat een mens zijn eigen overspelig hart nergens ontlopen kan.8 Waarom is Lot niet naar Abraham teruggekeerd? Dat had toch gekund? Was hij daarvoor misschien al te ver afgedwaald van het rechte pad?
In Zoar was hij met de zijnen vooreerst veilig. En om der wille van Lot ontkomen ook de inwoners van deze plaats vooreerst aan het oordeel van God.

Als Lot en de zijnen daar aankomen, barst het oordeel van God over Sódom los.9 Het lijkt op een vulkaan die vuur spuwt. Diep in de aarde liggen zwavelputten met hun verstikkende zwalveldampen. Een klein vuurtje erbij en de inhoud ervan vliegt omhoog en daalt vervolgens brandend neer op de huizen en de slapende mensen. Voor hen is het heden der genade voorbij. Hebt u wel eens brandend zwavel geroken. In de buurt van mijn ouderlijke woning stond een schuurtje dat in de zomer volgestapeld werd met bossen biezen, die gezwaveld moesten worden met de rook van zwavel. Wie daar in de buurt kwam, voelde een verstikkende lucht.10

Lot en de zijnen zien het voor hun ogen gebeuren en moeten er iets van geroken hebben. Sódom wordt bedolven onder brandende zwavel.11
Welk een groot wonder. Voorspel van het eindgericht. Ik moet u waarschuwen, gemeente. Net als de engelen Lot en de zijnen waarschuwden. Net als die rechtvaardige man uit het verhaal van Elie Wiesel. Want als ik niet meer waarschuw, zou ik zelf kunnen gaan doen, waartegen ik mensen waarschuwde. Zie het toch, dat het niet alleen de praktijken zijn van homoseksualiteit, abortus en euthanasie, die wijzen op de totale perversie van de samenleving. Hoezeer ligt alles onder de doem van het oordeel van God.
Straks gaat er iets dergelijks gebeuren, mensen. Bereid er u op voor. Denk niet: Het zal zo’n vaart niet lopen. Eenmaal ging de wereld onder door de zondvloed. Weldra zal de wereld door vuur vergaan. Dan zal het zijn: ‘Bergen valt op ons; heuvelen bedekt ons’ (Luk. 23:30b). Het is misschien niet eens zover meer weg. Maar intussen smelten de ijskappen van de Noordpool door opwarming van de aarde en het zeewater. Het duurt niet lang meer, of…Kortom, vuur en zwavel, zoals bij de ondergang van Sódom, zijn in de Bijbel de symbolen van Godsgerichten. Vgl. Deut. 29:23; Jes. 13:19; Jer. 49:18; Zef. 2:9.
Dan zal er een poel zijn die van vuur en sulfer brandt. Daar zijn het beest en de valse profeet (Openb. 19:20; 20:9v).

Maar voordat het zover is, worden wij bij de hand genomen. Ook vanmorgen door een dienaar van het Woord. Ontvlucht de toekomende toorn. Er is een heden van genade, talm niet, stel niet uit. Kom weg uit de goddeloosheid van Sódom. Zet er uw hart niet op. Geef alles prijs om dat ene: de redding van uw kostelijke ziel. Als u dat niets waard is, moet u alles bij het oude laten. Maar weet toch, dat ‘de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt’ (1 Petr. 4:18).


Lot was bijna verloren, maar werd toch behouden. Hij vond in Zoar een vrijstad. Zo is er ook voor u, gemeente; een veilig heenkomen te vinden in Jezus Christus. Vlucht intijds tot Hem. Met een hart dat bedroefd is naar God over al de zonden van uw leven. Wat hebt u die God, Die u zoveel goeds heeft gegeven in uw leven, bedroefd door van Hem af te wijken en Zijn eer door het slijk te halen. Nee, u bent niet beter dan de inwoners van Sódom. Wat zij uitleefden, leeft er ook in ons hart. Ook al houdt u zich voor een braaf mens. Lot mocht het naakte lijf redden, door Gods genade.
En die God van Lot leeft nog. Bent ook u wellicht een mens, die zijn ziel dagelijks kwelt door het zien en horen van de ongerechtigheden om u heen. Iemand die ontdekt is aan wat zonde is in Gods ogen, treurt niet slechts over eigen schuld, maar ook over wat er passeert in de wereld om hem heen. Wat hebben mensen ervan gemaakt! Hoeveel kwaad maakt van het bestaan een beestenbende? Welk een ellende doen mensen elkaar niet aan, om maar zoveel in hen is, eigen lusten te bevredigen. De helft van de huwelijken in Nederland breekt na een half jaar na de trouwdag weer stuk.
Hebt u ook wel eens gevreesd voor de oordelen van God? De Heere vrezen houdt ook in, dat u een diepe indruk hebt van Gods majesteit en u voor het oordeel overkrijgt. Eeuwig in de plaats van de pijniging, in de poel die daar brandt van vuur en sulver.
Maar let dan eens op Hem in Wie er ontkoming is voor u, zondaar. U denkt soms: Wie kan er om een mens als ik ben, nog iets geven? Niemand houdt van mij. Ik heb het zo verdorven. Het zou zelfs met u kunnen zijn, zoals het met Lot was, toen hij eenmaal uit Sódom gered, in een spelonk in Zoar zijn intrek had genomen en daar, dronken gevoerd door zijn dochters, met haar incest pleegde. Een rechtvaardige Lot die twee kinderen (Moab 12en Ammon) bij zijn bloedeigen dochters verwekt…Kan dat? Afschuwelijk.

Zo iets komt ook nog in onze tijd voor. En doe dan ook maar niet, zoals die man uit Afganistan voor wie ik erin bemiddelen mocht, dat hij enige tijd geleden een Bijbel in zijn moedertaal in handen kreeg. Hij ging erin lezen, maar legde die Bijbel spoedig terzijde, toen hij het gruwelverhaal van Lot en zijn dochters las. Dat maakte de Bijbel voor hem onacceptabel. Maar…als iemand zichzelf heeft leren kennen, weet hij zich niet beter dan Lot en schept hij moed uit het behoud van Lot. ‘t Kon voor hem; ’t kan ook voor mij.


Maar weet dan één ding: Hij, Jezus wil niet, dat u verloren gaat, maar behouden wordt. Nog zijn er armen naar u uitgebreid. Als u op uzelf ziet, is het: bijna verloren. Maar als u door genade oog hebt gekregen voor onze geliefde Zaligmaker die voor al uw schuld wilde boeten, mag het worden: eeuwig behouden. Als een brandhout uit het vuur gerukt. Merk vooral ook op, dat in de redding van Lot, de voorbede van Abraham voor Sódom toch nog verhoord wordt (vgl. Gen.18:23vv). Zou dan de voorbede van de verhoogde Christus voor de Zijnen onverhoord blijven( vgl. Joh. 17:15vv).
2.De vrouw van Lot: een zoutpilaar
Letten we nu nog een ogenblik, gemeente, op de vrouw van Lot. Daar gaat zij met haar twee dochters in de richting van de vrijstad Zoar. Achter haar de plaats waar zij zo lang hebben gewoond. Daar lag hun prachtwoning, rijk gemeubileerd. Daar stond het vee in de stallen.
Als u ooit - net als ik - eens, met het hemelvuur van de bliksem pal boven u, in het open veld hebt verkeerd, weet u, hoe bang het een mens in die omstandigheden kan zijn. Zo moet ook Lots vrouw en de haren zich hebben gevoeld. Elk ogenblik zou een verdiend oordeel van God haar hebben kunnen treffen. En wie denkt dan nog aan wat achter de rug is. Ja, dat doet de vrouw van Lot toch. Haar hart is niet los van alles wat zij in Sódom achterliet: het leven in welvaart en wellust. Heeft de Heere Jezus ons niet gewaarschuwd om niet als de vrouw van Lot te zijn? Is daarmee iets gezegd over het eeuwig wel of wee van de vrouw van Lot? Laat Calvijn voor mij antwoorden. Hij schrijft:
Schoon men nu over haar eeuwig heil niets zekers kan zeggen, is het toch waarschijnlijk, dat God met het opleggen van tijdelijke straf, haar ziel heeft gespaard, gelijk Hij dikwijls de zijnen kastijdt in hun vlees, opdat de ziel van het eeuwig verderf zou behouden worden. Maar laten wij, omdat in deze wetenschap geen nut steekt, en dit zonder enig gevaar kan ontkend worden, veel meer letten op het voorbeeld, dat God aan alle eeuwen gemeenschappelijk stellen wilde. Als ons de zwaarte der straf afschrikt, laten wij dan bedenken, dat heden ten dage wij niet lichter zondigen die niet uit Sódom, maar uit de hel zelf gered zijnde, ergens anders heenzien, dan naar de voorgestelde kroon der hemelse roeping’ (a.w., blz.419).13

Even kijkt ze om. De engelen hadden gezegd: ‘Behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet stil op deze ganse vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat gij niet omkomt’ (vs.17). Maar geleidelijk aan was de vrouw van Lot achterop gekomen. Haar gang vertraagde. Tenslotte staat ze even stil. Ze gaat niet meer. Ze staat daar, met onmiddellijk achter haar de regen van vuur en sulfer.14 Ze houdt de hand op de mond. Maar op dat moment is ze al niet meer te redden.


Hoe vreselijk is het om in het zicht van Zoar (de stad van behoud) om te komen. Zout overdekt haar lichaam en versteent haar gestalte. ‘Gedenk aan de vrouw van Lot’, zei Jezus later. Teken van Gods oordeel. Ze was bijna behouden in Zoar aangekomen. Maar ze kwam daar toch niet veilig aan. Bijna behouden, toch ….Zelf was ze wellicht geboren en getogen in Sódom. 15
Nu is zij met haar stadgenoten in het oordeel van God omgekomen. Een waarschuwing aan het adres van ons allemaal.

Lots vrouw werd een zoutpilaar. 16 En Sódom is een rokende puinhoop geworden (vs.28b).


Zo vergaat het ieder mens die niet onvoorwaardelijk buigt onder Gods oordelen. Zo vergaat het ieder die de wereld liefheeft en niet God.

Een bezoeker van de Dode Zee, de plaats waar diep onder het water de ruines van Sódom en Gomórra nog te vinden moeten zijn, ziet in een zoutpilaar aan de oever in de bergen nog steeds de vrouw van Lot. Alles spreekt hier van levensloosheid, van dood en verderf. Het water van de Dode Zee is zo zout dat men er zonder te zwemmen in kan blijven drijven. Daar beneden liggen de steden Sódom en Gomórra, als een blokkendoos door God omgekeerd.




Bijna behouden, en toch verloren.

Zo kan het u vergaan, gemeente. De vrouw van Lot had op één bed met haar man geslapen. Toch werd hij gered en kwam zij om. Zij had aan één tafel gegeten en gedronken. Maar hij bleef in leven; zij stierf. De scheuren lopen dwars door de gemeente en de gezinnen heen. Geloof dat. U kunt iemand zijn die niet ver is van het Koninkrijk van God. U hebt naar u meent altijd netjes en vroom geleefd. U hebt vele jaren geleefd onder het aanbod van Gods genade. Maar u hebt steeds geleefd voor wat u met uw ogen kon zien en met uw handen kon tasten. En als u aan sterven denkt, is er wellicht droefheid in uw hart om alles wat u moet achterlaten. Maar het is een droefheid der wereld die de dood werkt. U hebt de zonde nooit leren haten, omdat u Gods eer daardoor door het slijk hebt gehaald.
Om gered te worden van het eeuwige verderf, moet het met de mens door het nulpunt heen. Hij moet alles inleveren wat hem lief en dierbaar is. Hij moet het oordeel van God over zijn leven billijken. Er blijft slechts de vraag over, of er nog een weg is ter ontkoming.
‘Gedenk aan de vrouw van Lot’ (Luk.17:32). 17
Zie ik daar ginds in de kerk niet een meisje? Vroeger was ze heel godsdienstig; een belangstellende catechisante. Een godzoekster. Vaak las ze in haar Bijbeltje. Maar toen kwam er iemand in haar leven die haar op een heel ander spoor zette. Een jonge man die het leven in afzondering om God te zoeken maar zo zo vond. Die ook kerk en godsdienst bijkomstige zaken vond. En vanaf haar trouwdag met hem, is het met haar ook heel anders geworden. De wereld met al zijn verleidingen nam haar in beslag. Moest ze dan alles wat mooi en aantrekkelijk was in de wereld maar van nul en generlei waarde achten? Nee, dat toch niet. Er is immers in het aardse leven ook veel waarvan we mogen en kunnen genieten. Maar ja, Sódom loslaten en inruilen voor Zoar (nietigheidje), dat houdt ook in, dat we het met een oud versje kunnen zeggen:
Weg wereld weg schatten,

Gij kunt niet bevatten,

hoe rijk, of ik ben.

‘k Heb alles verloren,

maar Christus verkoren,

wiens eigen ik ben.


De bekende Kohlbrugge kwam in zijn jonge jaren nogal eens bij zijn grootmoeder in Edam. Die had een haard met haardtegels eromheen. En op een van die tegels stond een afbeelding van Lot, wegvluchtend uit Sodom. ‘Kijk, Fritz, zei zijn oma dan, zoals Lot uit Sodom wegvlucht, zo moeten wij ook deze tegenwoordige boze wereld verlaten.’18
Misschien is er vanmorgen iemand onder mijn gehoor die wat mist, die de zekerheid mist om voor eeuwig behouden te zijn. Hij weet, dat hij bijna behouden is (daar is te veel voor gepasseerd in zijn leven). Maar hij vreest toch nog te zullen omkomen. Want al kijkt hij dan niet steeds zoals de vrouw van Lot achterom, zijn hart is nog zo vervuld van hebzucht en wereldzin. En bidden gaat ook niet altijd zo goed.
Gij badt op ene berg alleen,

Heere Jesu, ik en vind er geen,

waar ‘k hoog genoeg kan klimmen

om U alleen te vinden.


De wereld wil mij achterna,

al waar ik sta, of ga of ooit mijn ogen sla,


O, leer mij arme dwaas, hoe dat ik bidden moet.
Wel, laat mij dan nog een keer dat heerlijk leven met de Zaligmaker Jezus Christus bij u aanprijzen.
In Zoar wordt u hartelijk welkom geheten. In Jezus is gerechtigheid voor u te vinden, om mee voor God te bestaan. Echt waar. En die gerechtigheid is zo’n kostbare schat, dat u daar al het moois van de wereld wel voor in kunt ruilen. Want wat is er kostbaarder in het leven dan een mens te zijn die God behaagt!?
Er staat zo treffend in onze tekst: ..en de zon ging op boven de aarde, als Lot te Zoar inkwam. Wat een dag! Een dag waar ook een vervolg op kwam. Met de dag die ook in Sódom was begonnen, was geen avond verbonden. Daar was alles dood en verderf. Maar wie eenmaal Jezus Christus heeft gevonden, mag leven in een heden van genade dat eeuwig duurt.
Gelukkig de mens die door een Godswonder heen het leven ervan afbrengt en veilig in Zoar aankomt.Veilig in Jezus’ armen, veilig aan Jezus hart.19

Amen
----------------------------------------------------------------------------------------


Excurs over Strabo (16.2) en Tacitus (Hist.5.7)
Strabo (64 vChr. tot 16 nChr.) schreef in zijn boek over geografie (16.2 van Engelse vertaling door Lacus Curtius) over de Dode Zee, dat ‘de verwoesting van Sódom (de metropolis van 13 steden die alle werden verwoest) is ontstaan door aardbevingen en uitbarstingen van vuur en van heet water, bevattend asfalt en sulfer (zwavel). Het meer barstte uit zijn oevers en rotsen werden in vuur en vlam gezet. De steden werden verzwolgen en andere werden verlaten door hen die in staat waren te ontkomen’. NB: Over Strabo zie ook mijn preek over Matth.13:45v.

Many other evidences are produced to show that the country is fiery; for near Moasada are to be seen rugged rocks that have been scorched, as also, in many places, fissures and ashy soil, and drops of pitch that emit foul odours to a great distance, and ruined settlements here and there; and therefore people believe the oft-repeated assertions of the local inhabitants, that there were once thirteen inhabited cities in that region of which Sodom was the metropolis, but that a circuit of about sixty stadia of that city escaped unharmed; and that by reason of earthquakes and of eruptions of fire and of hot waters containing asphalt and sulphur, the lake burst its bounds, and rocks were enveloped with fire; and, as for the cities, some were swallowed up and others were abandoned by such as were able to escape. But Eratosthenes says, on the contrary, that the country was a lake, and that most of it was uncovered by outbreaks, as was the case with the sea.120



Publius Cornelius Tacitus (Romeins historicus; leefde van 55-120 nChr).


1 Dr. A. van Selms schrijft: ‘Met vreemdelingen, zo denkt men te Sódom en te Gíbea (Richt.19:22) heeft men vrij spel; zij hebben geen rechten.Dat is de werkelijke zonde van Sódom: de schending van het gastrecht. Daarmee is niet gezegd, dat de Bijbel de homoseksualiteit zou tolereren; vgl. daartegen bijvoorbeeld Lev.18:22; 20:13. Zo Dr. A. van Selms, Genesis Deel I (serie De prediking van het Oude Testament); Nijkerk 1967; blz.250. Zie over homoseksualiteit ook Rom.1:26v; 1 Kor.6:10; Judas: 7.

2 Op de afbeelding de engelen die Lot waarschuwen.

3 Uit dr.W.S. Duvekot, Begrijpt u wat u leest? p.156.

4 Johannes Calvijn, Genesis (vertaling uit het Latijn naar de uitgave van Baum, Cunitz en Reuss, door S. O. Los); 1e deel; Middelburg 1900; blz.412v.

5 Tevoren heette Zoar Bela (zie Gen.14:2).

6 J. Calvijn (a.w,blz.415) schrijft: ‘Wij zien dus hier, hoezeer Lot dwaalt, als hij het gebergte, dat nog met geen aanraking van schanddaden was besmet, ontwijkt en verdenkt, en een stad uitkiest., die als een opborreling van snoodheid bij de Heere gehaat moest wezen.’ O.i. kan Calvijn deze kwalificatie van Zoar niet direct uit Gen.19 afleiden. Zoar betekent: klein aantal (plaats van weinig inwoners). Lot wil daarheen, omdat hij meent, dat God dat stadje als iets onbeduidends wel zal sparen.

7 De afbeelding is een schilderij van Rafaël: Lot met zijn twee dochters bij het verlaten van Sódom. De vrouw van Lot achter hen kijkt om en wordt een zoutpilaar.

8 Dr. Ph. J. Hoedemaker schrijft: ‘Hij (Lot), nl. de man die geen ruimte genoeg vond in Kanaän, voor zijn kudden, naast die van Abraham. Nu had hij het ruim genoeg. Even ruim, als de geldkoning, die onlangs in de Verenigde Staten stierf, het tussen zijn vier planken heeft en even ruim als gij en ik het hebben zullen in ons graf’ (a.w., blz.136).

9 Vgl. Deut.29:23 en Hosea 11:8 waar naast Sódom en Gomórra ook A’dama en Zebóïm als steden van omkering worden genoemd.In Job 18:15 lezen we van het oordeel van God dat de mens treft, als ‘zijn woning met zwavel overstrooid wordt’.

10 Dr. Ph.J.Hoedemaker verwijst naar Gen.16:24, 25, naar het dal van Sittim vol lijmputten. Hij schrijft: ‘Een klein gedeelte van het terrein, dat door de Dode Zee wordt ingenomen, nl.ongeveer een derde, is veel dieper (1200 tot 1300 voet) dan de overige twee derden (13 voet). De asphalt-bronnen in de overigens zo vruchtbare bodem der vlakte zijn door de pijlen des Almachtigen ontstoken, de grond is uitgebrand en gezonken, het water van het meer, dat destijds bestond ter plaats waar de zee nu het diepst is, heeft het gezonken land overstroomd, en is door de stoffen, die zich in de bodem bevonden, geworden tot wat het thans is; zodat geen vis in die zee kan leven en de vogels die boven de oppervlakte vliegen, door de opstijgende dampen worden bedwelmd, terwijl de rotsen in de omtrek bedekt zijn met een afzetsel van het zout, dat door verdamping van de asphalt wordt afgescheiden.’ Zo Dr. Ph. J. Hoedemaker,a.w., blz.131v.Vgl. o.a. Gen. 14:3; Num.34:12; Deut.3:17; Joz.3:16 waar de Dode Zee Zoutzee of zee van het vlakke veld (zie ook 2 Kon.14:25) wordt genoemd. Josephus spreekt over ‘het asfaltmeer.’ Asfalt oftewel bitumen welde hoofdzakelijk op in het zuidelijk deel van de Dode Zee.

11 ‘Als licht brandbare stof, die moeilijk te blussen was, is zwavel het beeld van de toorn van God (Jes. 30:33; 34:9 ); in het bijzonder wordt de strafplaats van de duivel en van de verdoemden als een brandende zwavelpoel voorgesteld (Opb. 14:10; 19:20; 20:10; 21:8 ). Zelfs de kleur van zwavel herinnert in de apocalyptische symboliek aan het verterende vuur (Opb. 9:17 v)’ (Uit Bijbels Woordenboek van Online Bijbel).


12 ‘In de naam van het dikwijls vijandige nabuurvolk Moab hoort Israël mē’āb: ‘uit de vader’, LXX zegt dit uitdrukkelijk. Misschien was de oorspronkelijke lezing:’ ….en noemde hem mē’ābī (uit mijn vader; hij is de vader der tegenwoordige Moabieten.…. De naam Ammon komt ongetwijfeld van ‘am’ volk: het volk bij uitstek. Hetzelfde woord betekent ook, en oorspronkelijk: verwant van vaderskant, voorgeslacht…; volgens onze auteur dezelfde betekenis als Moab.’ Aldus Dr. A. van Selms, a.w., blz. 257. Hij verwijst ook naar Deut. 23:3 (2) en Zach. 9:6 (volgens Leviticus 18 bloedschande). Dat ‘de prediking van 19:30-38, die de cultische minderwaardigheid van Moabieten en Ammonieten verkondigt, van heel wat geringer allooi is…, een stuk prediking, dat door het Oude Testament,.bij monde van het boek Ruth, reeds onder kritiek is geplaatst’, achten wij een misplaatste uitlating van van Selms die wij niet voor onze rekening nemen. Alsof ons het recht toekomt om zo diskwalificerend over de prediking van het slotgedeelte van Gen.19 te oordelen.NB: de Moabieten hebben steeds gewoond aan de oostkant van de Dode Zee en de Jordaan, tussen de rivier de Arnok en de Jabbok.De Moabieten woonden ten Noorden daarvan (ten Oosten van Kanaän).

13 Calvijn schrijft ook, dat de vrouw van Lot omkeek, omdat ‘zij misschien een meer aanschouwelijk bewijs wilde hebben. Of wellicht omdat zij medelijden had met het volk, dat te gronde ging…Toch was haar misdaad niet gering. Allereerst is de begeerte om terug te zien, uit ongeloof (tegenover Gods Woord) voortgekomen. Verder werd zij – zoals Christus zegt - door een of andere verkeerde lust verleid en heeft Sódom niet vrijwillig verlaten. Want Christus noemt dit voorbeeld om ons af te houden van de wereldse begeerlijkheden.’ Dr, Ph. J. Hoedemaker (a.w., blz.134) meent niet, dat de vrouw van Lot behouden is. Hij schrijft: ‘Zij behoorde tot Sódom en is met Sódom verloren gegaan’….’De ernst, de schrik, de afschuw van Sódom, die dit schijngeloof als echt en oprecht zouden hebben gestempeld, ontbrak ‘.

14 De Hebr.tekst van vs.24 gebruikt het werkwoord mātār – regenen. Dus het verwoestende vuur kwam van boven. Het kwam van de Heere uit de hemel. Hebr. ‘gaberi’th’ weēsj = zwavel en vuur; of als hendiadis: vurige zwavel; zo Dr. A.van Selms, a.w., blz.255. Hij schrijft verder: ‘Het van de Heere, uit de hemel….legt er de nadruk op, dat wij hier niet met een min of meer toevallige natuurcatastrofe te doen hebben, maar met een door de Heere beschikt oordeel’.

15 Enige Joodse uitleggers denken, dat Lots vrouw uit Sódom zelf afkomstig was. In de afbeelding is zij de zwarte gestalte achter de vluchtende Lot met zijn dochters.

16 Hebr.’netsi’b mèlèch’ = een pilaar van zout. ‘Zwavel en zout der verbranding’ zijn funest voor de vruchtbaarheid der aarde (vgl. Deut.29:23a). Het apocriefe boek ‘Wijsheid van Salomo’ (van de hand van een gehelleniseerde Jood in Alexandrië – eind 1e eeuw vChr) spreekt over een ‘hoog oprijzende zoutzuil’, een ‘monument van een ongehoorzaam hart’. De afbeelding toont zoutpilaren in de Dode Zee.

17 De Kanttekeningen van de Statenvertaling verwijzen naar Josefus die getuigt dat deze zoutpilaar nog tot zijn tijd gestaan heeft, lib.Ant 1, c. 12). Het verhaal van de verwoesting van Sódom en Gomórra berust op een feit waaraan ook andere geschiedschrijvers herinneringen bewaard hebben (Strabo 16.2; Tacitus Hist. 5.7; vgl. Josefus Bel. Jud. 4.8.4).Zie de Excurs aan het eind van deze preek. Het zuidelijk gedeelte van de Dode Zee heet reeds in de oudheid Asfaltmeer (lacus Asphaltites). Reeds Gen.14:10 maakt melding van vele asfaltputten (SV ‘lijmputten’) in het Siddimdal, dat sedert de verwoesting van Sódom overstroomd is.


18 Dr. A. van Deursen schrijft: ‘De gloed van Sódoms en Gomórra’s verwoesting flakkert geheel de Schrift door: Gen.19; Deut.29:23; Jes.1:9; Jer.23:14; 49:18; 50:40; Klaagl. 4:6; Ez.16:46v; 49:53, 55v; Amos 4:11; Zef.2:9; Matth10:15; 11:23v; Mark.6:11; Luk.10:12; 17:29; Rom.9:29; 2 Petr.2:6; Jud.:7; Openb.11:8.’ Zo Dr. A. van Deursen in Christelijke Encyclopedie (red.o.a. Prof. dr. F. W. Grosheide); 2e dr; deel II; Kampen 1957; s.v. Dode Zee.

19 De foto is een satellietfoto van de Dode Zee met de plaatsen waar de verwoeste steden hebben gelegen.





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina