Preek over Lev. 16: 21



Dovnload 38.77 Kb.
Datum25.08.2016
Grootte38.77 Kb.
Preek over Lev. 16:21
Orde van dienst
1. Votum en groet

2. Psalm: 63:1

3. Wet des Heeren/ Apost.Gel.

4. Psalm: 79:4 / 72:11

5. Schriftlezing: Lev. 16:1-22

6. Gebed


7. Tekst: Lev.16:21
En Aäron zal beide zijn handen op het hoofd van de levenden bok leggen en zal daarop al de ongerechtigheden der kinderen Israëls, en al hun overtredingen naar al hun zonden belijden, en hij zal die op het hoofd van de bok leggen, en zal hem door de hand van een man die voorhanden is, naar de woestijn uitlaten.


  1. Leg uw handen op de zondebok
  2. Belijd uw ongerechtigheden

  3. Laat Jezus Christus uw schuld voor Zijn rekening nemen

4. Haat en laat de zonde


8. Inzameling der gaven

9. Psalm: 103 :1, 6

10.Prediking

11.Psalm: 40:2, 4

12.Dankgebed

13.Psalm: 84:2, 6

1­4­.­Z­e­g­e­n­b­e­de.


* * * *

De ceremoniële dienst van de offers in de tempel van oud-Israël, gemeente is een rijk en veelkleurig getuigenis van de grote liefde van God. We kunnen die vergelijken met een mozaïek waarvan de stenen alle bij elkaar het toonbeeld zijn van de grote Middelaar Jezus Christus. Het is als een symfonie (een onvoltooide) die in schone thema’s het volbrachte werk van de Zaligmaker laat horen.


Deze morgen worden wij geroepen om aan de hand van de tekst voor de preek de grote verzoendag van Israël mee te gaan vieren. Een feest, door de God van Israël ingesteld om de verzoeningsgezindheid van de Heere tot uitdrukking te brengen. Van zo’n dag was er onder Israël slechts een in het jaar. Op deze dag (de 10e Tisjrie) kwam heel het volk samen om het in de tempel mee te beleven, dat God een God was van genade.
Op die verzoendag nu werden er twee bokken in het heiligdom binnengebracht. En het lot moest uitmaken, welke van die twee bokken geslacht moest worden en geofferd op het brandofferaltaar en welke bok er de woestijn in moest worden gestuurd. Het bloed van de eerste bok werd door de hogepriester in een schaal meegenomen naar het heilige der heiligen en daar sprenkelde hij dat bloed op en voor het verzoendeksel dat op de ark der getuigenis lag, vlak voor het aangezicht van de Heere. Zo werd er verzoening gedaan voor de zonden van het volk, nadat de hogepriester eerst voor zichzelf verzoening had gedaan. Vgl. Hebr. 9:7vv.
De God van Israël kan geen zonde door de vingers zien. Het bloed van offerdieren moest eraan te pas komen om de zonde weg te doen van voor Gods aangezicht. Maar als dat bloed van de verzoening eenmaal had gevloeid, deed de Heere de zonde ook weg om er nooit meer aan te denken. Hij wierp ze in de diepte van de zee. Hij wierp ze achter Zijn rug en keek er niet meer naar om.
1. Leg uw handen op de zondebok
Maar als de ceremonie met het bloed van de geslachte bok was volbracht, stond daar in de tempel nog steeds die andere bok. 1 Die moest niet geslacht en geofferd worden. Op dat dier werden eerst de zonden van Israël gestapeld, doordat de hogepriester met alle macht op de kop van dat dier leunde en de zondenlast als het ware overdroeg op die zondebok. 2

Daarna werd het dier weggejaagd, zodat het zich nooit meer kon vertonen in het legerkamp van Israël. Iemand die daar juist op dat moment gereed stond, 3 moest het dier meenemen en zo ver als ‘t maar kon, de woestijn in brengen en daar loslaten.


Weg met die zondebok. Weg met de zonde. De zonde hoort niet thuis onder Israël. Ze moet worden weggedaan. Voorgoed. Zodat ze niet langer het bange geweten van de mens nog meer kan verontrusten of de kans krijgt opnieuw te gaan heersen over de harten. En aan het eind van de dag waarop die bok de woestijn in was gestuurd, is hij stellig een prooi geworden van het wild gedierte.4
Zo ver het West verwijderd is van ’t Oosten,

zo ver heeft God, om onze ziel te troosten,

van ons de schuld en zonde weggedaan.

(Ps.103:6b ber.)


U vindt het wellicht een merkwaardig gebeuren. Het is ook niet allemaal meteen duidelijk wat de grondtekst van ons tekstgedeelte bedoelt. Daar lezen we namelijk in het 8e en 10e vers een woord dat door de Statenvertaling is weergegeven met: weggaande bok, maar dat ook onvertaald zou kunnen worden weergegeven met: voor Azazel. De ene bok voor de Heere, de andere voor Azazel. Is dat misschien de aanduiding van een bepaalde plaats in het Sinaïgebergte? Ik wil u niet vermoeien met de vele uitleggingen die verklaarders hiervan geven. Het beste is vast te houden, dat de woestijn voor het gevoel van de Israëliet steeds de plaats van onreinheid is geweest. De woestijn is het symbool van verlatenheid, uitzichtloosheid en angst. Een kind van God kan in de woestijn slechts schreeuwen van godsgemis.
O Heer’, mijn ziel en lichaam hijgen

en dorsten naar U in een land

dat dor en mat van droogte brandt,

waar niemand lafenis kan krijgen.

(Ps.63:1b ber.)
De woestijn is het gebied waar boze geesten huizen, zoekende rust. Daar heeft de duivel de alleenheerschappij.
Vermoedelijk zal ‘azazel’ dan ook een naam zijn van een van die boze geesten. In de zondebok werd dus de zonde naar het sinistere terrein van de boze geesten en de duivelen verwezen. Daar hoorde de zonde thuis. Israëls God had ermee afgehandeld. Hoe blij en verrukt van zielenvreugd kon elke gelovige onder Gods oude verbondsvolk met dit alles zijn.
God deed de zonde weg van onder Zijn ogen en van onder de ogen van Zijn volk. Daarom kon Israël wel jubelen: ‘Laat ons verheugd, van zorg ontslagen, Hem roemen die ons blijdschap geeft (Ps.118:12 ber.).’5
Nu, de Heere heeft er zeker Zijn wijze bedoelingen mee gehad om deze dingen in Zijn Woord een plaats te geven. En ook al zijn de voorschriften met betrekking tot de Grote Verzoendag voor ons niet meer van kracht, wij kunnen er veel uit leren. Want ook van deze dingen geldt wat de apostel Paulus schreef, namelijk dat ze ons tot voorbeeld zijn. Iemand schreef: ‘Israëls verzoening met God was niet anders als een voorschot op de grote schuldvoldoening aan het kruis door Jezus Christus.’ Ik zou het zo willen zeggen: in de zondebok van de grote verzoendag onder oud-Israël ligt een prediking van Jezus Christus en wat Hij voor zondaren heeft gedaan.
Wij weten wat het woord zondebok betekent. Iemand die altijd van alles de schuld krijgt, noemen wij: een zondebok. Soms betekent dat ook, dat we de ene ellende na de andere op iemand verhalen. Nu, zo is het ook met de Heere Jezus Christus. Hij draagt plaatsvervangend de schuld.

2. Belijd uw ongerechtigheden

Maar laten we nu eerst tot onszelf inkeren en ons verootmoedigen voor de Heere, gemeente. Want wij kunnen niet de heilrijke betekenis van de ceremonie met de zondebok op de Grote Verzoendag ons inleven, als het niet tot ons doordringt wat de zonde eigenlijk is. In ons tekstgedeelte worden drie verschillende woorden voor zonde gebruikt.



  1. Zonde (Hebr.’awon’; Gr.’anomia’) is:ongerechtigheid, van de rechte weg afbuigen; kwade gezindheid/ kwade trouw. Dit woord wil zeggen, dat ik kromme wegen bewandel, wegen die mij verwijderen van God en van mijn levensdoel. En dat alles bepaald niet bij vergissing.

  2. Zonde (Hebr.’pesja’; Gr.’adikia’) is: overtreding. Ik ga elke dag in velerlei opzicht over de schreef. Ik overschrijd de grens tussen mijn Schepper en mij, als ik mezelf overschat, hoogmoedig en opstandig ben; ik ben een rebel.

  3. Zonde (Hebr.’chattat’; Gr.’hamartia’) is: naast het doel schieten; een misstap begaan, mislukken. Ik richt me niet langer op God en mis Zijn liefde. Ik ben een doelmisser. Doordat ik de door God gestelde orde schendt. Zonde is niet zozeer: niet beantwoorden aan wat andere mensen van mij willen of niet beantwoorden aan wat mijn geweten kwaad noemt.

De ernst van het kwade is met één woord niet uit te drukken. Helaas, wij gebruiken het woord zonde in het dagelijkse spraakgebruik wel als een synoniem voor: jammer. Maar in de Bijbel is zonde iets dat scheiding maakt tussen God en ons. Wij mensen, u en ik, zijn schepselen van God. Dat betekent, dat we volkomen afhankelijk zijn van Hem en op Hem zijn aangewezen, op Zijn heilige geboden die ons tot nut zijn gegeven. Wij kunnen alleen recht aan onze bestemming beantwoorden, als we wandelen in de wegen die de Heere ons in Zijn Woord wijst. Die geboden van de Heere zijn als het water voor een vis en als de lucht voor de vogel.


Mag ik u vragen, of u het al geleerd hebt, dat u niet slechts zo nu en dan even de plank mis slaat, maar dat u met God gebroken hebt, dat u in feite een vijand van God en van Zijn genade bent. U en ik doen niet alleen de zonde, wij zijn zonde. Zonde is een verkeerde gerichtheid van mijn wil, van mijn gevoel en gezindheid. En hoe kan dat ooit weer goed komen? Is het ooit uw zorg geworden, of er nog een weg is, waardoor u aan de welverdiende straf kunt ontgaan en weer tot genade komen?
Nu, in deze grote verlegenheid heeft de God van Israël raad verschaft. Hij heeft voor een zondoffer en ‘zondebok’ gezorgd, op Wie mijn zonden gestapeld zijn. Luisteren we nog eens goed naar de boodschap van Leviticus 16. De zogenaamde weggaande bok, de bok die de woestijn in werd gestuurd, werd door loting aangewezen. Maar Jezus Christus is de van eeuwigheid door de Vader aangewezen Zondebok. Hij in de volheid van de tijd tot zonde gemaakt. Al de ongerechtigheden en overtredingen van zondaren als u en ik zijn op Zijn hoofd gestapeld.

Zoals de hogepriester de zonden van Israël op de kop van de zondebok overdroeg. En met die schuld beladen is Jezus de woestijn ingestuurd. Hij hing daar op Golgotha in Zijn uiterste godverlatenheid; uitgestoten uit de gemeenschap met Zijn Vader. Daar kreeg de duivel vrij spel. De macht van de hel wierp zich op Hem. ‘Indien Gij Gods Zoon zijt, zo kom af van het kruis’ (Matth.27:40b).


Denk het u nog een ogenblik in, wat dat voor die weggaande bok uit Leviticus 16 is geweest, toen hij uitgelaten werd in de woestijn en daar de donkere nacht moest doorbrengen. Zonder eten of drinken. Bespied en besprongen door het wild gedierte. Zulke gevoelens moeten zich ook meester hebben gemaakt van onze gezegende Middelaar aan het kruis. Hoor, hoe Hij dat onder woorden bracht, toen hij, droevig en zeer beangst, tegen Zijn discipelen zei in Gethsémané: ‘Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe…’ (Mattth.26:37v). Dat is de uitwerking van de zonde, door Christus zo aan den lijve ondervonden, dat zijn zweet werd tot grote druppels bloed.

3. Laat Jezus Christus uw schuld voor Zijn rekening nemen

Mag ik Hem zo vanmorgen aan u kwijt, gemeente? Uw schuldovernemende Borg. Is er iemand onder ons die ten einde raad is, omdat hij beseft tegen een heilige en goeddoende God gezondigd te hebben? Leef het u in, welk een vreugde het voor een vrome Israëliet moet zijn geweest, als hij de zondebok zag weggaan, de woestijn in, beladen met de zonden. Weg, weg ermee.


De schuld Uws volks hebt G’ uit Uw boek gedaan,

ook ziet Gij geen van hunne zonden aan.

(Ps.85:1m ber.)
De zonde en de straf op de zonde is weg, onder de ogen van God vandaan. Voor eeuwig. Hoe heerlijk wordt daarvan getuigd door Jeremia: (Jer.50:20) ‘In die dagen en te dier tijd, spreekt de Heere, zal Israëls ongerechtigheid gezocht worden, maar zij zal er niet zijn, en de zonden van Juda, maar zullen niet gevonden worden; want Ik zal ze aan hen vergeven, die Ik zal doen overblijven’.
Weet u wat u moet doen? Doe als de hogepriester. Leg uw besmeurde handen op Christus’ Hoofd. Leun met heel uw gewicht op Hem. Geloven in Hem betekent: overdracht van al uw zonden en vervreemding van God. Hij neemt het alles graag van u over. Of wilt u er ten diepste niet van af? Houdt u het toch liever in eigen handen? Maakt u het liever zelf in orde met God? O zeker, het is iets vernederends om een ander uw zaken te laten behartigen.U denkt het met beloften van levensverbetering

wel te kunnen redden bij God. Maar vergeet niet, dat dit doodlopende wegen zijn. Bovendien doet u op deze manier de Heere Jezus oneer aan. Als zou Zijn offer aan het kruis voor u niet nodig zijn geweest. In het huidige Jodendom is berouw over de zonde reeds iets verzoenends. Maar voor de christen is berouw slechts iets dat heenleidt naar het grote Zoenofffer van Golgotha. 6



4. Haat en laat de zonde

Maar nu is er nog iets dat uw aandacht niet mag ontgaan. Er is een opmerkelijk verschil tussen de twee bokken waarvan Leviticus 16 ons vertelt. De ene bok werd geslacht en zijn bloed werd in het binnenste heiligdom gebracht om verzoening te doen voor de zonden van de hogepriester en van het volk. De andere bok bracht het er levend af. Maar dat was slechts van korte duur. Hij zou, zoals gezegd, in de woestijn waarheen hij verdreven was, of door de honger en dorst of door het wild gedierte sterven.7


Door deze ceremonie van de verdrijving van de zogenaamde weggaande bok liet de Heere aan Zijn volk zien, dat er niet alleen verzoening voor hun zonden gedaan moest worden, maar dat de zonde ook de deur uit gedaan moest worden. Weg ermee. Om het dogmatisch te zeggen: wij moeten niet alleen gerechtvaardigd worden, maar ook geheiligd. Ons leven moet niet slechts van de schuld der zonde worden bevrijd, maar ook van de smet van de zonde.

Maimonides, een Joods geleerde van naam uit de Middeleeuwen, heeft eens gezegd, dat als iemand zijn zonde voor God belijdt, hij tegelijk zich heilig voornemen moet ook het kwaad dat hij bedreef niet meer te zullen doen. Dat laatste is volgens Maimonides, ook een kenmerk van waar berouw. Wie zich niet voor Gods aangezicht wil ontdoen van de zonde, kan niet geacht worden oprecht berouw te hebben.


Wij moeten onze zonden niet alleen oprecht aan God belijden, maar ook haten en laten. Onze Heidelbergse Catechismus noemt dat de waarachtige bekering van de mens (zie Heid.Cat., zondag 33). Deze bestaat in twee stukken:

  • in de afsterving van de oude mens; dat is een hartelijk leedwezen, dat wij God door onze zonden vertoornd hebben en die hoe langer hoe meer haten en vlieden; en

  • in de opstanding van de nieuwe mens; dat is een hartelijke vreugde in God door Christus, en lust en liefde om naar de wil van God in alle goede werken te leven.

Dat brengt dagelijkse strijd mee. Niemand kan zeggen: ‘Ik ben bekeerd; dus kan mij geen kwaad deren’. Enige tijd geleden had ik een gesprek met een meisje van achttien jaar. Zij vertelde mij, dat zij tijdens een meeting van Billy Graham in Duitsland was bekeerd. ‘Bekeerd met een d (voltooid verleden tijd)?’, vroeg ik haar. ‘Wat bedoelt u?’, zei zij. Daarna heb ik haar gezegd, dat ik heel blij was, dat er een punt was komen te staan achter haar oude leven in de zonde, maar dat dit ook het begin moest zijn van een dagelijkse strijd tegen het kwaad dat in haar zou blijven leven.
Een jonge man vroeg eens aan een bejaarde christen, wat het betekende, dat hij dood moest zijn voor de zonde. ‘Ga naar de begraafplaats’, zei de man ‘en roep de doden.’ Even later kwam de jongen terug en zei: ‘De doden willen niet komen’. ‘Probeer het nog eens en roep wat harder’, zei de oude man. Maar opnieuw kwam de jongen terug met de boodschap: ‘De doden willen niet komen’. ‘Wel’, zei toen de bejaarde christen, ‘zo moet jij dood zijn voor de roep van de zonde.’ Buiten schot van het kwade. Buiten bereik ervan door Christus Die beslag op je legt.
Zo dood zijn voor de zonde als de zondebok in zijn dood in de woestijn. Want te leven uit het volbrachte Zaligmakerswerk van Christus maakt ons gelukkig. Het geeft ons een vrede die alle verstand te boven gaat. Maar het geeft ons ook kracht om weerstand te bieden aan de vele verlokkingen van de zonde. Daar hebben we dan geen boodschap meer aan. Het leven in de zonde kan ons niet meer bekoren.
Dat wil niet zeggen, dat we reeds in dit leven zonder zonde gaan leven. We hebben – om met het formulier van het Heilig Avondmaal te spreken – ‘ons geweten te onderzoeken, of wij ook gezind zijn met ons ganse leven waarachtige dankbaarheid jegens God de Heere te bewijzen en voor Gods aangezicht oprecht te wandelen; en ook of wij zonder enige geveinsdheid alle vijandschap, haat en nijd van harte afleggende een ernstig voornemen hebben om van nu voortaan in waarachtige liefde en enigheid met onze naasten te leven.’
En dan blijft het waar wat datzelfde formulier even verderop zegt: ‘Dat wij nog vele gebreken en ellendigheid in ons bevinden, als namelijk: dat wij geen volkomen geloof hebben, dat wij ons ook met zulk een ijver om God te dienen, niet begeven als wij schuldig zijn; maar dagelijks met de zwakheid van ons geloof en de boze lusten van ons vlees te strijden hebben…’.
Maar aangezien ons zulke gebreken door de genade van de Heilige Geest van harte leed zijn en wij begeren tegen ons ongeloof te strijden en naar alle geboden van God te leven, zo zullen wij gewis en zeker zijn, dat geen zonde noch zwakheid, die nog tegen onze wil in ons overgebleven is, ons kan hinderen, dat God ons niet in genade zou aannemen…
Dat alles, gemeente, mag midden in de strijd van de heiliging, als wij door Gods Geest de zonde uit ons leven bannen, onze troost zijn. Volgens een Joodse geschiedschrijver vielen de priesters en het volk op het moment dat de zondebok de woestijn in werd gestuurd, op hun aangezicht ter aarde en riepen: ‘Gezegend zij de naam van Gods heerlijk Koninkrijk tot in eeuwigheid.’
En met die aanbidding willen wij de preek beëindigen.
Hij geeft m’ opnieuw een danklied tot Zijn eer,

een lofzang. Velen zullen ’t zien

en God eerbiedig hulde biên,

Hem vrezen en vertrouwen op den Heer’.

Wel Hem, die ‘t Opperwezen

dus kinderlijk mag vrezen,

op Hem vertrouwen stelt,

en in gevaar geen kracht

van ijd’le trotsaards wacht,

van leugen of geweld.



(Ps.40:2)
Amen

1 Deze bok heet in vs.10: de bok voor Azazel. Het Hebreeuwse woord ‘zazal’ kan worden vertaald met: weggaande (dus: om weg te zenden). De Statenvertaling ziet in dit woord een samenstelling van ‘ez (bok) en ‘azal – weggaan. De vulgaat leest: capro emissario. De King James vertaling heeft: scapegoat. Dr. W.H. Gispen geeft de letterlijke betekenis aldus weer: een bok om te verwijderen, namelijk de zonde en onreinheid, maar kiest als vertaling voor: voor Azazel’ (parallel aan de eerste bok: voor de Heere), een woestijndemon (demonen huizen in de woestijn; vgl. Deut.32:17; 2 Kron.11:15; Ps. 106:37; Jes.13:21; 34:14; Zach.5:6v; Matth.12:43; Luk.11:24; Openb.18:2;(a.w., blz.243).

2 ‘Het leggen door Aäron van zijn beide handen op de kop van die bok is hier duidelijk een zinnebeeldige handeling, die de schuldbelijdenis begeleidt en het leggen van de zonden op de kop van die bok uitdrukt, dus: overdracht. Aldus Dr. W. H. Gispen, Het boek Levicitus (Commentaar op het Oude Testament); Kampen 1950; blz. 38; op 249 schrijft Gispen: ‘De zonden zijn door deze handeling van Aäron zinnebeeldig op de kop van de bok gelegd, dus op de bok overgedragen. Deze is met die zonden beladen en neemt de plaats in van de Israëlieten, die ermee beladen waren. De bok is daardoor in staat, al de schulden der Israëlieten uit de legerplaats weg te dragen, zie ook vs 10 en 22.’

3 Zo kan men de Hebr.woorden ‘bejad isch itti’ het beste vertalen.De man staat daarvoor gereed. Dat dat iemand is die van tevoren daarvoor is aangewezen (volgens de Joodse overlevering), is uit de tekst niet af te leiden.

4 De afbeelding is een schilderwerk van William Holman Hunt.

5 Volgens een traditie in het Jodendom ging de man met de bok van Jeruzalem naar de woestijn om daar (nabij het tegenwoordige bêt-chudêdûn ten Oosten van de stad) de bok van de top van een rots naar beneden te werpen, zodat hij daarop te pletter viel. Aldus Dr. W. H. Gispen, a.w., blz. 250. De tekst zegt echter niet meer dan dat het dier weggeleid werd naar de woestijn (LXX: ‘eis gèn abaton’). De afbeelding is een foto van de woestijn van Juda.

6 Jom-Kippoer (Grote Verzoendag) valt in het Jodendom op de 10 tisjrie (zevende maand). De eerste van deze maand is Nieuwjaar (Rosj-Hasjanàh). Op deze Joodse Nieuwjaarsdag beginnen de tien dagen van inkeer (‘tsjoeva’). Zij dienen tot voorbereiding voor de Verzoendag. Op de avond van de Grote Verzoendag heeft het zg.Kol-Nidre (alle geloften) plaats. De Jood belijdt in deze melodie zijn falen in het gestand doen van geloften, die hij deed tegenover God.’Voor het huidige Jodendom ligt op de Verzoendag het zwaartepunt op de schuldbelijdenis tegenover God en de verzoening met de naaste, wanneer men met deze iets heeft’. Zo Prof. Dr. B. J. Oosterhoff in Christelijke Encyclopedie; 2e geheel herz.druk; Kampen 1961, s.v. Verzoendag. Zie ook Rabbijn S. Ph.de Vries Mzn, Joodse riten en symbolen; Amsterdam, 6e druk 1986, s.v. Grote Verzoendag.

7 J.Calvijn schrijft, dat ‘het weggaan van de bok het volk te zekerder hiervan zou overtuigen, dat hun zonden waren weggedaan. En dit offer was in de wet het enige zoenoffer zonder bloedstorting…’ ‘Wat nu het woord Asasel aanbelangt, of schoon de uitleggers verschillen, twijfel ik niet, of daarmee wordt de plaats aangeduid,waarheen de bok der verzoening werd gebracht. Althans is het een samengestelde naam, welke even dezelfde kracht heeft als het “weggaan” van de bok, hetwelk de Grieken door ‘apopompaion’ vertaald hebben…’ ‘De bok werd naar ‘een eenzaam en minder bewoonbare streek gevoerd en zo zou de vloek Gods niet bij het volk blijven.’ Uit Dächsel’s Bijbelverklaring (Sneek 1892) deel 1; blz.532 onder Lev.16:7.







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina