Preek over Hand. 2: 46v



Dovnload 35.95 Kb.
Datum07.10.2016
Grootte35.95 Kb.

Preek over Hand.2:46v


1. Votum


2. Groet

  1. Psalm: 68 : 13, 16

  2. Wet des Heeren / Apost.gel.

  3. Psalm: 119 : 88 / 52 : 7

  4. Schriftlezing: Handelingen 2 : 37 - 47

  5. Gebed

  6. Tekst: Hand.2 : 46, 47: Een dagelijks eendrachtig in de tempel volhardende en van huis tot huis brood brekende, aten zij te samen met verheuging en eenvoudigheid des harten; en prezen God en hadden genade bij het ganse volk. En de Heere deed dagelijks tot de gemeente die zalig werden.

Punten

We horen in onze tekst van drie dingen:



l) Van de activiteit

2) Van de voedingsbodem en

3) Van de werfkracht

van de gemeente van de Pinkstergeest.

  1. Inzameling der gaven

  2. Psalm: 116 : 4, 5 en 7

  3. Prediking

  4. Psalm: 84 : 2 en 5

  5. Dankgebed

  6. Psalm: 145 : 1

  7. Zegenbede


* * *

Het is Pinksteren geworden in Jeruzalem.De Heilige Geest is uitgestort op de volgelingen van de grote Meester Jezus Christus. En niet zodra is dat gebeurd, of er ontstaat ook meteen een gemeente. Duizenden geven gehoor aan de prediking van de apostelen: mannen, vrouwen, priesters zelfs. De grote Herder van de schapen Zelf gaat vanuit Zijn hoge hemel Zijn kudde verzamelen.’De Zoon van God… vergadert Zich een gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren, door Zijn Geest en Woord, in enigheid van het ware geloof’ (Heid.Cat., Zondag 21; antw.54).


Met Pinksteren komt de gemeente voor de dag. ‘Ik geloof in de Heilige Geest’ en ‘ik geloof een heilige, algemene christe­lijke kerk, de gemeen-schap der heiligen’ (Apost.Gel.).
Zo zien we het gebeuren in het boek van de Handelingen. Mag ik u uitnodigen om vanmorgen eens op bezoek te gaan bij die eer­ste christengemeente in Jeruzalem? Zij is voor ons in onze twintigste eeuw nog steeds een voorbeeld van geloof, hoop en liefde. Die gemeente in haar prille lenteleven moge ons gedurig inspireren.

Daarbij mogen we ons wel afvragen: Beantwoordt de gemeente vandaag aan dat wat Gods Geest van haar maakte in die heerlijke begintijd? Alle vernieuwingspoging waarmee in onze tijd gesleuteld en gedokterd wordt aan de kerk, zullen zeker falen, als die kerk niet weer de Geest-kracht krijgt, die zij had, toen Gods Geest in zo rijke mate over haar werd uitgestort in die eerste dagen.


Vele heerlijke dingen worden ons van die eerste christengemeente verteld in de Han­delingen der apostelen.Op enkele daarvan wil ik in deze preek de nadruk leggen aan de hand van de tekstverzen, aan het slot van Handelingen 2.

Van de activiteit van de gemeente

In de eerste plaats dan horen we hier, waar de eerste christenen hun bezigheid in hebben gezocht. Zij waren dagelijks eendrachtelijk in de tempel volhardende. Deze eerste christenen vormen dus geen club van gelijkgezinden die zich meteen sektarisch opstellen. Zij scheiden zich niet af van hun volksgenoten die trouw op hun post waren in de tempel en daar hun godsdienstige plichten vervulden. Integendeel, dagelijks gaan zij naar Gods bedehuis. Tot het uiterste bewaren zij de band met het oude bondsvolk van God.




Zeker, met het offer van Christus waren alle offers in Jeruzalems tempel overbodig geworden. Die behoefden niet meer gebracht te worden. Daarom hadden die eerste christenen ook goed hun godsdienstige samenkomsten in de opperzaal van het laatste

De Westelijke muur van de tempel, de zogenaam-

de Klaagmuur. Gebedsplaats van Israel.


Avondmaal, op de kruisheuvel Golgotha, in de stille hof van Jozef of op de Olijfberg kunnen houden.

Toch vinden we de eerste christengemeente uitgerekend in de tempel. Was daar niet de Heilige Geest uitgestort? En zullen de gelovigen niet altijd weer daar willen zijn, waar de Heere wil wonen? Zolang als de Heere de tempel als huis van gebed in stand hield, zo lang waren de christenen van het eerste uur daar present.


Daar ontmoetten ze elkaar. Daar bejubelden zij de grote werken van God. Daar bevonden zij zich temidden van de feestvierende menigte. Daar klopte het hart van hun eredienst, als zij van Jezus vertelden aan ieder die het maar horen wilden. Eerst de Jood en ook de Griek.Nee, ze liepen niet met een grote boog om de tempel heen, ook al was die tempel voor hen ergens ook het hol van de leeuw ge­worden, omdat hun vijanden daar op hen loerden. Immers nog altijd was er groot verzet tegen de boodschap die zij brachten van de kant van schiftgeleerden en priesters.
Van dat onderhouden van de heilige instellingen van God kunnen wij veel leren.Ook wij zijn geroepen om trouw op onze post te zijn in het huis van onze God, het bedehuis van de vaderen dat de Heere ook ons nog gelaten heeft. Dat geldt ook van de gemeente waartoe wij behoren , ook al is deze geheel tegen onze wensen in opgenomen binnen het verband van de Protestantse Kerk in Nederland. Al passeert daar veel dat indruist tegen het Woord van God. Al is die kerk soms meer een rovershol geworden. Al wordt zij verziekt door dwaalleer. Al voelt u zich soms een vreemde in uw eigen huis. Zolang God het ons geeft, nemen wij hier onze plaats in. Zolang God ons ruimte geeft om het Evangelie van Gods vrije genade voor goddelozen vrijuit en onomwonden te verkondigen. Zolang Hij ons een mond geeft om te getuigen. Helaas, hoe kleingelovig en ongelovig wordt er vaak gepraat over de kerk. Helaas, hoe velen gaan er bij het minste of geringste vandoor. Alsof God geen grote wonderen kan doen, juist daar waar afval, dwaalleer en onheilige levenswandel heersen.
De ware gelovige stelt zich niet enghartig op. Hij trekt zich niet bij voorkeur terug in de kleine kring. Hij trekt er veeleer op uit om midden onder het volk te getuigen. Niet de raaf die de gouden ketting naar zijn nest sleept, maar de duif die met de vredestak over de aarde vliegt, is het inspirerend voorbeeld van de gemeente.
Als één man zijn ze in de tempel, de eerste christenen. Ze worden beschouwd als oproerkraaiers. Ze worden soms zelfs opgepakt en in de boeien geslagen. Maar dat alles verhindert hen niet om er te zijn. Eendrachtig, volhardend, dagelijks. Let op die woorden. Ze waren er maar niet te hooi en te gras, als het hun uitkwam. Nee,elke dag waren ze weer op het appèl.Tijdens de gebedsuren vooral. Het waren geen christenen van de grote feesten alleen, geen zondagschristenen slechts. Het is zo’n best teken niet, als we alleen met Kerst of Pasen naar de kerk gaan. Het is zo’n best teken niet, als we bij alle doordeweekse samenkomsten van de gemeente steeds verstek laten gaan. Het is zo'n best teken niet, als we God en ons geweten gerust proberen te stellen door eenmaal per zondag naar de kerk te gaan, terwijl wij op maandag en woensdag leven alsof er geen God noch gebod is.Onze godsdienst moet ingevlochten zijn in onze handel en wandel.Neem elke dag tijd voor stille overdenking van wat God in Zijn Woord zegt. Lees een aantal bladzijden uit een goed boek. Oefen uzelf in de gemeenschap met God door veel gebeden.
Als Maar ten Luther het op een dag erg druk had,bad hij extra veel.Hij had dan immers ook extra kracht nodig. Gebedsuren zijn geen verloren uren. Als wij alleen maar werken, gaan we binnen de kort­ste keren gelijken op het beeld van Zadkine in Potterdam: een krampachtig mens waar het hart uit weg is.
Zij waren volhardend in de tempel. Zo lezen we het van de eerste christenen. Dat woord ‘volhardend’ komen we vaker tegen in het boek van de Handelingen.Volharding is een kenmerk van het werk van de Heilige Geest. Het is niet kenmerkend voor de mens in het algemeen. Wij mensen beginnen nog al eens ergens aan en maken het dan voorts niet af. Een geweldig enthousiast begin. Maar het wordt nooit meer dan het halve werk. Er is geen doorzettingsvermogen. En zo is heel ons leven vaak een aaneenschakeling van mislukkingen.We lopen warm voor dit en voor dat. Maar alles bij elkaar is het niet meer dan een onvoltooide symfonie. En was het dan maar een symfonie. We lopen het vuur uit onze sloffen voor onze godsdienst. We blaken van ijver. Maar het is als strovuur, spoedig gedoofd. Als het te veel gaat kosten, als we er geen eer meer mee inleggen, als het kruis en smart, haat en smaad gaat kosten, laten we het afweten. Zo’n geloof is niet meer dan tijdgeloof. Ga het eens bij uzelf na.
Maar het ware geloof wordt gekenmerkt door volharding.Zeker, het gaat door inzinkingen en aanvechtingen heen, maar de doorzettingskracht van de Pinkstergeest zit er achter. Daarom komt er niet halverwege een punt te staan. Als u in waarheid om God verlegen bent geraakt, krijgt u nooit genoeg van Hem. U wordt steeds nieuwsgieriger naar de heilgeheimen van God. Er is elke dag wel weer wat nieuws te beleven in Gods verborgen omgang.
U zegt misschien: ‘Maar wat moesten die mensen nu elke dag in de tempel doen? Nu, één ding was er, waar ze in elk geval voorlopig nog niet mee klaar waren. Dat was de leer van de apostelen. Daarin vooral ook waren zij volhardende (vs.42). De tempel was voor hen een echt leerhuis. Daar werd het Woord van God onderzocht. Daar lazen de volgelingen van Jezus de Schriften met nieuwe ogen, met verlichte ogen van hun verstand. Ze lazen de Schriften met het oog op Jezus. En zo konden ze zich elke dag verheugen. Nu de ‘bedekking’ (2 Kor.3 : 15) van hun aangezicht was gevallen, getuigde heel het Woord (Tenach/ OT) voor hun oren en ogen van die Messias die in Zijn lijden, sterven, opstanding en hemelvaart voor hen de weg had vrijgemaakt naar Gods Vaderhart.
Volharden in de leer van vrije genade voor goddelozen, dat houdt in: erbij blijven; niet één stap terug doen.Want dan zou­den die pas bekeerden weer terugvallen in de wettische godsdienst van het synagogale Jodendom van die dagen. Het was voor hen natuurlijk een groot gevaar, dat zij toch ook nog een beetje de Joodse rabbi's gelijk zouden geven, die altijd geleerd hadden,dat een mens door het doen van de werken der wet voor God rechtvaar­dig wordt.
Dat gevaar bedreigt ook ons. Vooral als wij pas tot geloof zijn gekomen. Er komt vaak zoveel op af. We worden zo gemakkelijk op sleeptouw genomen door mensen met een schijn van godsvrucht. Het ontbreekt ons dan niet zelden nog aan een goed onderscheidingsver-mogen. En het grootste gevaar is wel, dat we verslappen in het tere leven uit de genade en weer terugvallen in het oude leven van een krampachtig wettisch bestaan. We voelen onszelf vroom en heilig. Maar intussen staan we in eigen kracht en leven voor eigen rekening. We moeten het dan allemaal toch zelf weer waar maken.
Wat ik u echter op het hart wil binden is: blijf bij wat u geleerd is. Dat is geen verheerlijking van het oude, omdat het oud is, maar omdat het goed is. Houd vast aan de waarheid, dat Jezus, de Zoon van God alleen uw gerechtigheid voor God is. Daar kunt u duizend en één nieuwe theologische snufjes voor laten staan.
Volharden in de leer der apostelen.Dat betekent ook, dat we naar die leer zoeken te leven. Het mag dagelijks onze vraag zijn: ‘Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal?’ (Hand.9 : 6). De leer van de vrije genade maakt immers van ons geen zorgeloze of zorgeloze mensen. Volharden in de leer is geen dorre repetitie van waarheden, waar we het goed mee eens zijn, terwijl we in de praktijk van het leven net zo hard liegen en bedriegen, stelen en echtbreken als alle anderen.Vroom in de leer, goddeloos in het leven, dat kan niet samengaan. ‘De dood van de oprechten willen sterven’ (Num.23 : 10) en inmiddels zoeken te halen van het leven wat ervan te halen is, alsmaar jagen naar meer wel­vaart, geld en goed vermeerderen…Let erop, dat de eerste christenen vaak hun bezit prijsga­ven. Ze leefden arm. Ze deelden met anderen wat ze hadden.
Welnu, ik zeg u, dat u niet kunt blijven bij de leer van de apostelen, als u uw hart verpandt aan uw aardse bezit en slechts voor uw mooie spulletjes leeft. U blijft niet in de leer van de apostelen, als u uw naasten geen liefde bewijst door hem te helpen, als hij in de knoei zit.
De eerste christenen waren dagelijks een­drachtig in de tempel volhardende. Ze waren rusteloos bezig in de dingen van de Heere.En geloof maar, dat ze daar hun mond ook over hebben opengedaan. Ze hebben het anderen laten weten, dat er maar één Naam tot zaligheid was. Doet u dat ook? Waar het hart vol van is, zal de mond van overvloeien. En is het hart niet zo vol, kunnen we dan nog de Naam van onze dierbare Zaligmaker verzwijgen? Gij zult Zijn getuigen zijn.
En dan is er nog een woord dat opvalt in het begin van onze tekst. Dat is het woord eendrachtig (begin vs.46). Die eerste chris­tenen waren één van gemoed. Zo staat het er eigenlijk. Zij lagen niet voor het minste of geringste met elkaar overhoop. Ze trokken één lijn. Zij stonden schouder aan schouder. En eendracht maakt macht.
Dat is iets wat we niet missen kunnen.Welk een zegen, als we die dingen die we in het geloof mogen doen, ook samen mogen doen. Als we elkaar herkennen en erkennen mogen in hetzelfde geheim van het geloof, in hetzelfde heimwee naar Jezus, in dezelfde liefde, in dezelfde hoop, in dezelfde ootmoed.
Dat is ware oecumene. Die kan er alleen zijn in het volharden in de leer van de apostelen.Ware oecumene ontstaat niet doordat iedereen zoveel mogelijk van zijn eigen ze­kerheden laat schieten om tenslotte een slap aftrekseltje van de christelijke godsdienst over te houden. Dan staat alles ter discussie: de lichamelijke opstanding van Christus, Zijn Borgwerk (verzoening door voldoening). Wij vinden elkaar slechts in een humanistisch streven om de wereld te verbeteren. En geloven, dat doen we natuurlijk allemaal. Ja, maar zo verliest de gemeente van Christus haar gezicht. Ze wordt hoe langer hoe meer hopeloos verdeeld. Ze heeft ook geen echt hoopgevende boodschap voor de wereld meer.
Een eenparig getuigenis naar buiten toe kan er in de christelijke ge­meente slechts zijn,als er gedurig ook geestelijke wasdom is, een dagelijks meer en dieper doorleven van de overvloeiende genade van God voor goddelozen.

Van de voedingsbodem van de gemeente

Daarop wijst ook het vervolg van onze tekst. De eerste christengemeente in Jeruzalem had namelijk ook een gemeenschappelijke voedingsbodem. We lezen: en van huis tot huis brood brekende, aten zij tezamen met verheuging en eenvoudigheid des harten.


Hun godsdienst bestond niet slechts in de gang naar Gods huis, de tempel. Zij hielden ook hun huisgodsdienstoefeningen. Zij stelden hun woningen voor elkaar open. Daar hielden ze hun liefdemaaltijden. Daar aten en dronken zij samen voor het aangezicht des Heeren met een blij en eenvoudig hart.Samen eten versterkt de band onder elkaar. En stellig hebben zij, veel vaker dan dat bij ons het geval is (dus meer dan viermaal per jaar) het Avondmaal des Heeren gevierd ter gedachtenis aan Hem Die Zijn 1even gaf voor de Zijnen.
Langzamerhand is zelfs het accent verlegd van de tempelsamenkomsten naar deze huissamenkomsten. En uit deze laatste zijn ongetwijfeld de godsdienstige bijeenkomsten voortgekomen, die wij kerkdiensten noemen. Ze zijn ook steeds meer de tempel uitgejaagd. Hun boodschap vond bij de geestelijke leidslieden van Israël geen goed onthaal. En aan het eind van de eerste eeuw is zelfs in het zogenaamde achttiengebed van de Joodse synagoge de vervloeking van de ketters (‘notsriem’) opgenomen, waardoor christenen aan de samenkomsten van de Joden in de leerhuizen/ de synagogen niet meer konden deelnemen. God gaf hen echter een nieuwe tempel en een nieuw leerhuis in het gemeentelijk samenzijn rondom Woord en sacrament in de huizen van christenen die zich daarvoor leenden.
Hoe dit ook zij, de vroomheid van de eerste christenen was een door en door praktische. Het was praktijk der godzaligheid. Zij waren niet bang voor vuile voeten. Ze stelden hun hart en huis voor elkaar open. En dat niet slechts voor theevisites.Want die zijn er vaak alleen maar goed voor om over anderen te praten. Zij praatten ook over een Ander. Maar dan over Hem die zij zo onuitsprekelijk lief hadden gekregen.
Een christenmens moet open huis houden. Kom maar binnen! En vooral onze maaltijden mogen wel liefdemaaltijden zijn, waarin we tijd nemen voor elkaar. Daar kunnen – als het goed is - onze kinderen met hun vragen komen. Laat vader als een priester in zijn gezin met al de vragen, zorgen en zorgjes van de zijnen voor het aangezicht van God verschijnen in het gebed. Neem tijd om uit Gods Woo­rd te lezen en er met elkaar ook over te spreken. Alles gaat in het gejaagde leven vaak zo snel. We gebruiken dan ons huis meer als een hotelkamer waar we even komen slapen en eten. Wij verwaarlozen zo gemakkelijk onze huisgodsdienstoefeningen. Menig gezin hangt als los zand aan elkaar. Onze kinderen vervreemden van ons, krijgen geen gees­telijke leiding meer mee. Als ze thuis niet merken, dat de liefde van God de hoofdrol speelt, is straks de wereld groot genoeg voor hen om erin te verdwalen.
Als u een gast aan tafel hebt - misschien iemand die nog onbekeerd is en van God noch gebod weet - , laat dan uw maaltijd er een zijn met verheuging en. eenvoudigheid des harten. Geen zwelgpartij waar ieder gulzig zijn deel opschrokt. Maar een liefdemaaltijd waar het brood met blijdschap en eenvoud onder elkaar wordt uitgedeeld en waar ieder merkt: hier is Christus de grote Gastheer.
Verheuging en eenvoud. Let daarop, gemeente. Kenmerkt dat ook uw leven? Die twee dingen horen bij elkaar.U kunt niet blij ­zijn, als u niet tegelijk ook eenvoudig bent. En wat is een eenvoudig mens? Het is een mens die niet meer zo veeleisend in het leven staat, zodat het mooiste niet mooi genoeg is.Geen rusteloze jacht naar het grote, het grotere, het grootste. Eenvoud betekent, dat uw hart niet meer naar duizend en een dingen uitgaat, maar dat het is samengevoegd om God te vrezen. Dat alleen. Het betekent, dat u het brood van uw bescheiden deel als een wonder van God beschouwt, omdat het minste immers verbeurd en verzondigd is. Het betekent, dat u voor de dag komt zoals u bent, niet boven uw stand leeft, maar als een kind, eerlijk en open; de ander uitnemender achtend dan uzelf. Ongekunsteld. Eenvoud siert de mens; eenvoud is een kenmerk van het ware.
En zo alleen kunt u ook werkelijk blij zijn.Want als u het niet meer zoekt in het vele dat wel uw zinnen strelen, maar nooit uw hart bevredigen kan, dan mag toch immers die Ene voor u genoeg zijn: Hij Die onze ziel zo onuitsprekelijk verheugen kan, Jezus Christus.,
Is dat geen reden tot grote vreugde, als Hij u in leven en sterven, naar lichaam en ziel voor Zijn rekening heeft genomen? Is dat geen reden tot grote vreugde, als Hij de oorzaak van onze eeuwige honger en kommer, namelijk de zonde voor u heeft weggenomen? Is dat geen reden tot grote vreugde, wanneer Jezus u verlost van uw egoïsme, van uw hoogmoed, van uw eigengerechtigheid?
Laat Hij u blij maken, ge­meente. Het is Zijn liefste werk. Zolang u alleen op uzelf blijft zien, zal uw droefheid zich opstapelen.Maar ik smeek u: Gun Jezus Zijn Zaligmakerseer en lever uzelf met alles wat u hebt en bent aan Hem uit.U zult vreugde op vreugde hebben.

Van de werfkracht van de gemeente

En dan is er tenslotte nog iets. Het staat in het slot van de tekst: Zij prezen God. Daar liep het alles op uit.Jui­chen over Jezus en dan God Zijn eer onthouden, dat kan niet samengaan. In de lof van God ligt het doel van ons bestaan. Wij zijn eerst recht gelukkig, als we God kunnen loven. Een mens is doodongelukkig, als hij alles om zichzelf laat draaien, op zijn eigen eer uit is, zelf de man of vrouw wil zijn. En dat presteren we vaak ook nog met onze vroomheid.Maar nogmaals,in ons element zijn we pas, als het ons hoogste verlangen is geworden om God te prijzen en als dat van harte mag gaan.Want het komt hier niet op woorden aan, maar op een oprecht hart.


En keren wij dan nu nog eens tot onszelf in. Ontbreekt het ons niet vaak juist daaraan?Is de eer van God niet vaak zoek in ons leven?Komen wij niet veel te veel vaak alleen met klachten onder de ogen van God? Zou het niet goed zijn, als we Hem prezen, zelfs in de groot­ste smarten? Hij is 't zo waard. ‘Prijs de Naam van uwe God’ (Ps. 135 : 1a ber.). Alles wat Hij ooit aan u gedaan of geschonken heeft, is het er niet om Zijns grote Naams wil?! Grote God, wij loven U. U die woont op de lofzangen van Israel.Is die Naam van onze God ooit volprezen? Groter, heerlijker is Hij dan wij in onze lofliederen ooit kunnen zeggen.
Ja,en let er dan op, dat er juist zo van die eerste christenen geweldig veel uitging.Want we lezen, dat zij genade hadden bij het ganse volk en dat de Heere dagelijks deed tot de gemeente die zalig werden.Er ging een middelpuntzoekende kracht uit van dit volk.Het maakte de buiten­wacht jaloers. Er lag een geweldige werfkracht in dit Godverheerlijkend leven.
Wij zetten een heleboel evangelisatiewerk op touw. En t' is goed, dat we

er al het mogelijke aan doen om anderen voor Christus in te winnen. Maar evangelisatie is vooral een zaak van zijn. Al ons doen zal niets helpen, als we niet door genade geleerd hebben om er radicaal en helemaal voor God en onze naaste te zijn.Onopzettelijke evangelisatie. Zo uit het hart. Dat moet opvallen.Dan zal de wereld rondom ons het aan ons merken, dat we mensen zijn met een geheim.


Zij hadden genade bij het ganse volk. Dat betekent niet, dat we bij iedereen in de gunst staan.Wij kunnen niet met God en met de duivel tegelijk goede vrienden blijven. Naarmate mensen meer respect voor ons hebben, naar die mate schoppen ze soms ook des te harder tegen ons aan. Ze zullen je uitlachen, jongen/ meisje, als jij soms voor de Naam van Christus bent uitgekomen op school. Maar dat doen ze immers alleen maar, omdat ze diep in hun hart beseffen, dat jij iets kent wat zij missen.
Wat is het groot, dat er aan het slot van Handelingen 2 staat: ‘En de Heere deed dagelijks tot de gemeente die zalig werden’. Zo lezen we het vaker in het boek Handelingen. Het Woord van God wies. Het getal van die geloofden vermenigvuldigde. Een snelle uitbreiding tenslotte van 3000 naar 5000. Elke dag werden er mensen bekeerd. Er was stuwkracht des Geestes, naar binnen en naar buiten.
Waarom gebeurt dat vandaag zo niet meer? We leven in een tijd van afval, van teruggang. In grote delen van ons land schrompelt het gemeentelijk leven ineen. ‘De kerk schijnt althans in de ogen van de mensen zeer klein en tot niet gekomen te zijn’ (Ned.Gel.Bel., art.27).
Maar laten we niet klagen. Laten we eerst danken voor alles wat God ons nog gelaten heeft. De Heere houdt Zijn werk onder ons gelukkig nog in stand. En laten we ook niet vergeten, dat er staat: ‘De Heere deed…’. God zorgde voor voortgang en uitbreiding. Het lag niet aan wat mensen deden. Zij konden het niet op hun naam schrijven. En die God gaat door, ook vandaag.Want er zal niemand achterblijven, die door de Heere tot het eeuwige leven is uitverkoren.
Laat ons intussen ook bedenken, dat als in onze dagen de gemeente vermindert, dat dat dan vaak te wijten is aan onze laksheid en ‘weerbarstigheid’ (J.Calvijn). Waarom immers verto­nen wij zo weinig meer van die radicale overgave, van dat ongereserveerde leven uit Gods genade, van een liefde van God die jaloers maakt? Waar geen vuur is, kan niets gaan branden.Is er vuur bij u en bij mij? En is Christus u niet waard, dat u de mond over Hem opendoet?
Dagelijks werden er getrokken uit de macht van de duisternis en gebracht tot Gods zalige gemeenschap. ‘Het dal vol dorre doodsbeenderen werd levend, een gans zeer groot heir’ (Ez.37 : 1vv).
En de God Die dat gedaan heeft, leeft nog. Waarom zouden we van Hem ook voor onze tijd niet grote dingen verwachten?

Zalig worden.Gered worden van het eeuwig verderf.Teruggebracht worden uit onze diepe val in de zonde tot de heerlijke en verkwikkende gemeenschap met de Heere. Daar gaat het om. Dat is groot genoeg om ervoor op de knieën te liggen. Om erom te worstelen voor uzelf en voor allen die God op uw weg brengt.Want het is ook erg genoeg om een mens geweest te zijn, die tachtig jaar oud werd en die altijd maar geleefd heeft voor het zicht- en tastbare, voor vleselijke genietingen, voor zichzelf. Denk daar nog eens goed over na.


En vergeet het dan maar niet,dat de Heere geen lust heeft in onze dood, maar dat Hij niet wil, dat enigen van ons verloren gaan.

De deur is bij God nog niet op het nachtslot.Wie weet, hoe spoedig dat voor u wel het geval is.


Toen er 3000 waren op de eerste Pinksterdag, zei Petrus niet: ‘Nu is het genoeg; veel meer kunnen we er niet hebben’. En God zei dat nog veel minder.Het is een schare geworden, die niemand tellen kan. Niemand hoeft te zeggen: ‘Voor mij geen plaats meer; ik kom nooit aan de beurt’.

Er zijn nog steeds open armen bij God. En aan een vriendelijke uitnodiging ontbreekt het ook niet. Laat u dan zaligmaken.Verhard u niet, maar laat u leiden.


Amen.




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina