Preek over Hebreeën 11: 23



Dovnload 39.31 Kb.
Datum22.07.2016
Grootte39.31 Kb.

Preek over Hebreeën 11:23



Orde van dienst
Introituslied
1. Votum en groet

2. Psalm: 23:3

3. Wet des Heeren/ Apostolische Geloofsbelijdenis

4. Psalm: 6:2 / 72:9

5. Schriftlezing: Hebreeën 11:8-29

6. Gebed
Tekst:

Door het geloof werd Mozes, toen hij geboren was, drie maanden lang van zijn ouders verborgen, overmits zij zagen, dat het kindeke schoon was; en zij vreesden het gebod des konings niet.
7. Inzameling der gaven

8. Psalm: 147:2, 7

9. Prediking

10.Psalm: 118:3

11.Dankgebed

12.Psalm: 69:14

13.Zegenbede

* * *

Het gaat ook in het vers van onze tekst uit Hebreeën 11 (de rij van geloofshelden) over het geloof. Daarvan is veel te zeggen. Het is immers het geloof, waarvan in hoofdstuk 11:1 wordt gezegd: ‘Het geloof nu is een vaste grond van de dingen die men hoopt en een bewijs van de zaken, die men niet ziet.’

Dit geloof wordt in Hebreeën 11 steeds weer van een nieuwe kant bezien. Er worden voorbeelden van geloofsgetuigen genoemd, in wie altijd weer nieuwe en verrassende geloofskracht openbaar kwam. In de aan onze tekst voorgaande verzen ging het over Jozef. En nu (met een grote sprong) over Mozes. Ja, want met Jozef is het tijdperk van de aartsvaders afgesloten. Met Mozes begint een nieuw tljdperk, dat van Israëls verlossing uit Egypte, dat van de man Gods (Hebr.’isj Adonai’), de middelaar van het Oude Verbond.

Welnu, hoe blijkt ook uit het leven van Mozes de kracht van het geloof.

Reeds in de geboorte van Mozes komt voor de dag, hoe krachtig het geloof werkt. In Mozes’ geboorte, maar ook in de geloofsdaad van zijn ouders. Mozes’ geboorte is een Godswonder. Getuige het optreden van Amram en Jochebed, Mozes’ vader en moeder.1

Het gaat in het navolgende dan ook over: de kracht van het geloof, zich openbarend in de zuigeling Mozes. We zien daarin




  • hoe onbevreesd het geloof werkt en

  • hoe daadwerkelijk het handelt.

We kennen de ontroerende geschiedenis. Na Jozefs dood zijn weldra de dingen anders geworden in Egypte. Israël is niet langer welkom in dit land. De houding van de Farao’s is veranderd in een houding van vijandschap.


Wat moet dat volk hier eigenlijk? Het breekt uit in menigte. Het zal straks de zaak gaan overvleugelen. Dat zijn overwegingen van Farao’s die Jozef niet gekend hebben en die de drijfveer worden voor een zware verdrukking van Israël. De liefde voor het Godsvolk is omgeslagen in haat. Het Joodse volk mag zich niet langer uitbreiden. Het moet slavendiensten verrichten, tichelstenen maken en steden als Pitom en Raämses voor de Farao bouwen.2
En elk jongetje dat geboren wordt, moet sterven. De vroedvrouwen Sifra en Pua krijgen bevel om alle mannelijke kinderen die geboren worden, direct na hun geboorte te doden, door hen te verdrinken in de Nijl. Die rivier wordt binnenste de kortste keren een massagraf voor het Jodendom. Israël staat op de nominatie om als volk in de kiem gesmoord en planmatig vernietigd te worden
Het sein staat voor Israël dus bepaald op onveilig. Egypte was indertijd: toevluchtsoord voor Israël. Maar nu is het een oord van gevangenschap en ballingschap geworden. land. Beestachtig in één woord.

Dat is meer voorgekomen in de geschiedenis van het Godsvolk. Herinner u, hoe koning Herodes, kort na de geboorte van de Heere Jezus, bevel gaf om alle jongetjes van twee jaar oud en daaronder in Bethlehem met het zwaard te doden.Een schandelijke daad van een aartsvijand van het volk van de Joden.3 En daarbij is het niet gebleven. Wie denkt hier immers ook niet aan wat het volk Israël is aangedaan in de Tweede Wereldoorlog, aan de moord op zes miljoen Joden door Hitler en zijn Nazi-regiem: de zogenaamde Holocaust.


En nog tot op de dag van vandaag is Israël mikpunt van haat en discriminatie, van bomaanslagen en terreurdaden, in het Midden Oosten, maar ook haast overal in de wereld. Ik herinner aan wat we lezen in Psalm 2: ‘Waarom woeden de heidenen en bedenken de volken ijdelheid? De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen, tegen de Heere en tegen Zijn Gezalfde…’.(Ps.2:1v).
Maar laten we terugkeren tot de geschiedenis die in onze tekstwoorden wordt genoemd.

In een van de armelijke slavenwoningen in het land Gosen in Egypte wonen Amram en Jochebed. Zij zijn met elkaar getrouwd. Eigenlijk zijn zij ook familie van elkaar. Want Jochebed heet in Exodus 6:19 de moei (tante) van Amram. Zij hebben twee kinderen: Mirjam en Aäron. Een koningswens. Die beiden zullen wel geboren zijn, voordat de wet gemaakt was die de dood betekende voor alle Joodse jongetjes.



Welnu, gelet op het afschuwelijke bevel van de koning zouden Amram en Jochebed tot het besluit hebben kunnen komen om ervoor te zorgen, dat er maar geen kinderen meer bij zouden komen.
Maar wat gebeurt er? Jochebed raakt weer in verwachting. En dan komt de dag waarop zij baart. Blijde dag. Groot nieuws. Zij brengt een flinke jongen ter wereld. Een mooi kind. Hoe blij zullen zijn vader en moeder, en ook Mirjam en Mozes zijn geweest. Maar er is niet alleen blijdschap dat er een kind ter wereld is gekomen. Op dezelfde dag is er ook de grootste zorg in dat gezinnetje. Nee, de vroedvrouwen nemen de pasgeborene niet mee naar de Nijl om het te verdrinken. Maar wat moet er dan wel gebeuren? ‘De eerste kreet van het pasgeboren jongske klinkt Jochebed als een doodvonnis tegen en iedere glimlach van de zuigeling snijdt haar als een dolk door de ziel’ (Van Oosterzee).
Jochebed mag dit kind niet te drinken geven. Zij zal het moeten verdrinken volgens het bevel van Egypte’s Farao. Straks zullen zijn soldaten komen. Die hebben natuurlijk al wel gezien, dat Jochebed in verwachting was. Ze zullen, als alles achter de rug is, komen informeren, of haar kind een jongetje was en wat zijn ouders met hem hebben gedaan.
Wat te doen? Goede raad is duur. Maar als een mens ten einde raad is, kan hij dan niet het beste zijn handen vouwen en de Heere vragen wat hij moet doen? Amram en Jochebed zullen dat ook hebben gedaan.
Een ongeboren kind in de moederschoot doden, omdat het naar mensen berekening geen toekomst heeft, dat komt in onze dagen helaas al te vaak voor. En ook horen we in onze tijd herhaaldelijk, dat ontaarde moeders een kind na de geboorte van het leven beroven.
Maar deze gedachten zullen bij Amram en Jochebed niet zijn opgekomen. Daarom kunnen ze ook niet besluiten om hun lieveling in de Nijl te werpen. We lezen van hen, dat zij het gebod des konings niet vrezen. Ze verbergen hun jongetje. En het Hebreeuwse werkwoord dat voor ‘verbergen’ wordt gebruikt (sāfan) wordt dikwijls gebruikt voor het bewaren van een kostbaarheid (bijv.Ps.31:20).4
Dit kind zal niet sterven, maar leven. Ze zien, dat het schoon is. Een mooi kind alleen maar? Gaaf, alles erop en eraan? Welke vader en moeder bewonderen dat niet op zijn tijd in hun pasgeborene? Maar Amram en Jochebed zien nog iets meer in hun kleine. Ze zien in hem ‘uitnemende schoonheid’ voor God. Zo zal later Stefanus over hem spreken (Hand. 7:20). 5 De Heere moest er een bedoeling mee hebben, dat dit kind ter wereld kwam. Zijn ontvangenis was niet een ‘ongelukje’. En dat hij ter wereld kwam, was niet iets toevalligs. 6 De schoonheid van de wereld gaat weldra voorbij. Maar een kind dat schoonheid uitstraalt, omdat de Heere erin woont, is een groot wonder.
J.Calvijn schrijft in zijn verklaring van onze tekst: ‘In dit kind was een teken van zijn toekomende uitnemendheid, gedrukt in zijn aangezicht, dat wat bijzonders van hetzelve beloofde. Zo moet men dan niet twijfelen, dit kind aanziende, zo zijn ze opgewekt geworden om te hopen op de nakende (naderende) verlossing, omdat zij ook betrouwden, dat hun kind verordend was om grote zaken uit te richten.’
De Joodse geschiedschrijver Josephus vertelt, dat Amram op zijn vurig noodgebed reeds enige maanden tevoren een openbaring ontvangen had, dat dit kind het verdrukte volk zou verlossen. Maar dat kunnen we in de Bijbel niet lezen. Amram en Jochebed zullen zich niet bewust zijn geweest, dat dit kind nog eens Israël uit het slavenhuis van Egypte zou bevrijden. Toch wisten zij, dat hun kind schoon voor God was. Een kind van Gods volk, waarmee men niet naar believen handelen kon.Waar de Heere Zelf over waakte en waar Hij iets zeer bijzonders mee voor had. Dat geloof heeft hen sterk gemaakt, om tegen het gebod van de koning in te gaan. Het maakte hen onbevreesd.
Welk een zegen is het, als een kind zulke ouders heeft. Mensen die het niet alleen heerlijk vinden, als er op kraamvisite van hun kindje wordt gezegd: Wat een mooi kindje! Maar die ook geloven mogen, dat hun kleine mooi, kostbaar is voor God: een mensenleventje waar de Heere Zijn wijze bedoelingen mee heeft. En wat dit betreft komt het gelukkig ook vandaag nog voor, dat een vader of moeder met hun kind in hun gebeden voor Gods aangezicht verschijnen en er geloof voor krijgen, dat de Heere er Zijn Naam in zal verheerlijken.
Maar als er dan midden in de nacht opeens op de deur gebonsd wordt en wrede soldaten zich aandienen om het kind van Amram en Jochebed mee te nemen? Ja, maar – zo lezen we van die twee – zij vreesden het gebod van de koning toch niet. Zij waren onbevreesd. En dat is niet hetzelfde als onbezorgd. Zij moesten ook aan het werk. Ze hebben er alles aan gedaan om hun kind drie maanden lang te verbergen. En dat zal moeilijk genoeg zijn geweest. Want een kind van een enkele week of maand kan hard huilen. En hun kind zou daardoor, niets vermoedend, zichzelf als Joods jongetje hebben kunnen verraden.
Hoe het alles in zijn werk is gegaan, kan niemand precies zeggen. In elk geval zullen er geen geboortekaartjes zijn verstuurd en geen kraamvisites zijn ontvangen.
Kortom, het geloof van Amram en Jochebed maakte die twee sterk. ‘Wat zou een nietig mens hun doen?’ (Ps.118:3 slot ber.). Het ware geloof maakt onbevreesd. En het handelt tegelijk daadwerkelijk, kloekmoedig. Ik zeg nu maar verder niet veel over wat Amram en Jochebed na die eerste drie maanden hebben gedaan. Hebreeën 11 vertelt daar niet over. Maar we weten uit Exodus 2, hoe het is gegaan. Blijkbaar kon het kind na drie maanden niet langer verborgen worden gehouden.
Amram en Jochebed hebben hun kindje metterdaad naar de Nijl laten brengen; uit de deur gezet (zo Hand.7:21). Te vondeling gelegd, kunnen we ook zeggen. Ze hebben het in een waterdicht biezen kistje, met asfalt en pek bestreken, in de biezen aan de waterkant neergelegd.
Daar hield zijn zuster Mirjam de wacht. Misschien is het beter te zeggen wat John Owen ervan zegt: ‘Dit was een andere methode om het kind te bewaren’. Het geloof deed hen handelen. Het geloof legde hun kind onder de open hemel onder het wakend oog van God, als in ‘een ark des behouds’. En we weten, hoe dat afliep. Het kind is niet verslonden door een krokodil. Het is door een Egyptische prinses die in de rivier was gaan baden, geadopteerd. Zij is door de tranen van het huilende jongetje vertederd. En Mirjam heeft erin mogen bemiddelen om het kind ter verzorging door haar moeder voor de komende tijd weer naar huis mee te nemen. Later kreeg het de naam Mozes: Uit het water getogen. Vgl. Ex. 2:10.
Laat ons zien, gemeente, wat de Heere ons door dit alles te zeggen heeft.

Onze eerste gedachte is, dat het geloof onbevreesd werkt. ‘Zij vreesden het gebod des konings niet.’ Zo lezen we het in onze tekst. En dan te bedenken, dat dit gebod, uitgevaardigd door een goddelijke Farao, als een goddelijk gebod gold. Het ware geloof is ten nauwste verbonden met de vreze des Heeren. Maar dat is totaal iets anders dan: het vrezen voor mensen.

Als de Heere het ware geloof in ons werkt, gaan we met alles wat van de mens is, te gronde. Ons ik moet er tussenuit. Blijft over: dat wij met onze kinderen in zonde ontvangen en geboren en daarom kinderen des toorns zijn en aan allerhande ellende, ja aan de verdoemenis onderworpen (doopformulier).

Dat wordt in de vreze des Heeren geleerd. En staande bij de doopvont met onze kleine billijken wij dan het oordeel van God waaraan wij door onze zonden zijn onderworpen.


Dat is de ene kant. Maar het ware geloof maakt ons anderzijds ook onbevreesd, onbevreesd naar de kant van mensen. Het geloof staat desnoods alleen met God. Mensen moeten er tussen uit. Wij weten ons niet afhankelijk van de goedkeuring van mensen, maar ook niet van hun miskenning. Of het nu rijken of armen, machtigen en gewapenden of weerlozen en machtelozen zijn. Het zijn immers maar stervelingen die hooi worden zullen. God staat er boven. ‘Wat zal een nietig mens ons doen?’ Of om het te zeggen met de woorden van Jesaja 51:12: ‘Ik’ - zegt de Heere – ‘Ik ben het, Die u troost; wie zijt gij dat gij vreest voor de mens, die sterven zal? En voor eens mensen kind, dat hooi worden zal?’ Het ware geloof maakt ons teer als een lam en tegelijk moedig als een leeuw. Jezus heeft eens gezegd: ‘Mijn vrienden, vrees u niet voor hen die het lichaam doden en daarna niet meer kunnen doen. Maar Ik zal u tonen, Wie gij vrezen zult: Vreest Die Die nadat Hij gedood heeft, ook macht heeft in de hel te werpen; ja, Ik zeg u, vreest Die’ (Luk.12:3v).
Mag ik u vragen, of u daar wat van kent? Van huis uit zijn we allemaal bezet met mensenvrees. We zijn bang voor mensen, omdat we mensenhagers en ogendienaars zijn. En valse schaamte maakt ons tot mensen die geen goed woord voor Koning Jezus over hebben, zelfs niet, als de wereld om ons heen vloekt en tiert. Maar het geloof bewaart ons voor slaafse mensenvrees.
En mensenvrees moeten wij allemaal afleren. In de vreze des Heeren echter mogen wij weten, dat ‘het ons voor het minst is om geoordeeld te worden door mensen….Die ons oordeelt, is de Heere.’ Zie 1 Kor.4:3, 4. Hoe vaak moet het met ons tegen de stroom op, als wij in het geloof mogen leven. Wat komt er al niet tegenin? Maar de Heere leert Zijn kinderen ook hun vijanden lief te hebben en weerloos te zijn, als zij met de gebalde vuist voor ons staan. Door het kruis van mijn Heiland Die in mijn plaats bezweek onder de last van antisemitisme, haat en vijandenschap mag ik een vrije toegang hebben tot het Vaderhuis.
Zo werkt het geloof onbevreesd. Amram en Jochebed zullen wel eens ten eind raad zijn geweest. Ze hielden hun kind in leven, hoewel heel hun omgeving dat kind wel kon vermoorden. Maar dan mocht het toch zijn:
Zo ik niet had geloofd, dat in dit leven

Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou,

mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed gebleven?

Ik was vergaan in al mijn smart en rouw.

(Ps.27:7 a ber.)
Is dat niet de troost van de lijdende christenen die dagelijks geslagen en gemarteld worden om hun geloof? En mag dat niet ook de troost zijn van u die met al de wonden en zonden van uw leven schuilen mag achter Christus’ bloed? Ook van jou die een kind ter wereld bracht, dat ongewenst was, maar dat je niet in de moederschoot van het leven wilde beroven.
Laat het dan maar zijn:
Wanneer ik op mijn legersteê

aan U gedenk in stille nachten,

dan peinst mijn ziel met al haar krachten,

hoe Gij voorheen in angst en wee,

als mij de vijand wild’ omringen

mij vaardig zijt ter hulp geweest.

Dies zal ik nu ook onbevreesd

In schaduw van Uw vleug’len zingen.

(Ps.63:4 ber.)
Amram en Jochebed weerstonden het gebod van de koning. Dat was geloofsmoed. Nee, het bracht hen niet tot slavenopstand of tot burgerlijke ongehoorzaamheid. Ook zij zullen geweten hebben wat de apostel Paulus later schrijft in Romeinen 13:1: ‘Alle ziel zij de machten, over haar gesteld, onderworpen; want er is geen macht dan van God en de machten die er zijn, die zijn van God verordineerd.’ Ja, maar tegelijk is het ons geboden God meer gehoorzaam te zijn dan de mensen. Het is immers niet veilig iets tegen het geweten te doen.
Daarom is het zaak, dat wij een duidelijk ‘nee’ laten horen tegen alles wat tegen Gods geboden indruist.


  • Als de overheid abortus provocatus heeft gelegaliseerd;

  • Als iedereen om ons heen vindt, dat men met een vrij geweten kan gaan samenwonen in plaats van te trouwen;

  • Als vader en moeder tweeverdieners denken te moeten zijn om hun stand op te houden en de kinderen intussen verwaarloosd worden.

  • Als oude zieke mensen uit hun lijden verlost schijnen te moeten worden door het spuitje van de dokter bij zogenaamd uitzichtloos lijden;

  • Als zogenaamde kleine en grote criminaliteit hand over hand toenemen en de grondslagen van de maatschappij ondergraven;

  • Als zelfdoding normaal schijnt te worden, wanneer een mens het niet meer ziet zitten.

Zij vreesden het gebod des konings niet.


En dan tenslotte nog onze tweede gedachte. Het geloof in de God van Israël handelt ook daadwerkelijk. Dat kwam bij Amram en Jochebed openbaar in de verberging van hun kind, drie maanden lang. Het ware geloof zit nooit stil. Het christelijk geloof mag praktisch christendom zijn.

Begin maar dichtbij huis. In onze tijd lijkt het krijgen van kinderen amper zinvol. Jong gehuwden maken er zich wel grote zorg over, wat er van hun kinderen terecht moet komen in een wereld waarin zoveel onheilen plaatsvinden. Zij vragen zich af: Waar breng je kinderen voor ter wereld? Wat zullen zij nog moeten meemaken?



Er zijn mensen die liever een hond hebben dan een kind. Zij zien niet, dat God hen kan en wil gebruiken om kinderen groot te brengen, die Hem vrezen en dienen als koningskinderen en die erfgenamen mogen worden van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Beter dan al die wanhoopsgedachten immers is het geloof, dat elk kind uniek is en er mag zijn om zijn Schepper te loven en te prijzen. Schoonheid zien in je kind. Weten dat de Heere er wat mee voor heeft en dat het de Heere mag toebehoren, omdat het in de baarmoeder reeds is geheiligd.
Leg uw kind dan maar voor rekening van de God van het verbond. Laat het teken van de doop voor u als ouders een pleitgrond zijn. Ook al hebt u er bij het opgroeien van dat kind nog zoveel mee te stellen. Ook al ziet u het soms tijden lang afdwalen. Ook al moet u wel met hem door diepe dalen. ‘Een kind houdt je jong’, zeggen we wel eens. Een kind kan je ook dicht bij God houden. Amran en Jochebed hebben gelukkig niet gezegd: wij trouwen maar niet; want er is toch geen toekomst voor een kind dat als slaaf geboren wordt. Ze zeiden ook niet: We zijn wel getrouwd, maar we kiezen ervoor om kinderloos te blijven; ‘zalig de onvruchtbaren….’ (Luk. 23:29).
Verwacht liever voor uw kinderen wat goeds, omdat de God van het verbond zo goed is. De moeder van de bekende Hoedemaker (aldus ds. Bartlema in zijn boek Wereldoverwinnend geloof) had reeds voor zijn geboorte van God de belofte ontvangen, dat haar kind voor Neêrlands kerk tot grote zegen zou zijn. En hoewel gedoopt in de afgescheiden gemeente van ds. Scholte te Utrecht en hoewel voor een tijd geëmigreerd naar Amerika, heeft hij voor Nederland en voor de Vaderlandse Kerk alhier later grote betekenis gekregen. Wat een moeder voor haar kind van God al niet verwachten mag. Gezegende moeders die hun kind aan de hand tot Jezus brengen; die met God worstelen om hun behoud en die het durven geloven wat de moeder van Augustinus geloofde (ook toen haar jongen nog midden in de wereld leefde): ‘Een kind van zulke tranen kan niet verloren gaan’ (het troostwoord dat bisschop Ambrosius haar toevoegde).
Hoe kan het, dat in Rusland de godsdienst niet is uitgestorven, hoewel het communisme de mensen het atheïsme heeft ingepompt en elke godsdienst met wortel en tak wilde uitroeien? Wel, er zijn moeders en vooral ook grootmoeders geweest, die kinderen in hun prilste levensjaren op schoot hebben genomen en van Jezus hebben verteld.
Een Schriftverklaarder (M.Henri) schrijft: ‘Soms geeft God al vroeg een proeve van Zijn gaven, en openbaart Zich tijdig in hen, voor wie en door wie Hij van plan is grote dingen te doen. Zo heeft Hij vroeg grote kracht gelegd in Simson (Richt. 13, 24, 25), grote ijver in Samuël (1 Sam. 2: 18) en heeft Hij ook vroeg een verlossing gewrocht door David (1 Sam. 17: 37) en betoonde Hij al vroeg Zijn werk in Timotheüs (2 Tim. 3: 15).
Wij leven in een wereld - ook wij - die steeds dreigender wordt.Er lijkt geen toekomst te zijn, vooral niet voor onze kinderen. Maar waar God geloof geeft (Hij geve het ook ons) gaan we hoopvol voort. ‘Ons is een beter lot bereid, onze heilzon is aan ’t dagen.’
Want: ‘Het geloof nu is een vaste grond der dingen, die men hoopt en een bewijs van zaken, die men niet ziet’ (Hebr. 11:23).
Amen.

1 Zij worden eerst verderop in het boek Exodus met name genoemd, nl. in Ex.6:19 (zie ook Num.26:59).

2 Ex.1:11: Pitom en Raämses. ‘Met de in dit vers vermelde bouw van deze steden kunnen wij met alle moderne commentatoren de nieuwe koning over Egypte identificeren met Ramses II (1292-1225 v. Chr.)’, aldus dr. F. C. Fensham,Exodus (De prediking van het Oude Testament); 2e aangevulde druk. Nijkerk 1977, blz.16. Anderen ontkennen evenwel, dat hij de Farao van de verdrukking is geweest.


3 M.Henri schrijft bij de verklaring van onze tekst: ‘In de vervolging van Mozes was hij een type van Christus, die vervolgd werd zodra hij geboren was en wiens ouders verplicht waren tot zijn behoud met hem in Egypte te vluchten.’

4 Aldus dr.F. C. Fensham, Exodus, a.w. blz.19, noot 2.

5 Het Griekse woord voor ‘schoon’ dat in Hebr.11:23 en in Hand.7:20 wordt gebruikt is ‘asteios’. Het betekent: welgevallig. En als er in Hand.7:20 in de Griekse tekst bijstaat ‘tooi theooi’ kan dat betekenen zoals de kanttekeningen van de Statenvertaling het weergeven: Gode schoon, dat is: goddelijk of uitnemend schoon (vooral ook in de ogen van de dochter van Farao). Maar het kan ook inhouden, dat dit kind Gode welgevallig was.

6 M.Henri schrijft. ’Er was in hem iets ongewoons; de schoonheid des Heeren straalde uit hem, als een voorspelling dat hij tot iets groots geboren was, en dat door omgang met God eens zijn aangezicht zou stralen, Ex. 34:29, welke schitterende daden hij zou doen voor de bevrijding van Israël; en hoe eenmaal zijn naam zou schitteren in de gewijde geschiedenis. Soms, niet altijd, is het uiterlijk de spiegel van het inwendige.







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina